Als bijlage opgenomen in: Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid & Adviesraad voor het Hoger Onderwijs (1991) Advies inzake de Technische Universiteiten. Den Haag. info

Zie ook het paper Ben Wilbrink & Marco Roos (1991). Strategic science policy and organizational structures in the engineering sciences. European Association for Institutional Research, 13th international forum 1st-4th September 1991, Napier Polytechnic, Edinburgh Scotland. Proceedings 'Managing the higher education environment' p. 347-360. html



pre-advies Technische Universiteiten


S. T. M. Ackermans
W. A. de Jong

m.m.v.:
M. C. Roos
B. Wilbrink

Den Haag, 7 juni 1991


Inhoudsopgave

[met oorspronkelijke paginering]

1   Inleiding     35
1.1   Opdracht   36
1.2   Werkwijze   36
1.3   Beknopte samenvatting   37

2.   Technische Wetenschappen, academische
        ingenieurs en universitair onderzoek   38
2.1   Technische Wetenschappen   38
2.2   Onderwijs     38
2.3   Ideaal en werkelijkheid   39
2.4   Tweede fase   40
2.5   Wetenschapsbeoefening en onderwijs   40
2.6   Onderzoek   41

3.   Organisatiestructuren van wetenschappelijk onderwijs
        en onderzoek   42
3.1     Inleiding   42
3.2     Onderzoek geordend naar disciplines   42
3.3     Universitaire organisatie   43
3.4     Situatie in Nederland   44
3.5     Conclusies   45

4.   Bevindingen over onderwijs en onderzoek   46
4.1     Onderwijs   46
4.2     Onderzoek   48
4.3     Conclusies   49

5.   Casus     50
5.1     Informatica   50
5.2     Telematica   50
5.3     Logistiek en transport   51
5.4     Materiaalkunde en materiaaltechnologie   52
5.5     Lucht- en ruimtevaart   53

6.   Commissie van advies voor de Technische Wetenschappen   54
6.1     Inleiding     54
6.2     Voorstellen tot verbetering   55
6.3     Organisatorische vormgeving   56

7.   Actuele beleidsbeslissingen   59

8.   Conclusies en aanbevelingen   62
8.1     Conclusies     62
8.2     Aanbevelingen   62

Gerefereerde literatuur   64
Bijlage 1:     Adviesaanvraag MOW   67
Bijlage 2:     Adviesvoorstel RAWB/ARHO   70
Bijlage 3:     Gesprekspartners   72
Bijlage 4:     Demarcatie Technische Universiteiten   73
 
Bijlage 5:     Onderwijs en aansluiting op behoeften
      van de samenleving   76
Bijlage 6:     Casus   88
Bijlage 7:     Actuele beleidsproblemen   97
Bijlage 8:     Literatuur naar thema   101


1. Inleiding

De Technische Wetenschappen nemen onder de wetenschappen een bijzondere plaats in. Ze zijn niet alleen, zoals de meeste andere, gericht op kennen maar ook op kunnen, op het realiseren van technische producten en processen. Ze moeten zich daarbij in sterke mate op de maatschappelijke omgeving richten en worden op hun beurt diepgaand door die omgeving beïnvloed. Daarin onderscheiden ze zich wezenlijk van de meeste andere wetenschappen.

De snel verlopende technische ontwikkelingen hebben tot gevolg, dat de technologie een belangrijke component is geworden in het lange termijnbeleid van vooral grotere ondernemingen die producten voortbrengen of diensten aanbieden. Daarom wordt steeds meer lange termijnonderzoek door of in opdracht (maar dan veelal buiten de universiteiten) van het bedrijfsleven verricht. Ook voor de overheid neemt het belang van de technologie toe vanwege de relatie met het economisch beleid en omdat de overheid zelf op veel gebieden gebruiker is van technologie.

Voor Nederland, dat over betrekkelijk weinig natuurlijke hulpbronnen beschikt en in toenemende mate afhankelijk is van kennisintensieve activiteiten, is een goede technologische positie van levensbelang. Het belang van hoogwaardige Technische Universiteiten is voor ons land overeenkomstig groot.

Gezien het bovenstaande zijn wij er van uitgegaan, dat onderwijs en onderzoek van de drie Technische Universiteiten sterker dan die van de andere universiteiten beoordeeld dienen te worden op hun bijdragen ten behoeve van de maatschappij. Dit is het meest nodig voor de richting waarin onderwijs en onderzoek zich ontwikkelen. Het gaat immers niet alleen om de kwaliteit van het gegeven onderwijs en het verrichte onderzoek, maar ook om de vraag of dát onderwijs wordt gegeven en dát onderzoek wordt verricht waaraan in de maatschappij behoefte bestaat. Juist omdat de interactie tussen maatschappij en Technische Wetenschappen zo sterk is, zullen zwakke plekken in onderwijs en onderzoek zowel voor de economie als in de maatschappelijke omgeving ingrijpende gevolgen kunnen hebben.

Hoewel de huidige activiteiten van de Technische Universiteiten in recente verkenningen en visitaties (RAWB no. 74, 1990) over het algemeen als goed zijn beoordeeld, zijn toch een aantal vragen gerezen en knelpunten gesignaleerd. Gezien het positieve oordeel over de kwaliteit hebben wij ons bij het voorbereiden van dit preadvies vooral gericht op andere redenen, waarom deze instellingen niet altijd voldoen aan de verwachtingen van toekomstige werkgevers van afgestudeerde ingenieurs en van gebruikers van technische kennis en kunde. Voornamelijk zaken die niet gebeuren, leemten in de programma's van onderwijs en onderzoek, hebben onze speciale aandacht.

De vraag, waarom deze lacunes optreden en hoe ervoor gezorgd kan worden dat ze in de toekomst zo min mogelijk optreden, hebben wij in dit preadvies dan ook centraal gesteld.


1.1 Opdracht

Het bij de verkenningen telkens terugkerende patroon van knelpunten en aandachtspunten, zoals hierboven genoemd, is voor de RAWB en de ARHO aanleiding geweest een gezamenlijk voorstel voor een adviesproject te ontwikkelen en dat aan de Minister van Onderwijs en Wetenschappen (O&W) voor te leggen. De minister heeft zijn adviesaanvrage over het technisch-wetenschappelijk onderwijs en onderzoek op dit voorstel gebaseerd (zie bijlagen 1 en 2).

De beide raden hebben ons om een preadvies gevraagd. Bij het opstellen ervan zijn wij uitgegaan van de zorg van de RAWB over de 'problemen waarmee de Technische Universiteiten worden geconfronteerd en de beperking in de mogelijkheden om nieuwe kansen te benutten', en van de wens van de RAWB 'de richting waarin de Technische Wetenschappen zich dienen te ontwikkelen ter discussie te stellen' (RAWB no. 74, p.9). Het onderwijs is vooral bezien op de wijze waarop de differentiatie naar o.a. de eerste en tweede faseopleidingen in de Technische Universiteiten aansluit bij maatschappelijke behoeften. In zekere zin betekent het preadvies een verdieping naar de sector van het technisch-wetenschappelijk onderwijs van het ARHO-advies over differentiatie (ARHO 1991).


1.2 Werkwijze

Allereerst hebben wij de eigen kennis van en ervaring op het gebied van het technisch-wetenschappelijk onderwijs en onderzoek aangevuld met informatie uit belangrijke recente literatuur, waaronder tal van adviezen en beleidsnota's alsmede rapporten over verkenningen en visitaties (zie bijlage 8). Verder zijn gesprekken gevoerd met sleutelpersonen in de universiteiten zowel als in hun technologische omgeving (zie bijlage 3). Daarbij is het streven geweest uit de vele gerapporteerde details en bijzonderheden de grote lijn te ontdekken, om op basis van de aldus geordende problematiek te kunnen adviseren over een mogelijke aanpak van hetgeen voor verbetering vatbaar is.


In het bijzonder hebben wij gekeken naar de plaats van de Technische Universiteiten in de publieke technisch- wetenschappelijke infrastructuur,* en naar de relaties met de industriële omgeving. Ook de relaties tussen de universiteiten onderling zijn bezien, evenals de betrekkingen tussen de overheid en de universiteiten.

Onder de publieke technisch-wetenschappelijke infrastructuur verstaan wij de Technische Universiteiten, technologische instituten (gti's), de technologisch gerichte delen van TNO en andere publieke onderzoekinstellingen.


De Technische Universiteiten zijn doelorganisaties die primair gericht zijn op het opleiden van ingenieurs en daarnaast op de productie en het overdragen van technologische kennis die voor de samenleving van belang is. De universitaire organisatie moet voor deze doelen, vooral voor het onderwijs, functioneel zijn, maar het disciplinegewijs ingerichte wetenschappelijk onderzoek heeft een natuurlijke organisatiestructuur die een goede interactie met de maatschappij kan belemmeren. Vandaar, dat wij moeten ingaan op deze organisatiestructuur en bezien wat de mogelijkheden zijn van samenwerking over de grenzen van disciplines en universiteiten heen.


1.3 Beknopte samenvatting

Wij beginnen met een schets van het wezen van de Technische Wetenschappen en de hoofdtaken van de Technische Universiteiten. Daarbij analyseren we hoe deze naar disciplines georganiseerde Technische Universiteiten voorzien in de behoefte aan goed opgeleide ingenieurs en aan onderzoek binnen technologische disciplines. Vervolgens beschrijven we het karakter van de universitaire organisatie als professionele organisatie; hieruit leiden we af dat zo'n organisatie duidelijke externe prikkels nodig heeft om tot gewenste aanpassingen aan de omgeving te komen. Een lijst van bevindingen illustreert het belang van onze vragen over lacunes. Aan de hand van enkele casus (informatica, telematica, verkeer en vervoer, materiaalkunde /-technologie, lucht- & ruimtevaart) tonen wij aan dat men zonder externe druk moeilijk tot vernieuwingen komt. Om het onderzoek goed tot zijn recht te laten komen is een duale structuur nodig: naast, maar niet zonder, de Technische Universiteit moet er een mogelijkheid voor de vorming van beleid voor de lange termijn worden geschapen. In het zesde hoofdstuk ontvouwen wij een voorstel voor functies, bevoegdheden, instrumenten, bemensing, en positionering ten opzichte van de Technische Universiteiten van een Commissie van advies voor de Technische Wetenschappen (CTW) In het zevende hoofdstuk bespreken we enkele actuele vragen die door ons niet uitputtend behandeld kunnen worden, maar die zeker ook op het terrein van bovengenoemde Commissie liggen; aan het slot van het preadvies zijn de belangrijkste aanbevelingen samengevat. In de bijlagen behandelen wij een aantal onderwerpen in meer detail, mede in antwoord op vragen van RAWB en ARHO.


2. Technische Wetenschappen. academische ingenieurs en universitair onderzoek


2.1 Technische Wetenschappen

De Technische Wetenschappen hebben betrekking op een kunstmatige, door mensen gemaakte wereld, in het bijzonder op dat deel van de kunstmatige wereld dat het resultaat is van techniek.

Techniek is, ruw gezegd, het gebruik van materie, energie en informatie voor het realiseren van praktische doelen, producten, processen en diensten. Hieruit volgt dat B-wetenschappen en wiskunde de meeste kennis aan de Technische Wetenschappen leveren, maar dat ook menswetenschappelijke beschouwingen in de Technische Wetenschappen een weliswaar bescheiden maar toch wezenlijke rol spelen. De resultaten van Technische Wetenschappen moeten immers door mensen gemaakt, gebruikt en onderhouden worden.

Zoals de medische wetenschap in relatie tot gezondheid en ziekte beoefend wordt en B-wetenschap gaat over de natuur, zo handelen Technische Wetenschappen over de technische omgeving. Maar, en dit is een fundamenteel onderscheid, de omgeving van de Technische Wetenschappen is zelf een door mensen gecreëerde omgeving die niet slechts aanwezig is, maar doelbewust of ongewild de Technische Wetenschappen beïnvloedt. Een toetssteen voor het functioneren van de Technische Universiteiten is de manier waarop deze zich in de omgeving positioneert.

Een tweede constatering is eveneens van groot belang. Wetenschapsbeoefening* door ingenieurs kan niet beperkt blijven tot analyse volgens de methoden van de B-wetenschappen (science). Ingenieurs moeten verder gaan en concrete doelen realiseren (engineering): ontwerp en ontwikkeling verschillen in enkele aspecten wezenlijk van onderzoek. Ook de literatuur beschrijft dit (zie bijvoorbeeld Sparkes, 1990) als het verschil tussen science en engineering. Kenmerken van engineering vertalen we in de volgende paragraaf in kenmerken van ingenieurs.

Wij verstaan in dit preadvies onder beoefening van de Technische Wetenschappen niet alleen het doen van onderzoek maar ook het ontwerpen en het ontwikkelen van processen, producten en diensten.


De gebruikers van technische kennis en de werkgevers van ingenieurs verwachten dat de Technische Universiteiten vooral aandacht schenken aan ontwerpen en systeemdenken en zich niet alleen op onderzoek en analyse richten.


2.2 Onderwijs

De opleiding van academische ingenieurs is verreweg de belangrijkste taak van de Technische Universiteiten. Als er in Nederland 3000 ingenieurs per jaar afstuderen die gemiddeld vijf jaar in de Technische Wetenschappen actief blijven, dan resulteert de inspanning van één jaar onderwijs geven aan de Technische Universiteiten in 15.000 mensjaar technische wetenschapsbeoefening in het bedrijfsleven; daartegenover is de totale inspanning op dit gebied van de universitaire staf niet meer dan ruim 1200 mensjaar. De kwaliteit van de Technische Universiteiten moet daarom in hoge mate worden afgemeten aan de kwaliteit van de afgestudeerden.

We staan stil bij kenmerken van de academisch ingenieur. 'Academisch' moet duiden op drie verworvenheden. Ten eerste moet de ingenieur zich zo verdiept hebben in tenminste één deelgebied van de Technische Wetenschappen, dat hij/zij de bestaande grens tussen kennis en kunde enerzijds en onwetendheid en onvermogen anderzijds uit eigen ervaring kent. De ingenieur moet dus een technisch specialisme als eigen vak hebben.

Ten tweede moet de ingenieur voldoende breedheid en eruditie bezitten om de plaats van zijn/haar specialisme en de gevolgen van zijn/haar handelen in het geheel van wetenschap en maatschappij kritisch te kunnen evalueren.

Tenslotte moet de ingenieur voldoende in de fundamenten van de techniek zijn ingevoerd om zijn/haar specialisme te kunnen verleggen. Dit vraagt om grondige basiskennis en het vermogen snel zelf nieuwe dingen te leren. Hij/ zij moet geleerd hebben te leren.


'Ingenieur' wil voor de meesten zeggen: opgeleid in engineering. Dat vereist naast de wetenschappelijke houding een geheel aan attitudes, die men bijvoorbeeld op het spoor komt door science en engineering te vergelijken.


We vermelden daartoe nog enkele kenmerken van engineering:


Ingenieurs moeten, kortom, gedreven zijn om iets concreets te scheppen, op tijd, zo goed mogelijk voldoende aan de eisen van maakbaarheid, bruikbaarheid en duurzaamheid, van prijs, functies en onderhoud.


2.3 Ideaal en werkelijkheid

Er bestaan allerwegen twijfels (zie §4.1) of de huidige eerste fase wel die academische opleiding in engineering is die we als ideaal beschreven hebben. Het wezenlijke onderscheid tussen wo en hbo (zie bijlage 4) blijkt te vervagen. Wellicht dat het een goede ontwikkeling zou zijn de Technische Universiteiten te verkleinen en duidelijk te heroriënteren op de opleiding tot academisch ingenieur, het HBO te versterken, niet alleen in studentenaantallen maar ook in opleidingsmogelijkheden, en zowel de selecterende als de verwijzende functie van het propedeutisch examen te verbeteren; we verwijzen naar het ARHO-advies (1991). Waar thans financiering afhangt van studentenaantallen en rendementen, is duidelijk dat een aanzet tot zo'n beleid niet binnen één van de instellingen kan ontstaan.

In het licht van het bovenstaande past een opmerking over de nooit verstomde discussie over de opleidingsduur van de academische ingenieurs.
Voordat die discussie over wijziging van de huidige vier jaar zinvol is, zou
meer inzicht in de volgende vraagpunten aanwezig moeten zijn:


  1. Hoe ziet een eerste fase ingenieursopleiding er uit als de boven aangeduide afgrenzingsvraag met het HBO opgelost is?
  2. In welke behoeften van de afnemers wordt dan niet goed voorzien en is een aanvulling van de eerste fase of een uitbouw van de tweede fase dan een passende maatregel?


Het lijdt geen twijfel dat de noodzakelijke vaardigheden voor het functioneren van sommige ingenieurs niet in een vierjarige opleiding kunnen worden ontwikkeld.


2.4 Tweede fase

De vierjarige onderzoekersopleiding die leidt tot een promotie voldoet wel aan de wensen van het bedrijfsleven. De invoering van onderzoekscholen in de Technische Wetenschappen komt nader aan de orde in hoofdstuk 7.

De tweejarige onderzoekersopleiding wordt duidelijk door sommige branches (chemie) gewenst; van de grond komt ze nog niet. Bovendien wordt met een tweejarig vervolgprogramma een onderwijsdoel gerealiseerd dat ook in een ordelijke initiële opleiding van vijf jaar benaderd zou kunnen worden.

De ontwerpersopleiding is een echte onderwijsvernieuwing (zie §4.1) die slechts onder invloed van het bedrijfsleven tot stand kon komen. De wensen voor deze tweede faseopleiding zijn duidelijk aangegeven (RCO, 1985), maar de Technische Universiteiten zijn op dit gebied pas kort geleden goed op gang gekomen, zeker waar het om taakafbakening en samenwerking gaat.

De huidige ontwerpersopleidingen zijn een gevolg van vier tendensen:


Het wederkerend onderwijs, latere scholing om de term uit 'Wissel tussen Kennis en Markt' te gebruiken, is nog een ontwikkelingsland in de onderwijswereld.


2.5 Wetenschapsbeoefening en onderwijs

Het is onze vaste overtuiging dat academische ingenieurs slechts gevormd kunnen worden in een opleiding die gegeven wordt vanuit een wezenlijke verwevenheid van onderzoek en onderwijs, waarbij de belangrijkste docenten wetenschapsbeoefenaars zijn. Technische Universiteiten zijn in deze zin universiteiten; het wetenschapsgebied van de Technische Universiteiten is dat van de Technische Wetenschappen; de wetenschapsbeoefening betreft zowel science als engineering.

Alleen technische wetenschapsbeoefenaars van hoog niveau zijn in staat een goede academische ingenieursopleiding te dragen. Daarom moeten Technische Universiteiten excellent onderzoek verrichten en dus - noblesse oblige - hebben ze een maatschappelijke plicht tot kennisproductie en dienstverlening. De beoefening van de Technische Wetenschappen is niet alleen voorwaarde voor een universitaire opleiding; het karakter van de universitaire wetenschapsbeoefening wordt ook bepaald door de betrokkenheid van studenten die wel onervaren maar ook fris en ambitieus zijn.


2.6 Onderzoek

De betekenis die het onderzoek in de Technische Universiteiten heeft voor het onderwijs maakt dat het de volgende kenmerken moet hebben:


De relatie van de omgeving tot de Technische Universiteit is bovenal die tussen het bedrijfsleven en het universitaire onderzoek. Omdat de onderzoeksactiviteiten in doorslaggevende mate bepalen welke typen ingenieurs er opgeleid worden, zal de omgeving ook zijn verwachtingen ten aanzien van onderwijsvernieuwing kunnen realiseren via de invloed die het heeft op het onderzoek. Onderzoek van Technische Universiteiten moet verschillen van dat van de algemene universiteiten. Dit houdt verband met de gerichtheid op realisaties die kenmerkend is voor ingenieurs (zie §2.2). Experimenteel onderzoek is veelal anders van aard; ook ontwerpen en ontwikkelen maken deel uit van de technische wetenschapsbeoefening.

Wil men het universitaire onderzoek (en dus het onderwijs) sturen dan is goed inzicht nodig in de universitaire structuur. Vandaar dat we daaraan het volgende hoofdstuk wijden.


3.   Organisatiestructuren van wetenschappelijk onderwijs en onderzoek


3.1 Inleiding

Wetenschappelijk onderwijs en onderzoek is georganiseerd in geheel eigen structuren: enerzijds naar disciplines, subdisciplines en specialisaties, anderzijds als universitaire organisaties waarin de disciplines zijn samengebracht in de vorm van faculteiten en vakgroepen. De aard van de universitaire organisatie is mede bepalend voor de relaties van universiteiten met hun omgeving. Spreken over de universiteit in haar omgeving is dan ook alleen zinvol wanneer daarbij aandacht wordt besteed aan de disciplinestructuur en de universitaire organisatie.


3.2 Onderzoek geordend naar disciplines

In zekere zin streven universitaire onderzoekers er bovenal naar te behoren tot een (liefst internationale) groep die een bepaalde tak van wetenschap, discipline* beoefent. Gevestigde wetenschappelijke disciplines zijn gekenmerkt doordat zij hun eigen netwerken, tijdschriften, congressen en geschiedenis hebben. Ze zijn meestal onderverdeeld in subdisciplines met eigen netwerken. Netwerken dienen niet alleen voor uitwisseling van wetenschappelijke informatie maar geven ook richting aan de ontwikkeling van de wetenschap op het desbetreffende gebied. De positie van onderzoekers binnen de universiteit en binnen het nationale wetenschapscircuit wordt in belangrijke mate bepaald door het aanzien, dat zij in hun netwerken genieten (Whitley 1984, Becher 1989). De invloed die zij op de inhoud van de onderzoekprogramma's van universiteiten kunnen uitoefenen is vaak groot in vergelijking met die van het universitaire bestuur.


In deze beschouwingen is de term discipline gebruikt in twee betekenissen: enerzijds van vakgebied en anderzijds van groep van personen die in eenzelfde vakgebied werken. Uit de context zal verder duidelijk zijn of ook subdisciplines worden bedoeld.


Universiteiten maken gebruik van deze algemeen aanvaarde indeling naar disciplines door de facultaire grenzen zo goed mogelijk samen te doen vallen met disciplinaire. Multidisciplinaire groepen valt het dan ook nogal moeilijk om zich gezamenlijk te vestigen als nieuwe 'discipline' in de geformaliseerde structuren, universiteiten zowel als andere organisaties, bijvoorbeeld tweede geldstroomorganisaties (RAWB 1989).

