thuis     sitemap spooky image


Ben Wilbrink - publicaties op spookachtige thema's

Overige onderwerpen

Spookstudenten en wat Dies meer zei ...
(met dank aan KidsStudio)



No-show en low-show in het wetenschappelijk onderwijs



Ben Wilbrink, Uulkje de Jong, en Marjon Voorthuis (1993). No-show en low-show in het wetenschappelijk onderwijs. Hoe beurs-, tempo- en keuzeproblemen leiden tot schijnbare afwezigheid. Amsterdam: SCO-Kohnstamm Instituut. (rapport 339) html

No-show en low show studenten zijn een belangrijke doelgroep bij de oriënterende en selecterende functie van de propedeuse. No-show wijst op behoefte aan signalering en begeleiding, niet aan controle en extra regelgeving. De omvang van no-show en low-show wordt niet direct bepaald door de inrichting van studieprogramma's of de kwaliteit van het onderwijs. Het gaat om een zoekproces, om oriëntatie en zelf-selectie in het eerste halve jaar van de studie. De andere kant van het verschijnsel is dat studierichtingen niet altijd oog blijken te hebben voor halverwege het eerste studiejaar toezwaaiende studenten: veel studenten zien kennelijk zo weinig reële mogelijkheden voor tussentijds instappen dat zij het begin van het volgende studiejaar afwachten. Door deze afwachtende houding van studenten is het probleem in het verleden misschien ook minder zichtbaar gebleven. Voor het beleid op het niveau van de studierichtingen ligt hier een uitdaging, en bovendien een door de tempobeurswet gegeven aansporing, om redelijke instapmogelijkheden te creëren.


No-show studenten



Ben Wilbrink (1993). No-show studenten. Onderzoek van Onderwijs, 22, 37-40. html

No-show is in zijn verschijningsvorm vooral een informatieprobleem: op het niveau van de studierichting is doorgaans niet bekend wanneer de no-show student daadwerkelijk met de studie is gestopt, als men al weet of er daadwerkelijk een begin mee is gemaakt. Het numeriek rendement van de studierichtingen wordt door no-show in ongunstige zin beïnvloed, terwijl de gepresenteerde onderzoeksgegevens erop wijzen dat de meeste van deze studenten juist duidelijk aangesproken worden op de oriënterende en selecterende functie van de propedeuse. Het menselijke aspect van de no-show problematiek is dat van studenten die niet het geluk hebben meteen die studierichting te kiezen waarin zij zich thuisvoelen. No-show wijst op behoefte aan signalering en begeleiding, niet aan controle en extra regelgeving. Een uitzondering hierop vormt de groep ‘derdejaars propedeuse’ studenten, die gebruik maken van een mogelijkheid die de wet biedt, maar die voor hen niet is bedoeld, en die door studentendecanen zeker niet wordt aangeraden.


No-show inschrijvers aan de Universiteit van Amsterdam



Ben Wilbrink, Uulkje de Jong en Marjon Voorthuis (1993). No-show inschrijvers aan de Universiteit van Amsterdam. OnderwijsResearchDagen. html

In december jl. ontstond er naar aanleiding van een voorpublicate van een no-show onderzoek bij geschiedenis in Leiden enige commotie omdat enkele landelijke dagbladen, en in hun kielzog ook vice-premier Kok, deze “spookstudenten” betichtten van uitkeringsfraude: ten onrechte een studiebeurs met OV-jaarkaart te ontvangen. Het departement van onderwijs en wetenschappen reageerde bij monde van Ritzen met de mededeling dat hooguit 1 % van de studenten ten onrechte een studiebeurs zou ontvangen, zeker geen 10 %. Vrijwel het gehele no-show verschijnsel is vooral een administratief probleem, omdat regelgeving en administratie niet zijn opgewassen tegen de snelle studiekeuzeveranderingen bij een aanzienlijk deel van de instromende studenten. In het onderzoek is daarom zowel aan de administratieve kant van het verschijnsel de nodige aandacht besteed, als aan de keuzeproblematiek die er allereerst de oorzaak van is. Voor deze keuzeproblematiek is een theoretisch kader opgesteld waarin het gedrag van studenten wordt gezien als zoeken naar een persoonlijk passende studie, waarbij het gaat om zoekduren en wat studenten voor zichzelf als 'passend' beschouwen. Belangrijke overgangen binnen het onderwijsstelsel, zoals van vwo naar wo, zijn op dezelfde wijze te modelleren als overgangen tussen onderwijs en arbeidsmarkt, waarvoor in de vooral economische literatuur baanzoekmodellen zijn ontwikkeld. Een belangrijke implicatie van deze modellen is dat zoekduren erbij horen, of, binnen het onderwijsstelsel, dat een zekere mate van omzwaaien, ook al in de eerste weken, een gezond verschijnsel is dat niet met regelgeving kan worden onderdrukt zonder tegelijk nieuwe ondoelmatigheden te creëren .


