De Vereniging 'De Marke' staat publicatie van de tekst van het boekje op mijn website toe (per email, secr. Mevr. C.C. Uenk-Dirksen, d.d. 6 november 2006). De Vereniging had op dat moment geen contact met de heer Van Lohuizen. De auteur heeft mij nadien geschreven. Wie contact zoekt met de heer Van Lohuizen kan mij mailen email, dan geleid ik het verzoek aan hem door.
De originele paginering van de gestencilde brochure is hieronder tussen haakjes aangegeven. De foto's en de getekende illustraties zijn overgenomen, voorzover onvervangbaar (de getekende wilde planten zijn door foto's vervangen). Wie over geschikte afbeeldingen beschikt, of ander beeldmateriaal betreffende Het Woud in de 19e eeuw: dat zou ik graag gebruiken. Ik heb zoveel mogelijk de letterlijke tekst - inclusief het overvloedig gebruik van dubbele aanhalingstekens - en de layout van Van Lohuizen gevolgd. De layout is anders door de html-systematiek die van een gestencild boekje een webtekst maakt. ben w.

Voor meer informatie over en rond het Beekbergerwoud
http://nl.wikipedia.org/wiki/Beekbergerwoud

Aan het Beekbergerwoud gewijde uitzending van Onvoltooid Verleden Tijd, 2 januari 2011, met dank aan Jan Trapman voor de tip
http://content1b.omroep.nl/61bd724149688d67acc2cfcb62ee650a/4d206e2b/radio1/vpro/ovt2/20110102-11.mp3



Het Beekberger Woud.

De geschiedenis van een verloren oerbos ....

H. van Lohuizen (1980).
Eerbeek: Oudheidkundige Vereniging De Marke.



foto
Topografische en militaire kaart van het Koninkrijk der Nederlanden. Zutphen. 33. http://www.gelderlandinbeeld.nl/. Dezelfde afbeelding als door Lohuizen gebruikt, over een iets groter gebied en iets meer westelijk verschoven. b.w.


[Situatie vóór E8 en A50]



foto "Gord nu als een man
uw lenden,
zo zal Ik u vragen,
en onderricht Mij.

Waar waart gij,
toen Ik de aarde grondde?
Geef het te kennen,
indien gij kloek van verstand zijt."

Job, hoofdstuk 38

afb. ontleend aan www.flevoland.to. Wolverlei of valkruid Arnica montana, afb. ontleend aan soortenbank.nl. b.w.

[Wolverlei of valkruid]



Inhoud:

I       Inleiding

II     Een wildt en bijster landt
II-1   De lage landen bij de zee
II-2   De middeleeuwse heide-mij-ers
II-3   Het ontstaan van de marken

III     Het Beekberger Woud in de stukken
III-1   Markeboeken en registers
III-2   Erfholtrichters en "richteressen"
III-3   Een Woud, wat doe je ermee?

IV     De exploitatie van het Woud
IV-1   Des winters, als het regent ...
IV-2   Turf, plaggen en koeien

V     Het Woud onder de hamer

VI     De ontginning van Het Woud
VI-1   Waarom het zover kwam
VI-2   Oerbos bij de gratie van een zendrug
VI-3   "Gelijk de eekhoorns..."
VI-4   "Bezaaijen en oogst"
VI-5   Paarden voor Jan Soldaat
VI-6   De boerderij
VI-7   De bewoners van het landgoed

VII     ..."Verloren monument van de voormalige natuur".
VII-1   Bloemrijke taal
VII-2   Voer voor archeo- en andere "logen"
VII-3   De flora van het Woud

VIII     Tenslotte

IX     Literatuur-overzicht.
-1-

I Inleiding


Toen Defensie beslag wilde leggen op een deel van de destijds nog niet eens ingepolderde Lauwerszee, kwamen actie- en milieugroepen bijna letterlijk in het geweer. Het is in 1980 eigenlijk vanzelfsprekend, dat we actie voeren voor het behoud van bedreigde natuurgebieden.

Vanzelfsprekend, omdat meer dan vier honderd Nederlanders samen één vierkante kilometer moeten "delen"; vanzelfsprekend, omdat al zoveel natuurgebieden "het loodje moesten leggen".

In 1869 echter, veroorzaakte de verkoop en de ontginning van Nederlands laatste oerbos niet zo veel deining. Het is vooral een boze landmeter, H. Bosker, die reageert op de "berigten in de dagbladen, tendeele waar, doch veelal zeer onjuist".

Toch zullen veel natuurliefhebbers de ontginning hebben betreurd, maar ook begrepen hebben, dat het verdwijnen van het woud voor menigeen "brood op de plank" betekende.

Met spade en bijl heeft men het legendarische woud herschapen in, of liever vervormd tot een ietwat saai polderlandschap.

Ons rest slechts de literatuur, waardoor we ons een beeld kunnen vormen van wat verloren ging. Hopelijk is het ons gelukt in dit boekje dat beeld voor u te schetsen. Immers, te restaureren valt er niets meer: deze, om met Vondel te spreken, "Kerck van onchecorven hout" is gesloopt.

Hopelijk leren we uit de historie van Het Woud natuurschoon, een oude kerk, een watermolen, enz. nog meer waarderen als kostbaar en niet te vervangen bezit.

Ook op deze wijze wil ik hen mijn dank vertolken, die mij waardevolle adviezen gaven, het manuscript corrigeerden en/of materiaal beschikbaar stelden: Mevr. Ir. Frings-Huisman, de heren A.W. Driessen, H.J. Revenberg, H.J.W. Schimmel, J.W. Schut, ing. C.C. van Spreekens, G.B. Wolters en M. Zegers.

Beekbergen, april 1980.
H. van Lohuizen
-2-

http://www.ben-wilbrink.nl/genfoto/slankesleutelbloem.jpg Slanke sleutelbloem primula eliator, afb. met toestemming ontleend aan Wim de Louwere foto. b.w.


[Slanke sleutelbloem, algemeen in het Woud.]


II Een wildt en bijster landt


II-1 De lage landen bij de zee


Het Beekberger Woud, gelegen in het eens zo waterrijke deltagebied van onze rivieren, maakte in de pre-historie deel uit van de machtige oerbossen, die met recht zijn beschreven als "het woud zonder genade". En met die oerbossen worden o.m. bedoeld de ontoegankelijke moerasbossen met berken, wilgen en vooral elzen. Holland was toen nog hol(t)-land! Een onbewoonbaar oord voor de mens, een heem voor otters, bevers, oerossen, zwammen en orchideeën. De beroemde Romeinse geschiedschrijver Tacitus beschreef dit Holland met de veelzeggende woorden: "horrida" en "foetida" (schrikwekkend en stinkend) en voegt er aan toe "nisi patriae", tenzij het je vaderland is.

Toch schijnt het ontoegankelijke Woud in de ongeschreven historie van haar bestaan een schuilplaats geweest te zijn "waarheen", aldus ds Heldring, "onze voorvaderen togen" in tijden van gevaar. De hooggelegen delen, horsten genaamd, waren in ieder geval een betrekkelijk veilige schuilplaats voor die "voorvaderen", de bewoners van Beekbergen, Lieren en Oosterhuizen. Van der Aa (Aardrijksk. Woordenboek) en Ds. Heldring voeren als bewijs aan "de oud-heden", die men vond op de horsten. Heldring spreekt van "wondere potten en ijzeren ketenen". Waar die voorwerpen terecht kwamen weet niemand ... .
Overigens moeten de mensen ook toen al op de hoogte geweest zijn van het feit, dat het moeraswoud een "harde" ondergrond had: "als men in het moeras zinkt, komt men er niet bij om." (Ds. Heldring)
-3-

Toch gaat, eerst in en na de tiende eeuw op grote schaal, de mens "de ijselijke wouden en afschuwelijke moerassen" te lijf. En dat, terwijl Oost-Nederland toen dun bevolkt was, getuige het reisverslag van een zendeling: dagenlang doorkruiste hij de oostelijke provincies zonder een mens te ontmoeten.

II-2 De middeleeuwse heide-mij-ers.


De actieve Cisterciënsers met name vormden de stoottroepen van de vele generaties ontginners. Zelfs in de meest onherbergzame gebieden verrezen hun kloosters van waaruit ze de bevolking opriepen tot de "roding". Zij moedigden de middeleeuwer aan het ongenaakbare woud met spa en aks te cultiveren, Onder hun bezielende leiding werd er gehakt, gebrand, geploegd en gezaaid. De "ridders" op hun beurt voelden zich toen eveneens geroepen "het wildt en bijster landt" in cultuur te brengen. Hollandse polderjongens trokken naar de moerassen en venen in het oosten. Niettemin bleven (oer-)bos en veen van groot belang voor de boer. Van levensbelang: bos, moeras en hei leverden behalve brand- en timmerhout ook strooisel voor de stallen, plaggen, turf, enz.

Het is te begrijpen dat de boeren de "ontginners" met lede ogen hun buurtschap zagen binnentrekken. En toen ontstonden de marken, omstreeks de dertiende eeuw waarschijnlijk, en de veelgeprezen markeboeken. Het was echter niet de enige reden voor het ontstaan van de marken. Ook om andere redenen bleek het nodig de rechten en plichten van iedere bewoner van een buurstoel t.a.v. de gemeenschappelijk gebruikte grond vast te leggen.


II-3 Het ontstaan van de marken.


B.H. Slicher van Bath in "Mens en land", 1924: "Nam vroeger ieder naar believen wat hij nodig had, thans werd het zaak nauwkeurig te bepalen hoever ieders recht strekte". Met de welhaast onuitputtelijke overvloed was het blijkbaar gedaan. De ontginners sloegen hun slag, de bevolking nam toe. Het bleek nodig eerlijk te gaan delen.
-4-

De hoeven werden "gewaard", m.a.w. "de gebruiksrechten werden, zéér logisch, toegekend aan de geërfden; de omvang hield verband met de omvang van het akkerbezit".


N.B. De oorspronkelijke betekenis van het woord mark(e) is grens. In allerlei aardrijkskundige namen komt het in die betekenis nog voor. In de late Middeleeuwen kreeg het begrip een andere inhoud, men duidde er mee aan het gemeenschappelijk gebruikte deel van een nederzetting, een dorp. Het recht tot gebruik (het zgn. markerecht) werd verleend door de "heer" van het dorp. Markegronden waren grotendeels "woeste" gronden: venen, bossen. heidevelden, Bij de Markenwet van 1886 kreeg iedere markgenoot (geërfde) het recht zijn of haar deel van de marke in eigendom te nemen.


Uit die gemeenschappelijk gebruikte gronden wist men, door het betalen van een kleine, soms ook grote pachtsom, de ontginners te weren. Zo handhaafden de boeren zich op hun erfgoed, eeuwenlang, tot de kunstmest de plattelanders ongekende perspectieven bood. "Horige" boeren worden aan het eind van de Middeleeuwen zelfstandige ondernemers; de edelman verloor zijn greep op de boerenstand. Jacob van Maerlant (eind 13de eeuw) vertolkte de zelfbewuste gevoelens van de boer: "Toen Adam spitte en Eva span (spon), waar was toen de edelman?". In het oosten van ons land bleven de boeren echter nog eeuwenlang de "hansworsten" van de landsheren. Niettemin zongen ze hun Kerelslied (enigszins gewijzigd):

foto Grote keverorchis, afb. ontleend aan www.soortenbank.nl. b.w.


[Keverorchis toen algemeen, thans beschermd.]
-5-


"Wrongele, wei, brood ende kaas,
dat eit ik al den dag;
daromme is de kerel zo daas:
hij etes meer dan hij 's mag!"

noot: daas = leutig, dol


En zo ploegden de boeren voort. Ze zaaiden hun boekweit en weidden hun varkens in het woud, gebukt onder een pacht tot soms wel de helft van de nettowinst. Plunderende soldaten brandschatten de hoeven. Maar de aarde bleef.... en daarmee de boer. Hij begroef zijn doden en ploegde bij de terugkeer van de zwaluwen zijn akker ... .


III Het Beekberger Woud in de stukken


III-1 Markeboeken en registers


Omdat het Beekberger Woud in de stukken meestal voorkomt onder de naam Het Woud (minder frequent als Elsbos), kozen we, u merkte het reeds. voor de korte en gangbare naam "Het Woud".

Boven dit hoofdstukje staat o.m. het woord Markeboeken. Je neemt bij voorbaat aan dat een markeboek de informatiebron bij uitstek is. Maar helaas wordt de lezer niet uitvoerig geïnformeerd over Het Woud, integendeel.

Het oudste markeboek (dat bewaard bleef!) dateert van 1515. Het is nagenoeg zeker, dat Het Woud toen reeds deel uitmaakte van de Lierder en Spelder marken. Echter eerst in 1675 komen we Het Woud tegen in het markeboek van beide marken. In de eerste "willekeuren" zoek je tevergeefs naar de namen "Wout" of "Elsbos".

Wel komen we bekende namen tegen, namen van gebieden nabij of grenzend aan Het Woud. Zo meldt het Markeboek, dat het verboden is in "Weterschaten en Blarenschaten" schapen te weiden en dat niemand "torf" mag "slaen in dat hoylant".

Ook de naam "broek" komt herhaaldelijk voor, evenals Het Rietger. (Waarover meer in dit hoofdstukje).

Het is daarom niet verwonderlijk, dat enkele van de door mij geraadpleegde bronnen suggereerden, dat het Woud niet
-6-

tot de marken behoorde. Als argument voerde men ook aan, dat de geërfden geen belasting betaalden over dit deel van hun marken.

Maar op grond van een uit 1648 daterend "Quoyr van de verpondingen in het Ampt van Apeldoorn" kan men niet anders dan concluderen, dat Het Woud wel degelijk tot de "Liermerckt" behoorde:


"De Liermerckt onder Beekbergen, bestaande in seven thien deelen, is te weten dat daar toe gehoort eenigh groen ende heijdevelt om plaggen te maijen ende schelturff te slaen, voorts beesten en peerden te weijden (-) waarmeede onder begrepen het wout sijnde met eene parthije Elsen en weijnigh Essenhouts beloopen, daar niet in kan gedeijlt worden als barneholt, 't welck niet kan geschieden als in geheele koude winters als sijnde onlandt, daer men ander niet kan wt genieten (-)"

(Onlandt: drassig, onvruchtbaar land).


Mede door de grote uitgaven, gedaan voor het onderhoud van de weteringen en de beekdijk, kon de Marke dat jaar niet bogen op een batig saldo. Het Woud was dus wel terdege markegrond, maar toen, in 1648, niet rendabel.

Dit verpondingsregister maakt voor het eerst melding van het feit, dat er een "wout" bestaat.

M.i. ten onrechte, schrijft de heer Moerman (zie literatuur-lijst) de primeur toe aan het Markeboek, dat hij in dit verband citeert: (1660)


"Die het holt om de wegh te maecken uijt het Reijtger hebben gehaalt, sal deze reijse door de vingers gesijen worden, mits dat niet meer gedaen en wordt...."


Waarschijnlijk, maar dat tussen haakjes, hebben de vroede vaderen de hand over 't hart gestreken: men was in die tijd immers bepaald niet zuinig met het opleggen van "poene", boete!

Ten onrechte, want het Reijtger (ook wel Rietger) maakte geen deel uit van het Woud. Het lag ("globaal") tussen de E8, het kanaal, de Elsbosweg en de Traandijk, (Zie kaartje). Het Rietger grensde slechts aan het Woud.
-7-

Het Rietger was een drassig gebied, wel neer toegankelijk dan Het Woud. De nu (en vroeger ook wel) gebruikte namen Reetger, Rietger, 't Broek, enz. herinneren aan de oorspronkelijke toestand van het gebied. Broek of goor (Reetger is een verbastering van Rietgoor) betekent: laag, drassig land, oorspr. met bomen begroeid (elzen). De meeste elzenbroekbossen werden ontgonnen en gebruikt als weidegrond voor het vee.
Er werd, voor het ontgonnen werd, fors gestroopt: de onige manier voor de daggelder om 's winters vet en vlees in de pot te krijgen. Ook na de ontginning ,was er blijkbaar nog wild te over. De heer H.J. Revenberg te Klarenbeek vertelde het volgende (historische) verhaal, ik geef het met eigen woorden weer. Een van de stropende "Hooilanders" meende met een enkel schot een ree verschalkt te hebben. Maar het dier was slechts aangeschoten en zette het op een lopen. De stroper er achteraan. Zodra het dier de landerijen van Het Woud inrende, moest de stroper de achtervolging staken. Een aantal arbeiders merkte echter het dier op en dreef het een schuur in. Daar werd het dier geslacht. Nu was het jachtrecht voorbehouden aan de koninklijke bewoners van Het Loo. De heer Sager, administrateur van de Lierdermarke en een "regent" van de oude stempel, kwam het verhaal ter ore. Hij, op zijn beurt, lichtte de bevoegde instanties in. Voor de rechter konden de arbeiders van de heer Eerdmans (hij had na de ontginning enige tijd de leiding op het landgoed) verklaren dat zij het dier niet geschoten hadden. Wel hadden ze de man herkend die het dier achtervolgd had, Deze getuige was toen "het haasje". Hij bekende het schot te hebben gelost. Het kostte hem zijn beste koe!

Sagers bemoeienis met de zaak had, aldus de heer Revenberg te maken met de slechte verstandhouding tussen de heren Eerdmans en Sager. Terug naar het Woud en de marke!

In wat tot dusver is geschreven komen nogal wat begrippen voor, die voor de "niet ingewijde" lezer
-8-

foto Het Woud en omgeving, op de kadastrale kaart van 1832. Helemaal linksonder de stip is de NH Kerk van Beekbergen. De kaart van Het Woud is opgemaakt in 7 delen. Het eigenlijke Woud is het veel kleinere gebied van het 4e kadastrale blad, het deel benoorden het ingetekende pad (de latere Woudweg), aan de bovenkant begrensd door de latere Elsbosweg. Het Rietger is een klein gebiedje tussen 'het' en 'Woud'. [niet in Van Lohuizen, b.w.]


[Kaartje van Het Woud en omgeving. Getekend naar een tekening uit 1846 voor de eerste uitgave van de topografische kaart]
-9-

wat toelichting behoeven, ook in verband met hetgeen volgt.

Het gaat met name om de vraag hoe het "reilde en zeilde" in beide marken.

De marke werd bestuurd door een erfholtrichter.

Het ambt werd echter ook wel gekocht. Met de dagelijkse gang van zaken zullen de erfholtrichters zich wel niet bezig gehouden hebben. Hoewel, aan elke transactie hield de "jonker" wel een "paer leersen" over: een bepaling uit het markeboek.

De erfholtrichter stelde een holtrichter aan, die als "beëdigd ambtenaar" belast werd met de dagelijkse leiding. Hij, de holtrichter, "sal miin jonckeren ind erfgenoten eenen eedt doen", aldus het markeboek. Ook zijn helpers, de "vorsters" werden beëdigd.
foto Vermoedelijk presideerde de erfholtrichter wel de jaarlijkse vergadering van de geërfden.

De geërfden kozen een dagelijks bestuur. Dit bestuur bestond uit 8 personen, meestal gecommitteerden genoemd. Elke "buerstoel" (buurtschap) had het recht twee afgevaardigden in het bestuur te kiezen uit "den allercloexsten unde verstendigsten; namentlick uyt Osterhuijsen twe, Lyeren twe, dat derp twe ende Engelant twe".