Kwaliteitsbewaking gebeurt traditioneel in wetenschappelijke kring: de eigen (sub)discipline is het forum waarin een onderzoeker zijn werk presenteert, wat leidt tot oordelen achteraf van referenten, collega's die herhalings- of vervolgonderzoek doen en degenen die in discussie treden met de onderzoeker. Het is ongebruikelijk dergelijke beoordelingen door mensen van buiten de desbetreffende discipline te laten geven. Een dergelijk beoordelingssysteem kan een zekere verstarrende invloed hebben op het onderzoeksterrein.

Overigens komt het wel degelijk voor dat projecten vooraf worden beoordeeld door panels van deskundigen uit verschillende disciplines (cf. STW), maar dat neemt niet weg dat ook voor de Technische Wetenschappen de structurering in disciplines in hoge mate bepalend is. Waar verstarring echter een probleem is, zouden breed samengestelde panels, waarin ook niet-vakgenoten zitting hebben, van voordeel kunnen zijn.

Een duidelijke eigen identiteit voor een vakgebied komt de kwaliteit van het onderwijs en onderzoek zonder twijfel ten goede. Afgestudeerden behoren tot wat bekend is en herkend wordt als een goed gedefinieerde beroepsgroep. Geldstromen zijn duidelijk en de wijze van toekennen en beoordelen is doorgaans helder. Maar de structuur heeft wel de neiging zichzelf telkens opnieuw te bevestigen, het eigene voorop te stellen, en te veronachtzamen wat er niet goed in past. De beoordeling waar de structuur op drijft is bij uitstek beoordeling van past performance; de onderzoeker die uit wil breken, samen wil werken met onderzoekers uit andere disciplines of van discipline wil veranderen, kan binnen deze structuur wel op sympathie maar veelal niet op (financiële) steun rekenen. Onderzoekers die een nieuw gebied willen ontginnen dat niet goed binnen de bestaande disciplines past zullen een nieuw netwerk moeten opbouwen, een aantal jaren minder kunnen publiceren, voor hun publicaties tijdelijk geen duidelijk forum hebben en althans tijdelijk met teruglopende financiering rekening moeten houden.

Hoewel de disciplinaire wetenschapsstructuur functioneel is voor een universiteit, geldt dat niet in dezelfde mate voor onderzoek waarbij grenzen van disciplines ver worden verlegd of overschreden, en evenmin voor inter- of multidisciplinair onderzoek. Maatschappelijke behoeften waarvoor geen eigen adres bij een bestaande discipline bestaat vergen dan ook nieuwe kanalen. Deze behoeften zullen alleen kunnen worden bevredigd als sleutelfiguren in de bestaande universitaire orde zich er duidelijk voor inzetten, of als niet-universitaire onderdelen van de publieke technisch-wetenschappelijke infrastructuur ze onderkennen en zich moeite geven om ze te bevredigen.


3.3 Universitaire organisatie

De universiteit als organisatie staat het laatste decennium volop in de belangstelling. (Zie Clark 1983; Frissen, Van Hoewijk en Van Hout 1986; Hardy, Langley, Mintzberg en Rose 1984; Hardy 1990; Mintzberg 1989; RAWB 1986 en ARHO 1988). Mintzberg (1989) typeert de universiteit als een professionele organisatie, die plat is en waarin veel van de wezenlijke beslissingen door individuele onderzoekers op de werkvloer worden genomen. Het spreekt vanzelf, dat de geavanceerde aard van de expertise die voor onderwijs en onderzoek moet worden ingezet het moeilijk, zo niet onmogelijk maakt dat het werk van de individuele medewerkers inhoudelijk wordt beoordeeld en gecontroleerd. Hardy et al. (1984, p. 174) hebben benadrukt dat zo'n organisatie te kenschetsen is als 'zwak gekoppeld', waarmee zij bedoelen dat de onderzoekers in hoge mate zelfstandig kunnen handelen zonder nauwe afstemming op het werk van anderen. Zo er al besluiten worden genomen over elkaars werk, gebeurt dit vrijwel altijd in de vorm van besluiten van peers over peers, met andere woorden met geven en nemen.

Een uitzondering vormt de onderwijsprogrammering: aan een curriculum dragen individuele docenten en vakgroepen bij vanuit de eigen discipline, veelal rekening houdend met de specifieke wensen van de desbetreffende studierichting. Daardoor krijgen studenten onderwijs aangeboden al naar gelang van hun belangstelling; om dat aanbod te kunnen doen moet er een 1 catalogus' van studierichtingen en daarbinnen van cursussen zijn. ' .. the object is to force all students into existing slots' (Hardy et al. op. cit., p. 175). Door de taakverdeling naar colleges, practica, cursussen, studierichtingen en pakketten wordt de studentenstroom verdeeld en wordt de noodzaak voor onderlinge coördinatie in belangrijke mate weggenomen. Dit leidt overigens zelden tot ondoeltreffende onderwijsprogramma's, maar vaak tot ondoelmatige.

De geschetste verkokering (pigeonholing) naar faculteiten en vakgroepen leidt er ook toe dat iedere docent binnen zijn vakgroep de nagenoeg volledige controle heeft over de inhoud van het eigen onderwijs en onderzoek. Omdat die twee taken op dit niveau direct gekoppeld zijn, treedt deze verkokering ook in het onderzoek op. Een dergelijke grote mate van autonomie is mogelijk als de betrokkenen door opleiding en ervaring zich professioneel gedragen op binnen hun discipline algemeen aanvaarde wijze. Een nadeel hiervan is wel dat dergelijk gedrag gewoonlijk resulteert in een te grote mate van continuïteit van onderwijs en wetenschapsbeoefening en dat vernieuwingen duidelijk minder kans krijgen. Hardy et al. (1984, p. 177) verwoorden dit als volgt: 'This may not encourage radical innovation - in Kuhn's (1970) terms, doctoral programs train people to do 'normal science, not to mention scientific revolutions - but it does ensure that professors will act responsibly (given that responsibly means: in ways generally accepted by a community of scholars).'

Op vakgroepniveau genomen beslissingen berusten dus op professionele oordelen, die sterk bepaald zijn door opleiding en connecties. Het is dit 1 gedisciplineerde' gedrag dat maakt dat betrokkenen van elkaar weten wat men doet en hoe men het doet. Juist omdat nagenoeg iedereen zich zo gedisciplineerd gedraagt is vergaande decentralisatie, de zwakke koppeling, mogelijk zonder dat de universitaire organisatie desintegreert.

De genoemde zwakke koppeling is overigens een kenmerk van elke professionele organisatie, dus ook van tal van andere organisaties waarin hoog opgeleide academici op vergelijkbare wijze zelfstandig werken. De opvoeding tot een dergelijk gedisciplineerd gedrag is een belangrijk, maar weinig opgemerkt kenmerk van de universitaire opleiding, en ook een belangrijke kwalificatie die academici op de arbeidsmarkt aanbieden.


3.4 Situatie in Nederland

De Nederlandse Technische Universiteiten vertonen vele van de kenmerken die hiervoor zijn omschreven. Toch is de situatie ingewikkelder: dat kan ook niet anders omdat de beschrijving als professionele organisatie neerkomt op vereenzelviging met één van de archetypen van organisaties. Zo vertonen de Nederlandse universiteiten ook kenmerken van de bureaucratische organisatie: allerwegen wordt geklaagd over de administratieve rompslomp die een dergelijke organisatievorm met zich mee pleegt te brengen. Maar wat ontbreekt (behalve in de niet- wetenschappelijke aspecten) is toch de geprononceerde hiërarchie, die de bureaucratische organisatievorm kenmerkt. Ook is binnen kleine groepen, bijvoorbeeld in vakgroepen, wel degelijk sprake van de vernieuwingen die kenmerkend zijn voor de innovatieve organisatie, een organisatievorm waarin de onderdelen een grote mate van eigen verantwoordelijkheid voor innovaties hebben.

Niettemin zijn wij van oordeel, dat veel van de inflexibiliteit van het onderwijs en onderzoek aan de Nederlandse Technische Universiteiten voortkomt uit de inherente starheid die typerend is voor de professionele organisatie. De problemen worden nog geaccentueerd door de sedert 1970 sterk gegroeide, formalisme in de hand werkende en papierverslindende bureaucratie waarmee onderzoekers te maken hebben. Bovendien hebben wij de indruk, dat niet alleen de bezuinigingen van de overheid op de universiteiten een negatieve invloed uitoefenen op het onderwijs- en onderzoekklimaat.

Ook de spanning tussen een deel van de professioneel werkende wetenschapsbeoefenaren en democratisch gekozen organen, die een natuurlijk gegeven is in professionele organisaties, kan bijdragen tot de demotivatie die blijkens recent onderzoek heerst onder de universitaire wetenschappelijke staf (Slootman 1991).


3.5 Conclusies

  1. De opbouw naar technologische disciplines, die gepaard gaat met een grote mate van zelfstandigheid op uitvoerend niveau (faculteiten, vakgroepen, hoogleraren), is een wezenskenmerk van universitaire organisaties. De bestuurlijke inrichting van de universiteit dient hierop afgestemd te zijn, waarbij oog moet zijn voor de gevaren van versnippering.
  2. Faculteiten zijn vooral voor het onderwijs in de desbetreffende discipline onmisbaar als bouwstenen van de universitaire organisatie.
  3. De opbouw naar technologische disciplines maakt dat de Technische Universiteit veelal niet flexibel kan reageren op de maatschappelijke vraag naar nieuw onderwijs en/of onderzoek waarvoor disciplinaire grenzen moeten worden doorbroken of overschreden. De disciplinaire ordening vormt daarom geen goede voedingsbodem voor vernieuwend onderzoek gericht op het bewerken van maatschappelijke aandachtsgebieden (Hardy et al. 1984). Gebruikelijk is dat universiteiten zich richten op geavanceerd onderzoek en als dat vernieuwend van aard is blijft het meestal binnen de grenzen van disciplines.
  4. In combinatie met beperkte of afnemende budgetten betekent deze nadruk op vernieuwing binnen disciplinegrenzen, dat alleen relatief kleinschalig nieuw onderzoek in de universiteit een goede voedingsbodem vindt. Voorwaarde is wel dat de basis (m.n. op het niveau van faculteiten) de noodzaak van die vernieuwing erkent en bereid is die te stimuleren en te beschermen.
  5. Voor grootschalig vernieuwend technologisch onderzoek waarbij onderzoekers uit verschillende disciplines betrokken zijn dienen nieuwe organisatievormen en additionele externe financiering gevonden te worden. Daarvoor moeten duidelijke en extern verankerde keuzen gemaakt worden en voldoende lange bescherming gegarandeerd.
  6. Bij de meeste professionele organisaties zijn de deskundigen volledig gevangen in de beroepscodes van hun specialisme, maar aan de universiteiten heerst de 'academische vrijheid'. Dit begrip kent verschillende interpretaties, maar een zekere vrijheid van onderzoekers bij het bepalen van hun onderzoekvragen is er zeker deel van. Daarom zou academische vrijheid vernieuwingsgezindheid kunnen bevorderen, wij constateren echter dat dit op dit moment niet altijd zo werkt.


4. Bevindingen over onderwijs en onderzoek


4.1 Onderwijs

Voorop staat, dat grote toekomstige werkgevers primair geïnteresseerd zijn in de studierichting en in de kwaliteit van solliciterende ingenieurs, en pas in tweede instantie in hun afstudeerspecialisme (tenzij er van een bepaald specialisme te weinig beoefenaren actief zijn). Bedrijven met een grote eigen R&D-functie verwachten bovendien ontwerpers, ontwikkelaars en onderzoekers van hoog wetenschappelijk gehalte, met voldoende onderzoekervaring om zonodig meteen bij het onderzoek de diepte in te duiken. Met vertegenwoordigers van kleinere bedrijven is niet gesproken; de ervaring leert dat zij eerder behoefte hebben aan breed inzetbare ingenieurs die ook kunnen ontwerpen of producten en processen kunnen ontwikkelen.

Eerste fase

Onze gesprekspartners oordelen niet onverdeeld positief over de initieel opgeleide ingenieurs. Men meent dat zij voldoende vakkennis hebben verworven, maar ook dat het onderwijs vanwege de tijdsdruk gehaast wordt gegeven zodat de stof te weinig tijd krijgt om te bezinken. Dwarsverbanden tussen basisdisciplines worden veelal in het onderwijs niet zichtbaar gemaakt. Bovendien is in het laatste cursusjaar te weinig gelegenheid voor toepassing van het geleerde op een wat omvangrijker probleem om een zekere integratie van de verworven kennis te bereiken. Het gevolg is, dat pas afgestudeerde eerste fase-ingenieurs meer dan voorheen extra begeleiding behoeven voor wat betreft de aanpak van het werk, samenwerken in teamverband, doelgericht werken, over de grenzen van de eigen discipline heen kijken, en dergelijke. Zij zijn alleen direct inzetbaar voor sterk toegepast onderzoek omdat zij nog vrijwel geen onderzoekervaring hebben. Kortom, er werden twijfels uitgesproken over de mate van academische vorming in de eerste fase.

Verder brengen wij de problemen met de internationale positionering van de Nederlandse 4-jarige eerste fase ingenieursopleiding in herinnering. Landen met een langere cursusduur, zoals Frankrijk en Italië, willen onze eerste fase op formele gronden niet erkend zien. Wij gaan hierop niet verder in, maar menen dat dit punt bij voortduring aandacht behoeft. Naast deze kwalificatieproblematiek is er de internationale vergelijking van de inhoudelijke kwaliteit. Behalve verschillen in onderwijs en organisatie liggen daar ook cultuurverschillen aan ten grondslag, bijvoorbeeld in de opvatting van wat een goede maximale studiebelasting moet zijn.

Tweejarige tweede fase

Deze opleidingen functioneren nog te kort om definitieve conclusies te trekken. Toch constateren wij dat:



Promotie
Meer dan voorheen worden voor functies in het industriële speur- en ontwikkelingswerk gepromoveerden gevraagd. Het hoofddoel van de promotie, namelijk de opleiding tot zelfstandig technisch- wetenschappelijk onderzoeker, wordt zeker bereikt, terwijl de aantallen gepromoveerden duidelijk gestegen zijn. Wel verdient het aandacht dat de beginnende promovendus minder goed is voorbereid dan voorheen het geval was omdat in de eerste fase nauwelijks onderzoekervaring wordt verworven.

Arbeidsmarkt

Vanuit het bedrijfsleven wordt gewezen op tekorten aan ingenieurs op gebieden als fijnmechanica, analoge elektronica, opto-elektronica, telematica, logistiek, industriële bouwkunde, procestechnologie en opwekking van elektrische energie. Voor een deel zijn dit tekorten die van betrekkelijk recente datum zijn. Sommige tekorten zouden niet zijn opgetreden als de Technische Universiteiten flexibeler hadden gereageerd op nieuwe vragen.

Een ander signaal dat wij hebben opgevangen is, dat pas afgestudeerden minder dan voorheen bekwaamd zijn in het 'technologisch handwerk' omdat computersimulaties meer en meer de plaats innemen van practica. Verder kiest naar veler mening een verhoudingsgewijs te groot aantal studenten voor de minder technologisch gerichte studierichtingen, zoals bedrijfskunde, bestuurskunde en ook bepaalde richtingen binnen bouwkunde. Ook worden binnen studierichtingen lacunes in de opleiding en gebieden die versterking behoeven gesignaleerd; duidelijke voorbeelden hiervan zijn de ontoereikende materiaalkundige componenten in diverse studieprogramma's. (Voor meer uitgebreide discussie over de relatie tussen opleiding en arbeidsmarkt: zie bijlage 5.)

Hoger onderwijs voor velen
De politiek legt door de wens van 'hoger onderwijs voor velen' druk op de universiteiten om ook matig getalenteerden en dito geïnteresseerden aan een academische graad te helpen. Veel nadruk wordt gelegd op studierendementen, naar onze mening te weinig op kwaliteit en op zorg voor het schaarse talent aan technologisch begaafden. De gehanteerde methodiek van toewijzing van middelen is vooral gericht op het afleveren van veel ingenieurs; dit werkt naast het massaler worden van de ingenieursopleiding het ontstaan en de grote toeloop naar minder technologisch gerichte maar voor veel studenten aantrekkelijke studierichtingen in de hand. Ook stimuleert de financieringsmethodiek de concurrentie tussen de instellingen, waardoor de neiging tot samenwerking verzwakt wordt.

Gezien de schaarse middelen lijkt de doelstelling om tegelijkertijd èn veel ingenieurs af te leveren, èn aan de zeer goeden een uitstekende opleiding te bieden steeds moeilijker haalbaar en voor heroverweging vatbaar, waarbij het laatstgenoemde doel voorrang dient te krijgen. In dit verband is het gewenst de verwijzende functie van de propedeuse te versterken, gezien het feit dat relatief veel van de studiestakers doorgaan in dezelfde richting maar dan op hbo-niveau. In §2.3 is al aangegeven dat wij verduidelijking van de grens tussen wo en hbo gewenst vinden.


4.2 Onderzoek

Gerichtheid
Uit veel van de beschikbare verkenningen komt het beeld naar voren, dat de kwaliteit van het universitair technisch-wetenschappelijk onderzoek in Nederland als goed wordt beoordeeld, uitzonderingen daargelaten. Wel overheerst de mening, dat de Technische Universiteiten nieuwe technologiegebieden, waarop vaak zeer snelle ontwikkelingen plaatsvinden, soms te laat ter hand nemen. Dit geldt vooral voor gebieden waarin inbreng van expertise uit verschillende faculteiten noodzakelijk is. Eén van de gevolgen zijn lacunes in het onderzoek, lacunes die vervolgens ook manifest worden in het onderwijs. Daardoor ontstaat een grote vraag naar die schaarse deskundigheid, met als consequentie dat het nauwelijks mogelijk is om docenten aan te trekken om deze nieuwe gebieden in de Technische Universiteiten te introduceren. De relatief slechte arbeidsvoorwaarden die de universiteiten kunnen bieden in vergelijking met het bedrijfsleven vergroten de problemen. Daardoor wordt de achterstand nog groter; initiatieven en steun van buiten de universiteit zijn nodig om tot verbetering te komen.

Versnippering

De onderzoekinspanning is te veel versnipperd, zowel binnen als tussen de Technische Universiteiten; taakverdeling en concentratie komen onvoldoende van de grond. Daardoor zijn veel groepen subkritisch van omvang zodat ze ook internationaal minder zichtbaar zijn. Vaak ontbreekt de samenhang; van een grote mate van duplicering is vermoedelijk geen sprake. Eén van de gevolgen van de versnippering is, dat de erdoor veroorzaakte noodzaak tot samenwerking een zware last legt op de docenten die de samenwerking moeten dragen. In combinatie met de (te) grote aandacht die nodig is voor verwerving van middelen uit de tweede en derde geldstroom en de soms aanzienlijke bestuurslast van de voltijdse hoogleraren betekent dit dat het strategisch gerichte onderzoek in de verdrukking komt.

Facultaire organisatie

Hoewel hier en daar aanzetten zijn tot multidisciplinair onderzoek, is het onderzoek in de Technische Universiteiten in hoofdzaak facultair georganiseerd. Onderzoek dat inbreng vanuit niet-technische disciplines vergt, zoals bij maatschappelijk belangrijke aandachtsgebieden eer regel dan uitzondering is, komt binnen de universiteiten moeilijk uit de verf. Dit effect wordt versterkt door het op veel plaatsen chronische gebrek aan financiële middelen, dat leidt tot verregaande concentratie op technologische onderwerpen, die men terecht als kerntaken ziet.

Interactie met de omgeving

De interactie met de omgeving is sterk gericht op de korte of hoogstens middellange termijn; fundamenteel onderzoek en technologisch onderzoek gericht op de lange termijn lijden hieronder. Derde geldstroomcontacten zijn veelal van incidentele aard en te weinig gericht op het bereiken van duurzame samenwerking tussen financier en onderzoekgroep. Dit heeft nadelige gevolgen voor het basisonderzoek en leidt teveel tot het vermijden van risico's bij de onderzoekprogrammering.


4.3 Conclusies

De bovenstaande constateringen zijn terug te voeren op het volgende: de universitaire structuur is te weinig flexibel om op passende wijze te reageren op nieuwe uitdagingen. De moeilijkheden waarvoor de Technische Universiteiten geplaatst zijn worden vergroot door het overheidsbeleid voor financiering, bestuursstructuur en arbeidsvoorwaarden.

De geringe flexibiliteit van de universitaire structuur, die blijkens het voorgaande hoofdstuk een typisch kenmerk is van professionele organisaties, kan alleen verbeterd worden door initiatieven van buitenaf, zoals in het volgende hoofdstuk met enkele voorbeelden zal worden geïllustreerd. Vooral het ontbreken van een globale sturing en het gebrek aan multidisciplinaire samenwerking kan hierdoor worden verbeterd.

Voor wat het overheidsbeleid betreft menen wij, dat dit tot dusverre te zeer gefixeerd is geweest op twee doelen, namelijk het terugdringen van de financieringsbehoefte en het vergroten van de zelfstandigheid van de instellingen. Daardoor is er te weinig oog voor de vraag of de behoeften van het bedrijfsleven, onderzoekinstituten en technologisch georiënteerde departementen wel in voldoende mate worden bevredigd.

Wij concluderen, dat een landelijk onderwijs- en onderzoekbeleid noodzakelijk is dat niet alleen in de behoeften van het Nederlandse bedrijfsleven voorziet, maar dat ook past in het streven naar verdergaande internationalisering. Want alleen vanuit een sterke nationale positie kan Nederland zijn rol spelen in het toekomstige technologische Europa.


5. Casus

Om te illustreren, dat de programmering en de organisatie van het universitaire onderwijs en onderzoek op het gebied van technologie verbetering behoeven zijn vier gebieden nader beschouwd, te weten informatica, telematica, logistiek en transport, en materiaalkunde /-technologie). Een samenvatting van deze vier casus wordt hieronder gegeven. Dat het mogelijk is om universitair onderwijs en onderzoek af te stemmen op de maatschappelijke behoeften en op buiten de universiteit uitgevoerd onderzoek, wordt geïllustreerd met een vijfde voorbeeld, lucht- en ruimtevaart. Voor een uitgebreidere beschrijving verwijzen wij naar bijlage 6.


5.1 Informatica

In de jaren '60 en '70 heeft Nederland een forse achterstand opgelopen op het gebied van de informatica, zowel voor wat het onderwijs betreft als voor onderzoek. Dit ondanks het feit, dat in de beginperiode 1945-1960 in Nederland belangrijke initiatieven werden ontplooid en goed onderzoek werd verricht.