De samenleving in een klaslokaal



Ben Wilbrink (1992). De samenleving in een klaslokaal. NKSR-Bulletin, 1992, 3 #6, 8-9. html

In een reeks artikelen over normen en waarden, geopend met een stuk van minister van onderwijs Jo Ritzen, is dit een uiteenzetting over de norm- en waardeloosheid van het handelen van zijn departement: de leerplicht dwingt leerlingen in het klaslokaal, maar dat zal de overheid een zorg zijn, sterker: spijbelaars en hun ouders moeten eventueel via de rechter worden gestraft.


Theaterwetenschap; vormgeving en uitvoering van het onderwijsprogramma



Ben Wilbrink en Joep Verbeek (1987). Theaterwetenschap; vormgeving en uitvoering van het onderwijsprogramma. Amsterdam: SCO. pdf

Vanuit het bestuursapparaat van de UvA werd na de opheffing van het COWO en de overgang van de nog overgebleven bezetting naar het SCO, geprobeerd de nieuwe sectie Hoger Onderwijs meteen af te branden met de opdracht om in een conflictsituatie waar CvB, decaan en subfaculteit bij waren betrokken, de conflictstof te evalueren. Tegen die verdrukking in werd het een onderzoek waar ieder van de partijen lof over uitsprak. Het is ondertussen tot historisch stof vergaan. Rob Erenstein heeft beter gepresteerd: een prachtig boek over de theatergeschiedenis van Nederland, onder zijn redactie.


Democratisering aan de UvA 1969



Kees Kolthoff, Ton Willemsen en Ben Wilbrink (1969). [Overleg en zeggenschap aan de UvA]. Amsterdam: COWO. [niet digitaal beschikbaar]

Dit betreft een uitgebreid vragenlijstonderzoek onder de diverse geledingen van de Universiteit van Amsterdam. De vragenlijsten zijn verzonden en ontvangen in de eerste maanden van 1969, onmiddellijk voorafgaande aan de maagdenhuisbezetting. Het onderzoek zelf heeft de heftige ontwikkelingen in 1969 niet overleefd: de verslaglegging is beperkt gebleven tot enkele tussenrapportages. De oorspronkelijke data, op ponskaarten, zijn evenals de ingevulde formulieren zelf verloren gegaan bij de overgang van COWO naar SCO in 1985.

Democratisering heeft in dit onderzoek een bestuurlijke betekenis: wie heeft wat te zeggen in de universiteit: maken hoogleraren, rector en curatoren de dienst uit, of zou de zeggenschap gedeeld moeten worden met de (destijds sterk uitbreidende) wetenschappelijke staf en, last but not least, de studenten? Historisch gezien is medezeggenschap een terugkeer naar middeleeuwse situaties waarin het hoger onderwijs vooral een gemeenschappelijke onderneming van studenten en docenten was, en de rollen van student en docent in hoge mate in elkaar overliepen. Bij de staatsvorming in Europa hebben overheden zich de universiteiten toegeëigend en is de status van studenten en hoogleraren sterk gaan verschillen.

Ook in de zestiger jaren is er de andere betekenis van democratisering, namelijk van de toegang tot hoger onderwijs. Een voorbeeld van onderzoek is dat van Ivan de Lanoo (1969): Stratifikatieproblemen en demokratisering van het universitair onderwijs. Een onderzoek naar de demokratiseringstendensen bij de Leuvense studenten 1934/66. Het hoeft geen betoog dat de enorme toename van de instroom in hoger onderwijs in de naoorlogse periode van grote betekenis is geweest voor politieke en maatschappelijke ontwikkelingen in Europa (en daarbuiten overigens ook), soms via revolutionaire oprispingen zoals in Frankrijk onder De Gaulle.


7-2005 \   freelance advies ontwikkeling onderzoek


Valid HTML 4.01!   http://www.benwilbrink.nl/publicaties/overig.htm