Het markebestuur had heel wat in de melk te brokkelen, ze benoemde zelfs de kerkmeesters (te vergelijken met de kerkvoogden van nu).
Het bestuur vergaderde in de kerk, in de zg. gerfkamer. Gerfkamer zou men gemakkelijk kunnen "vertalen" als geërfden-kamer. Gerfkamer is echter afgeleid van gerwecamer(e). Gerwen betekent o.m. kleden in dienstgewaad. De gerwecamer is dus de sacristie, de "kleedkamer" van de priester. Vanaf 1819 vergaderde men in de plaatselijke herberg "De Leeuw". Ook de geërfdenvergaderingen werden aanvankelijk in de kerk gehouden; jaarlijks hield men er de "holtingdag" of "holtspraak".

Wilde hulst, geen zeldzame verschijning in het Woud. [Afb. bron hier. b.w.]

-10-

Iedere geërfde, na 1606 alleen diegene , die tenminste 1/12 deel van een der 17 delen van de Lierdermarke (of 1/12 van een der 10 delen van de Speldermark) bezat, kon op de holtingdag zijn zegje doen. De holtspraken werden van de kansel van de Ned. Herv. kerk in Beekbergen afgekondigd, "in der kercke uutgeroepen".

III-2 Erfholtrichters en "richteressen"


Misschien kwamen de dieven van het "holt uit het Reijtger" er zo goed af, omdat erfholtrichter Jonker Frans van Appelthoorn de diefstal door de vingers wilde zien. In ieder geval, hij, de Jonker, komt op een meer legale wijze aan een wintervoorraad turf. Een willekeur (1675):

"Op verzoek van den holtrichter om turff voor sijn Ho Ed provisie, omtrent het wout te graven, tot de naeste holtspraeck toe Sijn gecommitteert Gosen Lubberts, Hartger Jansen, Claes Aerents en Claes Cruimer om een gelegen veen aen te wijsen".

Claes Cruimer en zijn familie: zie html. Hij is in 1666 en 1675 genoemd als gedeputeerde van de Lierder- en Speldermark. Idem ws Hartger Jansen html. b.w.

Het is de eerste keer dat we ons Woud onder die naam tegen komen in het markeboek!

Jonker Frans is niet de eerste, ons bekende, holtrichter. Oorspronkelijk (voor 1515) was het ambt vermoedelijk "leenroerig" aan het Huis Kemenade te Zutphen. In leenregisters komt namelijk de volgende zin voor: "15 scharen yn Ledermarcke, die gecoemen siint uitter Kemenade".

In 1515 echter, hebben de geërfden, op de holtspraak die het markeboekje beschrijft, te maken met een jonker van Bronkhorst als erfholtrichter. Uit de plechtige aanhef van het markeboek:

"So sijn die gemeijn erfgenoten (-) bij malcanderen gecoimmen ind kennen mijne genadigen lieven Jonckeren van Bronchorst voer eenen oversten holtrichter."

Op holtingdagen werden blijkbaar niet altijd nieuwe willekeuren besproken en vastgesteld, misschien omdat men niet telkens nieuwe regels diende vast te stellen, misschien omdat alleen in tegenwoordigheid van een "overste" holtrichter besluiten genomen
-11-

werden. Daardoor beschikken we ook niet over een volledige lijst van erfholtrichters.

In 1541 "duikt" weer een naam op: erfholtrichter is dat jaar de "edelen joncker Joest van Bronchorst", Hij leidde ook de holtspraak van 1549.

Deze Jonker Joost stamde uit het aanzienlijke Gelderse geslacht van de Bronkhorsten, werd door Karel V in de adelstand verheven en was bannerheer van o.a. des "forstendom Gelre". Jonker Joost stierf in 1553, kinderloos.

Door huwelijk komt de bannerheerlijkheid Bronkhorst (en daarmee het ambt van "overste" holtrichter) in de familie van de uit Duitsland afkomstige graven Van Limburg Stirum. Jonker Joosts nicht huwde een Van Limburg Stirum.

"Anno 1579, am 15 Januarii" is op de holtingdag aanwezig "den welgeboren Frauen Marien (-), graeffinnen tho Bronckhorst" en wel als "overste en erfholtrichter". We kunnen alleen maar gissen naar de wijze waarop "dit recht mansleen" in bezit van gravin Marien kwam. Was ze een feministe van het eerste uur; een erfenis- of slechts een centenkwestie?

Slechts twee graven Van Limburg Stirum komen we tegen in ons markeboekje: "den welgeboeren heeren, heeren Jost, Graff tot Limborch ende Bronckhorst, Heer tot Stirombt, enz." in 1606.

De tweede graaf: Herman Otto, "graave to Limborgh ende Bronckhorst" in 1631.

In 1642 is "die Wel Ed en Gestrenge Sweder van Appelthoorn, Landdrost op Veluwen" de overste holtrichter. Zijn opvolger is (we volgen het markeboekje op de voet) "Joseph van Appelthoorn, Captein". En dan komen we verschillende keren de naam van de reeds genoemde jonker Frans tegen: in 1655,1658, 1660, 1668, 1671 en 1675. N.B. Of de jonker steeds "bekender" werd, steeds meer ambten bekleedde of dat men hem met meer égards moest behandelen, het is wel interessant te lezen hoe de jonker genoemd wordt in het Markeboekje.

In 1655 is hij "slechts" den Wel Ed Frans, enz.
-12-

Drie jaar later: "den hoog Edel geboeren en gestrengen heer Frans, enz."

In 1668 is hij de "Hoog Edel geboeren Heer Holtrichter Francois (Notulenboek, gecomm.-vergaderingen: was de notulist een vurig patriot, die zelfs jonkers naam verfranste?) van Appelthoorn tot het Wouthuis, Capt."

In 1675 wordt dat "Capt". ook nog uit de doeken gedaan: Jonker Frans was "Capt. en majoor van een regement ten dienste deser Lande".
What's in a name? Niet weinig!

In een artikel (lit.-lijst nr. 16) wordt uit een naamsverandering van de jonker (van Appelthoorn tot Rytbroek wordt van Appelthoorn tot het Wouthuis) geconcludeerd dat de jonker in die tijd (1651) erfholtrichter is geworden. M.i. is het een en ander niet in verband te brengen, met andere woorden, het is dacht ik niet mogelijk om uit "Wouthuis" af te leiden dat jonker Frans ook de Lierdermark ging "besturen".

De lijst van erfholtrichters na jonker Frans:
(Gegevens ontleend aan een artikel van de hand van de heer F.L. Tiethof)


N.B. Een hulder: de plaatsvervanger van een te belenen minderjarige, vrouw, gebrekkige of geestelijke. Waarschijnlijk moeten we in dit verband denken aan iemand die de erfholtrichter "de eed afnam".


Willem was nog "heer", maar de erfholtrichters na hem zijn burgers. Een commissie, ingesteld om allerlei "duistere" zaken te onderzoeken en die zich o.m. ook bezig hield met het erfholtrichterschap noemt de erfholtrichters (ong. 1850)
-13-

wat denigrerend "eenvoudige landlieden".

Hoe was het mogelijk, dat die "eenvoudige landlieden" zo'n ambt konden bekleden?

De commissie komt met een voorzichtig geformuleerde verklaring.
Men veronderstelde, dat men op grond van titel, invloed en/of macht min of meer vanzelfsprekend de titel "overste" holtrichter verkreeg.

De aanzienlijke familie Van Appelthoorn zou dus zo aan haar rechten op het hoge ambt gekomen zijn.

Maar, naar alle waarschijnlijkheid, heeft de adel in de tijd tussen 1675 en 1790 (de periode "zonder" geschiedenis: een leemte dus in de geschreven historie van de Lierder- en Speldermark) veel aan macht en invloed, ook t.a.v. de marken, ingeboet.

De commissie maakt een duidelijk onderscheid tussen de begrippen "overste" holtrichter en erfholtrichter. Een "overste" holtrichter is iemand van adel; een erfholtrichter, of liever een geërfde holtrichter kan een "eenvoudige landman" zijn. Zo'n geërfde holtrichter was, en dat geeft den een heel andere betekenis aan de naam erfholtrichter, een van de geërfden, die weliswaar zijn ambt kon erven en overdragen aan zijn zoon, maar dat ook kon verkopen.

Uit het lijstje dat volgt, blijkt, dat het ambt nog al eens "van de hand werd gedaan" voor een som gelds.

Vermoedelijk bracht zo'n ambt aanzien en/of voordeel mee, hoewel de invloed van de holtrichters 'uit' de geërfden, niet bijster groot is geweest: in de notulenboeken kon ik tenminste geen voorbeelden vinden van decreterende geërfde holtrichters.

Binnen de marken ging het vrij democratisch toe: geen "genadigen jonker" gaf de doorslag, maar er werd over menige zaak gestemd.
Ook bij de verkoop van het Woud is er gestemd (Zie hoofdstuk V).

Genoeg hierover, we gaan verder met de "lijst".
-14-

foto
De roerdomp, bewoner van het woeste Woud.

www.invechtplassen.org, klik op afbeelding voor zijn bijzondere geluid


-15-

De Franse tijd maakt een eind aan veel "heerlijke" rechten. Het erfholtrichter-ambt werd een gewoon holtrichtersambt.

Toch kreeg ook deze muis z'n spreekwoordelijke staartje: aan de lijst van erfholtrichters moeten we nog enkele namen toevoegen. In 1818 koopt baron O.G.W.J. Hackfort tot ter Horst het holtrichtersambt van de beide holtrichters. Diens erfgename, jonkvrouw A.W.M.A. baronesse Hackfort tot ter Horst, doet echter afstand van het ambt in 1858 en draagt het op aan het bestuur van beide marken. Hetzelfde jaar nog deed het bestuur van de Lierdermark afstand van "het recht van holtrichter" t.b.v. het bestuur van de Speldermark.

(De beide marken werden w.b. de financiën gesplitst in 1821. Vanaf 1843 werd er afzonderlijk vergaderd. Vermoedelijk was rond 1860 de scheiding definitief, omdat in dat jaar in een notariële acte de grens tussen beide marken vastgesteld werd).


III-3 Een woud, wat doe je ermee?


Na dit intermezzo terug naar Het Woud!

De problemen kwamen al oven ter sprake: woorden als onlandt en moeresbos duidden al op de problemen, die men ondervond bij de exploitatie van het Woud.

Wat was namelijk het geval? Het "onlandt" was alleen in uitzonderlijk droge zomers voor het grootste deel toegangelijk. 's Winters, maar ook gedurende de herfst en de lente stond in het Woud ca. 80 cm water. Alleen dank zij de "ijsvloer" in "ouderwets" strenge winters was Het Woud toegankelijk. Alleen dan kon men de zware elzen kappen en afvoeren (waarover meer in hoofdstuk IV). Gedurende die droge zomers en strenge winters hanteerde de holtrichter zijn deelbijl om de kaprijpe bomen te merken. Die bijl (de "crumme bile" of "krombill") was vanzelfsprekend van een even grote waarde als een zegelring! Ze werd zeer zorgvuldig bewaard door de holtrichter. (De deelbijl van de Ugcheler mark werd zelfs in de kerk bewaard: "men sal die wylkoer (markboek, v.L.) ende ijser (bijl, v.L.) te samen in eijnre kysten te Bekbergen in der kercken slueten")
-16-

Omdat ook met een markeboek "geknoeid" kon worden, werd het boek vermoedelijk door de erfholtrichter bewaard. Administrateur J.W. Boks Dzn neemt in 1858 de stukken over, waaronder "Willekeur of buurregten" van freule A.W.M.A. baronesse Hackfort tot ter Horst, de oud "holt- en markregteresse".

De holtrichter moet ook toezien op het kappen.

Op "holt(t)eldagen" moet hij "dye iirste unde leste" zijn om toe te zien dat niemand "meer houwe" als hem toegewezen was, (Markeboek)

Het Woud leverde meer problemen dan winst...

Over verdeling onder de geërfden is wel gesproken, maar niemand zag brood in een stukje moerasbos.

Een woud, wat doe je ermee?
"Holtspraak", 1816. De geërfden besluiten de "Eiken boomen, die bij de Zweep zijn, alsmeede in 't Wout, zoo zij daarin kunnen koomen" te verkopen.

N.B. De Zweep was een herberg aan de weg Loenen-Klarenbeek en Arnhem-Deventer, Vroeger was er een "doorvaart" door de beek, later een "doorvaartsbrug". De herberg lag op een strategisch belangrijke plaats.

Tien jaar later, op 1 mei 1826, begint D. Boks zijn Memorie-boek. Aan dit boek zijn de volgende feiten ontleend. De officiële titel van het boek:


"Memorieboek wegens de jaarlijksche verdeelingen en verkoopingen benevens eenige merkwaardigheden over de Lierder en Speldermark te Beekbergen, opgesteld door de Markenschrijver D. Boks, beginde de 1 Mei 1826".


De heren Moerman en Van Zinderen Bakker hebben dit boek gezien. De heer H.J. Brouwer had het in 1932 in bezit. Na de dood van Brouwer, de eerste kassier van de boerenleenbank, markebestuurder en gemeenteraadslid, is dit boek zoekgeraakt.

In het Memorieboek wordt vooral geschreven over de talrijke "deelingen", verkopen en opbrengsten.

Tenminste, die feiten noteerde Moerman voor zijn artikel. Helaas lezen we weinig "merkwaardigheden".

-17-

foto


De situatie nu. Het Woud doorsneden door de "asfaltlinten" van de A 50.
Let u op de kavelsloten, m.n. in het n.-o. deel. [ipv het kaartje van vL de Actuele kaart 2000 http://www.dewoonomgeving.nl/. b.w.]

-18-

Citaten:


Het verhaal over al die "deelingen" wordt eentonig. Enkele interessante bijzonderheden:

-19-

van de delen van het woud op een rij. (Gegevens ontleend aan het Memorieboek)
De delen van Het Woud:

Aan de heer Wolters dank ik de volgende namen:

De heer Revenberg wist het volgende deel te localiseren:

Vermoedelijk is "Markhorst" ook een deel van het Woud geweest (Notulenboek van de gecommitteerdenvergaderingen).

Het is bijzonder jammer, dat de horsten "weggeëgaliseerd" zijn bij de ontginning. Ook in de jaren '30 ten tijde van de werkverschaffing heeft men 'duchtig geëgaliseerd.'

Op de volgende bladzijde staat een kaartje, getekend door de landmeter Bosker. Dank zij de informatie van de heer Wolters zijn verschillende delen te localiseren.

(Lezers, die het kaartje kunnen "invullen": s.v.p. een reactie!)
-20-

kaartje
-21-

IV. De exploitatie van Het Woud.


IV-1 Des winters als het regent...


Hoe moeten we ons de exploitatie van het Woud voorstellen? Het staat immers "des winters geheel onder water en blijft des zomers altijd moerassig, zoedanig, dat des zomers het vervoer van het hout wegens de weekheid van de bodem onmogelijk is." (Wttewaal)

Des winters, als het regent dan waagde zich niemand in Het Woud. Ook de nog niet ontgonnen heide- en gagelvelden nabij Het Woud stonden gedurende een natte herfst en winter blank.

De geërfden moesten dus profiteren (en dat hebben ze gedaan!) van wat we reeds de ouderwets strenge winters noemden.

Dan werd "de bijl des houthakkers in Het Woud gehoord" en moest het "statige geboomte, ten val bestemd, voor de herhaalde slagen bezwijken".

Het Woud is dan "met mensen opgevuld, overal heerst drukte en er worden groote vuren gestookt om zich te verwarmen", in- en uitwendig, aldus Wttewaal.

Je kunt je het bijna voorstellen: mensen, paarden, flitsende bijlen, sleden en kinderen op de schaatsen,

Ds. O.G. Heldring, die met een gids (waarschijnlijk na een strenge winter) het Woud bezocht, heeft de "resten" van de bedrijvigheid gezien: een "haard", drie bomen "in de gedaante van een driehoek".

Zijn overigens weinig spraakzame gids vertelde hem hoe het er pleegt toe te gaan:

"Ziet zoo zit men dan hier te eten en bij het hoog opflikkerend vuur warmt men de verkleumde handen. Ginds staan dan tafeltjes, waar men een slokje kan krijgen; waarbij dan de neringzuchtige ligt (allicht) een koekje verkoopt".

De herinnering aan dat festijn "ontdooit" blijkbaar de gids, die wat "warmer" wordt in zijn verhalen.

M.i. wat spijtig constateert ds. Heldring dat "dit woeste veld" beroofd was van zijn "tachtig, ja honderd voeten hooge elzen en essen".

Een plotseling invallende dooi betekende natuurlijk
-22-

forse tegenvaller en strop, immers een deel van de zo moeizaam gekapte bomen bleef achter in Het Woud, zakte door het ijs en verdween geheel of gedeeltelijk in het moeras. Dit heeft "het wilde aanzien van het woud zeer vermeerderd" en verklaart de "aanwezigheid van een zeer groote menigte Fungi" (zwammen, zo'n 50 soorten!).
's Winters stond op de meeste plaatsen het water 80 cm (anderen schrijven: 2 à 3 voet, een el) boven de geweldige stobben, De elzen worden dan ook op ongeveer 80 cm boven de stobben gekapt. Het Woud heeft inderdaad toen "een wild aanzien" gehad!

Elzen overheersten, slechts hier en daar trof men enkele essen aan, "hoog en dun opgeschoten". "Verbeeldt U", schrijft Bosker, "elzenboomstoelen ter hoogte van drie à vier voet en in de omtrek van 10 à 12 meters". (!) De elze-stobben liepen steeds weer uit en namen voortdurend in omvang toe. Op die stoelen stonden soms wel 6 à 7 zware elzen "ter hoogte van 12 tot 15 meters", aldus een andere auteur, De dikste elzen hadden wel "16 palm middellijn".

Op de hoger gelegen delen, de horsten, groeiden eiken, omwonden hier en daar met klimop en kamperfoelie. De veronderstelling van Dr. Wttewaal, dat door voortdurende vervening en het verloren gaan van zoveel hout, de eiken zich op den duur van het terrein zouden meester gemaakt hebben, is juist. Het zou dan wel een proces van vele, zo niet tientallen eeuwen geweest zijn.

IV-2 Turf, plaggen en koeien.


's Zomers waagt zich slechts een enkeling in het Woud. De koewachters echter horen tot de vaste "bezoekers". Ze trekken vroeg in de morgen met het aan hun zorgen toevertrouwde vee "het omliggense broekland" in; in het Woud wagen ze zich voor zover het toegankelijk is. Heldring spreekt van "waden" als hij de koeien beschrijft. Aarsen vertelt, dat de koebeesten "niet zélden zoo diep in den drassigen
-23-

grond vastraken, dat zij met veel moeite daaruit moeten losgemaakt worden". 's Avonds blaast de koejongen op een hoorn en de toch niet zo spreekwoordelijk - domme koeien komen op dat geluid af. "In langzame processie" keren ze stalwaarts. (Pag. 64, afbeelding)

Ds Heldring was zeer begaan met de Antjes en Coba's: "slechts hier en daar is een grasspiertje [sic] te zoeken". Ze dolen er meer "tot tijdpassering dan tot voedsel rond". Maar gelukkig is er 's avonds een voorraad spurrie en knollen.