In de VS ontstonden met omvangrijke steun en stimulering vanuit het bedrijfsleven al kort na de tweede wereldoorlog studierichtingen op informaticagebied. In ons land daarentegen werden in diverse faculteiten informatici als hoogleraar aangesteld, maar kwam het niet tot een samenhangende visie op dit uiterst belangrijke gebied. Pas toen uit het Duitse voorbeeld duidelijk bleek dat informaticastudierichtingen in een behoefte voorzagen, werden ook aan Nederlandse universiteiten zulke opleidingen tot stand gebracht.

Deze vertraging werd zeker niet veroorzaakt door gebrek aan expertise, maar veeleer door groot verschil van inzicht tussen de wiskundig georiënteerde informatici en belangrijke gebruikers van computers, o.m. in de administratieve wereld. Ook de samenwerking tussen wiskundigen en elektrotechnici, waaruit onderwijs en onderzoek in wat elders 'computer sciences' wordt genoemd had kunnen voortkomen, kwam onvoldoende van de grond.

Deze casus toont aan hoe moeizaam de Nederlandse universitaire wereld tot besluiten komt; sterke maatschappelijke impulsen zijn blijkbaar nodig om beoefenaren van verschillende disciplines te bewegen hun wetenschap in een andere context te beoefenen dan in de gebruikelijke facultaire kaders.


5.2 Telematica

Reeds geruime tijd wordt van diverse zijden, ook in universitaire kring, gesteld dat de telematica een zeer belangrijk aandachtsveld is waarvan de betekenis nog sterk zal toenemen. Dat een gezamenlijke inspanning van Technische Universiteiten en bedrijfsleven vrucht zou kunnen dragen is dan ook al lang duidelijk, maar tot voor kort had dit weinig gevolgen. Hoewel in alle Technische Universiteiten telecommunicatieactiviteiten gaande zijn van soms goede tot zeer goede kwaliteit, is van een geïntegreerde aanpak tot dusverre nog geen sprake. De belangrijkste oorzaak hiervan moet naar onze mening gezocht worden in het feit, dat voor de beoefening van de telematica de inbreng vanuit vele, sterk verschillende en ook niet-technische wetenschappen vereist is. Wij constateren dat voor een dergelijke multidisciplinaire benadering veel te weinig middelen in de betrokken elektrotechnische faculteiten worden vrijgemaakt en dat de belangstelling voor deze combinatie van technische en maatschappelijk gerichte vakken onvoldoende blijkt te zijn.

Onlangs is door een vijftal niet-universitaire partners (Philips, de PTT, IBM en de departementen van Onderwijs en Wetenschappen (O&W) en Economische Zaken (EZ) het initiatief genomen om een Telematica Onderzoekcentrum (TOC) te vestigen nabij een van de universiteiten. Er bleek op dit gebied geen gezamenlijk beleid te zijn van de drie Technische Universiteiten; er bestond zelfs het gevaar dat het TOC bij een algemene universiteit zou worden gevestigd, een plaatsing die ons ongewenst voorkomt.

Deze casus toont opnieuw aan, dat van buiten de universiteit initiatieven moeten worden ondernomen om een bestaande onbevredigende situatie te doorbreken.


5.3 Logistiek en transport

Logistiek onderzoek is voor Nederland in twee opzichten belangrijk. Onderzoek naar bedrijfsoverschrijdende logistieke systemen is een essentieel ingrediënt van verkeerds- en vervoersonderzoek; gezien de goed ontwikkelde Nederlandse transportsector zou men verwachten dat hieraan de nodige aandacht wordt besteed. Ook bedrijfsinterne logistiek is van toenemend belang vanwege onze relatief sterke toeleveringsindustrie.

Hoewel de laatste 10 tot 20 jaar al vele pogingen in het werk gesteld zijn om het Nederlandse onderzoek op het gebied van verkeer en vervoer te versterken, is dat tot dusverre voor het universitaire gedeelte niet gelukt. De kwaliteit ervan voldoet wel aan redelijke eisen maar samenhang ontbreekt. Ook blijken de universiteiten onvoldoende in staat te zijn om aan de wensen van veel bedrijven te voldoen, o.m. door gebrek aan organisatie en tijdplanning. Dat heeft tot gevolg dat het overgrote deel van het onderzoek ten behoeve van het bedrijfsleven door instituten, vooral TNO, wordt verricht.

De universiteiten verwerven te weinig opdrachten om lange termijnonderzoek te kunnen financieren uit de revenuen, hebben te weinig basiskennis om het volume aan opdrachten te vergroten en beschikken over te weinig middelen uit de eerste en tweede geldstroom om de kennisbasis op te bouwen die onontbeerlijk is voor effectieve ondersteuning van het bedrijfsleven. Daarom zijn de meeste universiteiten evenmin interessant als samenwerkingspartner voor instituten.

Er worden thans opnieuw pogingen in het werk gesteld om tot meer samenwerking te komen tussen de diverse onderzoekgroepen, o.m. door het Nationaal Platform Verkeer en Vervoer. Hoewel het gesprek nu goed op gang is gekomen is het nog te vroeg om het resultaat te voorspellen.

Overigens is ook de situatie aan de vraagzijde van de onderzoekmarkt niet optimaal: het absorptievermogen van de transportsector voor nieuwe technologie laat te wensen over, terwijl het overheidsbeleid op dit gebied nog onvoldoende bijdraagt tot het genereren van nieuwe vervoerstechnologie.

Voor wat de bedrijfsinterne logistiek betreft ligt de zaak eenvoudiger: er worden vorderingen gemaakt op weg naar een samenwerkingsverband waaraan naast de TUE en de UT ook TNO en Philips deel gaan nemen. Veel wordt verwacht van de tweejarige ontwerpersopleiding Logistieke Besturingssystemen van de TUE, die een nationale functie lijkt te krijgen.

Deze casus illustreert hoe moeilijk het is om tot een brede multidisciplinaire samenwerking te komen als de vraagzijde van de markt onderontwikkeld is, het universitaire onderzoek sterk gefragmenteerd en ten dele ondergebracht in groepen van subkritische grootte. Een complicerende factor is, dat de universiteiten over te weinig middelen beschikken om de nodige basiskennis te verwerven. Niet-universitaire instituten kunnen een katalyserende rol spelen bij de verbetering van de samenhang, zoals blijkt uit het voorbeeld van de bedrijfsinterne logistiek.


5.4 Materiaalkunde en materiaaltechnologie

In zijn eindrapport, dat ongeveer gelijktijdig met dit preadvies zal verschijnen, stelt de Adviesgroep Materialen (AgM) vast dat zich in de materiaalkunde ingrijpende veranderingen voltrekken die echter voor velen nog niet duidelijk zichtbaar zijn. Deze veranderingen worden van grote betekenis geacht, omdat er een directe relatie bestaat tussen de marktpositie van vele bedrijven, grote zowel als kleine, en hun technologische positie op materiaalgebied. Het is dan ook zaak om deze veranderingen goed te volgen en, waar nodig, te verdisconteren in het universitaire programmabeleid.

De AgM uit zijn zorgen over de gebrekkige interuniversitaire samenwerking en taakafbakening, die onontbeerlijk worden geacht voor effectief onderzoek. Bovendien constateert de Adviesgroep, dat voor ons land belangrijke onderdelen van de materiaalkunde en de materiaaltechnologie niet of in onvoldoende mate worden bewerkt. Dit is vooral voor de Technische Universiteiten van groot belang, omdat zij tweederde deel van het totale universitaire onderzoek aan materialen doen en omdat de materiaaltechnologie van grote betekenis is voor nagenoeg alle gebieden van de Technische Wetenschappen. Een remmende factor van betekenis is ook hier dat op toepassingen gericht onderzoek samenwerking tussen onderzoekers uit verschillende disciplines vereist.

Leemten in het onderzoek op materiaalgebied worden ook aangetroffen in andere delen van de publieke technisch- wetenschappelijke infrastructuur. Een reden is hier dat in gebieden waarop geen sterke industriële activiteiten in Nederland bestaan, veel structurele financiering vereist is om dergelijk onderzoek met een zwakke marktpositie overeind te houden. Daarnaast is er ook een relatie met de kracht van het universitaire onderzoek in hetzelfde gebied.

De AgM pleit voor een programmatische heroriëntatie, waarbij een grotere invloed van het bedrijfsleven noodzakelijk wordt geacht. Verder meent men dat de apparatuursituatie dringend verbetering behoeft en dat met veranderingen van programma's ook een herallocatie van middelen nodig is, naast de inzet van additionele middelen. De Adviesgroep beveelt de vorming aan van een boven de universiteiten staand programmaorgaan dat sturend en richtinggevend kan optreden, als binnen afzienbare tijd geen of onvoldoende verbetering wordt bereikt.


5.5 Lucht- en Ruimtevaart

Het werkgebied lucht- en ruimtevaart is goed ontwikkeld en succesvol, en wordt gekenmerkt door een goede wetenschappelijke infrastructuur met duidelijke relaties van de faculteit met haar omgeving, waarin Fokker en het NLR een prominente plaats innemen. De Stichting Nederlands Instituut voor Vliegtuigontwikkeling en Ruimtevaart (NIVR) coördineert, programmeert en verdeelt gelden. Het NIVR heeft een breed samengesteld bestuur en een sterke band met het NLR. Deze opzet van het NIVR en de relatief ruime financiering, leiden tot een goede samenhang in het onderzoek en de beschikbaarheid van een gevarieerd onderzoekpotentieel, waarin de Delftse faculteit goed is ingebed. De relatief grote invloed van de industriële omgeving gaat samen met strategisch onderzoek van hoog gehalte, dat tot het beste van de output van de TUD behoort.

Deze casus laat zien, dat in een nauwe relatie tot de omgeving een goede definiëring van een onderzoekgebied mogelijk is. Het gaat echter wel om een betrekkelijk nauw technologiegebied, dat samengaat met een goed afgebakende branche van het bedrijfsleven.


6.   Commissie van advies voor de Technische Wetenschappen


6.1 Inleiding

Uit het voorgaande blijkt dat het niet kunnen voldoen aan belangrijke maatschappelijke verwachtingen diverse oorzaken heeft die zeker niet alleen binnen de Technische Universiteiten gezocht moeten worden.

Ten eerste hebben wij te maken met het karakter van de universiteit als professionele organisatie' (zie hoofdstuk 3). Wezenlijke vernieuwingen in het programma kunnen alleen bereikt worden in gevallen waarin nieuwe professionals kunnen worden aangetrokken of een goede combinatie van vernieuwingsgezinde docenten en onderzoekers aanwezig is. Het bewerken van nieuwe technologiegebieden vanuit verschillende faculteiten is daardoor lang niet altijd tijdig te realiseren. Dit wordt nog versterkt doordat de kwaliteit van de wetenschappelijke productie veelal wordt gemeten binnen de disciplinaire kring. Het overschakelen op een andere technologisch onderzoekgebied vergt een soms lange inwerkperiode waarin de wetenschappelijke productie beperkt blijft. De financiële repercussies die dit heeft belemmeren ook de interfacultaire samenwerking. Natuurlijk beseffen wij dat op dit algemene beeld uitzonderingen bestaan, getuige de samenwerkingsverbanden tussen faculteiten die op een aantal plaatsen gestalte hebben gekregen.

Ten tweede noemen wij het beleid dat de overheid (aanvankelijk met sterke steun vanuit het bedrijfsleven) heeft gevoerd ten aanzien van de cursusduur van de eerste fase. Wij constateren dat de drie Technische Universiteiten de herprogrammering van het onderwijs over de hele linie zo hebben uitgevoerd dat aan de wettelijke eisen is voldaan. Dit was mogelijk omdat men binnen de bestaande facultaire kaders kon blijven. De gerapporteerde tekortkomingen van de vierjarige eerste fase zien wij als een direct gevolg van het gevoerde overheidsbeleid. De moeilijkheden zijn vergroot door de toename van de studentenaantallen. Bijkomende factoren zijn de politieke aandrang op verhoging van het studierendement en de gehanteerde relatie tussen financiering en studentenaantallen, die hebben geleid tot een tendens naar verlichting van de studiedruk en het ontstaan van studievarianten waarvoor een geringere technologische begaafdheid is vereist. In §2.3 hebben wij al op de mogelijkheid van een herziening van het beleid gewezen.

In onze ogen ligt het belangrijkste manco in het traag, te laat of soms niet entameren van onderzoek op nieuwe, voor ons land economisch en maatschappelijk belangrijke technologiegebieden, zoals de casus inzake informatica, telematica en logistiek en transport, en de rapportage van de Adviesgroep Materialen illustreren.

Wij zien drie oorzaken van het optreden van dergelijke leemten in de beoefening van de Technische Wetenschappen in ons land: het ontbreken van een lange termijnbeleid voor (delen van) de Technische Wetenschappen, het eerder gesignaleerde gebrek aan flexibiliteit van de universitaire organisatie en de afwezigheid van inspirerende keuzen elders in de technologische infrastructuur. Zonder een duidelijke verandering in de wijze waarop de onderzoekprogrammering verloopt is de kans groot, dat dergelijke leemten in de toekomst zullen blijven optreden.

De nagestreefde remedie, het stimuleren van nieuwe ontwikkelingen door gebruikers van buiten de universiteit (zie het nieuw gevormde Telematica onderzoekcentrum) is ook voor andere gebieden het overwegen waard. Het bedrijfsleven, dat al sterke interactie met de Technische Universiteiten vertoont, dient vooral invloed uit te oefenen op het beleid voor de lange termijn, dus in strategische zin. Dit kan alleen als men bereid is expertise en middelen ter beschikking te stellen. De huidige invloed is te veel op de korte termijn gericht. Naar onze mening kunnen TNO, de gti's en een aantal overheidsdiensten hierbij ook een belangrijke rol spelen.



6.2 Voorstellen voor verbetering

Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat maatregelen ter verbetering
van onderzoek en onderwijs de volgende resultaten moet opleveren:



Wij menen dat het bovenstaande te realiseren is door de vorming van een landelijke adviescommissie, die voldoende gezag heeft om gewenste veranderingen te doen doorvoeren. Gezien het grote belang van de ontwikkeling van een lange termijnbeleid voor de Technische Wetenschappen dient dit nieuw te vormen orgaan een 'zware' samenstelling te krijgen. Dat is alleen mogelijk als het voldoende speelruimte toegemeten krijgt en als voldoende financiële middelen ter beschikking worden gesteld om vernieuwende activiteiten op onderwijs- en onderzoekgebied gedurende voldoende lange tijd te ondersteunen. Als deze commissie over de nodige overtuigingskracht beschikt zal het mogelijk zijn ook de niet-universitaire onderdelen van de technisch- wetenschappelijke infrastructuur op constructieve wijze bij de beoogde vernieuwingen te betrekken.

Voorop moet staan dat voorstellen tot vernieuwing gedragen worden door het onderzoek- en onderwijsveld; de creativiteit die daar aanwezig is garandeert dat voor elke consequente en volgehouden keuze aantrekkelijke ideeën voor uitvoering kunnen worden aangedragen en dat competente mensen beschikbaar zullen zijn om het nieuwe onderwijs en onderzoek te dragen. Het gaat dus niet alleen om het creëren van een organisatorische opzet maar evenzeer om het ontwikkelen van een proces dat tot technisch-wetenschappelijke innovatie kan leiden.

Samenvattend zien wij de volgende belangrijke randvoorwaarden (zie ook
hoofdstuk 3):



Verder menen wij, dat de bestuurlijke zelfstandigheid van de Technische Universiteiten onaangetast dient te blijven.


6.3 Organisatorische vormgeving

Deze overwegingen leiden ons tot het voorstel voor de vorming van een landelijke Commissie van advies voor de Technische Wetenschappen (CTW). Deze CTW moet voor de Technische Wetenschappen het nu ontbrekende lange termijnbeleid helpen vormen (vergelijk Commissie-Wolfson 1985, Hazeu 1989). Met de noodzaak van een landelijk technologiebeleid is tot dusverre geen rekening gehouden bij de vergroting van de autonomie van de Technische Universiteiten. De Commissie moet voorts een grotere samenhang, concentratie en samenwerking in de publieke technisch-wetenschappelijke infrastructuur bevorderen.

Bij het uitwerken van dit voorstel moeten drie functies van een dergelijke commissie worden bezien: informatie verzamelen, het maken van strategische keuzen en het implementeren van deze keuzen.

Het verzamelen van informatie.
Het is noodzakelijk voor het uitzetten van een koers allereerst de nodige informatie te verzamelen door het doen verrichten van foresight studies, toekomstverkenningen en dergelijke (Wetenschapsbudget 1991, hoofdstuk 2). Het doel is nieuwe ontwikkelingen op technologisch gebied vroegtijdig te signaleren en te beoordelen op hun relevantie voor ons land. Ook behoort hiertoe het opsporen van belangrijke lacunes of verwaarloosde gebieden in de bestaande onderzoekactiviteiten. Het maken van strategische keuzen. Gegeven de verkregen informatie moeten de strategische keuzen, dat zijn de keuzen op de lange termijn met landelijke breedte, worden gemaakt in een bestuurlijke vorm waarbij het mogelijk is op langere termijn te werken dan typisch bij overheidsbeleid het geval is. De invloed van direct belanghebbenden in de infrastructuur op deze keuzen moet zodanig zijn dat de beschikbare expertise kan worden gemobiliseerd zonder dat bestaande belangen een hypotheek op toekomstige ontwikkelingen kunnen leggen. Daarnaast zal er ruimte moeten zijn voor politieke invloed. Implementatie. De implementatie van de gemaakte keuzen vraagt om een terughoudende opstelling van de overheid. Daarnaast is actieve medewerking in de vorm van toezeggingen nodig van de bij de samenwerking te betrekken instellingen, onderzoekers/docenten en studenten/aio's.

Het gaat hier om een adviesorgaan van de Ministers van Onderwijs & Wetenschappen en van Economische Zaken dat het gat vult tussen de beleidsvorming in de afzonderlijke instellingen en bij de overheid, en dat vraagstellingen kan behandelen die over de afzonderlijke instellingen heen reiken en op de lange termijn zijn gericht. Projectfinanciering voor de korte of middellange termijn valt buiten de opdracht: deze financiering dient bij de tweede geldstroomorganisaties te blijven.

Voorstellen voor een dergelijk orgaan zijn in een enigszins andere vorm al eerder gedaan (Hazeu, 1989), en elders al ingevoerd, zoals in Engeland en Zweden. In deze landen is de invloed ervan op de universiteiten echter aanmerkelijk groter en het werkterrein overeenkomstig breder dan wij hier voorstellen

Taken

De primaire taak van de CTW is in overleg met de CvB's een kader te formuleren voor het lange termijnbeleid voor de drie Technische Universiteiten, dat de goedkeuring zal behoeven van de Ministers van Onderwijs en Wetenschappen en van Economische Zaken. Daarbij is afstemming op het beleid van instituten en andere grote onderzoekinstellingen geboden. De beleidsvorming dient ten dele bottom up te gebeuren door inschakeling van deskundigen die in hoofdzaak afkomstig zijn uit de drie Technische Universiteiten. Inschakeling van niet-universitaire deskundigen kan van voordeel zijn omdat de drie Technische Universiteiten in sommige opzichten conflicterende belangen hebben.

Als belangrijke gegevens niet beschikbaar zijn (bijvoorbeeld uit reeds verrichte verkenningen), kan het ter onderbouwing van de beleidsuitgangspunten nodig zijn aanvullende studies uit te voeren. Ook dit vergt een netwerk van prominente deskundigen om nieuwe activiteiten te traceren en om de mogelijkheden van verschillende organisatievormen en samenwerkingsverbanden voor de implementatie van de uit dat kader voortvloeiende beslissingen na te gaan.

De CTW moet zich vooral concentreren op het articuleren en maken van keuzen van maatschappelijk belangrijke, veelal disciplinegrenzen overschrijdende technologiegebieden, zowel waar het onderwijs als onderzoek betreft. Keuzen moeten op nationaal niveau gemaakt worden, maar ze zullen vaak ook de nationale grenzen overschrijden. Daarmee hebben zij een sterke politieke lading, temeer omdat deze keuzen voor de langere termijn het dagelijks leven van de burger ingrijpend kunnen beïnvloeden. Wij benadrukken dat een zekere zelfstandigheid van de CTW tegenover de drie Technische Universiteiten wezenlijk is.

Kortom, wij menen dat de Commissie van advies voor de Technische Wetenschappen een belangrijke invloed moet kunnen uitoefenen op het beleid van de drie Technische Universiteiten. In concreto komt dit neer op advisering aan de betrokken ministers, waarbij de ministers over de wettelijke mogelijkheden moeten beschikken om de adviezen te doen uitvoeren.
Deze advisering gaat over:



Ook kan de Commissie de Colleges van Bestuur met raad ter zijde staan, bijv. bij de vorming van belangrijke en gestructureerde samenwerkingsverbanden met andere onderzoekinstellingen, ook niet-universitaire en industriële. De adviezen van de CTW aan de ministers zullen openbaar moeten zijn.

Samenstelling

Wij denken aan een commissie van 8-10 personen met gezag in de onderzoekwereld, departementen en het bedrijfsleven, die voor een periode van bijvoorbeeld 5 jaar zijn benoemd door de Ministers van Onderwijs & Wetenschappen en van Economische Zaken, en werken zonder last of ruggespraak. De draagkracht van de beleidsvorming moet ook voortkomen uit een netwerk van deskundigen die het vertrouwen genieten van de betrokken bestuurders. Het ontwikkelen en onderhouden van een dergelijk netwerk en van contacten met de drie Technische Universiteiten vergt veel tijd. Daarom achten wij het nodig dat 2-3 leden, inclusief de voorzitter, voltijds worden aangesteld om de dagelijkse leiding te verzorgen. Ondersteuning vindt plaats door een kleine staf.

Middelen

Voor het goed functioneren dient de CTW te beschikken over een budget van nader te bepalen omvang om de benodigde informatie te (doen) verzamelen waarop keuzen voor het lange termijnbeleid kunnen worden gebaseerd. Verkenningen dienen niet door de commissie zelf te worden uitgevoerd; de informatie zal zoveel mogelijk uit beschikbare bronnen moeten worden verkregen. In uitzonderingsgevallen moet het mogelijk zijn om opdrachten te verstrekken aan ad hoc werkgroepen bestaande uit onderzoekers, voor evaluaties door buitenlanders, en dergelijke.

Voorts moet de CTW kunnen beschikken over een fonds voor het stimuleren en implementeren van nieuwe ontwikkelingen, dat geleidelijk stijgt tot MFl 40-50 per jaar. Het principe van matched funding zou moeten worden toegepast: de helft van het bedrag is afkomstig uit de universitaire budgetten, terwijl de andere helft ervan door reallocatie van middelen voor wetenschaps- en technologiebeleid wordt ingebracht. Bovendien zullen ook andere partners moeten kunnen bijdragen (zoals bijvoorbeeld thans geschiedt bij telematica). Besluiten over toewijzing aan een nieuwe activiteit worden genomen na overleg met de drie CvB's en dienen goedgekeurd te worden door het CvB van de instelling waar deze activiteit geplaatst zal worden. Dit is nodig omdat medefinanciering door de ontvangende instelling noodzakelijk wordt geacht. Omdat het hier beleid voor de lange termijn betreft moet het mogelijk zijn de middelen voor langere tijd toe te wijzen. Zoals eerder is opgemerkt valt de financiering van kleinschalige projecten buiten het werkterrein van de Commissie.


7. Actuele beleidsbeslissingen

De voorgestelde Commissie van advies voor de Technische Wetenschappen zou in de naaste toekomst ook betrokken moeten worden bij een aantal beleidszaken, die naar onze mening op relatief korte termijn om een oplossing vragen. Bijlage 7 bevat een korte omschrijving; hier volstaan wij met een opsomming en een typering. Deze bijlage bevat voorts informatie over de door ons gewenst geachte positionering van de Commissie ten aanzien van het bedrijfsleven en van andere wetenschapsorganen, die hier niet verder wordt besproken.

Opleiding tot ingenieur

Het oordeel over de huidige eerste fase luidt zeker niet onverdeeld positief: hoewel de overgedragen vakkennis voldoende wordt geacht zijn er twijfels over andere onderwijsaspecten (zie §4.1). De geconstateerde problemen, gecombineerd met het feit dat sommige werkgevers academische ingenieurs met een vierjarige opleiding aanstellen op vroeger door hbo-ingenieurs bezette arbeidsplaatsen, brengen ons ertoe te adviseren om de cursusduur van de ingenieursopleiding opnieuw in overweging te nemen.

Wij geven de voorkeur aan een eerste fase die afgesloten wordt met een doctoraal examen, gevolgd door een éénjarige vervolgstudie, aan het einde waarvan een ingenieursexamen moet worden afgelegd. Deze vervolgstudie zal typische elementen van beroepsactiviteiten van ingenieurs (onderzoek en/of ontwerpen/ontwikkelen) moeten bevatten en ook dienen als inleiding tot een promotie of een ontwerpersopleiding, die dan drie respectievelijk één jaar kan duren. Het overgangsjaar van technisch drs. naar ir. zou toegankelijk moeten zijn voor iedere technisch drs. die dat wenst. Maar het moet ook mogelijk blijven de studie af te sluiten na het doctoraalexamen (hoewel vooralsnog geen zicht is op het civiel effect van de technisch drs.). Promotie- en ontwerpersopleiding kennen uiteraard een ingangsselectie. Elke vorm van een technisch universitaire studie moet starten met een propedeuse met een selectief en verwijzend karakter.

Bij het invoeren van dergelijke curricula is een algehele herprogrammering, zoals bij de invoering van de huidige curricula plaatsvond, onnodig en zelfs ongewenst. Het enige doel zou moeten zijn om een ingenieurscurriculum van ca. één cursusjaar te ontwerpen dat aansluit op de huidige eerste fase. De ervaringen van werkgevers geven daarvoor duidelijke aanwijzingen. Zonodig zou men het laatste jaar van de doctorale fase wat kunnen aanpassen aan deze gewijzigde situatie.

Het komt ons voor dat deze problematiek per studierichting moet worden bezien en dat de CTW een rol in de beoordeling van voorstellen zou moeten spelen.

Onderzoekscholen

Wij onderschrijven het positieve oordeel van de RAWB (no. 76, 1990) over het voornemen tot instelling van onderzoekscholen, maar vestigen er de aandacht op dat het mechanisme van de vorming van onderzoekscholen uitgaat van goed ontwikkeld onderzoek in de desbetreffende discipline van reeds bewezen kwaliteit. Aan het bestaan van niet of verre van volledig vervulde behoeften wordt echter voorbij gegaan.

Wij menen dan ook dat andere werkwijzen nodig zijn voor de vorming van nieuwe onderzoekcentra op technologiegebieden die van groot belang zijn voor bedrijfsleven en overheid, en een sterk multidisciplinair karakter hebben; daarbij kunnen met Technische Universiteiten gelieerde instituten ontstaan. Hierbij kan de voorgestelde Commissie van advies voor de Technische Wetenschappen een mede richtinggevende rol spelen; wij verwijzen in dit verband naar hoofdstuk 6 van dit pre- advies. Er zal nauwlettend op moeten worden toegezien, dat alleen voorstellen van goed technologisch niveau worden gehonoreerd.

Met de RAWB menen wij verder, dat een nader te bepalen ruimte moet blijven voor onderzoek dat niet in onderzoekscholen wordt ondergebracht maar in facultair verband moet worden geprogrammeerd en uitgevoerd. In ieder geval dient elke ingenieursopleiding door actieve onderzoekers te worden gedragen en uit te gaan van technische wetenschapsbeoefening, niet alleen onderzoek maar ook ontwerpen en ontwikkelen (zie voetnoot no. 2).

Samenwerking met gti's en TNO

De Commissie van advies voor de Technische Wetenschappen dient naar ons inzicht de samenwerking tussen de Technische Universiteiten, de gti's en TNO te bevorderen. Daarbij zou financiële steun voor het opzetten van gezamenlijke multidisciplinaire onderzoekcentra en het in stand houden van kostbare faciliteiten verleend moeten kunnen worden.

Bestuursstructuur
Wij adviseren, de bevoegdheden van de Colleges van Bestuur van de Technische Universiteiten voor het opzetten en langdurig steunen van nieuwe activiteiten belangrijk te versterken. Ditzelfde dient te gebeuren met betrekking tot het beëindigen of overdragen aan anderen van activiteiten die beter elders kunnen worden ondergebracht, bijvoorbeeld in het hbo.

Arbeidsvoorwaarden

Wij menen, dat de achterstand in de arbeidsvoorwaarden van het wetenschappelijk personeel van de Technische Universiteiten en de starheid van de regelingen met betrekking tot het gehele personeel moeten worden bezien in het licht van de grote flexibiliteit die in de naaste toekomst van de Technische Universiteiten zal worden gevraagd.

CTW. positie, beleidsontwikkeling en financiering
Wij bevelen aan, dat de Commissie van Advies voor de Technische Wetenschappen in staat wordt gesteld het beleid op een zodanige wijze te helpen formuleren, dat met een nader te bepalen frequentie een beleidsnota voor de langere termijn door de drie Technische Universiteiten wordt opgesteld en aan de overheid wordt voorgelegd, op eenzelfde wijze als voor TNO wettelijk is vereist. Daarbij dient de huidige meerjarenplanning van eik van de Technische Universiteiten te worden verlaten en door een gezamenlijke formulering van het beleid te worden vervangen. Over deze beleidsnota dient een formeel kabinetsstandpunt te worden uitgebracht, dat tezamen met de beleidsnota aan het parlement wordt aangeboden.

Het bovenstaande houdt in, dat: - de Commissie over financiering van een nader te bepalen omvang zou moeten kunnen beschikken voor beleidsvoorbereidende activiteiten; - de CTW in staat wordt gesteld te adviseren over een budget van MFl 40-50 per jaar voor nieuwe activiteiten, de vorming van samenwerkingsverbanden en opzet en onderhoud van grote faciliteiten, al dan niet in samenwerking met anderen.


8. Conclusies en aanbevelingen


8.1 Conclusies

  1. Gebleken is, dat een aantal belangrijke nieuwe technologiegebieden in onvoldoende mate door de Technische Universiteiten worden bewerkt. De belangrijkste reden hiervan is dat de instellingen niet in staat zijn om voldoende flexibel op nieuwe ontwikkelingen te reageren. Vooral nieuwe technologiegebieden die niet samenvallen met faculteiten en waarvoor diverse disciplines moeten worden ingezet blijken moeilijk van de grond te komen. Het gebrek aan flexibiliteit van de universitaire organisatie wordt veroorzaakt door een complex van factoren: vooral het professionele karakter van de organisatie van het onderwijs en onderzoek aan de Technische Universiteiten dat onvoldoende gecompenseerd wordt door de top down component in de besluitvorming, en de moeilijkheid voor het bieden van bescherming aan vernieuwende initiatieven vanuit de werkvloer, Deze twee tekortkomingen worden geaccentueerd door de schaarste aan financiële middelen.
  2. De afgestudeerden van de vierjarige eerste fase zijn nogal gehaast opgeleid, hebben nauwelijks ervaring in het geïntegreerd toepassen van de verworven kennis en hebben niet in voldoende mate geleerd over de grenzen van hun vakgebied heen te kijken. Dit is het gevolg van veel nadruk op studierendementen en, naar onze mening, te weinig op de kwaliteit van de opleiding en zorg voor het schaarse talent.
  3. Voor snellere vernieuwing van onderwijs en onderzoek op technologisch gebied zijn stimulansen van gebruikers van technologie (het bedrijfsleven, technologisch georiënteerde departementen en niet-universitaire onderzoekinstituten) noodzakelijk.
  4. Tweejarige ontwerpersopleidingen voldoen tot dusverre aan de verwachtingen maar leveren nog te weinig ingenieurs af.
  5. Over de huidige promotie is men tevreden; dit is mede gebaseerd op waarnemingen van de huidige promovendi die betaald worden uit derde geldstroommiddelen.
  6. Meer aandacht is niet alleen nodig voor het ontwerpen maar ook voor ontwikkelen van processen en producten.


8.2 Aanbevelingen

Aanbevolen wordt:


  1. Een Commissie van Advies voor de Technische Wetenschappen in te stellen die is samengesteld uit gezaghebbende personen uit de kring van technologiegebruikers, ten einde de Ministers van Onderwijs & Wetenschappen en van Economische Zaken te adviseren over:


  2. De duur van de eerste fase opnieuw te bezien; gedacht kan worden aan een één- of tweejarige vervolgstudie na het doctoraalexamen.
  3. . Meer nadruk te leggen op de opleiding van hooggekwalificeerde ingenieurs en minder op het afleveren van grote aantallen ingenieurs in een vierjarig curriculum.
  4. Bij de beoefening van de Technische Wetenschappen meer aandacht te besteden aan ontwerpen en ontwikkelen van producten en processen.
  5. Naast onderzoekscholen ook onderzoekcentra op te richten, bij voorkeur in samenwerking met anderen, vooral voor technologiegebieden waarvoor de inbreng van diverse disciplines vereist is.
  6. Het de faculteiten mogelijk te maken, een deel van het onderzoek in facultair verband te blijven verrichten.
  7. In de naaste toekomst de nodige aandacht te schenken aan verbetering van:



Gerefereerde literatuur


Anoniem. 1983. Professor J.M. van Oorschot, 40 plus informatica. Liber amoricorum aangeboden aan Prof. J.M. van Oorschot op 31 mei 1983. Rijkskantoormachinecentrale-KMC; Centrale Directie PTT.


Anoniem. 1988. Historie van de automatisering in Nederland. Nederlands Genootschap voor Informatica, 69 p.


Ackermans S.T.M. and H.M.G.J. Trum. 1988. Engineering Education in the Netherlands. A Renewed Emphasis on Design. Engineering Education Vol 78, no. 11: 164-170.


Ackermans S.T.M. 1990. Mathematical Modelling is a Design Task. In V.J. McCabe (ad.): Proceedings SEFI Conference on Design in Engineering Education, Dublin, 1990: 25-31.


Adviesgroep Materialen. 1991. Concept-eindrapport van de AgM, 51 p.


Alberts, G., F. van der Blij & J. Nuis (red.). 1987. Zij mogen uiteraard daarbij ... Gedenkboek bij het 40-jarig jubileum van de Stichting Mathematisch Centrum. Centrum voor Wiskunde en Informatica.


Apostel, L., Berger, G., Briggs, A., & Michaud, G. (Editors, 1972). Interdisciplinarity. Problems of teaching and research in universities. Paris: OECD, Centre for Educational Research and Innovation (CERI).


ARHO-advies. 1988. Advies inzake de versterking van de bestuurs-organisatie van universiteiten en hogescholen. Den Haag.


ARHO-advies. 1991. Het stelsel van hoger onderwijs en differentiatie. Den Haag.


Becher, T. 1989. Academie tribes and territories. lntellectual enquiry and the culture of disciplines. Open university press.


Clark, B.R. (1983). The higher education system: academie organization in cross-national perspective. Berkeley: University of California Press.


Commissie Financieringsstructuur Onderzoek en Ontwikkeling. 1985. Rekenschap van creativiteit. Den Haag, SDU.


Frissen, P, Hoewijk, P.M.Th. van, & Hout, J.F.M.J. van (redactie, 1986). De universiteit: een adequate organisatie? Utrecht: Het Spectrum.


Haks, D. 1989. De verbinding van onderwijs en onderzoek in het Nederlandse hoger onderwijs. ARHO- achtergrondstudie, Den Haag.


Hardy, C. (1990). 'Hard' decisions and 'tough' choices: the business approach to university decline. Higher Education 20: 301-321.


Hardy, C., Langley, A., M intzberg, H., & Rose, J. (1984). Strategy formation in the university setting. In Bess,J.L. (Editor). College and university organization: insights from the behavioral sciences. New York: New York University Press, p. 169-210.


Hazeu, C.A. (1989). Systeem en gedrag in het wetenschappelijk onderzoek. Een model voor toedeling van taken en verantwoordelijkheden in een multiniveau-systeem, toegepast op het universitaire onderzoek. Den Haag: VUGA.


Hazeu, C.A. (1990). Functie en organisatie van de tweede geldstroom in het licht van het nationale wetenschapsbeleid. Tijdschrift voor Hoger Onderwijs 8: 11-20.


Hoger onderwijs, technologie en marktsector (HTM). Beleidsnotitie Ministers van Onderwijs en Wetenschappen en van Economische Zaken. Tweede Kamer, vergaderjaar 1985-1986, 19454, nrs. 1-2.


Kuhn, T.S. (1970). The structure of scientific revolutions. Chicago: University of Chicago Press.


Louw, R.G. (1986). De nieuwe Wet op het wetenschappelijk onderwijs in hoofdlijnen. Universiteit en Hogeschool 33: 2-12 en 49-56. Ook als hoofdstuk 2.1 in 'Wetgeving Wetenschapelijk Onderwijs', Den Haag: Staatsuitgeverij (losbladig).


Meeuse, G.C. et aL 1988. Onderzoek gezocht. O&W, Zoetermeer.


Mintzberg, H. (1989). Mintzberg on management; inside our strange world of organizations. London: Collier Macmillan Publishers.


Nijkamp, P. et aL 1990. Infrastructuur, transport en logistiek deel 1.


Nijkamp, P. & A.M. Perrels. 1987. Hoogwaardigheid en beheersbaarheid. O&W, Zoetermeer.


RAWB-advies no. 46. 1986. Advies inzake de organisatie van het universitair onderwijs en onderzoek. Den Haag.


RAWB-advies no. 60. 1988. Advies over het missiepatroon van de nietuniversitaire onderzoekinstituten. Den Haag.


RAWB-advies no. 65. 1989. Advies inzake de positie van het multidisciplinair onderzoek. Den Haag.


RAWB-advies no. 74. 1990. Advies inzake het civieltechnisch en geodetisch onderzoek in Nederland. Den Haag.


RAWB-advies no. 76. 1990. Advies inzake onderzoekscholen. Den Haag.


RCO. 1985. Voorstel voor de inrichting van de Tweede fase wetenschappelijk onderwijs. Den Haag.


RCO. 1990. Initiële opleidingen met een tweede fase. Den Haag.


Slootman, A.W. 1991. Arbeidsbeleving van universitair wetenschappelijk personeel: binding aan de organisatie, satisfactiebeleving, vertrekintensiteit, arbeidsmarktoriëntatie. 375 p. Proefschrift Universiteit Twente.


Sparkes J.J. 1990. Guality in engineering education. Int. J. Continuing Engineering Education, Vol. 1, no 1: 18-32.


Teichler, U. 1989. Steering from a distance? State regulation and the development of studies in the Netherlands. Tijdschrift voor Hoger Onderwijs 7: 130-137.


Warschauer, K.A., W.J. Beek & J. de Kroes. 1991. Nationaal platform verkeer en vervoer: een onderzoekagenda voor de jaren '90, 86 p.


Werkgroep Telematica. 1987. Aanbevelingen voor de stimulering van onderwijs, onderzoek en marktsector met betrekking tot telematica. O&W, 89 P.


Wetenschapsbudget 1991. Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, no. 21805, nrs. 1-2, 211 p.


Whitley, R. (1984). The intellectual and social organization of the sciences. Oxford: Clarendon Press.


WRR-rapport. 1991. Technologie en overheid. Den Haag.



Bijlage 1: Adviesaanvraag MOW


De voorzitter van de Raad van Advies
voor het Wetenschapsbeleid
Postbus 18524
2502 EM 's-Gravenhage

 
 
 
 
Uw brief van   Ons kenmerk   Zoetermeer
  HW/131-90040112   22 juni 1990

Onderwerp advies technisch w.o. in relatie onderzoekscholen

 
 
 
In deze brief concretiseer ik mijn adviesaanvraag over de Technische Wetenschappen w.o., zoals ik u die in ons overleg op 29 maart 1990 heb toegezegd.

Mijn adviesaanvraag baseert zich op de projectomschrijving die de RAWB samen met de ARHO heeft opgesteld en die u mij toezond bij uw brief van 22 maart 1990, kenmerk 381/90.

Hetzelfde project maakt deel uit van het adviesprogramma 1990 van de ARHO. Bij de brief van 29 maart 1990, kenmerk HW/B1-90000280 heb ik daar in positieve zin op gereageerd. Een afschrift van deze brief is bijgevoegd.

Volgens het projectvoorstel zal uw raad uitwerking geven aan " .... het idee tot oprichting van onderzoekscholen in relatie tot de beoogde profilering in het universitair onderwijs".

Ik verzoek u, zoals ik dat ook de Adviesraad Hoger Onderwijs heb gedaan, bij uw advies de uitkomsten van de onlangs door mij ingestelde Commissie Onderzoekscholen (Commissie Rinnooy Kan) te willen betrekken.

Voorts zou ik het vanuit de optiek van wetenschapsbeleid nuttig achten als u - na de afzonderlijke adviezen over deeldisciplines binnen de Technische Wetenschappen, die door u inmiddels zijn uitgebracht - daarbij tevens met een samenvattend oordeel zou kunnen komen over de wetenschapsbeoefening in de Technische Wetenschappen in het algemeen. Dit mede in relatie tot de veelgehoorde opvatting dat kwaliteit en/of kwantiteit enlof organisatie, aan de technische basisdisciplines nadere aandacht behoeft.

De minister van Onderwijs en Wetenschappen,
(dr.ir. J.M.M. Ritzen)

 
 
 
 
 
 



 
Aan de voorzitter van de
Adviesraad Hoger Onderwijs
Prinsessegracht 22
2514 AP's-Gravenhage

 
 
 
 
Uw brief van   Ons kenmerk   Zoetermeer
  HW/B1-90000280   29 maart 1990

Onderwerp
adviesprogramma 1990

 
 
 
Het voorstel van de raad voor het adviesprogramma 1990, zoals dat is vastgelegd in de brief van 21 december 1989 is gedurende een onlangs gehouden informeel overleg met de voorzitter van de raad in oriënterende zin besproken. Tijdens dat overleg is een notitie van de secretaris van de raad van 2 februari overhandigd waarin enkele van de in de voornoemde brief genoemde punten verder zijn uitgewerkt.

In beide stukken, de brief en de notitie worden zowel het vraagstuk van de differentiatie in het hoger onderwijs, als ook dat van de verhouding tussen initieel en post-initieel onderwijs benadrukt als zijnde essentieel voor inhoud en vormgeving van het toekomstig stelsel van het Nederlands hoger onderwijs. Verschillende malen wordt verwezen naar eerdere adviezen zoals onder meer de brief over de opstelling van het ontwerp-HOOP 1990 van 3 mei 1989. Ook refereert de raad aan de onlangs gepubliceerde voorstudie over studie-uitval en rendement, respectievelijk aan de achtergrondstudie over de relatie onderwijs en onderzoek.

De raad betoogt in de brief van 21 december en de notitie van 2 februari 1990 dat het vraagstuk van de differentiatie complex en veelomvattend is. Een kwestie die op dit moment, zij het vanuit een geheel eigen optiek wordt bestudeerd door de onlangs ingestelde commissie Onderwijs-Arbeidsmarkt onder voorzitterschap van de heer mr.ir. F.C. Rauwenhoff. Ik acht het echter een goede zaak indien de raad bij de uitwerking van de problematiek van de differentiatie in het hoger onderwijs het rapport van voornoemde commissie betrekt. Overeenkomstig de vastgestelde termijn zal dit rapport in juni beschikbaar zijn.

Eenzelfde betrokkenheid van deze commissie geldt ook voor het vraagstuk van de verhouding tussen initieel en post-initieel onderwijs. Conform het voorstel van de raad in meergenoemde brief ben ik van oordeel dat deze kwestie als tweede hoofdonderwerp door de raad dient te worden uitgewerkt in 1990. Zoals ook in het voorstel van de raad wordt opgemerkt is er sprake van een nauwe relatie, zo niet verwevenheid met de problematiek van de 'onderzoekschool'. Om die reden acht ik het gewenst dat de raad in zijn advies in dezen de rapporten c.q. adviezen van onder meer de RAWB en de nog door mij in te stellen commissie 'onderzoekschool' betrekt.

Het derde adviesproject voor 1990 behelst het voorstel om samen met de RAWB inzicht te verkrijgen in de ontwikkelingen van en mogelijke belemmeringen in de kwaliteitsbevordering van het technische hoger- en wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. Ten dele hangt dit nauw samen met voornoemde thema's van differentiatie en de relatie tussen de initiële fase van het wetenschappelijk onderwijs en de post-initiële fase waarover de raad zal adviseren. Voor de RAWB is de specifieke doelstelling, zo staat in uw toelichtende notitie, uitwerking te geven aan het idee tot oprichting van onderzoekscholen in het bijzonder in relatie tot en de profilering van het technisch wetenschappelijk onderwijs. Dat voor deze onderwerpen voor het adviesprogramma 1990 het internationale aspect nadrukkelijk betrokken moet worden, stemt mijns inziens volledig overeen met de brief en de notities van de raad.