De heer Revenberg, een geboren "Hooilander", vertelde, dat het in zijn jeugd nog gebruikelijk was, wanneer men muziek hoorde, te zeggen: "Heur, d'r wurdt op de woldhoorne 'ebloazen". Zo vertrouwd was men blijkbaar met het geluid van de hoorn. Van hem hoorde ik het volgende verhaal, dat ik u niet wil onthouden.


foto
Als men vroeger Is morgens de koeien de stallen uit de weg op dreef (die weg: thans de Lierderstraat) dan was ook altijd een geweldige "bul" van de partij. Met de onbetwiste leider vooraan, trok de kudde onder de hoede van de koejongen richting "Het Woud". Op een dag (het moet rond 1800 zijn geweest) kwam de stier na het blazen op de hoorn niet naar de koejongen, In arren moede keerde de jongen met de kudde huiswaarts. Lieren van streek natuurlijk: Een flinke strop, het verlies van zo'n beest. Omdat het te gevaarlijk was zich diezelfde avond nog naar het Woud te spoeden, begon men de zoekactie eerst de volgende morgen.

Eenbes Paris quadrifolia, afb. ontleend aan deze Wikipedia. b.w.


[Figuur De eenbes, toen algemeen in 't Woud, nu in ons land zeer zeldzaam.]
-24-

En wie schetst de verbazing van de boeren, toen ze de stier bij de Hooiland(s)wal aantroffen met een dode wolf op de horens. De stier had "in z'n eentje" afgerekend met een van de laatste wolven uit de omgeving. N.B. De Hooiland(s)wal, ten noorden van het Woud, was door de bewoners van de "Hooilanden'", meest arme daggelders en veenarbeiders, opgeworpen om de paarden uit hun aardappelveldje en moestuin te weren. Na de hooi- en oogsttijd joegen de boeren hun paarden de hooilanden in. De paarden braken echter herhaaldelijk uit en plunderden de tuinen van hen die hun wintervoorraden in enkele nachten verloren. Hier en daar zijn nog sporen van die wal te vinden.

Het Woud was een der belangrijkste, zo niet de belangrijkste plaats waar men veen kon "afgraven." Dat het Woud een belangrijke leverancier van turf was, blijkt uit het feit, dat er nauwelijks veenlagen voorkomen, die ontstonden in de periode 3000 v. Chr. tot de ontginning van het Woud.

Behalve brandhout en hout voor de zgn. wezebomen, leverde Het Woud ook de "brandstof" voor de meilers. Ds Heldring, die de gids gevraagd had hem ook "langs de kolenbrandershutten te voeren, die aan de eene zijde van het Woud hunne werkplaats hebben", heeft de meilers gezien. "Het was een aardig gezigt. Zeldzaam in ons land, deze zwarte heuveltjes te zien, en noe zij zoo zacht voortglimden. De gids verhaalde nog veel ervan en het scheen mij toe geen gewonen arbeid te zijn, dat aanleggen van zulk eenen mijt. Men brandde er jaarlijks onderscheidene van den afval van het in den winter gevallene hout".

[Figuur Turfgravers gereedsch.]
-25-

De hutten en meilers bevonden zich vermoedelijk in de omgeving van Barnewinkel. Er is op grond van 't bovenstaande een aannemélijke verklaring te geven voor de naam van de buurtschap: barnen = branden; winkel = werkplaats, hoek. (pag. 64 : tekening) Houtskool van elzenhout werd vroeger o.a. gebruikt voor het maken van buskruit. Hoogst waarschijnlijk werd een groot deel van de houtskool geleverd aan de eigenaren van de beroemde kopermolen aan de beek. Nadat de familie Krepel medefirmant en later eigenaar van de molen was geworden, werd de beek verlegd en werd een nieuwe molen gebouwd op de plaats waar de beek maar liefst een verval van 3 meter had. Het bedrijf floreerde: de familie Krepel kocht veel land en betekende veel voor de gemeenschap van het dorp Klarenbeek. (De familie bouwde o.m. een r.k. kerkje). Door de concurrentie van de stoommachine en de toch wel erg lange aan-en afvoerwegen moest dit milieu-vriendelijke bedrijf, ondanks de kosteloze energie, in 1871 sluiten. De kopermolen werd omgebouwd tot een houtzaagmolen.

22 november 2006. "Tijdens graafwerkzaamheden in het natuurgebied Beekbergerwoud heeft Natuurmonumenten onlangs 'zwarte cirkels' ontdekt. Een mysterie. Om het raadsel op te lossen, heeft Natuurmonumenten de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten gevraagd om de herkomst van deze cirkels te achterhalen. De zwarte cirkels blijken resten van houtskool te zijn.
Het is waarschijnlijk dat de kringvormige greppels dateren tussen 1730 en 1810. De structuren hebben een doorsnede van 10 tot 12 meter. Uit oude documenten over het Beekbergerwoud blijkt dat het bos in de negentiende intensief voor houtskoolproductie werd gebruikt. Alles wijst erop dat de cirkels hiervan de restanten zijn. Ze liggen namelijk precies tegen de toenmalige bosrand en de vulling van de greppels bevat veel houtskool." [bron: Natuurmonumenten]


De heer Revenberg vertelde, dat er in de buurt van het Woud regelmatig zgn. "imsplaggen" gestoken werden, Zo'n imsplag was een goeddoorwortelde, plantenresten-rijke, vierkante plag. De plaggen werden gebruikt voor de bouw van hutten en "isolatie", om warmteverlies te voorkomen. De heer Wolters is van mening dat de plaggen vooral ook gebruikt werden om de bijenvolken in te winteren: men dekte de korven af met imsplaggen. De naam wordt dan ook "doorzichtig": imker, ieme = bij. In 1861 wordt het imsplannen "graven" in het notulenboek van de geërfdenvergaderingen "een oude gewoonte" genoemd. De straatnaam Iemschoten herinnert nog aan dit aloude gebruik.

Op de heidevelden die deel uit maakten van of grensden aan het Woud, werd regelmatig "gemaaid": plaggen, "groene" en oude heistruiken werden met of zonder zode "gehakt" en gestoken. Men "maaide" met een planhak of heetzicht. De plaggen die t.b.v. de potstallen gestoken werden, waren voorzien van
-26-

een heel dunne zode, hetgeen het gebruik en het vervoer van de hei vergemakkelijkte. Jonge hei werd als veevoer gebruikt. Oude (struik-)hei werd gemaaid door de bezembinders of verzameld om dienst te doen "als huisbrand". De heidevelden rond het Woud waren grotendeels met dophei begroeid, de omgeving van het Woud was immers nogal vochtig. (pag. 34 en 39) Uit de talrijke bepalingen uit de markeboeken en notulen blijkt hoe "zuinig" men was op de heidevelden. Door onoordeelkundig gebruik waren veel heidegebieden in stuifzandvlaktes veranderd.

En verder .. naast het "slaen van torf", het hakken van hout voor palen, vaten en klompen, hout voor het haardvuur, palen voor dijkwerken, en al die activiteiten die we reeds beschreven, zal men langs de rand van het Woud ook wel gesprokkeld hebben, zullen er eikels geraapt zijn .. en verder?

Kortom. alle mogelijkheden werden benut. Voor zover het Woud dat toeliet werd het geëxploiteerd: intensief!

V Het Woud onder de hamer.


Reeds vele jaren voor de Markenwet tot stand kwam, - veel gemeenschappelijk bezit kwam toen in handen van enkelen - kwam bij de geërfden de gedachte op het Woud te verkopen. De tijden waren veranderd; het Woud werd waarschijnlijk een "blok aan het been van de Marke".

Van het gemeenschappelijk bezit van de Lierdermark was weinig meer dan dat stuk oerbos overgebleven. De markegronden waren hectare na hectare onder de geërfden verdeeld.

Men kreeg de gronden in erfpacht. De rijkere boeren kochten de hun toebedeelde percelen. D.m.v. een erfpachtregeling kregen de minder gegoede boeren de beschikking over steeds meer land. Maar heide- of broekgrond vroeg een zware bemesting. Wie niettemin brood zag in een perceel, moest over de geschatte waarde van het terrein jaarlijks ong. 6% pacht opbrengen. De grond werd meestal geschat op f25 tot
-27-

f 50 per hectare. De pachtsom voor een hectare heidegrond kon dus wel f 3 bedragen. Een weekloon in die tijd. Het is te begrijpen, dat wanneer de opbrengsten tegenvielen, men maar al te graag afstand deed van zijn rechten. Voor "een half pond tabak" b.v.! (Historisch!)

Een belangrijk figuur bij de verdelingen was de "markdeler". Administrateur Sager bekleedde enige jaren die functie. Door zijn functies en zijn bepaald niet gemakkelijk karakter was P.G. Sager een meer gevreesd dan gezien markdeler. Hij had ook in de Lierdermark een vinger - of liever: een hele hand - in de pap.

Voor het besluit genomen werd, het Woud te verkopen, was menige vergadering aan het probleem "Het Woud" gewijd. Op die vergaderingen ging het er nogal heftig aan toe, getuige een berichtje in de Apeldoornsche Courant, waarin de woorden onenigheid en ruzie voorkomen.

Na lang wikken en wegen leggen de gecommitteerden de geërfdenvergadering het volgende voorstel voor:
(ontleend aan het notulenboek van de gecommitteerdenvergaderingen)


Wie de lijst van rechthebbenden raadpleegt aan het eind van dit hoofdstuk, kan zich de legpuzzel voorstellen, die zou zijn ontstaan.
Maar de vergadering sprak over de voorstellen een onverbiddelijk "onuitvoerbaar" uit.

Het voorstel het Woud dan maar te verkopen haalt het evenmin. (1868)

In 1869 echter spreekt de vergadering van geërfden zich met ruime meerderheid uit voor het verkopen van Het Woud: geen verdeling dus, maar een veiling. Op die achttiende mei was het lot van het Woud bezegeld;
-28-

foto


De nachtenaal. Ds Heldring genoot van het gezang. [De afbeelding is afkomstig van www.ivnvechtplassen.org/, klik op de foto voor de webpagina, en het gezang van de nachtgaal. b.w.]


"mits genoeg geldende" wil men het Woud wel van de hand doen. Het voorstel van de heer Crommelin wordt met 32 tegen 14 stemmen aangenomen. Alleen R.C. Muller "hield zich buiten de stemming".
(Notulenboek van de vergaderingen van geërfden).

En toen liet men er geen gras over groeien.

De heer Moerman heeft de affiche met de aankondining van de "Verkooping" gezien. Een waarschijnlijk nogal opvallend plakkaat: "in rood en zwart gedrukt, groot 80 x 65 cm". De tekst:

Belangrijke Verkooping van het
EEUWENOUDE
ELZENIJOUD
te
BEEKBERGEN.

De Voorster en Beekberger notarissen, A.L. de Kruyff en H.M. van Voorthuijsen, zullen op donderdag 16 september 1869 "doen inzetten".

Reclame maken konden ze ook, de geërfden van de Lierder mark; ze prijzen "hun" Woud in warme bewoordingen aan: "De groote massa op stam staande bomen en de Uitmuntende Ondergrond, maken dit Woud tot een goede geldbelegging".

Ook de "Apeldoornsche Courant" (14-8-1869) doet een duit in het zakje: "Dit eeuwenoude, door de natuur zo heerlijk gevormde Woud zal zeker veel belangstellenden en nieuwsgierigen lokken" (tot kopen?!).
-29-

De ligging van het "alom bekende" Woud wordt (ten overvloede) nog eens uitvoerig beschreven: "één uur van Apeldoorn, aan het kanaal van daar op Dieren, en aan de grindweg van Beekbergen naar Zutphen en Deventer". De omliggende weiden en heidevelden worden eveneens te koop aangeboden.

Veertien dagen later vindt de verkoop plaats in "het koffijhuis de HARMONIE te ARNHEM" precies om 1 uur des middags.

De "Apeldoornsche Courant": "Het Woud is verkocht aan den Heer B. van Spreekens te Velp voor f 111.005,61". Bij de koopsom (f 98.005,10) kwam nog een post van 10% aan "onkosten en hoogen" (f 13.000,51) (bericht: 9 okt. 1869).

Spoedig daarna werd de "buit" verdeeld. "Op ieder 1/12 deel van een vol aandeel (er waren 17 delen) wordt uitbetaald f470 en uit de markekas bijbetaald f 484,34" (Moerman).

Een vol aandeel leverde dus (12 x f 470) f 5640 op, de zeventien delen samen f 95.880,-. Het laatste deel van de zin, die geciteerd werd uit het artikel van de heer Moerman, suggereert dat over elk 1/12 deel van een vol aandeel ook nog eens f484,34 werd uitbetaald. Het notulenboek van de geërfdenvergaderingen rept echter met geen woord over het uitbetalen van zo een formidabel bedrag.

De geciteerde zin moeten we anders lezen:

de geërfden kregen uitbetaald         f 95.880,-

de nette opbrengst (na aftrek van

door de Marke gemaakte kosten)     f 95.395,64
Verschil                 f 484,36

Uit de markekas werd dus alleen dit bedrag "bijgepast", wellicht om het berekenen van 1/216 of 1/120 wat te vergemakkelijken?

1869, 3 november, een buitengewone vergadering van de Lierdermark. Het belangrijkste agendapunt is een inkomen [sic] stuk: de brief van de heer B. van Spreekens. In de brief vraagt de heer van Spreekens de medewerking van alle bewoners van de buurtschappen bij het slopen en in cultuur brengen van zijn Woud.
-30-

foto


De koper van Het Woud.
Portret van de heer B. van Spreekens. Het portret is in 1885, vijf jaar na het overlijden van de heer van Spreekens, geschilderd naar een foto.


-31-

foto


Ossen, de trekdieren voor de ploegen, waarmee het grasland werd gescheurd. De "ploegers" werkten o,l.v. baas Klopman. Klopman heeft in dienst van de K.N.H.M. honderden ha "woeste" grond ontgonnen met zijn kolossale ossen.


foto


Zes ossen die de Twentse heide diepploegen.

De originele foto is erg vaag. Een andere foto, hier getoond, is afkomstig uit Twente. Geheel links op de foto staat "Albert Jan Blijdenstein, de grote drijfveer om het woeste Twentse landschap om te vormen tot vruchtbare landbouwgrond." www.seniorennet.be/forum/. b.w.

Een prachtige foto van een zesspan ploegende ossen is afkomstig van de Nederlandse Heidemij, en afgedrukt op p. 68 in Ton de Joode (1981). Landleven. Het boerenbestaan van toen. Elsevier.


-32-

_________________________________________________________________
Opgaande bomen | Hakhout        | Heide          Weiland
_______________|________________|________________|_______________
No.  B. R. E.  |  No.  B. R. E. | No.  B. R. E.  | No.  B. R. E.
857  42 06 50  |  859  9 45 90  | 2412  6 13 10  | 2665  6 26 70
858  24 12 30  |  865 12 99 70  | 2413 11 93 10  |
863   0 02 20  |  868  8 62 40  | 2643  9 70 20  |
866   0 22 80  |  869  3 35 40  | 2645  2 50 30  |
867   4 64 50  |  871  1 05 00  | 2658  1 38 70  |
               | 2644  3 77 40  | 2689  3 51 40  |
               | 2664  3 61 60  | 2711  0 55 10  |
               | 2712  9 81 40  | 2713  2 29 00  |
               | 2922  5 35 10  | 2715  1 96 00  |
               |                | 2940  6 03 40  |
_______________|________________|________________|_______________
Tot. 71 08 30  |      57 03 90  |      46 00 30  |       6 26 70
              te zamen groot 180 bunder 39 roede 20 el.

foto


De percelen bij de verkoop van het Woud.

N.B. B=bunder; R=Roe; E=vierkante el (0,46m2)]


Op verzoek van de heer Van Spreekens was de "tijd van betaling en aanvaarding" gewijzigd. Die dag was oorspronkelijk vastgesteld op 1 maart 1870, maar werd na overleg vastgesteld op 1 november 1869, "Dit schrijven", aldus de notulist van de geërfden, "draagt een algemeene goedkeuring weg". En er is, gezien het grote aantal arbeiders, dat in de komende jaren het Woud te lijf ging. gehoor gegeven aan de in de brief verwoorde oproep. Maar daarover meer in een volgend hoofdstuk. Ik stel me voor dat menig lezer benieuwd is naar
-33-

kaartje
Welnu, hier volgt (Uit: De Geldersche Volksalmanak, 1899) de lijst:

-Jonkersdeel:
J.W. Boks        1/6           J. Ortt        1/12
K. Boks          1/12          R. F. Muller   1/12
T.J. Boks        1/12          H. Kruimer     1/12
H.J. Brouwer 1/4+1/24          Ervan Krepel   1/8
-Oudenveems:
Baron Verschuer  1/4           Erven J. Bloemink 1/4
A. C. Capel      1/6           H.J. Brouwer   1/4
P. en H. Beekman 1/12
-Oosterhuizerdeel:
J.J. Ploeg       1/4           Ervan J. van Beek 5/12
Crommelin        1/4           Frederik Beekman 1/12
-Zanddeel:
Erven J. van Beek 1/3+1/6      P. Leendertz    1/18+1/24
Erven Krepel     1/9           Baron Verschuer 1/12
-34-

(vervolg Noordings)
Cornelis de Groot 1/12         B. Dibbets        1/12
Ameshoff          1/12         Frits van Schooten 1/12
Juffer van de Voorde:
J.J. Ploeg        1/4          R.C. Muller       1/4
De Kruijff        1/24         B. Voshuizen      3/24
Ameshoff   1/12 + 5/216        Ankersmitt        1/6
G.J. Pannekoek    1/24         A.L. de Kruijff   1/108
Kosterij          1/6
Gebr, v.d. Kamp   1/12
Sallande:
Erven E. Stufken 1/6+1/18      Ankersmit         1/36
Joh. Muller       1/6          Ameshoff   1/48 + 1/96
Erven J. van Beek 1/4          Erven W. van 
M. van de Kamp    1/12               Amersfoort  1/48
Erven Jac. Bloemink 5/36       A. Rouwenhorst    1/96
J. Ortt           1/36
Taringsdeel:
Pastorie          1/6          De Heus           1/12
H. Ruimer         1/6          Juffr. Moens      11/48
Crommelin         1/6          W. Alofs          3/23
Erven J. van Beek 1/12         kinderen Bruins   1/96

foto

Ten Brinke-deel:
Weduwe Roelofs    1/6
Erven Krepel      1/6
H.J.C.T.S. baron Hackfort 1/12
G. Wissink        1/12
H.J. Muller       1/12
Erven J. van Beek 1/12
M.W.H. van Hasselt 1/12
Crommelin         1/12
Erven Jac. Bloemink 1/8
Allard Boks       1/14
Kampsdeel:
De Heus           1/4
De Kruijff        1/6
Erven J. van Beek 1/12
Erven W. Hendriks 1/12
Ameshoff          5/72
Gebr. v.d. Kamp   1/12

-35- foto

(vervolg Zanddeel)
Erven G. Groeneveld 1/12       Erven J.van Beek 1/12+1/24
Kruimersdeel:
H.J. Brouwer      12/12
Hensdeel:
M. de Groot       1/6          R.F. Muller 1/12+2/9+
Willem Boks       1/6                          1/18
Erven J. van Beek 1/12+1/18
Oudenbrinks:
G.J. Sager        1/3          Aart v.d. Kamp     1/12
H.J. Brouwer 1/8 + 1/12        Baronesse Hackfort 1/12
J. Ortt           1/8          Hervormde kerk     1/12
Gebr. v.d. Kamp   1/12
Schoenmakers:
E.S. Boks         1/6          G. Wissink 1/6+1/24+1/120
Gerard Boks       1/12         J. Ortt           1/48
G. Pannekoek 1/6 + 1/24        Ankersmit         1/48
Klaas Brouwer     1/12         Erven de Bruin 1/16+ 1/30
De Heus           1/12         Jan Muller        1/16
Praassens
Ameshoff          1/6          Erven J. van Beek 1/12
Pastorie          1/6          A. Rouwenhorst    1/12
W. Beekman        1/6          H. Tempelman      1/12
H. Ruimer         1/6          Jacob Bloemink    1/12
Geertje Martens:
Baron van Dorth   1/6          Ameshoff          1/15
F.M.J. Baron Hackfort 1/6      J.E. Woudenberg   1/30
G.J.H.A.M. Baron               H. Ruimer         1/12
		Hackfort 1/12         A. Jochems        1/12
J.J. Ploeg        1/6          H. Ruimer         1/12 
De Kruiff  1/24 + 1/15         Erven j. van Beek 1/12
Gasthuisdeel:
S.J. Pannekoek    1/12         Erven J. van Beek 1/8
Erven Krepel      1/12         Gebr. van de Kamp 1/8
R.C. Muller       1/6          B. Voshuizen      1/12
Joh. Alferink     1/12         G. Wissink        1/12
Berend de Groot   1/12         De Heus           1/12
Noordings:
G.J. Sager        1/4          R. de Groot       1/6 
Jan Muller        1/24         Erven W. van 
Gebr. van de Kamp 1/8               Amersfoort   1/8

-36- akte

(vervolg Kampsdeel)  
Allard Boks    1/12      Ankersmit        1/32
G. Pannekoek   1/32     Kinderen de Bruin 1/16

De geërfden H.J. Brouwer (ruim 2 delen) en de erven J. van Beek (bijna 2 delen) ontvingen een, voor die tijd reusachtig kapitaal. Voor de som die twee delen opbrachten, werkte een boerenknecht een leven lang, tot tien jaar na zijn pensioengerechtigde leeftijd... .