Het is mijn uitdrukkelijke voornemen het vraagstuk van differentiatie in het hoger onderwijs te verwerken in de bij de bespreking van het ontwerp HOOP 1990 toegezegde notitie in dezen aan de Tweede Kamer. Om die reden verzoek ik de raad mij hierover te adviseren voor 1 oktober 1990. Voor de beide andere onderwerpen wil ik de termijn aanhouden van uiterlijk 1 januari 1991.

De minister van Onderwijs en Wetenschappen, (dr.ir. J.M.M. Ritzen)



Bijlage 2:   Adviesproject technisch hoger onderwijs en wetenschapsbeoefening


Het algemeen doel van dit door de ARHO en de RAWB tezamen ondernomen adviesproject is een globaal beeld te verwerven van het technisch hoger onderwijs en het technisch wetenschappelijk onderzoek en in het bijzonder om inzicht te krijgen in die ontwikkelingen en belemmeringen die van belang zijn in verband met de bevordering van de kwaliteit van het onderwijs en onderzoek en het voldoen aan de vraag (kwalitatief en kwantitatief) naar technisch opgeleiden en technisch-wetenschappelijke onderzoekers. Het project zal ook aandacht schenken aan internationale ontwikkelingen.

Voor de ARHO geldt als bijzonder doel dat met dit adviesproject voor een belangrijke sector van het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek toetsing en verdieping plaatsvindt van de aan het adviesprogramma 1990- 1991 ten grondslag liggende algemene problematiek van differentiatie in het hoger onderwijs. Voor de RAWB is een specifieke doelstelling uitwerking te geven aan het idee tot oprichting van onderzoekscholen in relatie tot de beoogde profilering in het universitaire onderzoek. Het gaat daarbij mede om het ontwerpen van een visie op de plaats van de Technische Universiteiten in het toekomstig Nederlandse hoger onderwijsbestel.

Aandachtspunten die in ieder geval in het adviesproject aan de orde komen, zijn:



Het adviesproject is gericht op het bijeenbrengen en beschrijven van gegevens, het formuleren van nadere vragen en het trekken van conclusies die van belang zijn voor de algemene beleidsontwikkeling ten aanzien van het (technisch) hoger onderwijs en het (technisch) wetenschappelijk onderzoek.

De advisering zal worden voorbereid door ..... (naam betrokkene) die ten behoeve van beide raden een rapport op zal stellen. Bij het opstellen van deze rapportage zal gebruik worden gemaakt van reeds beschikbaar materiaal (bijvoorbeeld uit verkenningen en visitaties) aan te vullen door gesprekken met deskundigen uit betrokken onderwijs- en onderzoekinstellingen en de beroepspraktijk. Ondersteuning zal plaatsvinden door de bureaus van beide raden. ARHO en RAWB zullen op grond van het rapport afzonderlijk of gezamenlijk een advies uitbrengen dan wel de uitkomsten van het project verwerken in andere adviesprojecten. Zij zijn van plan in de eerste maanden van 1991 het project af te ronden.

 



Bijlage 3:   Lijst van personen waarmee gesproken is in het kader van deze studie


O&W: DGIWB  

    E. van Spiegel

    L.S.J.M. Henkens

    P.A,J. Tindemans
OW DG/HW

    B. Okkerse

    C.A.M. Baas-Hoffschulte
EZ

    L.A. Geelhoed

    A.J.M.M. Maes
V&W

    E.Bosman
TUD

    P.A. Schenck

    C. Boerman

    J.C. Arnbak

    P.M. Dewilde

    W.J. Beek
TUE

    M. Tels

    H.J. ter Heege

    J.H. van Lint

    W.M.G. van Bokhoven
UT

    J.H.A. de Smit

    C. van Lookeren-Campagne

    H. Wallinga
TNO

    F.E. Mathijsen Gerst

    J.H. Parmentier

    P. Vermeyden

    P. Spohr

    P. van der Koogh

    G. Coops

    C.J. Ruijgrok

    A. Scheepmaker

    W.C.L. Zegveld
ECN

    H.H. v.d. Kroonenberg
AKZO

    C.M. Kooi

    N. Maaskant
DSM

    H. de Rooy
Shell

    D. Medema
Gist Brocades

    N.W.F. Kossen
Philips

    S. van Houten

    G.H. Oskam

    K. Bulthuis
VNO

    M.C.G. Hartmann
FME

    A. Kraayeveld
AgM

    L.H. Ruiter

    E.A.A.M. Broesterhuizen

    B.H. Kolster

    J. Schriever
Cie-oz-scholen

    A.H.G. Rinnooy Kan
Hogeschool Ehv

    L.J.M. Prins

 
 




Bijlage 4: Demarcatie Technische Universiteiten


(Deze bijlage sluit aan bij hoofdstuk 2)

Taken van de Technische Universiteiten

Veruit de belangrijkste rol van de Technische Universiteiten is de opleiding van academische ingenieurs. Deze opleiding is er een die gegeven wordt vanuit een wezenlijke verwevenheid van onderzoek en onderwijs, waarbij de belangrijkste docenten wetenschapsbeoefenaars zijn (die Einheit von Forschung und Lehre; la formation par la recherche). Technische Universiteiten zijn in deze zin universiteiten; het wetenschapsgebied van de Technische Universiteiten is dat van de Technische Wetenschappen; de wetenschapsbeoefening betreft zowel science als engineering.

De taken van Technische Universiteiten kunnen als volgt worden opgesomd:



De benadering van Technische Wetenschappen als sciences (tweede taak) lijkt erg op het werk aan B-faculteiten. De titel ir. betekent op dit moment niet noodzakelijk dat in de opleiding een grote nadruk op engineering is gelegd. Sommige ingenieurs zijn eigenlijk doctorandi in de Technische Wetenschappen, d.w.z. opgeleid om de Technische Wetenschappen als sciences vooruit te helpen. Maar de atmosfeer, het wetenschappelijke klimaat aan een Technische Universiteit hoort dat te zijn van de derde taak, van de engineering.

Technische en Algemene Universiteiten

Uit het bovenstaande blijkt dat de atmosfeer op een Technische Universiteit kenmerken moet hebben die een algemene universiteit zal missen. Er zijn overigens voornamelijk historische redenen waarom hier in Nederland de Technische Wetenschappen in Technische Universiteiten zijn ondergebracht en elders bijv. in België als (zeer grote) technische faculteiten in algemene universiteiten Beide opties zijn levensvatbaar. In beide opties worden bovendien aan ingenieursstudenten nagenoeg dezelfde mogelijkheden geboden. Zolang de Nederlandse Technische Universiteiten in staat blijven enige menswetenschappen aan te bieden, is er beslist niet voldoende reden om het systeem te veranderen. Kleine eilanden van Technische Wetenschappen in bijv. B-faculteiten (RUG) hebben elk hun specifieke, soms aan de toevallige aanwezigheid van één wetenschapper gebonden, voordelen; ze hebben als nadeel niet te delen in de atmosfeer van een Technische Universiteit. Er zouden naar onze mening geen nieuwe eilanden moeten ontstaan; de bestaande dienen nauw met een Technische Universiteit samen te werken.

Het HBO

Het verschil tussen het wetenschappelijk en het hoger beroepsonderwijs in de Technische Wetenschappen, tussen ir. en ing. wordt algemeen ervaren als volgt ervaren. De ir. bewerkt complexere opgaven en fundamentelere vragen dan de ing. De ir. moet vaker nog niet betreden paden zoeken; de ing. moet vaak grote creativiteit ontplooien in het vinden van slimme oplossingen van gedetailleerde opgaven. Vaak moet de ir. de hele ontwerpopdracht overzien terwijl ing.'s deelconstructies en deelprocessen als onderwerp krijgen. De opleiding van ir.'s richt zich op een hoger abstractieniveau en is ook breder dan die van ing.'s. De ing. is echter vaak méér gespecialiseerd.

Op papier is het belangrijkste kenmerk dat de Technische Universiteiten onderwijs geven dat de sfeer ademt van onderzoek, van onzekerheid, systematische twijfel, open vragen, academische vrijheid. Dit uit zich o.a. doordat het onderwijs gegeven wordt door wetenschapsmensen en doordat de studenten zo vroeg en zo veel mogelijk bij de Technische Wetenschap betrokken worden. Deze verwevenheid van onderwijs en onderzoek kent de HTS niet. Door de massaliteit van het onderwijs, de beperkte studieduur en de politieke druk op rendementen komt deze karakteristiek van het wetenschappelijk onderwijs vaak niet tot zijn recht. Dat achten wij zeer ongunstig voor het geheel der Technische Wetenschappen in Nederland. Wij hebben vele aanwijzingen gekregen dat het beter zou zijn de HTS te versterken en vergroten en de Technische Universiteiten te verkleinen en de opleiding in academische zin te versterken. Daarbij moet rekening worden gehouden met de grote rol die HTS'ers in de bedrijfsleiding spelen.

Omdat dit preadvies de Technische Wetenschappen benadert vanuit de relatie Technische Universiteiten / omgeving kunnen we niet diepgaand op de aangeduide problematiek ingaan; bovendien zouden moeilijke processen als selectie, studieduur, en de kanalisering van leerlingenstromen daarvoor uitgebreid bestudeerd moeten worden hetgeen evenmin past in het kader van dit preadvies.

Er is ook een tegengerichte tendens, nl. die om zeer toegepast onderzoek in te vlechten in de HTS- opleiding. Dit is nodig omdat de ing. thans ook moet kunnen worden ingezet voor sterk toegepast onderzoek. Daarom moet hij/zij reeds tijdens de opleiding in staat worden gesteld met dergelijk onderzoek kennis te maken.

De verschillen tussen wo en hbo dreigen te vervagen. Het is o.i. dringend geboden de grenzen tussen beide opleidingstypen opnieuw te demarkeren. Daarbij dienen de mogelijkheden voor overstap tussen WO en HBO, en voor samenwerking opnieuw bekeken te worden (ARHO 1991).

Samenwerking TU/HTS

We willen de mogelijkheden voor samenwerking in het onderwijs van Technische Universiteit en HTS bezien vanuit een zeer bruikbaar gebleken vuistregel voor het ontwerpen van curricula. Deze vuistregel is de volgende: als een onderwijsprogramma opleidt voor een zekere maatschappelijke positie, zorg dat die positie zoveel mogelijk weerspiegeld is, in het programma, en niet alleen overigens in de leerstof maar ook in de sfeer en de dagelijkse gang van zaken. Toepassing van deze vuistregel heeft ingrijpende gevolgen, bijv. in de aard van de examinering, of in de hiërarchische verhoudingen in de klas. Past men hem toe op eventueel gezamenlijke curriculum onderdelen in TWO en HTS dan komt men niet tot datgene wat veel mensen denken over zulk gemeenschappelijk onderwijs: de gezamenlijke propedeuse waarna de programma's uiteenlopen als de poten van een 'Y'. In het begin van de studie worden immers de fundamenten onderwezen, en juist daar zouden de verschillen tussen WO en HBO heel groot moeten zijn, omdat het WO zich op een hoger abstractieniveau richt en meer diepgang nastreeft.

Waar ing. en ir. in de praktijk samenwerken, zou ook de plaats zijn waar gemeenschappelijke elementen in de opleiding voorkomen: stages, gemeenschappelijke eindopdrachten, ontwerpopdrachten. De ing. en ir. in spe spelen daar dan wel verschillende rollen, zoals ze dat later in hun vakbeoefening ook zuilen doen.

De omgeving en het technisch-wetenschappelijk onderwijs

Op de omgeving van het technisch- wetenschappelijk onderzoek wordt in het preadvies uitvoerig ingegaan; in de omgeving van het onderwijs springen enkele specifieke aspecten in het oog. Uitgangspunt is de diffusie van kennis in de samenleving.

Zeer veel kennis is in de samenleving aanwezig en komt via 'de media' bij velen aangewaaid. Kennis nodig voor professionele beroepsuitoefening verbreidt zich echter langs één van de drie goed onderscheiden kanalen: de initiële opleiding; werkervaring in (de eerste jaren van) de beroepsuitoefening; wederkerend onderwijs in vele vormen zoals her-, bij-, nascholing, kortom 'latere scholing'. A fortiori stroomt ook de technische kennis door deze drie kanalen. In een gezonde situatie is er evenwicht tussen vraag en aanbod per kanaal, d.w.z. er is consensus tussen het vragende bedrijfsleven en het onderwijsveld over wat tot de opleiding behoort, en wat aan ervaring, wat aan latere scholing wordt overgelaten. Zo'n evenwicht is dynamisch en kan anders komen te liggen als zich bepaalde ontwikkelingen voordoen. Een recent voorbeeld vormen de ontwerpersopleidingen: kennis en vaardigheden die voorheen uitsluitend uit ervaring verworven konden worden, gaan deel uitmaken van initiële educatie. Een eerder voorbeeld is de bedrijfskunde waarvan veel kennis van de ervaring via latere scholing in het eerstefaseonderwijs terecht is gekomen. De redenen daarvoor zijn overigens merkwaardig parallel aan de redenen voor het verschuiven van ontwerpkennis: toenemende complexiteit van de management- en ontwerpopgaven, in beide gevallen in combinatie met het gebruik van krachtige informaticahulpmiddelen. Voor de ingenieur-ontwikkelaar komen thans analoge argumenten aan de orde.

Er is op dit moment geen evenwicht tussen eik van de drie kenniskanalen. De latere scholing is onoverzichtelijk georganiseerd, zodat de initiële opleiding niet van gegarandeerde vervolgmogelijkheden mag uitgaan. Bovendien is de inhoud van de curricula in sommige gebieden de laatste jaren sterk veranderd als gevolg van de snelle technische ontwikkelingen. Dat betekent dat voordelen die de initiële opleiding zou kunnen hebben van een goed stelsel voor latere scholing vaak volledig gemist worden. Het moet voldoende zijn voor jonge ir's als ze zich bewust zijn van het bestaan van kostenproblematiek en managementopgaven; detailkennis heeft men pas later nodig.




Bijlage 5:   Onderwijs en aansluiting op behoeften van de samenleving


(Zie voor literatuurreferenties bijlage 8: Arbeidsmarkt)

Het wetenschappelijk onderwijs moet aansluiten op de behoeften van de samenleving, maar zal daar niet altijd even goed in kunnen slagen. Zo zullen er altijd spanningen bestaan tussen de vraag op de arbeidsmarkt, en de belangstelling van scholieren zoals zij deze vertalen naar de keuze van een vervolgopleiding. We zullen in dit hoofdstuk vooral kijken naar de aansluiting tussen technisch wetenschappelijk onderwijs en de vraag van werkgevers. We onderscheiden verschillende categorieën kwalificaties, en hoe afgestudeerden daarin van elkaar verschillen.

 
A. De universitaire organisatie in zijn omgeving

De universiteit is een door de overheid in stand gehouden doelorganisatie voor het geven van wetenschappelijk onderwijs en het doen van wetenschappelijk onderzoek. 'De universiteit is derhalve geen vrije vereniging: zij is er niet voor zichzelf maar ten behoeve van de maatschappij ( ... )' (Louw 1986). Vanuit deze karakterisering geeft de WW0 1986 vorm aan de bestuursorganisatie, op basis van drie beginselen: 1) de democratisering, 2) de doelmatigheid, en 3) de zelfstandigheid.

De democratisering is in de WWO vooral de interne democratisering. Wij missen daarbij de rol van de universiteit als hoedster van publieke kennis, het ten behoeve van de samenleving vergaren, organiseren en doorgeven van geavanceerde kennis. Juist in het domein van de Technische Wetenschappen vindt een toenemend deel van de kennisontwikkeling plaats in de private sector, met ongunstige gevolgen voor de mogelijkheden om het wetenschappelijk onderwijs werkelijk op het hoogste niveau te kunnen verzorgen. In de WWO (artikel 2.2; ook ontwerp-WHW artikel 1.3. 1) komt onvoldoende tot uitdrukking dat de overdracht van kennis ten behoeve van de maatschappij ook inhoudt dat de behoefte van de maatschappij de kennisontwikkeling zelf, en de inhoud van het onderwijs, mede moet bepalen.

De relatie van het universitaire wetenschappelijk onderzoek tot de samenleving is tenminste een tweezijdige: er is push, onderzoek gestuwd door autonome ontwikkelingen in de betreffende disciplines, en pull. onderzoek getrokken door maatschappelijke behoefte. Er is geen push waar zich de discipline nog niet heeft gevormd, maar vaak zien we dat onderzoekers wel kunnen aangeven dat bepaalde gebieden 'rijp' zijn om te worden ontgonnen (zie bijv. het casus informatica). Bij de pull is er niet altijd een vanzelfsprekende aansluiting bij een bestaande discipline, en is het (mede daarom) niet vanzelfsprekend dat de universiteit voorziet in alle gearticuleerde maatschappelijke vragen. De articulatie van de maatschappelijke vraag is een probleem op zich, en kan plaatsvinden via bedrijven, via de overheid, of via een aanbod waarmee universiteiten zelf vraag losmaken. De organisatiekwestie is dan hoe en door wie de maatschappelijke vraag wordt gesignaleerd, en hoe de gesignaleerde vraag kan leiden tot onderzoek, vooral als dat onderzoek niet in een enkele discipline thuishoort (zie hoofdstukken 3 en 6).

De doelmatigheid als de mate waarin de doelstellingen van de organisatie worden bereikt, is de vraag waarover wij adviseren. De doelmatigheid in het bedrijfsmatig functioneren krijgt juist in de WWO de meeste aandacht. De doelstellingen van de organisatie betreffen onderwijs en onderzoek, maar daarvoor kan het topniveau van de universiteit niet de verantwoordelijkheid dragen omdat zij de daarvoor benodigde deskundigheid mist (zoals in hoofdstuk 3 betoogd).

De zelfstandigheid is beoogd om de universiteit in staat te stellen snel op maatschappelijke ontwikkelingen te reageren met nieuw onderwijsaanbod en met onderzoek. De verwachting dat de universiteit dat altijd zal kunnen, bijvoorbeeld ook waar het sterk multidisciplinair onderzoek betreft, kan de universiteit naar onze mening niet waarmaken (zie hoofdstuk 5).

De universiteit als huis voor zeer uiteenlopend onderzoek en onderwijs moet de samenleving toch een duidelijk 'gezicht' laten zien. Scholieren moeten een vervolgopleiding kiezen, daar doet de universiteit een duidelijk aanbod voor. Werkgevers moeten uit de uitstromende academici kunnen kiezen, en hebben daar duidelijke labels voor nodig. Maatschappelijke organisaties moeten het idee hebben dat er voor hun onderzoekvraag een adres binnen de universiteit is. Een structuur naar disciplines, al dan niet naar sectoren geordend, voldoet aan die eisen. De disciplinestructuur wordt ook door de relaties tot de samenleving voortdurend bevestigd.

De spanning die alles doortrekt, zowel het gebeuren binnen de universiteit als dat in relatie tot haar omgeving, is de spanning tussen de professionele autonomie van de onderzoeker en de pogingen tot controle en beheersing die per definitie niet het professionele gedrag van de onderzoeker betreffen (ook al zoekt men daar toch middelen, voor te verwerven door citatieanalyses, formele eisen, visitatie en verkenning, outputfinanciering).

Strategisch beleid, onderzoekbeleid dat nadrukkelijk op behoeften van de samenleving is gericht, heeft alleen kans van slagen wanneer de commitment van de basis, van de onderzoekers, kan worden verkregen. Bij onderzoek dat een plek vindt in de huidige disciplinestructuur is deze commitment gemakkelijker te verkrijgen dan daar waar de onderzoekers extra risico's moeten nemen door de grenzen van de eigen discipline te overschrijden. Voor de Technische Wetenschappen kunnen makkelijk complexe situaties ontstaan bij door de overheid gearticuleerde behoefte aan multidisciplinair onderzoek dat in samenwerking tussen universiteit en instellingen in de technologische infrastructuur tot stand moet komen. In Nederland, evenals overigens in andere landen, ontbreekt een orgaan dat dergelijke complexe samenwerking op dusdanige wijze tot stand kan brengen dat er wetenschappelijk onderzoek op hoog niveau uit voorkomt (Zie ook Hazeu 1989, 1990).

De relatie van technisch wetenschappelijke disciplines tot hun omgeving zijn verschillend van aard. Het Nederlandse bedrijfsleven kent een aantal minder geavanceerde sectoren die over het algemeen weinig onderzoekintensief zijn. Daardoor worden de eraan grenzende faculteiten onvoldoende gevoed met kennis en met hoog gekwalificeerde onderzoekers.

 
B. Studie- en beroepsloopbanen

De complexe relatie tussen onderwijs en samenleving kan worden gezien als de optelsom van alle individuele studie- en beroepsloopbanen. Het beginpunt van de studieloopbaan is de studiekeuze. De studieloopbaan gaat over in de beroepsloopbaan wanneer de afgestudeerde werk heeft gevonden.

Werkgeverspositie

Voor werkgevers, waartoe wij ook de overheid rekenen, is het van belang dat de diverse functies binnen het bedrijf (de instelling etc.) worden vervuld door goed gekwalificeerde mensen. Voor zover de benodigde werknemers niet direct uit het onderwijs (de arbeidsmarkt) worden betrokken, wordt intern in de benodigde menskracht voorzien door een daarop gericht loopbanenbeleid. De interne arbeidsmarkt is vooral voor de grotere ondernemingen en instellingen van belang. Het bestaan van dergelijke interne markten blijkt uit de wervingsinspanningen op de externe arbeidsmarkt voor hoger opgeleiden: deze zijn in belangrijke mate gericht op het aantrekken van mensen die na een startfunctie kunnen uitwaaieren en doorgroeien naar tal van andere functies binnen het bedrijf. Grotere bedrijven met een interne arbeidsmarkt werven niet zozeer voor het vervullen van specifieke vacatures. In de overzichtsstudie van Kolkhuis-Tanke en Vissers (1989, p.56) over hoger opgeleiden in o.a. de sector techniek wijzen de auteurs op het in ons land ontbreken van onderzoekgegevens over de verhouding waarin afgestudeerden uitstromen naar kleinere, respectievelijk grotere bedrijven, onderscheiden naar wo- en hbo- opgeleiden.

Deze interne arbeidsmarkten zijn van groot belang bij de analyse van het stelsel van HO, omdat de flexibiliteit die daardoor binnen bedrijven aanwezig is een belangrijke buffer vormt tegen fluctuaties die door tal van (vaak onvermijdelijke) omstandigheden zullen ontstaan in het aanbod van en de vraag naar HO-opgeleiden.

Kiezende scholier en student

De keuzen die scholieren maken zijn niet makkelijk te beïnvloeden, zoals de campagne 'Kies exact' heeft geleerd. Ook is duidelijk uit de aanhoudende grote instroom in studierichtingen, waarmee men zich zeker geen sterke arbeidsmarktpositie zal verwerven, dat zelfs de sterke prikkel van de arbeidsmarkt maar een beperkte invloed op studiekeuzen heeft.