De al genoemde Peter Goedhart Sager is ook degene, die na de verkoop van Het Woud, het bedrag waarover de Lierdermark nog beschikt, dat ze nog "compeheert", namens de geërfden ter beschikking stelt van het gemeentebestuur van Apeldoorn. Het geld bestemmen de geërfden voor de verbetering van de grindweg (de huidige Woudweg). B & W danken per brief de gecommitteerden voor hun bijdrage.


N.B. Het tracé was reeds op 2-6-1862 vastgesteld. De weg lag er dus al toen het Woud werd ontgonnen. Voordat men van deze grindweg gebruik kon maken, was men aangewezen op de weg langs de beek.


Uit de brief wordt duidelijk, dat de marken hun tijd hadden gehad. In 1875 was er geen gemeenschappelijk bezit meer. Administrateur P.G. Sager: "de geheele Lierdermark kan feitelijk als opgeheven worden beschouwd".

Toch kon men blijkbaar moeilijk afscheid nemen van wat eeuwenlang de mensen had doen samenleven en samen werken. Men begreep dat er een stuk gemeenschapszin en folklore verloren ging. Ook de andere Beekberger marken werden ontbonden: de Speldermark (1870) en de Bruggelermark. Het was gedaan met de houtdagen met gewone en buitengewone vergaderingen. Toch duurde het nog jaren voordat men zich neerlegde bij de ontstane situatie. In 1889 vergaderden de gecommitteerden van de Lierdermark nog regelmatig. Typerend is de allerlaatste zin in het notulenboek:

"De voorzitter maakte tevens bekend dat hij "

En toen besefte de notulist, dat het geschrevene waarschijnlijk niet meer voorgelezen zou worden op een volgende vergadering.....
-38-

[Figuur Landbouwwerktuigen.


(Naar fotomateriaal van het Documentatie-centrum van het Openluchtmuseum)
plaggenzicht en maathaak (voor het maaien van strooisel voor de stallen)
plaggenhak
Sikkel, gebruikt bij het maaien van hei, braamstruiken, e.d.
Zie ook: hoofdstuk IV.]
-39-

VI De ontginning van Het Woud

.


VI-1 Waarom het zover kwam.


Het was niet alleen de mening van de geërfden, die geen brood zagen in een verdeling van het Woud - wat te doen met zo'n stukje "onland" - die het laatste stukje oerbos onder de hamer bracht. Tal van factoren hebben het lot van het Woud bepaald. De forse bevolkingsgroei heeft een rol van betekenis gespeeld. In de jaren 1849 tot 1879 nam de bevolking met ruim 30 % toe. De zuigelingensterfte nam af en vaccinatie werd meer en meer toegepast. Aan de gemeente Apeldoorn ging het spook van de cholera voorbij, of liever het aantal slachtoffers was gering in vergelijking met andere plaatsen. Ook de beruchte veepest van de jaren '85 en 186, die in veel streken van ons land de boeren van hun veestapel beroofde, bleef de bewoners van Lieren en Oosterhuizen bespaard. En daarmee ook de bittere armoede! Trouwens van echt schrijnende armoede was geen sprake onder de bewoners van beide buurtschappen. Wel werd het probleem van de werkgelegenheid nijpend. Voor ondernemende jonge boeren lagen de kansen niet meer voor het opscheppen. Zelfs aan grond was niet meer zo gemakkelijk te komen: vrijwel alle voor de landbouw geschikte markegrond was verkocht of in erfpacht uitgegeven.

In het licht van die omstandigheden is het te begrijpen, dat de Apeldoornsche Courant de ontginning van het Woud beschouwde als een "zeer welkome vorm van werkgelenenheid" voor de bevolkinn (11-12-1869). Ook de verslaggever van de NRC (16-1-1870) is die mening toegedaan en brengt de c)evoelens van ieder onder woorden: "Ieder die over Het Woud spreekt, zegt:' de verkoop van het Woud is een weldaad voor Beekbergen'".

Ook andere sociaal-economische factoren waren van belang. In het "Verslag van de toestand van 't gewoone en meer uitgebreide lager Onderwijs over het iaar 1868" lezen we over de problemen van de
-40-

bevolking van de buurtschappen. Van belang zijn de cijfers in dat verslag. Er waren blijkbaar een tweetal teldata per jaar, waarop het hoofd van een school de schoolopziener het aantal leerlingen dat daadwerkelijk onderwijs genoot, moest meedelen. De bovenmeester van Oosterhuizen, meester Schroven, die "alle lof" verdient moet melden dat op zijn in 1832 gebouwde schooltje


(Beekbergen, ter vergelijking: aanwezig zijn 88 leerl., en afwezig 32 ll.)

De cijfers worden dan als volgt toegelicht: "Het schoolverzuim te Oosterhuizen (er was nog geen leerplicht, v.L.) was in den afgeloopen zomer bijzonder groot, ten gevolge van de verdeeling der Beekbergsche broekgronden, waar vroeger de koeijen uit die streek, onder het toezigt van één persoon geweid werden, doch waarvoor nu een ieder verpligt is zijn vee op eigen grond te weiden, en zelf het toezigt daarop te houden, waartoe zij in den regel hunne kinderen gebruiken".

Echter, ondanks deze nieuwe vorm van "werkgelegenheid", bleef men kampen met een tekort aan werk. Zoals in zo veel dorpen en steden zullen ook in de buurtschappen mensen hebben moeten leven van de bedeling, vooral 's winters.

Echt schrijnende armoe kende wel het "huttenvolk", de mensen die onder uiterst primitieve omstandigheden leefden rond Het Woud. De hutten werden er binnen een etmaal "gebouwd" en naar de ongeschreven wetten van de Marke was het verblijf op een stukje ongedeelde markegrond aldus min of meer "gelegaliseerd". Het waren armzalige onderkomens, die hutten van leem, takken en plaggen. De deur was een gat en door een tweede "gat" in het dak

foto


Hazelaar

-41-

verdween de rook van het turfvuur. Oogluikend lieten de geërfden ze toe: ze kwamen van pas. In de oogsttijd werd het "huttenvolk" tegen drie stuivers per dag gehuurd. Heibezems, honing en (gestroopt) wild leverden de overige stuivers...

De in Boekbergen bekende ds J.H. Buytendijk, die de Ned. Herv. Gemeente diende van 1832 tot 1863, heeft zijn ervaringen met deze bevolkingsgroep beschreven:


"Rond het Beekberger Woud, een moerassig oord, lagen hutten, waarin de verwaarloosde bevolking een sober beter zou men zeggen: een uiterst armoedig bestaan leidde."


Op een dag was de pastor met zijn ouderling vroeg op pad gegaan: "huisbezoek" vanaf 6 uur 's morgens. Overal trof hem de bittere armoede. De hutten ontbrak het zelfs aan het meest noodzakelijke meubilair en huisraad. De mensen waren niet in staat hun dominee te onthalen op koffie, Trouwens in de meeste hutten was het alles behalve proper en zindelijk.

Als de dominee de dorst begint te kwellen, vraagt hij tenslotte iets te drinken. Maar de vraag brengt de bewoners van de wat nettere hut in verlegenheid.

De predikant zegt dan, dat ze hem gerust iets te drinken mogen geven in een schone klomp...

De mensen worden zo in beslag genomen door de dagelijkse strijd om een karig bestaan, dat ze er niet toe komen zich in geestelijke zaken te verdiepen.

Aanvankelijk waarschuwt de predikant ze ernstig en vermaant hen wat trouwer naar de kerk te komen.

Later beseft de pastor, dat de meesten niet beschikken over kleren, waarmee ze ter kerke kunnen gaan.

In de school te Oosterhuizen werden, in het bijzonder voor hen die ver van de dorpskerk woonden, regelmatig godsdienstoefeningen gehouden. Waarschijnlijk vanaf 1832. Een evangelist verrichtte zijn werk onder de bewoners van de hutten rond het Woud en de mensen van het Achterveld.

Na 1862 echter, het jaar van de opening van het nieuwe schooltje, kon men van het schoolgebouw geen gebruik meer maken. Een commissie o.l.v. baron Schimmelpenninck van der Oije onderzoekt de mogelijkheden
-42-

een kerkje of een "lokaal" te bouwen, waar men weer bijeen kan komen. Het lukt. Reeds in december 1662 opent ds Buytendijk een "lokaal". In de tijd van nog geen half jaar was het gebouwtje verrezen op een lapje grond, dat men had gekocht van de Lierdermark. (De Lokaalweg in Klarenbeek herinnert ons nog aan dit "lokaaltje"). In het lokaal werd ook godsdienstonderwijs aan de jeugd gegeven.

VI-2 Oerbos bij de gratie van een zandrug


Aan onjuiste krantenpublicaties danken we een gedetailleerd verslag van de ontginning van het Woud. De landmeter, H.D. Bosker, had zich immers nog al geërgerd aan de "berigten in de dagbladen, tendeele waar, doch veelal zeer onjuist."

Wie was die Bosker?

Hendrik Jannes Bosker werd op 21 juli 1817 geboren in Midwolde. In zijn "dagboek", ik noem het gemaks- en kortheidshalve zo in 't vervolg, (zie lit.-overzicht), in zijn dagboek schrijft de heer B. van Spreekens, dat uit een tiental gegadigden voor het ambt van "rentmeester" Bosker werd gekozen. Aan het boek van de heer Van Spreekens, aan Boskers artikel en aan krantenberichten (hoewel toen ook ten "deele" waar" er is niets nieuws onder de zon) zijn de gegevens en details voor dit hoofdstuk ontleend.

Op 30 september 1869 wordt Bosker schriftelijk gevraagd of "hij zich met de administratie wil belasten". Een paar dagen later antwoordt Bosker, dat hij "de opdracht gaarne aanvaardt en dat hij zich daarmeede vereerd acht." op 13 oktober begeeft Bosker zich naar Velp, waar hij een verklaring tekent en daarmee "de instructie goedkeurt".

Bij die gelegenheid schenkt de heer Van Spreekens hem f 100.- "voor zijne verplaatsing en vestiging in Beekbergen". Ook werd er al een eerste werkbespreking gehoudent er werd gesproken over rails en "eene keet". Bosker genoot een vorstelijk maandsalaris: f80,-,
-43

een bedrag, dat zelfs enige maanden verhoogd werd tot f 100,-.
Uit de bevolkingsregisters (Gemeente Apeldoorn) valt af te leiden, dat de familie Bosker reeds spoedig daarna haar intrek nam in "huizing 57 " (Oosterhuizen).

Op aanbeveling van notaris De Kruyff te Voorst sprak de heer Van Spreekens ook met Jannes Groeneveld, de buitengew. veldwachter van de Lierdermark. Jannes Groeneveld werd als "onder-opzichter" aangenomen à f 6,- Is weeks". Groeneveld krijgt de opdracht na te gaan, wie de eigenaars zijn van de grond ten zuiden van Het Woud die "grenzen aan den Grindweg". Omdat de nieuwe eigenaar van Het Woud grond wil aankopen, moet Groeneveld tevens informeren naar de prijzen, die de boeren vragen. Een stap vooruit in het verhaal: In mei 1872 wordt Groeneveld "bedankt" en (weer) aangesteld als buitengewoon veldwachter à f 50,- 's jaars". Ook wordt hem een "souvenir" overhandigd als blijk van waardering voor het werk, door hem verricht.

Bosker beschrijft eerst in zijn artikel de ligging van Het Woud: te midden van de "groengronden", die begrensd worden door de heuvelketen tussen Arnhem en Hattem, èn de strook aangeslibde klei langs de IJssel.

Die groengronden vormden een driehoek "met als basis" de lijn Beekbergen-Zutphen en als "top" het stadje Hattem. Het Beekberger Woud lag dus in de zuid-westelijke hoek van die driehoek.

We weten uit de reisverhalen van "touristen en wandelaars", dat de omgeving van Het Woud ook erg vochtig was. Het Woud was "omringd door een veelvuldig met gagel begroeide heide".

Bosker en Groeneveld ontdekten al spoedig, dat het mogelijk was het moerasbos te ontwateren, droog te leggen, zelfs zonder hulpmiddelen als een "locomobile of centrifugaalpomp", waaraan de heer Van Spreekens aanvankelijk dacht. Groeneveld deelt de heer Van Spreekens mee, dat
-44-

"er niet zoo veel water (in Het Woud) staat als men zegt". Er staat slechts "2 voet". Ook vertelt Groeneveld, dat de weg aan de noordzijde "1 el water keert".

Vanzelfsprekend heeft ook de koper van het Woud zich terdege op de hoogte gesteld van de situatie ter plaatse. In een rede (zie lit.-overzicht) vertelt hij er het volgende over:

"Een eerste bezoek door mij aan het Woud gebracht, overtuigde mij dan ook, dat het een hoofdvereischte zou zijn, om het overtollige water af te voeren, om eenen prachtigen humusrijken bodem in cultuur te brengen.

De vraag was dus: Hoe is dit water af te leiden? Volgens sommigen noordwaarts, naar de bestaande leigraaf. Volgens anderen westwaarts naar het kanaal. Volgens anderen in het geheel niet".

Afvoer naar het kanaal bleek onmogelijk: "het water vloeide oostwaarts".

Wel was er "uitstrooming merkbaar van het Zuiden naar het Noorden en van het Westen naar het Oosten".

Het landmeters-oog van Bosker ontdekte waaraan de wateroverlast te wijten was. Zijn bevindingen:


Op die rug lag een zandweg, vermoedelijk daar waar thans de Elsbosweg ligt.

Dat er niet méér den 80 cm water in Het Woud bleef staan, was te danken aan de 2 of 3 "laagten" in die zandrug, waardoor overtollig water uit Het Woud kon afvloeien.

Omdat dit water uiteindelijk terecht kwam in twee weteringen, de Grote en de Kleine Leigraaf. Wist Bosker
-45-

dat hij van deze weteringen gebruik diende te maken De twee weteringen, de Grote en Kleine Leigraaf, maakten deel uit van een stelsel van weteringen, die alle naar het noorden stroomden en uitmondden in de IJssel nabij Hattem.

Bosker begreep, dat hij allereerst moest zorgen voor sloten, waarop de groengronden het overtollige water, dat anders in het Woud zou blijven vloeien, konden lozen. Er kwamen grote hoeveelheden water Het Woud "in" via een duiker in de grindweg (nu: De Woudweg). Eerst dan moest hij een oplossing vinden voor het probleem van het water in Het Woud zelf. Het water bleef er staan, omdat een der bodemlagen uit leem bestond. Drooglegging was haalbaar. Ook het polderbestuur zegde medewerking toe: het gaf "permissie de leigraaf 5 à 600 el te ruimen". Naar het voorbeeld van de grote Leeghwater "plande" Bosker een ringsloot...

foto


Blaaszegge


VI-3 'Gelijk de eekhoorns .."


"Den 1en November", aldus Bosker", zijn wij met 50 arbeiders (-) begonnen en wel met het graven van eene ringsloot om het geheele terrein". Het aantal arbeiders werd spoedig op 68 gebracht. De mannen slaagden er in binnen 14 dagen (!) de 4690 meter lange sloot te graven. Terecht constateert Mevr. Ir. E. Frings-Huisman, (in haar artikelenserie over Het Woud; zie lit.overzicht) dat de gegraven ringsloot niet om het gehele terrein gelopen kan hebben. In zijn "dagboek" en in zijn rede gaat de heer Van Spreekens in op "ons" probleem:
-45-

"Door anderen was reeds gegraven 1550 meters, zoodat voor ons te graven bleef 3140 meter".
Citaat uit de rede:


"Bij een vroegere verdeeling der markegronden was toeoestaan om de sloot te graven in het eigendom der Mark; de sloot zou dan geheel eigendom der Mark blijven; zoodat nu de geheele sloot hoort bij Het Woud, want het aangevangen werk is door ons voortgezet (-)"


Een deel van de sloot bestond dus en waarschijnlijk behoefde men een deel van het stelsel van sloten alleen maar te herstellen of uit te diepen.

Men bereikte met het graven van die ringsloot:


De heer Van Spreekens (6 nov.): "Het water loopt bij de leigraaf en kleine wetering goed af".

De ringsloot word op de Kleine Leigraaf aangesloten door het graven van een sloot, 50 meter lang, èn op de Grote Leigraaf, die doorgetrokken werd tot aan de grens van Het Woud. (Bosker noemt beide weteringen "hoofdafwateringen"). Op het kaartje op pag. 48 is de (vermoedelijke) ringsloot aangegeven.