Het is ook niet altijd wenselijk instrumenten te hebben waarmee meer sturend kan worden opgetreden naar de kiezende scholier toe. Om grote overschotten of tekorten (zoals bij varkenscycli optreden) te voorkomen moet de geldigheid van de prognoses wel bijzonder groot zijn, groter dan de prognoses die nu gestandaardiseerd door het ROA (zie bijvoorbeeld De Grip, Heijke, Dekker & Groot 1988) worden gemaakt ten behoeve van het I-SEE voorlichtingssysteem. Immers, tussen studiekeuze en toetreden tot de arbeidsmarkt ligt een traject van vijf tot tien jaar.

De studiekeuze is niet een eenmalig gebeuren, maar wordt tijdens de studie bevestigd of herzien. Er zijn in het HO belangrijke stromen omzwaaiende studenten, voor wie arbeidsmarktmotieven mede de beslissing tot omzwaaien kunnen bepalen. (in het studieloopbanenonderzoek dat op aanvraag van de ARHO is verricht (De Jong, Koopman en Roeleveld 1991) werd voor twee faculteiten elektrotechniek gevonden dat de helft van de vertrekkende studenten naar het hbo is gegaan, 4/10e naar ander WO, en 1/10e uit het hoger onderwijs is vertrokken.) Later in de studie zijn het de talrijke relaties tussen de Technische Universiteiten en instituten en bedrijven in hun omgeving die studenten mogelijkheden geven de eigen studie meer en meer op de arbeidsmarkt af te stemmen.

Ook het stelsel van HO zien wij als een flexibel systeem, waarbinnen er mogelijkheden zijn om tot correctie en bijstelling van studiekeuzen te komen, mede op grond van verwachte arbeidsmarktposities.

 
C. Aansluiting op de arbeidsmarkt

De mate waarin deze arbeidsmarkt goed functioneert wordt mede bepaald door de in de voorgaande paragraaf aangestipte flexibiliteit van zowel het stelsel van HO als de bedrijfsinterne arbeidsmarkten.

Aanbod

Het aanbod op de arbeidsmarkt kan naar verschillende kenmerken worden beschreven: naar richtingen of specialisaties daarbinnen, en naar de aard van de opleiding.
Voor de Technische Universiteiten zijn tenminste vier categorieën uitstromers te onderscheiden:

  1. voortijdige uitstroom (naar andere technische richtingen binnen het wo, zelfde richting binnen het hbo, ander wo, ander HO, geen verder HO);
  2. initieel opgeleiden;
  3. ontwerpers/ontwikkelaars/onderzoekers;
  4. gepromoveerden.


Voor de arbeidsmarktpositie van de uitstromers van de Technische Universiteiten zijn bovendien de volgende categorieën elders uitgestroomden van belang:

  1. uitstroom HTS-opgeleiden (directe concurrentie met ingenieurs resulterend in verdringing);
  2. uitstroom B-disciplines algemene universiteiten (waaruit tekorten aan bepaalde ingenieurs kunnen worden aangezuiverd, en omgekeerd, met omscholingskosten voor de werkgevers);
  3. overige niet-technisch academisch opgeleiden (die in beginsel concurreren voor de vele niet specifiek technische functies die door ingenieurs worden bezet).


Werkloosheid en de krappe arbeidsmarkt

Voor de aanbodzijde van de arbeidsmarkt is het van belang op een correcte manier de positie te bezien van degenen die nog zoeken naar een eerste baan. Vragers en aanbieders moeten elkaar kunnen vinden, en dat is een proces dat vaak tijd kost. In de huidige opvattingen wordt een werkloosheidspercentage van enkele procenten, voor de ministeries van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is dat tot 6%, als teken van een krappe arbeidsmarkt gezien. De reden is het recent gegroeide inzicht dat ook op enigszins krappe arbeidsmarkten het doorgaans enige tijd zal kosten voordat de aanbieders een in eigen ogen passende baan verwerven (zie de economische literatuur over baanzoekmodellen, bijvoorbeeld Kiefer & Neumann 1989).

Vraag

Aan de vraagkant van de arbeidsmarkt zijn een aantal verschillende categorieën van vragers te onderscheiden. Bij de grotere bedrijven en instellingen wordt geworven voor de interne arbeidsmarkt, en is er slechts in geringe mate sprake van werving voor specifieke vacatures. Startfuncties hoeven daarom niet altijd te 'passen' bij de richting of het niveau van de opleiding. Hierdoor kan het voorkomen dat startfuncties die op zich vervulbaar zijn door hbo-opgeleiden ook vaak door wo-opgeleiden worden bezet: strikt genomen is er dan sprake van verdringing, maar van echte verdringing zou pas kunnen worden gesproken wanneer hetzelfde ook voor vervolgfuncties geldt. Kwantitatieve gegevens over deze mogelijke verdringingsprocessen zijn echter niet voorhanden (Kolkhuis-Tanke & Vissers 1989, p.55).

Bij kleinere bedrijven is meestal sprake van werving voor specifieke vacatures. Voor dit deel van de arbeidsmarkt is de mate van specialisatie in de opleiding waarschijnlijk veel kritischer dan voor de grotere bedrijven: de specialisatie moet redelijk aansluiten bij de inhoud van de betreffende functie, waarvoor doorgaans wat bredere kwalificaties in de zin van een bredere inzetbaarheid van de functievervuller worden verwacht.

Ingenieurs komen vaak terecht in functies waarvoor strikt genomen een technische opleiding niet noodzakelijk is. In veel gevallen gaat het dan om functies in grotere bedrijven die worden bereikt nadat enkele jaren in technische functies is gewerkt. Een technische opleiding is voor deze functies niet strikt noodzakelijk, maar vaak wel gewenst, en het is op die wens dat het wervingsbeleid dan ook is gebaseerd: voor managementfuncties wordt gerekruteerd uit de in het bedrijf aanwezige jonge ingenieurs en andere onderzoekers en ontwikkelaars. De keerzijde van dergelijk personeelsbeleid is dat bedrijfskundigen in de praktijk niet in aanmerking komen voor een belangrijke categorie managementfuncties.

Opleidingskwalificaties

De positie van aanbieders en vragers op de arbeidsmarkt wordt bepaald door respectievelijk de kwalificaties die zij meebrengen en de eisen van de vragers. De kwalificaties van de aanbieders onderscheiden we naar opleidingskwalificaties en persoonlijke kwalificaties. In het algemeen zijn de opleidingskwalificaties bepalend voor de functies waarvoor men in aanmerking komt, en spelen de persoonlijke kwalificaties vooral een rol bij de selectie die de werkgever maakt uit de al naar opleiding gekwalificeerde sollicitanten.

Kwalificaties die direct samenhangen met de inrichting van het onderwijs laten zich beschrijven als kennisinhouden en als vaardigheden die men heeft opgedaan in meer praktische studieonderdelen. De belangrijkste kwalificatie is hier de richting waarin men is afgestudeerd, omdat de richting bepaalt op welke deelmarkten men een serieuze aanbiedende partij is.

Basisvaardigheden

De basisvakken in de initiële opleiding zijn van wezenlijk belang voor de kwaliteit van deze opleiding. Het onderwijs in de basisvakken moet van hoog niveau zijn, ook al vindt het voornamelijk in de eerste jaren van de opleiding plaats. Ook voor de basisvakken geldt dat de kwaliteit van het onderwijs een afgeleide is van mogelijkheden tot het verrichten van geavanceerd onderzoek: op basis van de onderzoekmogelijkheden moeten goede onderzoekers/docenten worden aangetrokken en worden behouden voor het onderwijs.

Richting: breedte / diepte specialisatie

De initiële opleiding is kort, de beschikbare tijd wordt optimaal benut wanneer de studenten in de diepte met de gekozen discipline kennismaken. Voor werkgevers is het vaak van belang dat de ingenieur heeft laten zien zich in de diepte een discipline eigen te kunnen maken: immers, in de loopbaan van deze ingenieur zal hij of zij zich nog vaak in nieuwe gebieden moeten inwerken, in veel gevallen zelfs al in de startfunctie.

De initiële opleiding is niet de geschikte gelegenheid om ingenieurs op te leiden in nieuwe multidisciplinaire vakgebieden, behalve daar waar de van oorsprong multidisciplinaire opleiding meer het karakter van een mono- discipline heeft verkregen (bijvoorbeeld werktuigbouw).

Onderzoekervaring en verticale differentiatie

Bij onderzoekervaring gaat het om ervaring die men heeft opgedaan bij het samenwerken met anderen, mogelijk ook met in andere disciplines opgeleide collega's, ervaring met projectmanagement, het opstellen van een gefaseerd onderzoekplan, en het werken binnen de door beschikbare tijd etc. gegeven randvoorwaarden. Ook belangrijk is de gelegenheid om in het onderzoek de kennis en inzichten opgedaan in verschillende onderdelen van de studie met elkaar te verbinden en zo geïntegreerd te verwerken.

In de initiële opleiding moet ons inziens een stroom worden gecreëerd die leidt naar ontwerpen en ontwikkelen, en een stroom met plaats voor onderzoek en de voor onderzoek benodigde basisvakken. Voor degenen die zich geen plaats in een tweede-faseopleiding weten te verwerven is er op basis van deze stroom een goede positie op de arbeidsmarkt, waar het hebben van enige onderzoekervaring vaak op prijs wordt gesteld.

Ontwerpersopleidingen voorzien in een belangrijke behoefte nu het ontwerpen en het ontwikkelen dermate complexe vaardigheden zijn geworden dat zij niet meer gemakkelijk al doende kunnen worden verworven (zie ook §2.4).

Relatie tot kwaliteit onderzoek, beschikbare apparatuur

Een punt van zorg is de kwaliteit van de ingenieursopleiding daar waar de eigenlijk benodigde, zeer kostbare en zeer geavanceerde, apparatuur niet of in onvoldoende mate aanwezig is. Men moet dan noodgedwongen uitwijken naar het gebruik van oudere apparatuur, of naar simulatie- onderzoek omdat dat de enige mogelijkheid is waar men met de beschikbare middelen nog voldoende geavanceerd onderzoek kan doen.

 
D. Persoonlijke kwalificaties

Persoonlijkheid scoort hoog bij werkgevers, maar is pas van belang wanneer allereerst aan opleidingseisen is voldaan. Omdat de richting van de opleiding in veel gevallen, vooral bij grotere werkgevers, niet precies hoeft aan te sluiten bij openstaande functies of startfuncties, kunnen gunstige oordelen op 'persoonlijkheid' ertoe leiden dat een wat grotere discrepantie tussen de opleidingskwalificaties en de eisen voor een startfunctie nog acceptabel is.

Werkgevers mogen persoonlijkheid belangrijk vinden, dat neemt niet weg dat selectie op persoonlijkheidskenmerken een moeizame zaak is en lang niet altijd oplevert hetgeen men er van verwacht. Dat geldt zeker waar de persoonlijke beoordeling plaatsvindt door leken. Van professionele selectie met behulp van bijvoorbeeld persoonlijkheidstests is bekend dat zij slechts in heel geringe mate kan voorspellen wat de toekomstige bijdrage van de betreffende sollicitant aan het bedrijfsresultaat zal zijn (zie bijvoorbeeld Van der Maessen de Sombreff & Hofstee 1989).

Uit de geschetste verhouding tussen opleidingskwalificaties en persoonlijkheid volgt dat men terughoudend moet zijn met in het studieprogramma opnemen van onderdelen waar de ontwikkeling van persoonlijke vaardigheden voorop staat. Gezien de wijze waarop in de praktijk wordt geselecteerd op 'persoonlijkheid' zou het ook een slag in de lucht zijn op bepaalde kenmerken wel, op andere niet te trainen. Daar waar werkgevers op onduidelijke wijze op persoonlijkheid selecteren heeft het geen zin (zelf-)selectie in het onderwijs mede op persoonlijkheidskenmerken uit te voeren.

Communicatieve vaardigheden nemen een tussenpositie in: het zijn geen echte persoonlijkheidseigenschappen, en evenmin behoren zij een volwaardige plaats in een curriculum te hebben. Van deze communicatieve vaardigheden kunnen we zeggen dat er in de studie gelegenheid moet zijn om deze vaardigheden verder te ontwikkelen en binnen het vakgebied te leren toepassen.

 
E. Algemeen niveau en persoonlijke verschillen in niveau

Verschillen naar opleidingskwalificaties

Het gemiddelde niveau van de kwalificaties van de initieel opgeleiden is anders dan van degenen die nog het doctoraalprogramma oude stijl hebben gedaan. Men studeert eerder af, is daardoor jonger en mist nog wat levenservaring in vergelijking met de wat oudere oude stijl afgestudeerden.

Het is een belangrijk gemis dat in de initiële opleiding nog maar weinig onderzoekervaring wordt opgedaan. Er is in de initiële opleidingen te weinig gelegenheid om de aangeboden leerstof op een goede manier te verwerken, onderling te verbinden, en te laten bezinken: het vaak hoge tempo van de studie kan dat in de weg staan. Daar waar onderlinge overlappingen en een zekere redundantie uit het onderwijsprogramma zijn weggesneden om de cursusduur terug te brengen is het gevolg dat de betreffende kernbegrippen niet meer fungeren als de vanzelfsprekende onderling verbindende elementen.

De uitstroom onder de tweefasestructuur verschilt niet van die onder de voorgaande structuur waar het de verdeling van capaciteiten e.d. betreft. De hoeveelheid aanwezig 'toptalent', verandert niet bij een andere inrichting van het onderwijsprogramma. Dit is een observatie die ons spontaan door een aantal werkgevers is meegedeeld.

Zicht op persoonlijke verschillen
Een goede mogelijkheid om inzicht te verkrijgen in het gemiddelde intellectuele niveau van de studenten in technische opleidingen is hen op vwo-prestaties te vergelijken met geschikte andere groepen universitaire studenten. De Jong et al. (199 1) vinden voor studenten elektrotechniek een gemiddeld eindexamencijfer en aantal keren doubleren in het vwo dat veel gunstiger is dan dat voor studenten in andere, niet-technische studierichtingen in het wo. Een andere categorie aanwijzingen m.b.t. het gemiddelde niveau is te verkrijgen door bestudering van de aard van de tussentijdse uitstroom. Het SCO-studieloopbanenonderzoek (De Jong et al. 1991) laat zien dat het overgrote deel van wat als voortijdige uitstroom wordt geregistreerd, studenten betreft die een andere studierichting aan dezelfde instelling, of tenminste in het wo, of tenminste in het hbo kiezen. Uitstromers die niet verder gaan met enige opleiding in het HO zijn gemiddeld ongeveer vier jaar ouder dan de overige voortijdige uitstromers. Onder hen bevinden zich naar verhouding wat meer irregulier ingestroomden en wat meer mensen die niet de bedoeling hadden zich een diploma te verwerven.

Wanneer de deelname aan het onderwijs groeit, zoals de laatste decennia voor enkele technische studierichtingen zeker het geval is geweest (werktuigbouw, bedrijfskunde, lucht- en ruimtevaart, industriële vormgeving, en enkele kleinere richtingen: zie HOOP 1990, Feiten en cijfers, p.66 tab.65), heeft dat voor de aan te treffen verdeling van talent opmerkelijke gevolgen. Ten eerste daalt het gemiddelde niveau, omdat er niet alleen enig toptalent bijkomt, maar er tegelijk aan de 'onderkant' van de verdeling van talent er juist een relatief groot aantal nieuwe instromers is. Op dezelfde manier worden binnen de groep studenten de waarneembare verschillen groter. Beide ontwikkelingen kunnen het idee versterken dat er een groep studenten aan het onderwijs deelneemt die er qua capaciteiten niet in thuishoort. Voordat er overhaaste conclusies worden getrokken, moet worden nagegaan of zich elders in het HO hetzelfde verschijnsel voordoet (en dat is zo), of studenten in de Technische Wetenschappen beter zijn gekwalificeerd dan studenten in andere richtingen (dat zijn ze), en of de maatschappelijke vraag naar hoger opgeleiden is gestegen (ook dat is het geval). Dan moet het zo zijn dat het technische wo zo wordt ingericht dat er passende eindniveaus en/of stromen zijn waar studenten van verschillende begaafdheid zich op kunnen richten.

 
F. Tekorten / overschotten: gesignaleerde problemen

De Technische Universiteiten voorzien in de maatschappelijke behoefte aan hoogwaardige technische kennis. De Technische Universiteiten leveren de hoog opgeleide mensen die elders nodig zijn voor ontwikkeling van geavanceerde technologische kennis. De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de op de arbeidsmarkt gevonden aansluiting tussen aanbieders en vragers ligt bij meerdere partijen, niet alleen bij de Technische Universiteiten.

Op de arbeidsmarkt is het van belang of vraag en aanbod redelijk met elkaar in evenwicht zijn waar het gaat om de richting van de opleiding, het niveau van de opleiding (HTS, wo l e fase, ontwerpersopleiding, promotie), en de kwalificaties m.b.t. richting en niveau maar ook wat overige persoonlijke kenmerken betreft.

Naar richting

In het algemeen is de arbeidsmarkt voor ingenieurs bepaald heel gunstig. Werkloosheidspercentages zijn laag, en ruimschoots onder de grens van 6% waaronder gesproken kan worden van een krappe arbeidsmarkt. Prognoses op middellange termijn (De Grip et al. 1988) geven daarin geen wezenlijke verandering aan; dit beeld steekt gunstig af bij dat van vele andere sectoren in het wetenschappelijk onderwijs. Prognoses op termijn van tien tot twintig jaar zijn minder zinvol gezien de grote onzekerheden waarvan dergelijke prognoses afhankelijk zijn (Berendsen, De Grip en Willems 1990).

Gezien het personeelsbeleid van de grotere bedrijven hoeft een krappe arbeidsmarkt voor ingenieurs niet tot problemen bij deze bedrijven te leiden: zij zijn in staat in deze situatie hun ingenieurs langer op specifiek- technische functies in te zetten. Voor kleinere bedrijven ligt dit mogelijk anders, omdat zij bij een intensievere werving door de grotere bedrijven hun vacatures moeilijker kunnen vervullen. Onderzoek naar deze relatie is gewenst, ook al omdat universitaire vakgroepen zelf onder hetzelfde mechanisme kunnen vallen. Bij een dergelijk onderzoek is het van belang te letten op de beeldvorming bij afgestudeerden: hoe aantrekkelijk vinden zij een loopbaan bij een multinational, vergeleken met die bij een klein of eigen bedrijf, of in een onderzoekgroep in de publieke sector? Het gunstige algemene beeld van de arbeidsmarkt voor ingenieurs neemt niet weg dat er voor specifieke richtingen wel bepaalde spanningen optreden.

Zo wordt algemeen een tekort aan procestechnologen gesignaleerd, en dat gaat samen met problemen om leerstoelen in deze richting behoorlijk te bezetten. Bij pogingen om in het tekort te voorzien door zelf scheikundigen om te scholen blijkt dat niet vanzelfsprekend met iedere goedwillende scheikundige mogelijk te zijn. Hier uit zich het typische onderscheid tussen de technologische en de academische houding ten opzichte van het object van studie: eenmaal academisch gevormd is het voor sommigen erg moeilijk om zich de geheel andere houding van de technoloog te verwerven.

Er zijn een aantal studierichtingen die bij studenten minder in trek zijn, terwijl er naar deze opgeleiden wel vraag is. Voorbeelden die we zijn tegengekomen zijn: elektrische energievoorziening, analoge elektronica, en fijnmechanica. Een studierichting die mogelijk afstevent op een minder gunstige arbeidsmarkt, onder andere omdat zij zoveel opgeleiden aflevert, is industrieel ontwerpen. Een studierichting waarvan de afgestudeerden een opmerkelijk sterke positie op de arbeidsmarkt innemen, ook buiten het 'eigen' arbeidsveld, is lucht- & ruimtevaart. Het is zeker de moeite waard om na te gaan waar het succes van een dergelijke richting in schuilt, welke kwalificaties deze ingenieurs in sterkere mate hebben dan anders opgeleiden, en of het daarbij inderdaad gaat om kwalificaties die in de opleiding zelf zijn verworven (i.t.t. persoonlijke kwalificaties waarnaar men zichzelf bij de studiekeuze heeft geselecteerd, zoals bij industrieel ontwerpen mogelijk sterk het geval is).

Daar waar de arbeidsmarkt voor een bepaalde richting structureel te krap is, zoals waarschijnlijk bij procestechnologie het geval is, dreigt een ontwikkeling in negatieve richting. Kopen de sterkste marktpartijen alle opgeleide talent weg, dan ontstaat op termijn bloedarmoede op de opleidingspiek, en vermindert de instroom van studenten wanneer de kwaliteit van het onderwijs terugloopt. In een dergelijk toch tamelijk eenvoudig te constateren situatie is het van essentieel belang dat betrokkenen tot een gemeenschappelijke strategie komen waardoor het mogelijk is belangrijk meer studenten voor deze richting te interesseren.

Bij kleinere fricties op de arbeidsmarkt zijn er meerdere mogelijkheden om door creatief beleid studenten voor een bepaalde richting te interesseren.

De mate waarin ook in het technisch wetenschappelijk onderwijs studenten van studierichting veranderen (De Jong et al. 199 1) geeft aan dat hier met goede informatie en prikkels wel iets valt te bereiken voor wie dat echt wil. Juist op dergelijke punten kan worden gedacht aan een wat meer intensieve samenwerking met het afnemende arbeidsveld, bijvoorbeeld in de zin als door de Tijdelijke commissie onderwijs arbeidsmarkt, de Commissie Rauwenhoff, (1990) aangegeven.

Naar fase van de opleiding

De 1e-faseopleiding is ten opzichte van het doctoraal-oude-stijl korter en naar kennisniveau vergelijkbaar zij het dat de kennis minder bezonken, minder geïntegreerd aanwezig is. Het ontbreken van voldoende onderzoekervaring is een belangrijk gemis. De gevolgen van de verkorting van de opleiding zijn dat werkgevers meer moeten investeren in de opvang en begeleiding van deze 1e-fase-opgeleiden.