De heer Van Spreekens: "Dewijl nu die ringsloot geheel behoort tot het Woud. heb ik ook het voorrecht over het water, dat daarin staat te beschikken: de uitkomst hierdoor verkregen was verrassend want het water stroomde met ongelooflijke kracht af, zo zelfs dat toen de laatste dam in de ringsloot werd doorgestoken, de stand van het water in de kleine Leigraaf 65 cm werd verhoogd".

Bij zijn bezoek werd in overleg met Bosker besloten "eene keet te laten maken bij Jeths" en "10 pr laarzen" aan te schaffen. (Een paar laarzen: f 5,50)

Om het water in Het Woud af te voeren en een begin te maken met de ontginning, was het nodig een "kruissloot" te graven. (Kaartje: van I naar II en van III naar IV).

Men begon met de twee sloten van 1165 meter lengte,
-47-

foto -48-

"2 El bovenbreedte, 1 El bodemwijdte, 1 El diep", op het kaartjes tussen I-II te graven. Twee sloten, want Bosker wilde tussen beide sloten een "begaanbare" weg aanleggen, dit met het oog op het afvoeren van de geweldige massa's hout.

Maar eerst moest een 12 meter brede "laan" uitgehakt worden.

De arbeiders zagen het eerst helemaal niet "zitten", ondanks de f 25 hen geschonken door de heer Van Spreekens voor "een vrolijke dag" en de premie hen in het vooruitzicht gesteld. "Iedere arbeider, die zonder eenige klagt op 1 Nov. 1870" nog in zijn dienst is, wordt een premie van f 10,- beloofd. Ook Bosker wist "dat dit het moeijelijkste van het geheele werk" was. Maar, aldus de heer Van Spreekens, "eenmaal begonnen, scheen het hunne ambitie te wekken".

De arbeiders sprongen "gelijk de eekhoorns" van de ene stobbe op de andere. Die "eekhoorns" hakten de laan uit, anderen begonnen met het graven van de sloten en het rooien van de stobben. Zo ontstonden de sloten. De modder werd landwaarts "opgeworpen". Het Woud in dus. Het zand werd het "fundament van de weg". Het was een onvoorstelbaar zwaar karwei, te meer daar slechts 10 van de 68 arbeiders beschikten over laarzen! De overigen "stonden met klompen aan de voeten, 't weer was koud" (november, december). De gelaarsde arbeiders groeven geulen, waardoor het werkterrein toegankelijk werd voor het "klompenvolk". Zij groeven de sloten en hakten de stobben uit.

Met gepaste trots schrijft Bosker: "Begin December konden wij met muiltjes van den grindweg naar de (Grote, v.L.) Leigraaf wandelen". Die trots wordt onverholen als Bosker schrijft, dat "van eenige uren ver in de omtrek" dames en heren kwamen wandelen over de nieuwe "woudweg".

N.B. De weg werd wel "woudweg", "woudlaan" en "Middenlaan" genoemd, totdat de laan in 1949

-49

de naam Van Spreekenslaan kreeg. De gemeente Apeldoorn was toen reeds eigenaar van de laan geworden door de weg te kopen voor het symbolische bedrag van f 1,-. Allen bewonderden de geweldige boomstoelen met de zware elzen en de met "eiloof" (klimop) en kamperfoelie omwonden eiken op de horsten.

De heer Van Spreekens bezoekt regelmatig Het Woud en wordt ook (bijna wekelijks) door Bosker op de hoogte gehouden van de vorderingen.

Op 7 dec. 1869 schrijft de eigenaar aan Bosker, dat hij besloten heeft, het hout toch maar voor eigen rekening te laten vellen en het niet op stam te verkopen. De heer Van Spreekens begrijpt, dat Bosker daartoe meer arbeiders nodig heeft en draagt hem op het aantal arbeiders tot 100 uit te breiden.

De arbeiders dienen "het hout te hakken en te rooijen te beginnen op no 1 (zie kaartje pag. 48) en zoo vervolgens, en daarna het hout uit te dragen tot den rand van het bosch en aldaar te sorteren in:

  1. brandhout,
  2. gewoon kribhout,
  3. extra kribhout,
  4. palen, van 7, 10, 12 en 15 meters,
  5. vrachthout,
  6. klompenmakershout,
  7. esschenhout en
  8. eikenhout".


Begin januari 1870 zijn de kruissloten klaar en treft de heer Van Spreekens reeds de voorbereidingen voor een "houtverkooping," op 3 maart.

Al spoedig echter blijkt dat Bosker geen kans ziet voor die datum de zaken te regelen in verband met "de ontzaggelijke natte weersgesteldheid".

Besloten wordt daarom het hout niet naar de rand van Het Woud te slepen, maar op het terrein te sorteren in "percelen". Bosker wordt gemachtigd nog eens 50 arbeiders in dienst te nemen om het karwei tijdig te kunnen klaren.

Maar nu het woord aan een verslaggever van de NRC. Hij bezocht in januari 1870 Het Woud.
-50-

De 150 mannen lieten, aldus de verslaggever, hun "gezang weergalmen". Hij bewonderde de "kolossale" weg: "Daar wandelt men thans op pantoffels even droog als in zijn tuin".

In januari was men reeds zover gevorderd, dat


Verslaggevers zien altijd meer dan de gemiddelde bezoeker: de N.R.C.-man telt 15 zware stammen op één stoel. Een interessant detail in zijn verhaal:


"Op een andere plaats hebben acht werklieden een vuur in een stomp aangelegd en allen zitten in den zelfden stomp met den rug tegen de acht boomen op dien wortel". (-) "In het schaftuur trekken de meeste werklui naar de horsten".


Daar waren stookplaatsen gegraven. Rond de stookplaatsen had men bomen gelegd ("in de vorm van een vierhoek") waarop de rustende arbeiders zich warmden.

Je ziet ze zitten die "Beekbergsche jongens, als waren zij levenslang aan deze leefwijze gewend. Ze eten er met lust, rooken, drinken, praten, lachen en zingen er luidkeels."

Vrijwel "elke ingezetene" werkt mee.

De journalist vergelijkt hen met de Amerikaanse woudlopers. De arbeiders hebben veel lof voor "de ferme behandeling van hunnen opzichter den Heer Bosker". Vooral daaraan is de goede orde en plezierige stemming te danken.

De ontginning geschiedde in een hoog tempo. Dat tempo werd vooral bepaald door "de lust" van de eigenaar" te voorzien in de behoeften der arbeiders te Beekbergen en omstreken".

Zo kon men in januari 1870 reeds beginnen met het in cultuur brengen van 64 ha in het zuid-westelijke deel van Het Woud.

De Apeldoornsche Courant van 26-2-1870: "Met de werkzaamheden van het vellen van het Beekbargsche Woud gaat het steeds goed voort, er zal op den 3den Maart
-51-

e.k. de eerste veiling van het tot hiertoe gevelde hout plaats nemen. Naar men ons meldt, is het hout zeer geschikt voor kribhout en heipalen, enz."

De NRC deelt haar lezers mee, dat de verkoop geen succes was: (3-3-1870) er werden slechts 14.000 bomen verkocht voor een bedrag van f 2712,-. Voor 20 cent had je een "boom" dus!

Dat ook de eigenaar de opbrengst tegenviel blijkt uit het volgende citaat uit zijn rede: "Die eerste houtverkoping had plaats op den 3den Maart, en ik moet eerlijk bekennen dat ze niet aan de verwachting heeft beantwoord. Hetzij teveel ineens in veiling werd gebracht. of het sorteren minder overeenkomstig de wensen der gegadigden was, of wel dat er nog steeds vrees bestond, om alles niet op den gestelden tijd te kunnen vervoeren, of misschien al deze redenen tezamen, genoeg, een gedeelte werd gegund, nl. al dat gene wat aan de buitenkant gelegen was op een terrein, dat ik het eerste in cultuur wilde nemen".

Ook in het "dagboek" spreekt de heer Van Spreekens er zijn teleurstelling over uit, dat de veiling zo weinig succesvol verliep. Grote voorraden brandhout "werden voor een te lage prijs gegund". Van de 1100 "perceelen" werden verkocht: 580 perc. brandhout; 60 perc. "klomphout"; 20 perc. "slieten"; 6 perc. eiken; 10 perc. "rijshout"; 50 perc. "esschen" en 77 perc. "rikken" (heiningpalen).

De 335 perc. heipalen werden "opgehouden", omdat de kopers alleen bereid waren "spotprijzen" te betalen. Bosker was "verdrietig over den afloop", aldus de heer Van Spreekens.

De eigenaar geeft Jeths (timmerman-aannemer?) opdracht de rest van het reeds gevelde hout (in "commissie" à 5%) te verkopen. Jeths wordt naar Rotterdam, Sliedrecht en Amsterdam gezonden om kopers te vinden voor het hout.

De verkoop van het hout van de overige delen van Het Woud leverde soortgelijke problemen, veilingen

-52-

werden niet meer georganiseerd.

Nadat de kruissloten gereed waren en een deel van het hout was geveld, groef men evenwijdig aan de "woudweg" een groot aantal kavelsloten, op elke honderd meter een sloot. Die "gruppels" waren 1 meter breed en 80 cm diep. Langs elke kavelsloot werd een (tijdelijk) pad gemaakt om het gevelde hout af te voeren.

Kavel na kavel werd gespit of geploegd en geëgaliseerd, waardoor een veel vlakker landschap ontstond. De horsten zijn thans niet meer te herkennen. Naar men mij vertelde heeft de gemeente Apeldoorn tijdens de crisisjaren '30 - '40 veel mensen te werk gesteld op het landgoed in het kader van de zg. werkverschaffing. Waarschijnlijk zijn toen de laatste sporen van de hoogten uitgewist en ontstond dat vlakke polderlandschap. (Het werk werd gestaakt toen W.O. II uitbrak; er werden echter nog wel enkele percelen ingezaaid met kool, erwten, enz.)

Waar mogelijk, heeft men getracht het ontgonnen land te ploegen. De heer Van Spreekens: "Hoewel te Beekbergen en omstreken het denkbeeld om in het Woud te ploegen als ene dwaasheid werd beschouwd, gelukte het evenwel, enige personen te vinden, die het wilden beproeven. De grond moest getweevoord worden, iets wat aldaar niet bekend scheen; men had maar zeer lichte zandploegjes en de meeste boeren hadden maar één paard. Bij de ploegen had ik enige manschappen geplaatst, om enkele wortels, die waren blijven zitten weg te ruimen".

Dat ploegen heeft nogal "wat voeten in aarde gehad". Er moest gewerkt worden met "slechte ploegen" en "slappe" paarden. Bosker rapporteert regelmatig dat het ploegen niet erg lukt.

foto


Wegedoorn Rhamnus cathartica, afb. uit www.stemderbomen.nl hier. b.w.

[Figuur wegedoorn]
-53-

In april werkte men "met 4 ploegen, 2 span eggen en 1 rolblok". Omdat men het land zaairijp wilde maken, werden drie groepen arbeiders van elk 25 man aan het spitten gezet. Elke groep zou 6 ha voor zijn rekening nemen. De ploeg arbeiders, die "het eerst de 6 E B. om heeft", werd een "premie" beloofd van f 10,-. En zo werd kavel na kavel gespit...

"Dit werk kostte wel wat meer, maar het land kwam netter te liggen". Het spitten van een hectare kostte de heer Van Spreekens f 75 tot f 100 ....

De lezers van de Apeldoornsche Courant worden regelmatig op de hoogte gehouden van de vorderingen bij de ontginning van Het Woud: "met de slooping van het aloude Beekberger Woud gaat men geregeld voort". (30- 4-1870)

In het artikel gaat de redacteur in op de goede verstandhouding tussen de heer Van Spreekens en de arbeiders.

De heer Van Spreekens, die al die mensen werk verschafte, was, aldus de redacteur, van plan het werkvolk "enige aangename ogenblikken" te bezorgen.

"Hiervan bewust, maakte het werkvolk daartoe eenige voorbereidselen, door eereboogen, met vlaggen versierd daar te stellen". Bij zijn aankomst werd de eigenaar van Het Woud verwelkomd met "daartoe vervaardigde dichtregelen" en een toespraak van een zekere J.N.P. "Het schieten met geweer en pistool deed de lucht weergalmen, iets hetwelk genoemde heer zoo zeer beviel, dat hij het volk eene aanzienlijke belooning beschikte". Geen wonder meent de scribent, dat "het werkvolk het werk met lust verrigt".

In de kroniek, het dagboek, geeft de heer Van Spreekens in telegramstijl zijn ervaringen van die elfde april met de volgende woorden weer: "ovatie van het werkvolk, 100 man, 20 vlaggen, ereboog, brief, vers-lied".

Op 21 mei moet Bosker 50 man "bedanken" en met de resterende 50 man "het haver zaaijen gedaan zijnde", de overige kavelsloten graven, enz.
-54-

foto


Witte rapunzel Phyteuma spicatum, afb. uit www.fotoherbarium.nl, zie hier. b.w.


foto


Authentieke opname van Witte rapunzel, nu zeer zeldzaam, vroeger algemeen in Het Woud. w.s. foto door Van Lohuizen gemaakt, b.w.]


foto


De al jaren verdwenen bomen langs de Van Spreekenslaan.


-55- .

foto


Toen was deze hooischudder een modern landbouwwerktuig.
De zg. "grote villa" aan de Woudweg (± 1910)


-56-

Je neemt je pet af voor de mensen, die onder dikwijls moeilijke omstandigheden (slechts één halve dag werd er niet gewerkt, het weer was te slecht) hun taak volbrachten. Verzuim was er nauwelijks: slechts vijf mannen hebben "wegens ongesteldheid eene week verzuimd". En die trouw werd beloond. Ieder, die een jaar lang zijn dienst trouw had verricht, ontving op 1 november 1870 de hem beloofde premie van 10 gulden. Betrokkenen moesten echter geen reden tot klagen "wegens onwil, brutaliteit of dronkenschap" gegeven hebben.

"Premiën uitbetaald aan 31 arbeiders, hun beloofd. Van de primitief aangenomen 50 werd de premie aan de navolgende 31 uitgereikt":


Jacob Groeneveld        Lammert Oosterman
Dirk van Engeland       Giezebert de Ronde
Rik Jeths               Gerrit de Winter
Jochem Luitjes          Frederik Bloemink
Herman de Koning        Gerrit Zyssink
Jan Hertgers            Willem Hasselman
Evert van der Enk       Toon Hasselman
Jannes Groensveld       Teunis Kerssenberg
Gerrit van den Brink    Kris Hertgers
Willem Neihof           Willem Hertgers
Jannes Everts           Gerrit Wouters
Arend Klomp             Jannes Bloemink
Hendrikus van den Berg  Hendrik Broekhuis
Reinder Evers           Jan Lammers
Gerrit Evers            Klaas van Schoten
Evert Garigosci


Na die eerste november gaat het werk door, immers slechts een deel van Het Woud is ontbost en een nog kleiner deel in cultuur gebracht. Op 2 november zijn de arbeiders weer paraat. Ze groeven, rooiden en hakten tot op de tiende juni 1871 de laatste boom werd geveld en in 1872 Het Woud op enkele horsten en een "Veengat" na ontgonnen was. (N.B. de horsten, gelegen op de kavels 28, 32 en 37).

Ongunstige weersomstandigheden belemmeren het werk, nu eens strenge vorst, dan weer langdurige regens.
-57-

Wanneer nodig, werd het aantal arbeiders tijdelijk uitgebreid, enige tijd werkten er zelfs weer ongeveer 75 arbeiders in Het Woud.

Na maanden sukkelen met "slechte ploegen" en "slappe paarden" werd eindelijk de knoop doorgehakt: Er worden 3 paarden gekocht en Bosker wordt gemachtigd bij "W. Jenken te Utrecht" te bestellen:


Weldra blijkt (o.a. uit de rapporten van Bosker), dat men geen miskoop had gedaan.

In die tijd blijken er wat problemen te zijn ontstaan wat betreft de verstandhouding tussen het tweetal Bosker en Groeneveld en de wellicht wat moeilijke W. Jeths. Na een gesprek met de heer Van Spreekens over de kwestie is het tweetal 'geheel opgefleurd'. Jeths werd in Arnhem op het matje geroepen.

De heer Van Spreekens bezocht ongeveer twee maal per maand Het Woud, alleen, vergezeld van enige familieleden of kennissen, eenmaal met de "gehele familie". Bezoeken om zich op de hoogte te stellen van de vorderingen en de "stand der gewassen" (Boskers rapporten, staten, waren soms wel erg optimistisch en enthousiast), om aanwezig te zijn bij verkopingen van de oogsten, om klachten af te handelen, problemen op te lossen, enz....

Het hout van het noordoostelijke deel werd verkocht aan de heren Bennink en Rouwenhorst. Het hout van het noordwestelijke deel bracht f 2114 op en werd gegund aan J.W. de Groot.

"Den 10 Juny 1871 is de laatste boom van het Woud geveld". Peter Goedhart Sager, met zijn anders zo "vaste" hand, schreef dit zinnetje met "beverige" letters in zijn notulenboek. En het dagboek op 14 juni: "Het hout is geveld - doch alles is nog niet weg."

Ongetwijfeld was voor betrokkenen het bezoek van de Koningin aan Het Woud een feestelijk gebeuren.
-56-

Het is erg jammer, dat we alleen in het dagboek iets lezen van het bezoek: in slechts enkele regels vertelt de heer Van Spreekens, dat de Koningin, en dat moet Sophia zijn geweest, de echtgenote van Koning Willem III, belangstelling toonde voor de ontginning van Het Woud. Omdat hij na een gesprek met Bosker op 30 juni 1871 het bezoek vermeldt (dat vond plaats op de 22 ste) is het bijna zeker, dat de Koningin haar bezoek niet aangekondigd heeft, zodat de heer Bosker haar ontving, rondleidde en inlichtte. Het dagboek: "De koningin heeft allerlei inlichtingen gevraagd aan B."

Nog ongeveer 40 mensen zijn bezig de laatste kavels in cultuur te brengen. Het werk, "aangenomen". gaat de mannen niet meer zo vlot af...


"Het is alsof die menschen begrijpen, dat het werk op een eind loopt", aldus de eigenaar van Het Woud in zijn boek.


In februari 1872 worden weer een aantal arbeiders ontslagen. Het ontginnen van enkele hoogten en het dichten van het "Veengat" kan door de boerenknechts gedaan worden, wanneer het werk op de boerderij dat toelaat.

"Den laatsten boom geveld", de laatste kavel gespit: Het Woud "was niet meer". Het laatste oerbos van ons land had plaats gemaakt voor een landschap, - de zakelijke Bosker wordt lyrisch--- "even vlak als de schoonste zeekleipolder". En de in Midwolde geboren landmeter wist waarover hij sprak ... .

foto


Dalkruid Maianthemum bifolium, afb. uit Irene's website . b.w.

[Figuur Dalkruid]

Het Woud. waar niemand brood in zag, was door mensen "bedwongen". Zonder al te veel problemen zelfs; Bosker: "bovendien is alles zeer voorspoedig verlopen".

In al die maanden, jaren zelfs,
-59-

viel niet "het geringste ongeluk te betreuren". De arbeiders werden door "koortsen noch ziekten geplaagd".

De heer Van Spreekens had namelijk een aantal "beginselen" in "toepassing" gebracht; zo vertelde hij het volgende:


"Vooreerst was het noodig onder het groot aantal arbeiders eene strenge tucht in acht te nemen en toe te zien, dat de goede orde niet verstoord werd door dronkenschap, onwil en dergelijke; daarom werd hun bij het aannemen:
  1. ten strengste verboden om sterken drank, hoe ook genaamd, op het terrein te gebruiken; (een "drooglegging"van andere aard dus, V.L.) vervolgens;
  2. om eenig hout, hetzij levend of dood uit het Woud mede te nemen; zullende het geringste als ontvreemding van eens anders eigendom worden aangemerkt, en met finaal ontslag uit het werk gestraft worden;
  3. deze straf wordt ook onmiddellijk toegepast bij verzet of brutaliteit;
  4. (gezegd, dat) de werkuren door ons worden geregeld; het loon wordt berekend bij het uur, en bij het te laat komen, de dubbele tijd gekort wordt.


Nog dient vermeld, dat wij weldra besloten om de uitbetaling der daglonen te doen op Maandag en niet op Zaterdag". Dat voorkwam in ieder geval "het maandag houden".


Ondanks deze maatregelen, kon de heer Van Spreekens voldoende personeel aantrekken, vooral ook omdat de 90 cent per dag erg aantrekkelijk bleek. De plaatselijke boeren waren niet zo gelukkig; zij die ook daggelders in dienst hadden meenden dat de arbeidsmarkt werd afgeroomd. Het is echter duidelijk, aldus de NRC van 25-7-1870, dat de arbeider de f 0,90 toekomt: hij loopt immers de maaltijden mis, die de boer hem wel verschaft.

Aan het eind van zijn rede spreekt de heer Van Spreekens zijn grote tevredenheid uit over zijn werknemers. Hii prijst hen uitbundig. Een citaat uit het
-60-

slot van zijn rede:


"Ik zal er mij een genoegen van maken, om de verkoopers, de Geërfden van de Lierder Mark, zooveel halve Ned. ponden hooi te geven als de koopsom aan guldens bedroeg, zoodra mijn doel bereikt is (-) zonder van die zijde eenige tegenwerking te hebben ondervonden.

Ik eindig, M.H., met een woord van lof voor den arbeider te Beekbergen; onder die uiterlijk ruwe vormen verbergt hij een hart, dat ontvankelijk is voor goede indrukken; hij is werkzaam, matig, volhardend en heeft een natuurlijk gezond verstand dat zeer goed op prijs weet te schatten de maatregelen in zijn belang genomen, al wijken ze af van 't gewone en al zijn ze schijnbaar streng. Dien lof breng ik ook aan den opzichter over het werk en de arbeiders, vroeger buitengewoon veldwachter bij de Lierdermark, en die ik het geluk had aan mijne onderneming te verbinden."


In de rede, uitgesproken in 1870, krijgt menigeen een woord van dank, maar in zonderheid Jannes Groeneveld (Oprichter van het zangkoor Hosanna te Beekbergen?) die door "zijn locale kennis" de heer Van Spreekens "zeer veel dienst heeft bewezen". ook aan hem, die de "directie" was opgedragen, is de "goede réussite der geheele zaak" te danken.

VI-4 "Bezaaijen en oogst".


Toen de eerste hectares waren ingezaaid met haver, koolzaad, tarwe, enz. waren de verwachtingen hoog gespannen. Het is mogelijk dat men erg veel verwachtte van de weliswaar humusrijke maar toch ook erg zure grond. De humuslaag varieert in dikte van 2 palm aan de rand tot 10 à 12 palm in het midden van het Woud, aldus de heer Van Spreekens. Bosker spreekt van een laag van 40 tot 80 centimeter "uitmuntende bouw- en tuinaarde", rijk aan mineralen.
Waarom men eigenlijk experimenteerde met allerlei gewassen is niet duidelijk. Reeds vanaf het begin was het de bedoeling van de eigenaar van Het Woud een weidegebied te inaken. Was Bosker meer man van de theorie en maakte hij daardoor fouten?
-61-

In ieder geval, Bosker komt ook zelf tot de slotsom dat men hooguit haver en koolzaad had moeten verbouwen. Hij adviseert, bij het in cultuur brengen van soortgelijke natuurgebieden (alsof die er nog waren ....) alleen juistgenoemde gewassen te telen. Haver en koolzaad verdragen het "humuszuur" redelijk tot goed, meent Bosker. Het zuur is overigens te neutraliseren door hitte of as.

Bosker geeft ook een beschrijving van het profiel van de bodem, dat ik hier in een schema weergeef:

profiel

N.B. Op grond van de vondst van al die penwortels, kwam Bosker tot de conclusie, dat "Voor zoo verre wij hebben nagegaan, zeker twee bosschen zijn gesloopt of bedolven."


In hoofdstuk VII komen we terug op Boskers conclusie.

In oktober 1870, toen ruim 64 ha ontgonnen was begon men met het "bezaaijen". (Een proef met 30 ha haver was al mislukt vooral door het ongunstige weer). De resultaten over 1871 zijn in Boskers ogen vrij gunstig. Minder tevreden was de eigenaar van Het Woud. Boskers (wat bekorte) overzicht "van de bezaaijing en de staat van opbrengst":


Ingezaaid:                    De oogst:

Haver (ruim) 49 ha            Matig tot goed, 2100 kg/ha
Zomergarst (bijna) 40 ha      Zuinig, kort stro
Boekweit  12 ha               Matig tot goed
Aardappelen (ongeveer) 6 ha   50 hl/ha.gaaf, groot, goede kwaliteit
Suikerwortelen 2 ha           mislukt (door de kou)
Vlas (1) 2 ha                 bevredigend (!?)

Op 9 augustus 1871 wordt een "verkooping" gehouden van haver, boekweit, enz. In de herberg De Leeuw te Beekbergen hanteert notaris Van Voorthuyzen de hamer. De opbrengst? "Niet al te best", oordeelt de heer Van Spreekens, die bij de verkoop aanwezig was. "De haver ging nog al, maar de boekweit en het vlas zijn opgehouden". De oorzaken? Op de verkoping waren "weinig vreemden" en in die streek is te weinig kapitaal".

Bosker experimenteerde, behalve met gewassen, ook met meststoffen als: Peru guano (Goede resultaten bij boekweit), kalimest (gunstig voor oerst en grasland), Caro guano (gunstig), "turfasch" (eveneens goede resultaten), zwavelzure kali, beenderenmest, "straatmest", enz.
Toch valt ook de oogst in 1872 tegen: tarwe (matig tot slecht), rogge (beneden het middelmatige), gerst (ook "beneden het middelmatige"), haver (goed), aardappelen (uitmuntend).

In 1872 wordt voor het eerst "gehooid": "de 8 hectaren in 1871 aangelegde kunstweiden" leverden per hectare "pl. m. 6900 kilo".

Bosker en zijn medewerkers weten met het "kruipend struikgewas", de bosanemoontjes, de verschillende soorten boterbloemen, met watermunt en moeraskartelblad nauwelijks raad. Diep onderploegen lukte niet: er zat nog te veel wortelhout in de grond. Het was bij enkele gewassen zo, dat het onkruid in "haar welige groei" de overhand kreeg.
In april wordt besloten, april 1672, 100 ha in te zaaien met graszaad, een mengsel van kropaar, "Italiaansch en Engelsch raygres", "Timothygras" en veldbeemdgras. Door het mengsel werd klaverzaad gemengd. Het bleek nodig in elke kavel drie "gruppels" te graven, 1 meter breed en 80 cm diep. In 1871 betekende de "boerderij in het woud" w.b. de veestapel
-63-

tekening
-64-

nog niet veel: 8 paarden en 8 ossen, vermoedelijk trokken ze de ploegen. Een jaar later heeft Bosker plannen om voor de boerderij "40 koeijen aan te koopen". Door de geringe voorraden hooi, stro, "mangelwortelen" (voederbieten), gerst en lijnzaad blijft de rundveestapel voorlopig beperkt tot 24 koeien.

De Landbouwkrant (Arnhem, 1872) meldt haar lezers, dat het grootste gedeelte van "Het Woud" met gras en klaver is ingezaaid. En daarmee bereikte de heer Van Spreekens zijn doel: (uit zijn rede, 1870)


"Wat is nu het einddoel van dit werk? Eenvoudig om van de grond wei- en hooiland te maken, waartoe hij uitnemend geschikt is".


De heer Van Spreekens wilde o.m. door grondvermenging en een goed regelbare grondwaterstand gunstige voorwaarden scheppen voor goede weilanden. Als Bosker in 1875 de gemeente Apeldoorn verlaat, is nagenoeg het hele Woud weidegebied, waar Dr. Thijsse nog genoeg planten had kunnen vinden om er een van zijn Verkade-albums mee te "vullen"...

Op de volgende pag. staat de plattegrond afgedrukt van "de Boerderij in het Woud".

De "Apeldoornsche Courant" van 25 maart 1871:
"Door den heer Van Spreekens, eigenaar van het Beekbergerwoud. zal binnenkort de eerste boerderij op dien vroeger zo drassigen bodem aangelegd worden; het huis is aanbesteed voor f 23.000 en er zullen ongeveer 500.000 stenen toe nodig zijn; het wordt geheel ingerigt volgens een Engelsche boerderij". Het huis met de schuren staat thans nog aan de Woudweg, aan de Beekbergense kant van de Van Spreekenslaan. Op de voorgevels van de schuren staat te lezen: "Anno - 1871."

In 1875 werd naast de boerderij de zg. "grote villa" gebouwd met drie grote schuren. Thans is in de westerschuur een tuincentrum gevestigd.

VI-5 Paarden voor Jan Soldaat.


In het "Tijdschrift voor de Veeartsenijkunde" (1908) komt een artikel voor van de hand van J.M. Knipscheer
-65-

foto
-66-

De heer Knipscheer was "Officier-Paardenartst' te Nieuw-Milligen.

In 1886 werd t.b.v. de cavallerie een zg, Remonte-depôt gevestigd te Nieuw-Milligen. Jaarlijks kocht defensie een groot aantal 3 en 4 jarige paarden.

De paarden werden in Ierland gekocht en verscheept naar Rotterdam, Om de dieren te selecteren en ze wat op verhaal te laten komen, werden ze gedurende de zomer nauwlettend in de gaten gehouden. Aangezien het depôt te Nieuw-Milligen niet over voldoende weidegrond beschikte voor de enkele honderden paarden, werd een deel van de paarden elders "uitbesteed".

Zo kwam het, dat ook remonte-paarden werden overgebracht naar "het landgoed van de familie Van Spreekens, Woudweg, Lieren".
De heer Van Spreekens was alleen verhuurder van zijn grond; een tweetal "militaire wachters" hielden de paarden nauwlettend in het oog. Deze "amateur-dierenartsen" moesten reeds "op een afstand" een paard dat hoestte, onvoldoende graasde of een gezwollen keel had" kunnen opmerken.

Bij aankomst in Beekbergen werden de paarden door de "Officier-Paardenarts" zorgvuldig geselecteerd.

Paarden met een slechte conditie en zieke dieren met "neus-catarh, goedaardige droes", enz, werden ondergebracht in de zg. ziekenstallen. Wekelijks werden de dieren behandeld door de arts, die dan tevens de verzorging en de conditie van de paarden controleerde. Het onderbrengen in de ziekenstallen en het afzonderlijk weiden was van groot belang. De paardeziekten waren besmettelijk en een koude nacht veroorzaakte dikwijls de dood bij een koortsig paard.

De heer Revenberg herinnert zich nog het boeiende gezicht van de galopperende paarden: door het "golvende" landschap (vermoedelijk werden de kavelsloten onderhouden) "verdwenen de paarden plotseling uit het gezicht om even later weer op te duiken".
De weiden waren omheind met hoge palen waarlangs men dikke draden had gespannen. Prikkeldraad werd niet gebruikt om te voorkomen dat de paarden er zich aan zouden verwonden.
-67-

De heer Revenberg vertelde ook hoe de paarden met droes (een "flinke griep") werden behandeld. Om de verstopte neus te behandelen (paarden ademen door de neus), trok men de paarden een "soort zak' aan het hoofd waarin men iets deed "dat rook als ammoniak". Het slijm kwam dan los.

Van twee ziekenstallen wist de heer Revenberg de plaats, waar ze stonden. Beide gebouwen zijn gesloopt. (Zie het kaartje op pag. 48) Een van de ziekenstallen (op het terrein van het landgoed) werd in de volksmond de "paardekerk" genoemd, vermoedelijk omdat het gebouw een grappig torentje had.

foto


De zg. paardekerk, ook wel genoemd "het torentje".


De beide wachters, beroepsmilitairen, waren "ingekwartierd bij een familie De Groot aan de Woudweg. Hun werk eindigde begin september. Na een behandeling van de hoeven "vanwege de harde wegen", werden de paarden overgebracht naar Nieuw-Milligen. De stallen werden grondig gereinigd. En dan was het wachten op de nieuwe "koppels", die in mei arriveerden.

Het Woud heeft tot aan het begin van de Eerste Wereldoorlog remonte-paarden gehuisvest. Ook ons leger werd "gemotoriseerd", "cavaleristen verplaatsen zich thans d.m.v. tanks ..... .
-68-

Na de ontginning en dan vooral na de tijd van de remonte-paarden, werden vrij veel pinken "ingeschaard". Dat gebeurt thans ook nog wel, zij het op kleine schaal.

De heer Wolters gaf o.m. de volgende gegevens. Het vee kwam vooral uit de provincie Utrecht. De meer progressieve boeren begrepen, dat wanneer ze hun pinken elders uitbesteedden, ze de weiden in de nabijheid van hun boerderijen konden gebruiken voor hun melkvee. De pinken konden immers met veel minder zorg toe. De pinken werden "gebrandmerkt" (letterlijk).

VI- 6 De boerderij


We komen nog even terug op de bouw van het huis en de stallen. In zijn dagboek vertelt de eigenaar van Het Woud, dat hij "het plan voor de boerderij" zelf heeft ontworpen. Bosker was "ingenomen" met het plan, hij werkt het verder uit en geeft veel tips, "waarvan bij de constructie gebruik gemaakt kan worden".

H. Jacobs te Velp is de bouwer. In verband met de aanvoer van de bouwmaterialen - men heeft een losplaats nodig bij het kanaal (de "Lierderbrug") - rijzen zo grote problemen, dat de Arronds ingenieur er zelfs aan te pas komt.

Op 22 mei begint men te bouwen, nadat het terrein voor f 750 is opgehoogd. De heer Van Spreekens legt 14 juni (1871) de eerste steen. In juli zijn de "gebouwen onder de kap, de vlaggen er op (meiboom), daarvoor gegeven f 40".

Nadat de gebouwen opgeleverd zijn, wordt het eerste vee aangekocht. Cornelis Hagen uit Rheden wordt "gehuurd en aangenomen" als "paarde- en veeknecht". Langzamerhand breidt de veestapel zich uit.

Notitie uit het dagboek: 2 juni 1674: "93 beesten, overvloed van gras. Wij zullen dus trachten nog minstens 50 stuks vee bij te kopen".
Dagboek, 14 juli 1874: "Er zijn 169 beesten, gras genoeg, maar geen water, zoo dat de beesten dagelijks twee keer geleid worden naar de beek, op vijf minuten afstand van de boerderij, de vierde (hooi-) berg is bijna klaar".
-69-

Veel vee werd in de lente aangekocht, twee seizoenen geweid en in de herfst weer verkocht. Op 26 oktober 1874 werd vee, wat paarden en een varken verkocht. Maar de veeprijzen waren laag. Het vee, dat voor bijna 20.000 gulden was gekocht, bracht ruim 12.500 gulden op. De ongunstige prijs van het vee werd geaccepteerd, "meede in verband met eene onaangename historie met een' dollen hond". (waren er misschien dieren gebeten?).

Soms kwam een koe of pink in een kavelsloot terecht. De bodem van de sloten was niet "vast": de zware dieren zakten diep weg in het veen. Alleen met heel veel moeite slaagden de knechts erin de dieren weer uit het veen te hijsen.

"De veestapel bestaat thans (ik dacht dat de cijfers wel representatief waren voor de eerste jaren) uit


En, aldus Bosker, "het gras groeit tegen het vee aan, zoodat wij nog zeer goed 50 stuks ossen meer zouden kunnen weiden. Het gevolg zal dus zijn dat het hooiland twee maal gemaaid moet worden". Toen Bosker dit schreef (1874), was nog ongeveer 32 hectare in gebruik als bouwland.

Het moerasbos is "binnen vier jaren in eene der schoonste boerderijen in Nederland veranderd". "De vaste wil en de onvermoeide ijver, waarmede de einenaar, de heer B. van Spreekens, deze zaak heeft aangevat en den spoed waarmede hij het werk ten uitvoer heeft ten uitvoer [sic] gebragt, verdient allen lof, en voor mij is het bestuur over de werkzaamheden eene hoogst aangename bezigheid." Een tevreden Bosker!

Gedurende de tijd dat het landgoed bestuurd werd door de zoon van de koper van het Woud, Willem van Spreekens, verliepen de werkzaamheden zoals u die beschreven vindt op de voloende pagina's.
-70-

Gedurende de tijd dat de heer Van Spreekens sr de leiding had op het landgoed, verrichtten acht arbeiders in vaste dienst het werk in de stallen, op de akkers en in de weilanden. Een achttal "losse" arbeiders completeerde de "ploeg" in drukke tijden. Want werk was er voldoende op landgoed. Vijf hectare was gereserveerd voor het verbouwen van rogge, haver, aardappelen en bieten. Dit akkerbouwgebied bevond zich daar waar het wat hoger en zandiger was. Slechts vijf hectare; alleen gedurende de laatste oorlogsjaren (Eerste Wereldoorlog!) werd ongeveer vijftien ha grasland gescheurd en ook gebruikt als bouwland. De akkerbouw stond in dienst van de veeteelt. Zoals het toen gebruikelijk was, paste men een systeem van "vruchtwisseling" toe: de akkers werden achtereenvolgens bezaaid of beplant met rogge (daarna knollen), aardappelen, haver en voederbieten.

Door twee hectare rogge te verbouwen kon men ruimschoots in de behoefte aan stro en roggemeel voorzien. Met roggemeel werden de varkens vetgemest, het stro was bestemd voor het "hoornvee" (strooisel en voer). Het dorsen geschiedde met de vlegel tot dat de "motordorsmachine" zijn intrede deed. Ook werd er wel gedorst met een zg, handdorsmachine. De opbrengst per hectare: ongeveer 40 hectoliter en 5 ton stro.

Twee tot drie ha werd ingezaaid met haver. Daarnaast werd jaarlijks 5 hectare grasland gescheurd en met haver ingezaaid. Op de ouderwetse manier: breedwerpig, met het zaaivat voor de buik, totdat de machine ook bij deze arbeid de menselijke inspanning beperkte tot een minimum. De haver werd gedeeltelijk gedorst. Met het zaad werden de vier werkpaarden "van het gekruiste Belgische ras" en een aantal jonge paarden en veulens gevoederd. Ook een honderdtal witte leghorns "pikten een graantje mee". al waren die in staat voor een groot deel hun eigen kostje op te scharrelen, Er ging immers wel wat graan "verloren" op het bedrijf.
-71-

Het haverstro werd door het voer van het jong- en melkvee gemengd. De rest van de oogst werd gehakseld t.b.v. het jongvee en de paarden. De opbrengst per hectare: 60-70 hectoliter zaad en 5 ton stro.