De 1e-fase-opleiding is door het ontbreken van voldoende onderzoekervaring iets dichter bij de technische hbo- opleidingen gekomen. Dit kan tot gevolg hebben dat juist bij de voor sollicitanten aantrekkelijker grotere bedrijven hbo-opgeleiden makkelijker door 1e-fase-opgeleiden worden verdrongen. Hoewel daardoor de salarislasten voor startfuncties hoger zijn, komt het bedrijf zo wel in de gelegenheid voor de interne arbeidsmarkt uit een groter reservoir van universitair opgeleiden te kunnen rekruteren. Wat de gevolgen zijn voor de loopbanen van hbo- opgeleiden en wo-opgeleiden is nu nog onbekend, maar zal zeker in de komende jaren moeten worden onderzocht. Een onderzoek naar de functies van fysici oude stijl en nieuwe stijl wijst op verschuivingen in startfuncties en loopbaanmogelijkheden (Maurice 1991).

Voor de 2e-fase opleidingen is het beeld nog niet volledig, omdat de eerste opgeleiden nu pas de arbeidsmarkt bereiken. Omdat 2e-fase-opgeleiden nu geplaatst worden in functies waarvoor vroeger alleen een doctoraal voldoende was, is het heel wel mogelijk dat er een tekort aan opgeleiden op dit niveau zal ontstaan. De aio- opleiding is voor een aantal functies nu een minimaal vereiste, terwijl daar vroeger geen gepromoveerden voor werden gevraagd; eigenlijk is de aio-opleiding voor deze functies te omvangrijk, maar men is tegelijk van mening dat de huidige vierjarige opleiding met de daarin aanwezige onderwijscomponent niet zinvol verder in duur kan worden bekort.

Het is een punt van zorg of de 2e-fase-opleidingen in voldoende mate kunnen voorzien in de behoefte die er aan deze opgeleiden bestaat. Omdat waarschijnlijk het percentage initieel opgeleiden dat als aio verder gaat niet verder zal stijgen, zal de aandacht nu moeten worden gericht op de tweejarige opleidingen tot ontwerper of ontwikkelaar.

Een tekort aan opgeleiden met onderzoekervaring zou ook kunnen worden verminderd door een stroom in de initiële opleiding te creëren die voorbereidt op de 2e-fase-opleiding, en waarvan een deel van de opgeleiden rechtstreeks de arbeidsmarkt zal betreden.

Naar kwalificaties

Een aantal kwalificaties trekken de aandacht. Al genoemd is het ontbreken van onderzoekervaring bij initieel opgeleiden. In belangrijke mate is dit een onontkoombaar gevolg van de korte cursusduur voor het doctoraalprogramma. Bij het aanbieden van afstudeervarianten die aansluiten op tweedefaseopleidingen, maar daar geen toelatingsrecht voor geven, zou ook een uitstroom naar de arbeidsmarkt ontstaan van initieel opgeleiden met wel enige onderzoekervaring.

Initieel opgeleiden zijn jonger dan de ingenieurs oude stijl, hebben overeenkomstig daarmee ook een wat minder ontwikkelde persoonlijkheid (zijn wat minder 'rijp'). Het effect wordt nog versterkt door de selectie en zelfselectie naar 2e-fase-opleidingen, waardoor misschien juist de wat rijpere en in ieder geval de meer capabele studenten niet als initieel opgeleiden op de arbeidsmarkt komen. Een en ander is niet zozeer een probleem voor werkgevers, als wel een gegeven waaraan men nog moet wennen, en waarop moet worden ingespeeld door een intensievere opvang en begeleiding van deze initieel opgeleide ingenieurs.

Een belangrijke kwalificatieproblematiek is de vraag of ingenieurs bij voorkeur breed dan wel smal zouden moeten zijn opgeleid. De initieel opgeleide ingenieur moet een degelijke opleiding in zijn discipline hebben gehad. Op basis van deze opleiding heeft de ingenieur de beste mogelijkheden om zich waar nodig in te kunnen werken in aangrenzende disciplines. Ook voor het werken in multidisciplinair samengestelde teams is deze degelijke vorming in een eigen discipline een gunstige voorwaarde. Op grond van een goede disciplinaire vorming levert samenwerking met anders opgeleiden zelden problemen op; het is zeker niet nodig kostbare opleidingstijd te besteden aan veronderstelde vaardigheden die nodig zouden zijn om in multidisciplinaire teams te kunnen werken.

Verwant aan de problematiek van de brede dan wel diepe vorming van de ingenieur is de tendens tot veralgemenisering van opleidingen, en een getalsmatige ontwikkeling van de instroom van studenten die duidt op grotere belangstelling voor de 'zachtere' dan voor de 'harde' vakken. Voor zover in dergelijke ontwikkelingen kan worden gestuurd, verdient het aanbeveling om het algemeen worden van de curricula tegen te gaan en studentenstromen waar mogelijk naar 'hardere' richtingen en varianten te leiden.

Er is een belangrijk spanningsveld aanwezig tussen de Technische Wetenschappen op zich, en hun positie en toepassing in de samenleving. Dat spanningsveld kan samenvallen met een eenzijdig op techniek gerichte motivatie van juist de studenten die voor de 'hardere' richtingen kiezen. De inbreng van maatschappelijke aspecten, en de noodzakelijke samenwerking met bijvoorbeeld sociale wetenschappen, hoeft echter niet op het niveau van de individuele student en ingenieur te gebeuren: het gaat er veeleer om dat zij zich een houding verwerven waardoor een goede samenwerking in multidisciplinaire teams mogelijk wordt, ook wanneer in die teams niet-technisch opgeleide academici een inbreng hebben. Het gevolg voor de programmering van de technische studie is dat dit houdingsaspect geïntegreerd in de hele studie aanwezig moet zijn, dat is iets anders dan naast de basisvakken en technische vakken ook een aantal geheel andere disciplines op te nemen.

Het is niet onmogelijk dat de manier waarop grotere bedrijven werven de indruk versterkt dat ook ingenieurs in sterkere mate dan vroeger meer 1 generalist' worden verondersteld te zijn. Dit zou een ernstig misverstand zijn, in de hand gewerkt door het feit dat grotere bedrijven inderdaad niet voor specifieke vacatures werven. Voor de bedrijfsinterne markten worden geen generalisten gezocht, generalist kan men in zijn of haar loopbaan altijd nog worden.

 




Bijlage 6: Casus


(Deze bijlage is samengevat in hoofdstuk 5)

Hieronder worden een aantal voorbeelden besproken, die in onze ogen representatief zijn voor het soms moeizaam van de grond komen en structureren van nieuwe ontwikkelingen in universitair verband.

Informatica
is als een van de voorbeelden gekozen omdat de inbedding in het Nederlandse universitaire bestel, die intussen toch heeft plaatsgevonden, zeer lang heeft geduurd, ondanks het feit dat de positie van ons land op dit gebied aanvankelijk goed was.

Telematica
achten wij een aandachtsgebied dat zich met veel moeite lijkt te gaan vestigen in de universitaire omgeving, nu van buiten de Technische Universiteiten een initiatief is genomen tot de oprichting van een aan een Technische Universiteit gekoppeld Telematica Onderzoekscentrum dat een nationale functie zal krijgen.

Logistiek
(inclusief verkeer en vervoer) wordt besproken vanwege de grote diversiteit aan disciplines die daaraan moeten bijdragen, de slechte structurering in de universitaire omgeving, het feit dat het voor ons land een belangrijk aandachtsgebied is, en dat het een veranderende maatschappelijke vraag en snelle ontwikkelingen kent.

De materiaalkunde en materiaaltechnologie, die voor bijna alle Technische Wetenschappen van wezenlijk belang is, blijkt in de universitaire wereld zeer gefragmenteerd te zijn. Bovendien vertoont dit gebied belangrijke 'witte vlekken' waarin onderwijs en onderzoek gestimuleerd zullen moeten worden (zie de rapportage van de Adviesgroep Materialen van medio 1991).

Het aandachtsgebied Lucht- en ruimtevaart tenslotte is een casus waarvoor de betrokken faculteit van de TUD, het NLR en andere onderzoekcentra samen met de technologische omgeving tot goede technisch- wetenschappelijke samenwerking zijn gekomen, waarin onder meer universitair onderzoek van hoge kwaliteit wordt verricht.

Informatica

Gedurende de tweede wereldoorlog begon de rekentechnologie zich in de VS te ontwikkelen tot wat later computerwetenschap of informatica zou worden. Kort na deze oorlog werden in Nederland allerlei initiatieven gerealiseerd die ertoe leidden dat ons land bij de opmars van de informatica meeliep in de Europese kopgroep. Uit de vele voorbeelden noemen wij een aantal kenmerkende:

  1. de oprichting van een Computing Department in het jonge Mathematisch Centrum te Amsterdam;
  2. de oprichting van de Afdeling Bewerking Waarnemingsresultaten van TNO, waar met grote hoeveelheden meetgegevens gewerkt werd;
  3. de bouw van rekenmachines:
  4. op het gebied van de theoretische informatica en programmeertalen bezetten niet alleen Van Wijngaarden, maar ook tenminste twee andere Nederlanders al in de late vijftiger jaren internationaal vooraanstaande posities.


Rond 1960 werd het moment bereikt waarop wetenschappers met een informatica-expertise in ruime mate leerstoelen gingen bezetten aan Nederlandse universiteiten. Dat gebeurde in drie (sub)disciplines: numerieke wiskunde, elektrotechniek en administratieve automatisering. Als gevolg daarvan studeerden in de periode 1960- 1980 velen af op informaticaonderwerpen, en wel als wiskundige, elektrotechnicus, econometrist en dergelijke. Maar ook bleek dat wiskundigen en elektrotechniek elkaar niet vonden bij het gezamenlijk oprichten van departments of computing science zoals dat in de VS wel gebeurde, onder meer op sterke aandrang van het bedrijfsleven. Grote verschillen van inzicht bleken in Nederland voorts te bestaan tussen de 'wiskundige' informatici en de belangrijke toepassers van computers in de administratieve wereld. Deze controverse had ook tot gevolg dat het Nederlands Reken Machine Genootschap en het Nederlands Studiecentrum voor Administratieve Automatisering in de jaren '60 niet tot samenwerking konden komen.

Zo kon het gebeuren, dat in ons land pas rond 1980 opleidingen voor een universitaire graad in de informatica ontstonden: de toenmalige universitaire besturen hebben - nadat uit het voorbeeld van de Duitse Bondsrepubliek de noodzaak van een aparte studierichting was gebleken - ook in ons land informatica als eigen studierichting kunnen verwezenlijken (eind jaren '70). Thans kan men op de meeste universiteiten informatica studeren, maar een echte integratie tussen informatica, informatietechnologie en bestuurlijke informatiekunde kon tot dusverre niet gerealiseerd worden. Velen die de stagnatie van de jaren '60 hebben meegemaakt, wijzen de zelfgenoegzaamheid van de mathematen aan als een belangrijke oorzaak.

Nog in de eerste helft van de jaren '80 is getracht een 'informatica-universiteit' op te richten, een poging om systematisch latere scholing in dit vakgebied te verzorgen die niet succesvol is geweest. Voor ons staat vast, dat te geringe steun uit universitaire kring een van de oorzaken van deze mislukking is geweest. Bovendien kwam dit initiatief wel erg laat.

Het is moeilijk achteraf de omvang van de schade vast te stellen, die ons land door deze gang van zaken in economisch opzicht heeft geleden doordat het in deze essentiële tak van Technische Wetenschappen een duidelijke achterstand heeft opgelopen. Dit ondanks het feit dat onze positie in de beginfase bepaald gunstig was. In ieder geval heeft het veel moeite en onder meer een omvangrijk stimuleringsprogramma gekost om de achterstand tot draaglijke proporties te reduceren. Voor dit rapport zijn drie conclusies van belang:


Telematica

De telematica kent twee hoofdcomponenten, nl. de technische en de organisatorische. Het is een aandachtsgebied waarbij het gaat om de integratie in één systeem van technische en economische expertise uit de economie, informatica, bedrijfskunde (marketing), elektrotechniek, ergonomie, telecommunicatie, rechtswetenschappen, psychologie en organisatiekunde. Telematica is sterk op de gebruiker gericht, waardoor de behoefte aan monodisciplinair fundamenteel onderzoek relatief klein, maar een goede samenwerking tussen gebruikers en onderzoekinstellingen essentieel is.

De aanbodzijde van de markt kent een aantal grote bedrijven zoals PTT (telecommunicatie), Philips (elektronica) en IBM (informatica). De wetenschappelijke infrastructuur wordt gevormd door vakgroepen op gebieden van telecommunicatie, informatica, elektronica, logistiek en bedrijfskunde aan de Technische Universiteiten, en vakgroepen op gebieden van de economie, rechts- en sociale wetenschappen aan de algemene universiteiten, de laboratoria van de PTT en Philips en een nieuw te vormen Telematica Onderzoekscentrum (TOC).

Het lijkt ons een goede keuze om in dit zeer diverse gebied een apart onderzoekscentrum op te richten, dat nauw aansluit bij het universitaire bestel maar er niet rechtstreeks deel van uitmaakt. Het bijeenbrengen van de benodigde zeer uiteenlopende universitaire expertise binnen een der (technische) universiteiten achten wij nagenoeg ondoenlijk.

Wij signaleren een aantal knelpunten die het van de grond krijgen van het universitaire onderwijs en onderzoek in de telematica bemoeilijken:


Blijkbaar is een privaat regime wel in staat om de benodigde brede samenwerking tot stand te brengen, getuige het voorstel tot oprichting van een Onderzoekscentrum voor Telematica (TOC) dat bij de Universiteit Twente gevestigd zal worden. Dit TOC is een initiatief van IBM, Philips, EZ en O&W; pas in tweede instantie zijn de universiteiten erbij betrokken. Overwegingen die zwaar hebben gewogen bij de plaatsing in Twente zijn, dat vooral aan de UT de technische tele-informatica goed is ontwikkeld en bemenst, en goed is ingebed in deze universiteit als geheel, en dat duidelijke toezeggingen van de zijde van de UT zijn gedaan aan de voorbereidingscommissie over infrastructurele voorzieningen en een omvangrijke extra wetenschappelijke bijdrage: men kon concrete medewerking van vakgroepen garanderen. Overigens zullen ook docenten en medewerkers van andere universiteiten in het TOC werkzaam kunnen zijn: het is de bedoeling dat het een nationaal centrum van internationale allure zal worden.

De PTT neemt verantwoordelijkheid voor het katalyseren en initiëren van overleg, afstemming, structurering en nieuwe ontwikkelingen met betrekking tot het strategisch onderzoek. Deze situatie is uniek en valt deels terug te voeren op de (vroegere) nationale monopoliepositie van dit bedrijf, en haar beleidslijn niet zelf lange termijn- onderzoek uit te voeren. Daarmee vervult de PTT een belangrijke strategische rol bij de programmering van het onderzoek voor de lange termijn op met name het gebied van de telecommunicatie.

In dit geval luiden de conclusies:


Logistiek en transport

Sinds het midden van de jaren '80 is de belangstelling voor de logistiek, de systematische studie van transportprocessen in termen van transportketens gecombineerd met het afstemmen ervan op productie- en verkeerssystemen, sterk toegenomen. Een van de redenen hiervan is, dat verschuivingen van goederenstromen hoogstwaarschijnlijk van zeer groot belang zijn voor de toekomstige welvaartsverdeling in de wereld, vooral voor de sterk geïndustrialiseerde landen. Bovendien wordt verwacht dat deze ontwikkeling versneld zal worden door de Europese economische eenwording, die zal leiden tot het ontstaan van een geïntegreerde markt met een zeer groot productiepotentieel en 300-400 miljoen consumenten. Dit illustreert het belang van de bedrijfsoverschrijdende logistiek voor veel Europese landen.

Daarnaast is er een duidelijke tendens, vooral bij producenten van complexe industriële goederen, om flexibele productiemethoden toe te passen en toeleveranciers in de schakelen, wat hoogwaardige logistieke diensten vergt (bedrijfsinterne logistiek). Just in time aflevering van tussen- en eindproducten is des te noodzakelijker geworden omdat de levensduur van industriële producten afneemt en de variatie ervan toeneemt.

Nederland zou bij deze ontwikkeling in het voorste gelid moeten lopen vanwege zijn goed ontwikkelde transportsector en relatief sterke toeleveringsindustrie, om de huidige goede positie te handhaven en wellicht nog te versterken. Daarvoor zal onder meer hoogwaardig strategisch en toegepast onderzoek nodig zijn, zowel in en ten behoeve van het bedrijfsleven in de betrokken sector als voor de overheid, die de zorg heeft voor de fysieke infrastructuur. Niettemin moest de WRR in het rapport Technologie en Overheid (199 1) concluderen, dat het technischwetenschappelijk onderzoek op het gebied Logistiek en Transport sterk gefragmenteerd is, dat een aantal pogingen ter verbetering nog niet het gewenste resultaat heeft opgeleverd, dat het absorptievermogen van de transportsector voor nieuwe technologie betrekkelijk klein is en dat het overheidsbeleid op dit gebied nog niet voldoende heeft bijgedragen tot het scheppen van voorwaarden voor het genereren en toepassen van nieuwe vervoerstechnologie.

De vraag rijst hoe de Nederlandse publieke technisch-wetenschappelijke infrastructuur in de afgelopen jaren op deze ontwikkelingen heeft gereageerd. Nijkamp en Perrels (1987) vermelden, dat strategisch onderzoek naar logistieke modellen voor de analyse van beleidsvoornemens betreffende verkeer en vervoer in de jaren '70 ontbreekt: per universiteit was toen gemiddeld maar twee mensjaren beschikbaar. Wel werd in die periode een begin gemaakt met bedrijfsintern logistiek onderzoek. In 1976 strandde een poging om een raad voor verkeers- en vervoersonderzoek op te richten; ook in 1983 kon men nog niet tot een geïntegreerde benadering van dit onderwerp besluiten. Enkele jaren later concluderen Meeuse et al. (1988) en Nijkamp et al. (1990) dat de kwaliteit van het universitaire onderzoek aan redelijke eisen voldoet maar dat samenhang ontbreekt en te weinig aandacht wordt gegeven aan internationale ontwikkelingen. Pas in 1988 wordt het Nationaal Platform Verkeer en Vervoer gevormd om tot een coherent beleid op dit gebied te komen. Hoewel de discussie nu goed op gang is gekomen, is naar onze mening dit doel nog lang niet bereikt.

De huidige situatie is dat de universiteiten betrekkelijk laat zijn begonnen met onderzoek in dit sterk multidisciplinaire aandachtsgebied en maar een beperkt deel ervan uitvoeren. Ongeveer twee derde deel ervan wordt verricht door niet-universitaire instituten, nl. NEI, NEA en vooral TNO, dat een relatief sterke groep wist op te bouwen. Deze situatie is sedert het verschijnen van het RAWB-missieadvies (1988) nauwelijks veranderd. Het blijkt moeilijk docentenvacatures bevredigend op te vullen. Wij hebben de indruk, dat soms binnen een Technische Universiteit een gebrek aan samenwerking bestaat tussen onderzoekgroepen in verschillende faculteiten, zeker op het brede gebied verkeer en vervoer. Verder laat de aansluiting universiteit/ bedrijfsleven te wensen over, wat overigens niet alleen geweten kan worden aan de Technische Universiteiten.

De niet-universitaire instituten NEA, NEI en TNO ontmoeten de universiteiten eigenlijk alleen op het terrein van het opdrachtonderzoek (derde geldstroom), maar de universiteiten blijken onvoldoende in staat te zijn om aan de wensen van veel cliënten te voldoen, door gebrek aan organisatie en tijdplanning. Daarom zijn ze naar ons oordeel enerzijds geen serieuze bedreiging voor de instituten, en doen ze anderzijds te weinig strategisch onderzoek om interessant te zijn als samenwerkingspartner. De universiteiten bevinden zich in een soort vicieuze cirkel: ze verwerven te weinig opdrachten om strategisch onderzoek te kunnen financieren uit de revenuen, en hebben te weinig basiskennis om hun marktaandeel te vergroten. Gebrek aan middelen uit de eerste en tweede geldstroom belet hen de goede kennisbasis op te bouwen die nodig is voor een effectieve ondersteuning van het bedrijfsleven.

Onze indruk is, dat er weliswaar veel initiatieven tot samenwerking worden genomen, maar dat daaraan in veel gevallen te weinig inhoud en uitvoering wordt gegeven. De oorzaak hiervan is vermoedelijk, dat logistiek onderzoek een heel divers veld is waarin onderzoekers uit zeer verschillende disciplines moeten samenwerken. Het samenbrengen van dergelijke breed samengestelde onderzoekgroepen blijkt vaak uiterst moeizaam te verlopen, al zijn hier en daar zeker positieve resultaten behaald. Het herstructureringsfonds van de TUD-commissie onder leiding van W.J. Beek lijkt ons een poging in de goede richting, die echter beperkt blijft tot de TUD en wellicht tot enkele met deze Technische Universiteit samenwerkende partners. Het Nationaal Platform Verkeer & Vervoer is aanmerkelijk breder van samenstelling, maar het beschikt niet over de financiële middelen om werkelijk richtinggevend en sturend op te kunnen treden.

Voor wat de bedrijfsinterne logistiek betreft ligt de zaak eenvoudiger, omdat op dit gebied alleen de Technische Universiteiten werkzaam zijn. Vooral de TUE lijkt hier een goede positie te hebben opgebouwd. Toch wordt ook hier gestreefd naar een verbetering van de samenhang in het onderzoek: contacten zijn gelegd tussen TNO (het Instituut voor Productie en Logistiek), de UT, de TUE en Philips. Recentelijk zijn ook meer structurele contacten tot stand gebracht tussen de TUE en de KUB. Indien men erin zou slagen veel van dit onderzoek - zowel het strategische als het toegepaste - in deze samenwerkingsverbanden te concentreren kan ook het onderwijs op dit gebied positief worden beïnvloed, zal de samenhang in onderwijs en onderzoek toenemen en kan de thans nog bestaande achterstand worden ingelopen. In dit verband wordt veel verwacht van een bestaande 2-jarige ontwerpersopleiding Logistieke Besturingssystemen, die vele cursisten uit het gehele land trekt en waarin alle studenten projecten in bedrijven moeten bewerken.

Dit voorbeeld leidt tot de volgende conclusies:


Materiaalkunde en materiaaltechnologie

Volgens de Adviesgroep Materiaalkunde (A9M), waarvan het eindrapport ongeveer gelijktijdig met dit preadvies zal verschijnen, zijn in dit wetenschapsgebied ingrijpende veranderingen gaande die voor velen nog niet goed zichtbaar zijn. Dit geldt zowel voor de productie en ontwikkeling van nieuwe materialen als de toepassing ervan; er is een sterke interactie tussen deze aspecten die een geïntegreerde benadering van ontwerpen, bewerken, verwerken en productie noodzakelijk maakt. Omdat de materiaalkunde voor alle gebieden van Technische Wetenschappen van grote betekenis is, dient de Nederlandse kennisinfrastructuur hier alert op te reageren.