De aardappelakker was 1 tot 1,5 hectare groot. Men plantte poters van het ras "roode star, die qualiteit paart aan quantiteit". De poters werden op de toen gebruikelijke wijze geplant of "achter de ploeg gelegd". Daarbij gebruikte men 2 ploegen "waarvan de voorste een dun laagje grond in de voor werpt, waarop dan de poters ge1egd worden". De tweede ploeg "bedekt de aardappels met een laag grond van ongeveer 10 centimeter". Nadat de aardappels waren gerooid (met de greep) werden ze gesorteerd, Een deel van de oogst was bestemd voor de consumptie en werd ingekuild; de "krielaardappeltjes" worden gekookt aan de varkens of "rauw" aan het melkvee gevoerd.

"Mangelwortelen" (voederbieten) werden op een zaaibed opgekweekt en daarna op de akker uitgepoot; met "de lange Duitse gele" werd 0,5 tot 1 hectare beplant. Voor het planten werden de penwortels wat ingekort. De bieten werden in oktober gerooid, met de hand uit de grond getrokken, en daarna "gescalpeerd", wat schoon gemaakt en daarna ingekuild. Het loof werd ondergeploegd of als veevoer gebruikt. Men oogstte per hectare gemiddeld 50 ton bieten.

Behalve paarden en leghorns was de boerderij tien koeien van "het zwartbont Friesch-Hollansch veeslag" rijk. Het grootste deel van de melk werd geleverd aan de Coöp. Zuivelfabriek te Loenen. Met de ondermelk, die van de fabriek terugkwam, werden de varkens gemest. In het voorjaar werd "gust jongvee" aangekocht, dat achter in het najaar weer van de hand gedaan werd, met uitzondering van de "beste" dieren, die bestemd werden voor de fokkerij. Het melkvee stond van half oktober tot half april op stal en werd gedurende die maanden gevoerd met hooi, voederbieten, lijn- en raapkoeken, enz. Het grasland werd "gedeeltelijk geweid (3/4 deel) en gedeeltelijk gehooid".
-72-

Omdat de veestapel niet zo groot was, dat alle grond benut moest worden voor de instandhouding van het bedrijf, werden verschillende percelen grasland aan derden verhuurd.

Ook werd, zoals reeds ter sprake kwam, vee ingeschaard. Op één hectare weidde men 3 stuks jongvee, 2 koeien of twee jonge paarden. Het "weidegeld", het bedrag dat men moest neertellen voor het inscharen van vee, varieerde van f 80,- tot f 100,- voor paarden en van f 40,- tot f 60,- voor hoornvee per seizoen (van 1 mei tot 1 november).

"Gedurende de zomer werd het vee geregeld overgeweid"

De paarden "volgden" de koeien, m.a.w. in de door de koeien begraasde weiden werden de paarden . gedreven.

tekening


Tekening naar een foto. Het koetsje, "de brik", waarmee de kinderen Van Spreekens naar school gebracht werden, wordt onder handen genomen door een staljongen, Anton Groeneveld


In het voorjaar sleepte men het grasland met een zg. "sleep", een "houten raam, waartussen doornentakken zijn bevestigd". Ook gebruikte men wel een sleep, gemaakt van 3 karwielen.

De weiden werden hoofdzakelijk bemest met kunstmest. Men gebruikte in die tijd o.m. de soorten slakkenmeel, kalizout, kalk en "chili".

In de herfst en winter vond het onderhoud aan
-73-

sloten en weteringen plaats. Wie nu eens door Het Woud rijdt kan zich een voorstellinc maken van het aantal "manuren", dat dit onderhoud gekost moet hebben. De uitgediepte grond "werd over de akker gestrooid".

De weiden waren om-heind "met dennenposten om de 3 meter, waarlangs 2 gladde ijzerdraden" waren gespannen.

De bossen "bij de boerderij behorende en liggende op een half uur gaans" van het Woud, leverden die palen.

Het zaadmengsel, waarmee men veel succes had, dat een goede kwaliteit gras en hooi leverde, bestond voor een groot deel uit zaad van het "Engels raaigras, beemdlangbloem en witte klaver".

Het gras werd omstreeks de langste dag gemaaid, met de zeis, tot de machine zijn intrede deed op de boerderij. Lange tijd bleef men echter de wat minder vlakke delen maaien met de zeis. Dat kostte wel wat meer, maar als de prijs van het hooi hoog was, "won men die kosten wel weer terug". Men oogstte 3-4 ton per hectare.

Dank zij het "zuivere kwelwater" en de mogelijkheden het water en de waterstand te beheersen, had men nooit te kampen met droogte of wateroverlast. Daarbij kwam het voordeel van "het groote absorbeerende vermogen van de bovengrond".

De gegevens voor de pag. 71 tot en met 74 zijn ontleend aan een scriptie, geschreven door Adolf van Spreekens. (Zie lit.-overzicht).

[Figuur boerenkarren onder hooischuurkap]
-74-

VI-7 De bewoners van het landgoed.


De koper van Het Woud, de heer B. van Spreekens, heeft niet op het landgoed gewoond. Hij kwam wel dikwijls uit Velp naar Beekbergen. soms met zijn zoons Barend en Cornelis, die in Leiden rechten studeerden. Beiden stierven echter jong. Het was de jongste zoon Willem, die zich in 1867 op Het Woud vestigde, na zijn studie aan de Landbouwschool te Wageningen en zijn praktijk op landgoederen in Mecklenburg en Denemarken.

In 1890 trouwde hij met Kitty Henny. Uit het huwelijk werden vier zoons geboren, waarvan alleen de jongste nog in leven is. Hij woont sinds 1945 in Beekbergen.

Na de vroegtijdige dood van zijn vrouw in 1917 hertrouwde Willem van Spreekens in 1919 met Johanna Bolkestein. Uit dit huwelijk werd een dochter geboren; ze woont thans in Twello. W. van Spreekens maakte ook tijd vrij voor kerkelijke en maatschappelijke functies. Zo was hij administrerend-, later president-kerkvoogd, in 1909 oprichter van de Boerenleenbank en tot zijn dood in 1929 voorzitter. Hij was voorzitter van "Beekbergen-Vooruit", bestuurslid van de "boter"-fabriek "De Gelderland" in Loenen, hoofdgeërfde van de polder "Beekbergen", bestuurslid van de Geld. Mij. van Landbouw en beschermheer van de muziekvereniging "Wilhelmina" in Oosterhuizen. Zijn eerste vrouw typte boeken in "Braille" voor blinden. Ze was, vanaf de oprichting op 1 oktober 1911 tot haar overlijden in juli 1917, secretaresse-penningmeesteresse van de Wijkverpleging in Beekbergen.

Bovenstaande gegevens werden mij verstrekt door ing. C.C. van Spreekens te Beekbergen. Voor zijn bereidwillige medewerking ben ik de heer Van Spreekens zeer erkentelijk.
-75-

VII ..."Verloren monument van de voormalige natuur"....


VII-1 Bloemrijke taal


In dit hoofdstuk bekijken we Het Woud door de bril van de "wandelaars" en de "archeo- en andere logen". In allerlei verslagen en artikelen is de lof van het Woud bezongen, soms in een komisch-romantische taal. Luistert u maar naar ene Engelen: "hij wierp zich op het zachte mos aan de voet eens eiks neder (op het zachte mos van een horst kun je je dat nog wel permitteren, v.L.) en gaf aan zijne overpeinzingen de vrije loop".

Het Woud had indertijd (aldus A. Aarsen) "een grooten naam bij plaatsbeschrijvers, oudheidkundigen, touristen en minnaars van natuurlijk schoon".

Robidé van der Aa omschrijft het woud als "een der merkwaardigste wouden van ons vaderland en wellicht het eenige hier nog aanwezige natuurwoud".

De reeds genoemde heer Engelen:" Men vindt de wederga daarvan in ons vaderland niet; een weldadige natuur, onuitputtelijk in haar hulpmiddelen". W.C.H. Staring noemt het "een der zeldzame plekjes oerwoud".

Het verslag van de "opmerkzame wandelaars" bij uitstek, ds O.G. Heldring en R.H. Graadt Jonckers, verdient een uitvoeriger citaat. Hun "De Veluwe, Eene wandeling" dateert uit 1841.

Boeiend en vaak op humoristische wijze doen ze verslag van hun ervaringen en impressies. In de pagina's, die betrekking hebben op Het Woud, is ds Heldring aan het woord. (Het is beslist de moeite waard hun beschrijvingen te lezen van het Engelanderholt, Heerenhul, de Papenberg, de dorpskerk en het, graf van Marten Orges).

Maar vooral Het Woud bevelen ze de "Veluwe-reiziger" aan. Ds Heldring heeft het, samen met een gids, bezocht. De gids was "een van die stille, zwijgende mensen, die niet graag een woordje te veel zeggen". Vermoedelijk heeft dominee de nacht doorgebracht in de "Smittenberg"" toen herberg, stalhouderij, enz. Nadat hij vroeg in de morgen zijn gids had afgehaald,
-76- (of omgekeerd?)

wandelden beide mannen vanuit de woning van de vader van de gids richting het Beekberger Woud.

Als ds Heldring kennis maakt met de vader van zijn gids, zit deze "zich te verdiepen in eenen ontzaggelijken boekweiten spekpannekoek".
De oude man weet niet exact zijn leeftijd, hij is tuseen "de tachtig en negentig jaar oud".

De jager denkt aan "een met eigen hand" geschoten hert zijn herteleren "hose" (broek), Heldring meent dat men zich in zulk een kledingstuk waardig en stemmig gekleed ter kerke kan begeven.
foto

De landman van de negentiende eeuw was zijn eigen kleermaker. Heldring bewondert het prachtige stikwerk op de "hose".

De oude jager, thuis in de Bijbel, is nu "de lust is vergaan", niet meer in staat zijn hobby, de jacht, te beoefenen.
Ds Heldring en zijn gids wandelen het dorp uit: "schoon bebouwde boekweit- en rogvelden lagchan (-) lieflijk en bekoorlijk den aanschouwer toe".

Tussen de "uitgestrekte boekweitvelden" met "links en rechts beken" lopen de mannen naar Lieren.

Tenslotte bereiken ze via "een gemeente weide zonder afwatering, zoo armzalig als ik geen tweede ken" Het Woud. (Gemeente: gemeenschappelijk)

Ds Heldrings medelijden met de arme koebeesten kwam reeds ter sprake.

De aanblik van het Woud stelt dominee teleur: het was "dezen winter van zijne tachtig, ja honderd voeten hooge elzen en assen beroofd". Niettemin zijn zelfs de "stoven" in staat bij de pastor gevoelens vanvertedering op te roepen.

foto


Knikkend Nagelkruid Mespilus germanica (tekening en foto), afb. uit Wikipedia, over Knikkend Nagelkruid, zie hier. b.w.


[Figuur Knikkend nagelkruid, thans zeldzaam]
-77-

De stobben zijn met "het sierlijkste klimop omwonden en vormden (-) hier duizend lieve altaren van bloemen."

Lezend in de "Veluwe", zou je o zo graag eens even in de schoenen van de Weleerwaarde staan en ook "het bloemtapijt schooner dan misschien in den rijksten bloemhof door kunst immer vervaardigd" bewonderen.

Heldring is onder de indruk van de talrijke vergeetmijnietjes en de vele "irissen" (gele lissen).

Mijmerend over de geweldige rijkdom aan schoonheid - immers, de mens leeft niet bij brood alleen - concludeert deze natuurbeschermer van het eerste uur, dat de mens de aarde zo eenzijdig gebruikt.

De mens doet dat zo "vleeschhalachtig, zoo koornschuurmatig". En aldus verliest de ongerepte natuur haar "rang en regt van plaats".

"Ja de mensch dwaalt, (-) als hij vergeet dat de gansche natuur een hooger doel heeft, dat zij een sprake Gods voert. Gelukkig de mensch (-) die evenals de landman zijne akkers verbetert (-), steeds aan zijn eigen hart werkt, om dat heerlijke zaad in zich te zien gedijen, dat alleen aan zijne groote bestemming voldoet".

Je zou bijna vergeten" dat het onderwerp "Het Woud" is!

Beschermd door de rook uit de pijp van de gids tegen muggebeten luistert dominee verrukt naar het gezang van de "duizenden vogelen". "Vogelen" als de raaf, de reiger, de roerdomp, de goud-amstel, de wielewaal, het ijsvogeltje en de nachtegaal.

Ds Heldring filosofeert over de nachtegaal met zijn koninklijke zang en toch zo eenvoudige verenpakje en het ijsvogeltje, dat alleen pronken kan met een prachtig verenpakje... (De "toepassing" bespaar ik u).
Tenslotte bereiken ze de "Groote Horst" met z'n eiken, "zoo fier en zoo schoon". De gids toont hem de aangeplante eiken en vertelt bij de horst ook het verhaal over "de wondere potten en ketenen". Eerlijkheidshalve, ondanks het wel wat vleiende portret, dat we van ds Heldring "schilderden", zii vermeld, dat hij een pas uitgevlogen goud-amstel met
-78-

keerde.... (goud-amstel = wielewaal) [hier is iets weggevallen in de publikatie?]

En "toen was mijn togt voleindigd en ik keerde weder naar het dorp Beekbergen". Terug naar het dorp, met een door zijn gids gesneden "eikenstok" voor zijn college-wandelaar en met een goud-amsteltje....

In en "bij" Het Woud, om met het Memorieboek te spreken, kwamen erg veel adders voor, vooral op de vochtige heidevelden.

In volksverhalen blijken de adders het vooral op koeien te hebben voorzien: de adders "melken" ze. Op Bargjeshoogte heeft iemand het ooit eens met eioen ogen gezien. En de "sporen" van dat melken heeft menigeen gezien op de spenen en uiers van de koeien. Of waren het meer onschuldige wondjes, veroorzaakt door braamstruiken?

In ieder geval. als er een "wandelaar" gebeten werd door een adder, dan was er altijd wel iemand die een flesje oarenolie in huis had. Men bereidde dit medicijn, het "tegengif" als volgt: er werd een fles met een niet te nauwe hals ingegraven op een plaats waar veel adders voorkwamen. Wanneer zich een adder in die fles "genesteld" had, duwde men fluks een kurk in de hals van de fles. De adder stierf de verstikkingsdood. Wanneer het dier voldoende was vergaan, bereidde men van de resten het medicijn "oarenolie". Oarenolie was een soort "Haarlemmer-olie", goed voor elke kwaal.

Ds Heldring is niet gebeten; we hadden er zeker een spannend verhaal aan overgehouden...

Overigens, naast de ongetwijfeld indrukwekkende natuur met haar rijke plantengroei - het is moeilijk iets te beschrijven, wat je niet met eigen ogen zag - moet het Woud toch ook griezelig, spookachtig zijn geweest. 's Zomers was het er schemerdonker, er hing altijd de geur, de weeë lucht van bederf. Het is te begrijpen. dat er vroeger bij het vuur menig spookverhaal verzonnen en verteld is op de lange winteravonden. Wie tekent ze eens op?

VII-2 Voer voor archeo- en andere "-logen"


Het opschrift betekent niet, dat ik de deskundigen
-79-

op dit terrein, dat ik "schoorvoetend" betreed, wel even uit de doeken zal doen, hoe, wanneer en onder welke omstandigheden Het Woud is ontstaan. Het tegendeel is het geval, een geïnteresseerde leek probeert onder woorden te brengen, wat hij "snapte" van de gelezen artikelen en verslagen van de deskundigen. Bovendien heb ik, vanuit mijn persoonlijke visie op het ontstaan van de aarde erg veel moeite met de conclusies van de archeologen, geologen, enz.

Niettemin, het is te uwer informatie van belang, dat de wetenschappers in dit hoofdstukje aan het woord komen. In het artikel "Het Beekbergerwoud, ontstaan en verleden". doet een van beide auteurs, prof. E.M. Zinderen Bakker, verslag van zijn "palynologisch en stratigrafisch" onderzoek (verklaring van deze begrippen volgt!).
De west-zijde van de IJsselvallei kende eeuwen geleden meer wouden als het Beekbergerwoud. Als zo veel wouden in die streek, wortelde ook ons Woud in het veen. Het veen rustte op een zg. laagterras (ongeveer 8,5 meter boven N.A.P.).

In het westen en zuid-westen werd Het Woud begrensd (in de ruimste zin des woords) door in de ijstijden ontstane stuwwallen.

De heer Zinderen Bakker heeft de bodemlagen op ongeveer 15 plaatsen onderzocht om, onder meer, de ouderdom van de veenlagen te bepalen. Op één plaats, in het westelijk deel van Het Woud, vond hij een veenlaag van bijna 2 meter.

Het palynolonisch onderzoek.
Palynologie (vrij vertaald): onderzoek naar pollen, stuifmeelkorreis, en sporen (van varens ed.). 0mdat in veenlagen meestal grote aantallen pollen voorkomen, kan men nagaan hoe en uit welke planten en bomen het veen is ontstaan.

De conclusies van prof. Zinderen Bakker:
(kort samengevat; zie ook het "profiel" op de volgende pagina)
[Figuur verticale diepteschaal. Maaiveld - "zand" tot 35 cm - "bosveen" tot 135 cm - "mossen-, zeggeveen" tot 215 cm - "leem (daaronder zand en grind)]

  1. Het veen rust (bij de meeste "meetplaatsen") op een leemlaag. Deze laag ontstond in het Pre-boreaal.
    Onder het leemlaagje, dat lang niet overal werd aangetroffen, bevindt zich een zand- en grindlaag.
    De zand- en grindlaag kan afgezet zijn door een arm van de IJssel. Voor 7000 v. Chr. werd ook, vermoedelijk in een periode van rustige stroming, dat leemlaagje afgezet.
    Daarna moet de invloed van de IJssel minder zijn geworden.
    Uit het onderzoek bleek, dat het leemlaagje erg arm is aan stuifmeel. Het meeste stuifmeel was afkomstig van de berk. Ook vond men stuifmeel van de grove den, de hazelaar. de wilg, els. eik en cypergrassen.
  2. De vorming van het veen begon in het Boreaal, (van ong. 7000 tot 6000 v. Chr., een vrij droge en koele periode).
    Het aantal loofbomen neemt in die periode af, een uitzondering vormt de els. Ook het percentage kruidenstuifmeel daalt.
    Aan het einde van deze periode wint de hazelaar terrein.
    Op veel plaatsen was deze veenlaag niet of niet meer aanwezig. In het laatste geval is het afgegraven.
    Aan het einde van het boreaal begon het Woud al wat te lijken op het oerbos, dat in 1869 "gesloopt" werd.
    Het was bij het ontginnen dus ongeveer 8000 jaar oud.
  3. Tijdens het Atlanticum werd het klimaat vochtiger. Dit tijdvak (van 6000-3000 v. Chr.; ik volg de wat verouderde indeling, omdat ook Van Zinderen Bakker die indelina gebruikte) was bij uitstek een periode, waarin veel veen gevormd werd. De els gaat domineren, vooral "ten koste" van de grove den en de hazelaar. (in een groot deel van West-Europa was de els de meest algemene boom in de uitgestrekte wouden).
    Daar waar in Het Woud de veenlaag het dikst is, vormde zich in het Atlanticum een veenlaag van ongeveer 80 cm.
  4. Gedurende de eeuwen na 30'00 v. Chr. tot de ontginning van Het Woud (De periode wordt thans veelal het Subatlanticum genoemd) moet zich een veenlaag van naar schatting 1 meter hebben gevormd.
    De wetenschappers zijn van mening, dat deze "jonge" veenlagen bijna overal afgegraven zijn. (Ook uit de "stukken" bleek, dat er regelmatig veen is gegraven).


Het stratigrafisch onderzoek.
stratigrafie: de wetenschap der beschrijving van de aardlagen. Populair gezegd: het beschrijven van wat men als resten, afdrukken, enz. van planten en varens e.d. aantreft in verschillende aardlagen.

De resultaten van het onderzoek:

  1. In de leemlaag vond men resten van slaapmossen en een bladstuk, waarschijnlijk afkomstig van het fonteinkruid.
  2. In de mossen-zegge veenlaag trof men veel resten aan van slaapmassen en groenwieren. ook vond men resten van Veenmossen. Dc-, nosveenlaag bevatte veel houtresten van de els, kurkdeeltjes (misschien van iepen afkDmstig) en worteltjes van zeggesoorten. Ook op grond van genoemde vondsten concludeerde men dat het Woud bij de ontginning ca. 8000 jaar oud moet zijn geweest. Echter ook een conclusie als deze berust alleen op veronderstellingen, hoe "wetenschappelijk" ze lijken onderbouwd te zijn. De bovenlaag was te zeer bewerkt, om onderzocht te worden.


-82-

Op grond van zijn onderzoek trekt prof. Zinderen Bakker Boskers mening, dat er voor Het Woud ontstond twee "wouden" zouden zijn ten onder gegaan, in twijfel. De resten van boomwortels wijzen er z.i. op dat er slechts sprake kan zijn van ggn verdwenen "woud". Ik ben me ervan bewust, dat in dit korte overzicht tal van gegevens ontbreken, dit o.m. met het oog op de leesbaarheid van dit boekje. De lezer, die zich nader wil informeren. kan ik het artikel van de heren Moerman en Zinderen Bakker ter lezing aan bevelen. (Zie lit.-overzicht).

VII-3 De flora van Het Woud


Wie thans Het Woud eens per fiets of te voet door kruist, zal geen plekje meer aantreffen, waar nog iets van de vroegere plantenrijkdom te vinden is. In enkele jaren verdween het zeer zeldzame Knikkend Nagelkruid uit het Woud. De bioloog Hein Schimmel behoedde het laatste ex. voor de ondergang door het uit te graven en te planten in zijn tuin.

De kunst- en drijfmest verrichtten hun werk grondig:

het gebied waar Bosker kampte met "de wortelonkruiden" is nu erg arm aan soorten heemplanten.

Zelfs de bermen en de slootkanten hebben een soorten-arme vegetatie.

Het zou te ver voeren de lijst van namen van planten, heesters en mossen over te nemen uit de artikelen van Wttewaal en Molkenboer.

Beiden hebben het Woud in zijn oude "glorie" gekend en hun bevindingen enthousiast beschreven. De plantengroei in het stukje oerbos moet weergaloos rijk geweest zijn, zelfs in de ogen van hen, die het Nederland-van-de-Verkade-albums hebben gekend, met de toen nog talloze plekjes ongerepte natuur.

Ir Wttewaal bezocht - de bronnen spreken w.b. de data elkaar tegen - het Woud in de natte zomer van 1834, in de droge zomers van 1831 en 1835 en "was in September 1836 ook twee maal in het Woud".

Het "hart" van het Woud was een elsbos met hier en daar wat essen. Op de horsten groeiden vooral eiken. Rond dat hart lag een strook (eiken-?) hakhout.
-83-

Tussen het hakhout groeiden tal van heesters: Gelderse Roos, Zwarte Bes, Rode Kornoelje, Wegedoorn (zeldzaam thans), Kardinaalsmuts, Hazelaar en Vogelkers. Op de wat hoger gelegen gedeelten vond men O.m. de Jeneverbes, Hondsroos en Hulst.

De elzen wortelden in de soms wel 2 meter dikke veenlaag. Naar de rand van het Woud werden de veenlagen dunner, op verschillende plaatsen kwam zand en grind aan de oppervlakte. Hier heeft de mens actief in het landschap kunnen ingrijpen, omdat die delen van het Woud meer toegankelijk weren. In het moerasbos was het aantal vocht en schaduw minnende mossen en paddestoelen onvoorstelbaar groot. In de herfst moeten de rottende houtmassals en de talrijke stoven een sprookjesachtige aanblik geboden hebben door de kleurige paddestoelen en mossen.

foto


Parnassia [WikipediA]


Algemeen en kenmerkend voor de eizenbroekbossen waren de gele lis en de elzenzegge. ook, en dit maakte Het Woud voor de botanicus nog interessanter, kwamen er vrij veel soorten voor, die niet karakteristiek waren voor dit soort bossen. Voorbeelden: Groot Springzaad, Slanke Sleutelbloem, Witte en Zwarte Rapunzel, Bosbies, Eenbes, Gele Dovenetel, Verspreidbledig Goudveil, Guldenboterbloem, Varentjesmas, Grote Keverorchis en het nu zo zeldzame Knikkend Nagelkruid. Verschillende soorten zijn thans beschermd of zeldzaam. Waarschijnlijk langs de paden (de "koepaden") kwamen de volgende, voor het gebied niet kenmerkende soorten voor: Bruin Cypergras, Naaldwaterbies en Dwergbies.

Ook de vochtige heidevelden moeten voor de natuurliefhebber een waar eldorado geweest zijn. Daar kwa-
-64-

men voor: Herfstschroeforchie (nog op twee plaatsen in ons land).en andere steeds zeldzamer wordende soorten als Wolverlei. Gevlekte orchie, Parnassia, Eenerig Wollegras, Vetblad, Draadgentlaan en Heidekartelblad.

Dit was slechts "een greep uit het assortiment.' Vermoedelijk hebben beide biologen geen kans gezien de flora volledig te inventariseren. Niemand kan zich voorstellen hoe onvoorstelbaar rijk de plantengroei was.

VIII Tenslotte

.


"Den 10 Juny 1871 is de laatste boom van het Woud geveld". Met deze zin, uit het notulenboek van de gecommitteerdeng onderstreepte adminiatrateur Sager het definitieve einde van het Woud. Ons resten slechts de resten, verborgen onder het dichte grastapijt van de weilanden. Die resten kunnen de archeoloog en geoloog wellicht nog geheimen prijs geven van het geheimzinnige Woud. Ieder zal het verdwijnen van het unieke en Illustere Woud betreuren maar ook begrijpen waarom het verdwijnen "moest". "Kreten" als "Niet bij brood alleen" voor partijprogramma's zouden de mensen 100 jaar geleden niet aangesproken hebben. Niet omdat ze "materialisten" waren, maar omdat ze dagelijks moesten ploeteren voor brood-op-de-plank. wij zitten opgescheept met boterburgen en wijnmeren; toen kwam men "bergen" te kort.

De man die het woord "natuurmonument" schiep, de bekende Frederik van Eden (vader der gelijknam. auteur) heeft beseft wat het betekende een natuurmonument als Het Woud te verliezen: ("Onkruid" 1886)


"Dit bosch had als monument van de voormalige natuur van ons land niet minder waarde dan oude gebouwen (-) en het redden van zulke merkwaardige plakjes uit sloopershanden moet de Konink[lijke] Akademie van Wetenschappen worden opgedragen".


Gelukkig is zijn stem gehoord, al was het eerst 20 jaar later. Toen eerst kwamen de eerste instellingen
-85-

van de grond. Niettemin, de laatste boom van het Woud was toen reeds geveld, al 35 jaar tevoren....

"Een naschrift"

a. Nadat het concept door enkele terzakekundige mensen was doorgelezen, en daarna grotendeels was uit"getikt", kreeg ik inzage in enkele bijzonder interessante stukken uit het archief van de familie Van Spreekens. Hiervoor ben ik de heer C.LC. van Spreekens zeer erkentelijk. U begrijpt dat het een hele "klus" was verschillende hoofdstukken om te werken en allerlei gegevens in te passen. Mijn excuses voor de soms niet helemaal logische en systematische opbouw van het verhaal en een enkele doublure.

b. Voor een (geïnteresseerde) leek is het bepaald niet eenvoudig uit al het materiaal dat te selecteren, dat èn van belang, èn interessant is. Bepaalde onderwerpen boeiden en intrigeerden mij zo (het erfholtrichterschap, het "boeren" op Het Woud), dat deze onderwerpen wellicht te veel aandacht kregen, terwijl deskundigen andere facetten van Het Woud breder en meer ter zake kundig zouden behandeld hebben.

c. Hopelijk is dit (extra) nummer van "De Marke" voor u de aanleiding in de pen te klimmen en mijn verhaal aan te vullen, te corrigeren, enz., bij voorkeur door een "stukje" in het verenigingsorgaan. Mij heeft de geschiedenis van Het Woud meer geboeid dan onze roemruchte Tachtigjarige oorlog en de verhalen over dobbelende en jagende Germanen. Hopelijk verschijnt van dit boekje een tweede, door anderen "geheel herziene" druk. Waarvan akte.'

v. L.
-86-

IX Literatuur-Overzicht

.


Naast meer algemene historische werken, enz., heb ik vooral geraadpleegd onderstaande boeken, artikelen, enz.:

  1. Register van resolutiën van de buren en erfgenoten van de Lierder- en Speldermarken, 1515-1675. (Rijksarchief, Arnhem)
    Notulenboek van de vergaderingen der geërfdenvan de Lierder- en Speldermarken, 1790-1808 (Rijksarchief, Arnhem)
  2. Notulenboek van de vergaderingen, register van besluiten, v. gecommitteerden der Lierderaark, 1858-1889. (Rijkaarchief, Arnhem)
  3. "De Veluwe, *ene wandeling", O.G. Heldring en R.H. Graadt Jonckers, 1841.
  4. "Natuurlijke Historie van Nederland", deel 1, W.C.H. Staring, 1856.
  5. Tijdschrift voor Natuurlijke geschiedenis en physiologie, artikel van J. Wttewaal, 1836.
  6. "Het Beekberger Woud, zijn ontbosoching en bebouwbaarmaking", rede uitgesproken door de heer B. van Spreekens op het 24ste Landhuishoudkundig congres te Arnhem, juni 1870.
  7. "Verslag van den toestand van 't gewoone en tneer uitgebreid leger Onderwijs in de Gemeente Apeldoorn over het jaar 1868. (Gemeente-archief Apeldoorn).
  8. "Apeldoornsche Courant". jaargangen 1869-1871, artikelen en berichten. (Gemeentearchief Apeldoorn)
  9. Landbouw-Courant (met citaten uit de NRC), jaargangen 24 en 26, 1870 en 1872. (Gemeentearchief Apeldoorn).
  10. Het Beekbergerwoud, enz,. H. Bosker, een artikel in het Bijblad van de Landbouw-Courant, jaargang 11, nr 16, 1874. [een overdruk is beschikbaar in de CB Bibliotheek Apeldoorn, bw.]
  11. Het Beekbergerwoud, verdeeling en laatste eigenaren. A, Aarsen, Geldersche Volksalmanak, 1899.
  12. Oud-Vaderlandsche rechtsbronnen;
  13. Gelderse Markerechten, mr J.J.S. baron Sloet, (hoofdst. betr. Lierder en Spelder marke), 1911, 's-Gravenhage.
  14. 1 Bundel, o.m. een kroniek. financ. overzichten, enz. (Door mij genoemd: dagboek) De auteur is de koper van Het Woud, de heer B. van Spreekens, beschreven zijn de jaren 1869-1875.
  15. "De boerderij-Het Woud". scriptie van de hand van A. van Spreekens, 1913.
  16. Het Beekberger Woud, ontstaan en verleden, J.D. Moerman en E.E. Zinderen Bakker, gepubl. in het Nederlandsch Kruidkundig Archief (deel 57), 1950.
  17. Archief van de Lierder Marke, ingekomen en verzonden stukken, 1850-1890, Prov. Arch., Arnhem.
  18. Het Beekbergerwoud, art. gepubl. in "Ons Dorp"" 1966 door mevr. ir. E. Frings Huisman
  19. "'tWoud," enz., een artikel over het Remontedepôt, F.L. Tiethof, Apeldoorn, 1977.
  20. Plantenlijst. samengesteld n.a.v. nr. 6 van dit overzicht, F.L. Tiethof, 1977.
  21. Erfholtrichtersambt in de Lierder en Spelder Marke, artikel, F.L. Tiethof, 1977.
  22. De Veluwe- en IJsselbode, decembernummers, 1949.
    Wilde Planten, deel 3, prof. Victor Westhof e.a. Ver. tot Behoud van Natuurmonumenten, 1973.


DE MARKE.

De oudheidkundige vereniging, die dit boekje uitgaf, draagt de naam "De Marke". De ca 200 leden houden zich bezig met de historie van hun dorpen: Beekbergen, Brummen, Eerbeek, Hall, Klarenbeek en Loenen.
Ook het verenigingsorgaan draagt de naam "De Marke".
[oud adres weggelaten]


Actueel: zie http://www.ohv-demarke.nl/
De Marke beschikt over een bibliotheek, waarin helaas Van Lohuizen niet aanwezig is.]






Natuurmonumenten: Beekbergerwoud

Kester Freriks m.m.v. Jan Werner (2010). Verborgen wildernis. Ruige natuur & kaarten in Nederland Uitgeverij Atheneum. interview met de auteur

k. van berkel (2003). Vóór Heimans en Thijsse. Frederik van Eeden sr. en de natuurbeleving in negentiende-eeuws Nederland. Mededelingen van de Afdeling Letterkunde, Nieuwe Reeks, Deel 69 no. 3 Deze Mededeling werd in verkorte vorm uitgesproken in de Verenigde Vergadering van de beide Afdelingen der Akademie, gehouden op 26 mei 2003. pdf

gengif/woud.jpg


De reconstructie van het gebied van het vroegere Woud is anno 2009 behoorlijk op gang gekomen. Ten westen van de A50 is het vroegere weidegebied al bijna onherkenbaar omgevormd en heeft het zich ontwikkeld tot een nieuw natuurgebied. Klik op de foto voor een groter beeld. De originele foto 1.2 Mb van de grotere thumbnail, is door Apdency beschikbaar gesteld op Wiki Creative Commons. Als u het Woud bezoekt, kunt u ook zo'n foto maken. Er is een wandelroute (op de foto rechtsonder ook te zien, ook de brug op de thumbnail is een onderdeel) van een half uur aangelegd, vanaf de parkeerplaats aan de Woudweg tegenover een depotcentrum voor tuinaanleg. De beide thumbnails verschijnen hier via een link naar Wiki, waar ook de schitterende bijbehorende foto's beschikbaar zijn (klik op de thumbnail).



Oude schatkamer komt weer tot bloei. Natuurmonumenten richt nieuw Beekbergerwoud in op plek van laatste oerbos. Natuurbehoud, 38, #1, 22-23.


Hester van Santen (28 maart 2009). Mislukte natuur. NRC Handelsblad, Wetenschap p. 8-9.

gengif/sur_elsbos.jpg

Foto’s: elsbos, elsmoerasbos, alder swamp forest in Slowakije (natuurreservaat Sur).

A beautiful photo of a Latvian alder swamp forest by Martins Blumbergs is for sale

Moerasbos met zwarte elzen = alder swamp forest

Els: speckled alder. Alternatieve names: tag alder, gray alder, hoary alder, hazel alder, swamp alder; Alnus rugosa (Du Rois) Spreng.; Alnus americana (Regel) Czerp. doc

Zwarte els = alnus glutinosa = Black alder.

Marzena Stanska, Izabella Hajdamowicz & Marek Zabka (2000). Epigeic spiders of alder swamp forests in Eastern Poland. European Arachnology, 191-197. pdf

Black alder swamps on forested peatlands in Latvia. Jstor


H.E. vd Lans en G. Poortinga (1986). Natuurbos in Nederland. Instituut voor Natuurbeschermingseducatie. [Uitverkocht] inhoud en het begin van iedere paragraaf.


Nienke Beintema (2001). Veluws oerbos vertelt cultuurhistorisch verhaal. Natuur Wetenschap en Techniek. html


M. Carasso-Kok (1992). Het Woud zonder Genade. Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden, deel 107, aflevering 2, 141-263.


Thissen, P. H. M. (1993). Heideontginning en modernisering in het bijzonder in drie Brabantse peelgemeente 1850-1940. Matrijs. Proefschrift K.U. Nijmegen.

http://home.versatel.nl/bert-blok/Images/geumrivale.jpg Victor Westhoff en A.J. den Held (1969). Plantengemeenschappen in Nederland. Zutphen: Thieme.


Zelf online zoeken in Gelderse bibliotheken :http://www.geldersecatalogus.nl/

Over het Beekbergerwoud zie ook Wikipedia hier

De bewoners, gezinshoofden, van het gebied van Het Woud in 1832 zijn opgesomd in de kadastrale stukken die destijds zijn opgemaakt. De kaarten en naamlijsten zijn gepubliceerd in de kadastrale atlas Gelderland 1832: Beekbergen.
Voor het kadaster 1832 zie ook www.dewoonomgeving.nl met kadastrale kaarten van heel Nederland.



Dik van der Meulen (2009). Het bedwongen bos. Nederlanders & hun natuur. SUN. isbn 9789085067047


‘Het toekomstige woud’ 63-88. Over het kappen van het Beekberger Woud, en wat daar zoal op volgde. Steunt ook op Van Lohuizen’s werk.



Victor Westhoff Wilde planten deel 3. Aandacht voor het Beekberger Woud.



P. J. Veen (maart 1993). Het Beekbergerwoud. Natuurontwikkeling in een voormalig oerbos. Natuurmonumenten. Voorwoord: Pieter Winsemius.



Erik van den Berg (18 maart 2015). Hoe het laatste Nederlandse oerbos verzaagd werd tot sigarenkistjes. Nationale Boomfeestdag tegen ontbossing. webpagina


24 december 2015 \ contact ben apenstaartje benwilbrink.nl


Valid HTML 4.01!   http://www.benwilbrink.nl/genealogie/80lohuizen_beekbergerwoud.htm


Een pdf-bestand van deze webpagina (maar pas op: bijna 8Mb) is beschikbaar op een andere website:
http://www.ben-wilbrink.nl/80lohuizen_beekbergerwoud.pdf. Dat bestand is te printen zonder dat afbeeldingen worden verminkt.

Voor meer informatie over en rond het Beekbergerwoud
http://nl.wikipedia.org/wiki/Beekbergerwoud

Aan het Beekbergerwoud gewijde uitzending van Onvoltooid Verleden Tijd, 2 januari 2011, met dank aan Jan Trapman voor de tip
http://content1b.omroep.nl/61bd724149688d67acc2cfcb62ee650a/4d206e2b/radio1/vpro/ovt2/20110102-11.mp3