De Adviesgroep constateert, dat er een directe relatie is tussen de marktpositie van vele bedrijven en hun technologische positie op materiaalgebied: kennis blijkt ook hier weer een sleutelfactor te zijn. Het blijkt dat de positie in dezen van de Nederlandse industrie varieert van sector tot sector: sommige zijn zwak ontwikkeld (bijvoorbeeld de metaalverwerkende industrie), andere, zoals die welke polymeren, composieten en functionele materialen voortbrengt kunnen als sterk gekwalificeerd worden. Wij menen dat dit directe gevolgen heeft voor de positie van de op materialen gerichte onderdelen van de publieke technisch-wetenschappelijke infrastructuur, die duidelijk te relateren is aan de kwaliteit van de belendende industrie. Immers, universiteiten en instituten behoeven gesprekspartners om richting te geven aan het strategisch onderzoek en hebben toevoer van kennis uit de industrie (bijvoorbeeld in de vorm van deeltijdhoogleraren) broodnodig. Een hoogwaardige onderzoeksgroep temidden van een zwakke industrietak zoekt òf zijn heil in het buitenland, òf is geen lang leven beschoren.

De analyse van de huidige situatie die door de AgM is gemaakt leidt tot de volgende hoofdconclusies:


De AgM is van mening dat het beleid ter bevordering van de materiaaltechnologie onder meer rekening zal moeten houden met bovenstaande analyseresultaten. Voor het universitair onderwijs en onderzoek houdt dit in dat aan de volgende punten aandacht zal moeten worden besteed:


Geconcludeerd wordt, dat meer financiële middelen nodig zijn, die ten dele te vinden zijn door heroriëntatie in andere gebieden. Als voorbeelden worden genoemd; het meer richten van vaste stofonderzoek op functionele materialen, grensvlakverschijnselen en hechting, en van chemisch onderzoek op dunne lagen of processen voor de productie van polymeren.

De Adviesgroep uit verder zijn zorgen over de interuniversitaire samenwerking en taakverdeling, die een conditio sine qua non wordt geacht voor effectief onderzoek. Dit is vooral voor de drie Technische Universiteiten van belang, die tezamen twee derde van het universitaire materiaalonderzoek voor hun rekening nemen, te meer omdat juist toepassingsgericht onderzoek multidisciplinaire samenwerking vereist. In dit verband pleit de AgM O.M. voor een grotere invloed van het bedrijfsleven in de organen die de heroriëntatie zullen moeten realiseren, in het bijzonder voor een inbreng bij allocatiebeslissingen, het leerstoelenbeleid en de opzet en toetsing van voorstellen voor oprichting van. onderzoekscholen. Het resultaat zou moeten zijn een versterking van het onderzoek door het bereiken van grotere samenhang.

Een van de eindconclusies over het materiaalonderzoek is, dat de taakverdeling en samenwerking tussen de universiteiten versterkt dienen te worden, en dat het aanbeveling verdient om over bijvoorbeeld 4 jaar de stand van zaken in het materiaalonderzoek te evalueren en op basis daarvan te bepalen of instelling van een landelijk sturend orgaan boven de universiteiten nodig is. Naar onze mening is een dergelijk sturend orgaan nu al op vele gebieden dringend nodig, zodat met de oprichting ervan niet vier jaar gewacht zou moeten worden.

Lucht- en Ruimtevaart

Het werkgebied Lucht- en Ruimtevaart is goed ontwikkeld en succesvol, en wordt gekenmerkt door een goede wetenschappelijke infrastructuur met duidelijke relaties van de faculteit der Luchtvaart- en Ruimtevaarttechniek en haar omgeving, waarin Fokker en het NLR een prominente plaats innemen. De onderzoekcapaciteit van de faculteit LR is relatief klein: het NLR heeft een ongeveer 6 maal zo grote capaciteit. Maar de faculteit is niet alleen de bron van goed opgeleide ingenieurs doch levert ook kwalitatief hoogwaardige bijdragen aan de kennisgeneratie en is een uitkijkpost van waaruit de internationale wereld van het onderzoek op dit gebied kan worden overzien.

De sector lucht- en ruimtevaart kent een coördinerende, programmerende en geldverdelende instelling, nl. de Stichting Nederlands Instituut voor Vliegtuigontwikkeling en Ruimtevaart (NIVR). Deze Stichting heeft als doelstelling de bevordering van de industriële activiteiten in Nederland op LR-gebied, met name het ontwikkelen van vliegtuigen en ruimtevaartuigen. Haar taken ten opzichte van bedrijven, instellingen en instituten zijn:
- het (doen) uitvoeren van studies;
- het geven van adviezen over belangrijke projecten;
- beheer en controle op de uitvoering van goedgekeurde projecten;
- voorlichting en stimulering.
In het bestuur hebben vertegenwoordigers van de betrokken overheidsdepartementen, de industrie alsmede een aantal deskundigen zitting. Door de wetenschappelijke commissie NLR-NIVR heeft de Stichting een belangrijke invloed op de strategieontwikkeling van het NLR, die nog versterkt wordt doordat een vertegenwoordiger van het NIVR zitting heeft in het NLR-bestuur.

Door de bovenvermelde opzet en door de relatief ruime financiering wordt bereikt, dat de samenhang in het onderzoek goed is en dat de sector kan beschikken over een gevarieerd onderzoekspotentieel, waarin de Delftse faculteit goed is ingebed. De relatief grote invloed van de industriële omgeving leidt niet, zoals soms gevreesd wordt, tot een te sterke toepassingsgerichtheid van het universitaire onderzoek op dit gebied. Integendeel, de faculteit levert strategisch onderzoek van hoog gehalte af dat tot het beste van de output van de TUD behoort. Ongetwijfeld dragen de deeltijdhoogleraren, die vanuit de omgeving aan de TUD ter beschikking worden gesteld, hier in belangrijke mate toe bij.

Onze conclusie is, dat in een goed gestructureerde omgeving goede resultaten met globale sturing van onderzoek te behalen zijn. Wel moet hierbij bedacht worden, dat in het monodisciplinair technologieveld van de luchten ruimtevaart samenwerking veel gemakkelijker op vrijwillige basis tot stand zal komen dan in een multidisciplinair aandachtsgebied, zeker als men over ruime financiële middelen beschikt.




Bijlage 7: Actuele beleidsproblemen

(Deze bijlage is een uitwerking van de hoofdpunten die in hoofdstuk 7 zijn beschreven.)

De Commissie van Advies voor de Technische Wetenschappen (CTW) zal betrokken moeten worden bij een aantal actuele beleidszaken, waarop hieronder nader wordt ingegaan. Bovendien moeten de relaties met de overheid, het bedrijfsleven en instanties die zich met de programmering en financiering van wetenschappelijk onderzoek bezighouden nader worden omschreven. Ook dat stellen wij kort aan de orde.

Opleiding tot ingenieur

Ons is gebleken, dat het oordeel over de eerste fase op zijn best genuanceerd kan worden genoemd. Hoewel de in de curricula ondergebrachte vakkennis als voldoende wordt bestempeld, wordt het onderwijs gehaast bevonden en bestaan twijfels over de academische vorming in de eerste fase (zie § 4.1). Ook hebben de afgestudeerden geen ervaring in onderzoek en ontwerpen van enige betekenis verworven. Sommige werkgevers stellen TU-ingenieurs dan ook aan op arbeidsplaatsen die voorheen door HTO-ingenieurs werden bezet. Deze constateringen, gecombineerd met problemen over de internationale erkenning van de eerste fase als een volwaardige ingenieursopleiding, brengen ons ertoe te adviseren om de duur van de eerste fase opnieuw in overweging te nemen.

Een soortgelijke oplossing als is gekozen voor de artsenopleiding kan eveneens worden overwogen, namelijk een eerste fase die afgesloten wordt met een doctoraal examen, gevolgd door een éénjarige vervolgstudie, aan het einde waarvan een ingenieursexamen moet worden afgelegd. Deze vervolgstudie zal elementen van onderzoek en/of ontwerpen/ontwikkelen moeten bevatten en ook dienen als inleiding tot een promotie of een ontwerpersopleiding, die dan drie respectievelijk één jaar kan duren. Het overgangsjaar van technisch drs. naar ir. zou toegankelijk moeten zijn voor iedere technisch drs. die dat wenst. Maar het moet ook mogelijk blijven de studie af te sluiten na het doctoraal examen (hoewel vooralsnog geen zicht is op het civiel effect van de technisch drs.). Promotie- en ontwerpersopleiding kennen uiteraard een ingangsselectie. Elke vorm van een technisch universitaire studie moet starten met een propedeuse met een selectief en verwijzend karakter.

Bij het invoeren van dergelijke curricula is een algehele herprogrammering, zoals bij de invoering van de huidige curricula plaatsvond, onnodig en zelfs ongewenst. Het enige doel zou moeten zijn om een ingenieurscurriculum van ca. één cursusjaar te ontwerpen dat aansluit op de huidige eerste fase. De ervaringen van werkgevers geven daarvoor duidelijke aanwijzingen. Zonodig zou men het laatste jaar van de doctorale fase wat kunnen aanpassen aan deze gewijzigde situatie.

Het komt ons voor dat deze problematiek per studierichting moet worden bezien en dat de CTW een rol in de beoordeling van voorstellen zou moeten spelen.

Onderzoekscholen

De RAWB (1990) steunt in grote lijnen de vorming van onderzoekscholen en concludeert: "De keuze voor het verlenen van een keurmerk aan onderzoekscholen moet mede gebaseerd zijn op overwegingen van nationale behoeften aan onderzoek. Hieronder vallen ook de behoeften van het bedrijfsleven. Het belangrijkste oogmerk bij het opzetten van onderzoekscholen is concentratie en profilering op nationale schaal van kwalitatief hoogstaand onderzoek". Wij onderschrijven dit standpunt volledig, maar wijzen erop dat het gehele mechanisme van de vorming van onderzoekscholen gebaseerd is op reeds bewezen kwaliteit van bestaand onderzoek. In dit preadvies wordt echter gewezen op het bestaan van niet of onvolledig vervulde behoeften aan onderwijs en onderzoek in een aantal gebieden van Technische Wetenschappen. Weliswaar kunnen dan hier en daar in de technisch- wetenschappelijke infrastructuur individuele onderzoekers of kleine groepen actief zijn in het beschouwde gebied, maar van een samenhangende bewerking van een nieuw aandachtsgebied is dan nog geen sprake. Soms zal het zelfs nodig zijn om, als inleiding op de start van nieuwe activiteiten, Nederlandse onderzoekers voor een zekere periode uit te zenden naar het buitenland om daar de nodige nieuwe kennis op te doen. Het voor de vorming van onderzoekscholen voorgestelde mechanisme houdt met deze situaties geen rekening. Bovendien sluit de procedure de vorming uit van nieuwe gezamenlijke instituten die gedeeltelijk kunnen voortkomen uit niet-universitaire onderdelen van de wetenschappelijke infrastructuur. Iets dergelijks geldt voor met steun van het bedrijfsleven gevormde onderzoekcentra, zoals dat op het gebied van de telematica.

Onze conclusie is dan ook, dat voor nieuwe activiteiten een andere weg gevolgd moet worden, nl. via de op te richten CTW. Gezien de voorgestelde taken en bevoegdheden van deze commissie dient zij een belangrijke rol te spelen bij het formuleren en uitvoeren van een lange termijnbeleid inzake de Technische Universiteiten. Het ligt dan ook voor de hand de vorming van onderzoekscholen en nieuwe onderzoekcentra op technologisch gebied mede door de CTW te laten toetsen.

Met de RAWB menen wij verder, dat er ruimte dient te blijven voor onderzoek dat in facultair verband wordt uitgevoerd. Nader beraad is nodig over de grootte van dit aandeel in het onderzoek; in ieder geval dient elke ingenieursopleiding door actieve onderzoekers te worden gedragen en van wetenschapsbeoefening uit te gaan.

In dit verband menen wij te moeten waarschuwen voor twee mogelijke nadelige effecten. Allereerst bestaat het gevaar, dat de verstarring tot scherp afgebakende disciplines, die nu al een probleem is, zal toenemen door de vorming van onderzoekscholen die samenvallen met faculteiten. In de Technische Wetenschappen zou men een zekere voorkeur moeten geven aan onderwerpen die in verschillende faculteiten bewerkt worden, zoals materialen, stromingsleer, procestechnologie en wellicht mechanica. Een tweede gevaar is, dat het stelsel van onderzoekscholen de aandacht van het bewerken van geheel nieuwe aandachtsvelden afleidt, waardoor ongewenste lacunes in onderzoek en onderwijs blijven bestaan.

Samenwerking met gti's en TNO

In een niet gering aantal beleidsnota's en adviezen wordt de laatste jaren aandacht gevraagd voor nauwere samenwerking tussen de drie Technische Universiteiten, de gti's en/of TNO. Wij onderschrijven deze pleidooien en menen dat reeds zichtbaar is dat deze samenwerking op verschillende gebieden vrucht draagt. Omdat wij als een van de taken van het CTW zien de bevordering van de samenhang in de technisch-wetenschappelijke infrastructuur, zal deze commissie veelvuldige en goede contacten moeten onderhouden met genoemde niet- universitaire instellingen, om tot een goede beleidsafstemming voor de lange termijn te komen.

Zowel op het gebied van onderwijs en onderzoek als ten aanzien van het management ervan kunnen joint ventures of langjarige overeenkomsten tussen een of meer Technische Universiteiten en gti's of TNO positieve gevolgen hebben. Het gezamenlijk opzetten van nieuwe activiteiten verdient dan ook evenzeer steun als de vorming van nieuwe onderzoekgroepen in louter universitair verband. Dit geldt zeker voor sterk multidisciplinaire aandachtsgebieden, die in universiteiten niet of heel moeizaam van de grond plegen te komen. Een ander onderwerp waarop een dergelijke samenwerking vruchtbaar kan zijn is het opzetten en onderhouden van kostbare nationale faciliteiten. Dat is te meer nodig omdat de kosten van apparatuur naar verwachting zullen blijven stijgen.

Omdat situering van onderzoekscholen en nieuwe onderzoekcentra in de onmiddellijke nabijheid van een Technische Universiteit van groot belang is, menen wij dat het huidige beleid van relocatie van TNO-onderdelen (bijv. TNO- Bouw en het onderzoek op het gebied van Productietechnologie en Logistiek) vlak bij een Technische Universiteit krachtige steun verdient.

Relaties met andere wetenschapsorganen

Naar onze mening dient de programmatische steun, zoals die thans door STW en andere NWO-stichtingen wordt verleend aan onderzoek in de Technische Universiteiten, duidelijk gescheiden te blijven van de structurerende activiteiten van de CTW. STW verleent vooral projectgewijze steun aan goede onderzoeksgroepen in het gehele veld van de Technische Wetenschappen. De invloed van het bedrijfsleven en technologisch gerichte overheidsdiensten is hierbij duidelijk kleiner dan die van het wetenschapscircuit: de technology push overheerst. De CTW zal geen taken moeten vervullen op het gebied van projectgerichte steun. Goede wederzijdse contacten zijn vereist om het beleid voor de lange termijn van NWO en de commissie goed op elkaar af te stemmen.

Relaties met het bedrijfsleven

Op dit moment verleent de industrie vrij veel steun aan de Technische Universiteiten, waarvan het ter beschikking stellen van promotieplaatsen een belangrijk onderdeel vormt. In het algemeen is deze ondersteuning incidenteel en gericht op de korte, hoogstens middellange termijn. Wij zouden het toejuichen als deze relaties een structureler karakter zouden krijgen, bijvoorbeeld door bijdragen aan onderzoekcentra of -scholen; dat lijkt ons alleen zinvol als de onderzoekresultaten van de industriële partner(s) reële betekenis hebben. Dit zou gekoppeld kunnen worden aan advisering vanuit het bedrijfsleven over de programma's van onderzoekscholen. De industriële invloed dient overigens niet dominant te worden, evenmin als de invloed van technologisch gerichte overheidsdepartementen. Maar bij de articulatie van de behoeften voor de langere termijn, dus in het CTW, dient het bedrijfsleven een belangrijke rol te spelen.

Arbeidsvoorwaarden

Wij menen, dat de achterstand in de arbeidsvoorwaarden van het wetenschappelijk personeel van de Technische Universiteiten en de starheid van de regelingen met betrekking tot het gehele personeel moeten worden bezien in het licht van de grotere flexibiliteit die in de naaste toekomst van de Technische Universiteiten zal worden gevraagd. De onvoldoende arbeidsvoorwaarden zijn niet alleen een probleem in de faculteiten; wij vernamen tijdens de gevoerde gesprekken dat juist bij relatief kleine universitaire instituten de flexibiliteit van de arbeidsvoorwaarden sterk tekort schiet.

Relaties met de overheid

De CTW zal niet alleen gebaat zijn bij goede relaties met de voor het onderwijs en het wetenschaps- en technologiebeleid verantwoordelijke ministers (van O&W en EZ), maar ook met bewindslieden van departementen die veel technische kennis behoeven, zoals V&W, VROM, SoZaWe en Defensie. Vandaar, dat het denkbaar is om de beleidsnota voor de lange termijn van het CTW op dezelfde wijze door de overheid te doen toetsen als wettelijk voorgeschreven voor TNO. Van rechtstreekse goedkeuring is daarbij geen sprake, maar wel wordt een formeel regeringsstandpunt uitgebracht en, tezamen met de beleidsnota, aan de Staten-Generaal gezonden.

Bovendien zal het CTW een jaarrekening moeten opstellen, waarin de aan de diverse objecten bestede gelden zijn verantwoord. Ook dient de kwaliteit van de gesteunde groepen regelmatig geëvalueerd te worden.

Bestuursstructuur

Wij adviseren, de interne bevoegdheden van de Colleges van Bestuur van de Technische Universiteiten voor het opzetten en relatief langdurig ondersteunen van nieuwe activiteiten en het beëindigen of inkrimpen van andere werkzaamheden belangrijk te verruimen. Meer in het algemeen gesproken zijn wij de mening toegedaan, dat het hoog tijd is om de bestuursstructuur van de Technische Universiteiten, die als professionele doelorganisaties slagvaardig en doelmatig bestuurd moeten worden, opnieuw onder de loupe te nemen.

Daarbij zou men zich niet moeten beperken tot de (gebruikelijke) discussie over het overhevelen van beslissingsbevoegdheden van de universiteitsraden naar de CvB's en een meer adviserende rol voor deze raden. De in dit preadvies bepleite vergroting van de externe invloed op de Technische Universiteiten zou ook gepaard moeten gaan met een versterking van de technisch-wetenschappelijke component in de CvB's. Naar ons oordeel is dit de enige goede weg waarlangs meer evenwicht gebracht kan worden in de verhouding tussen de faculteiten en de CvB's. Een andere noodzakelijk geachte maatregel is verruiming van de mogelijkheden voor scholing in technologiemanagement.

Samenvattend zijn wij van oordeel, dat de nieuw te vormen Commissie van Advies voor de Technische Wetenschappen een belangrijke stimulans zal kunnen betekenen voor het beleid inzake het universitair technologisch onderwijs en onderzoek in Nederland. Dit zien wij als zeer noodzakelijk voor behoud en versterking van de technologische positie van ons land in internationaal verband.




Bijlage 8: Literatuur naar thema

verkenningen en visitaties, foresighting

Enzing, C.M., & Smits, R.E.H.M. (1989). Verkennen in Nederland. Deel 1: een analyse. Deel 2: vijf case-studies. Zoetermeer: Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen.

HOOP Proeven en achtergronden. Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, 1987. Bevat een afzonderlijke beschouwing over de sector techniek (p. 117-130).

Irvine, J., & Martin, B.R. (1989). Research foresight. Creating the future. Zoetermeer: Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen. [Onderzoek in opdracht van het departement, ook uitgegeven als B. R. Martin & J. Irvine (1989). Research Foresight: Priority Setting in Science. London: Pinter Publishers.]

Jacobs, D., Boekholt, P., & Zegveld, W. (1990). De economische kracht van Nederland. Een toepassing van Porters benadering van de concurrentiekracht van landen. Den Haag: Stichting Maatschappij en Onderneming. (TNO-Beleidsstudies).

LeFevre, W., Benmark, L., & Gambrell, C.B. (1989). Evaluationof the industrial engineering program at Eindhoven Universityof Technology, Eindhoven, the Netherlands.

OECD (1987). Netherlands. Reviews of national science and technology policy. Paris: OECD.

Prakke, F., Buitelaar, W., & Weijers, T. (1988). Verkenning vanvoor Nederland kansrijke technologische ontwikkelingen. DenHaag: RAWB (Achtergrondstudie 19).

RAWB (1990). Advies inzake het civieltechnisch en geodetisch onderzoek in Nederland. Den Haag

VSNU (1991). Visitatie electrotechniek. Utrecht: VSNU.

VSNU (1990). Visitatie industrieel ontwerpen en luchtvaart- en ruimtetechniek. Utrecht: VSNU.

VSNU (1990). Visitatie wiskunde en informatica, omvattende destudierichtingen wiskunde, technische mechanica en informatica. Utrecht: VSNU.

VSNU (1988). Eindrapport proefvisitatiecommissie werktuigbouwkunde. Utrecht: VSNU, (opgenomen in rapportage van de VSNU over de proefvisitaties).

Verkenningscommissie Bouwkunde (1989). Eindrapportage. Geen bibliografische gegevens; secretariaat van de commissie: ir. J.B.M. Louwe (IBBC-TNO).

WRR (1991). Technologie en overheid. Enkele sectoren nader beschouwd. Den Haag: SDU uitgeverij

Zegveld, W., & Enzing, Chr. (1986). Nieuwe issues in het wetenschaps- en technologiebeleid. Delft: Groep Beleidsstudies en Informatie TNO.

Disciplinaire wetenschapsbeoefening

Apostel, L., Berger, G., Briggs, A., & Michaud, G. (Editors;1972). Interdisciplinarity. Problems of teaching and research in universities. Centre for Educational Research and Innovation(CERI). Paris: OECD.

Becher, T. (1989). Academic tribes and territories. Intellectual enquiry and the cultures of disciplines. Milton Keynes: SRHE & Open University.

Clark, B.R. (1983). The higher education system. Academic organization in cross-national perspective. Berkeley: U. of California Press.

Clark, B.R. (1987). The academic life. Small worlds, different worlds. Princeton: Carnegie Foundation.

Franklin, M.N. (1988). The community of science in Europe. Preconditions for research effectiveness in European Community countries. Aldershot: Gower. (A study executed for the Commission of the European Communities, DG for science, research and development, Brussels).

Huber, L. (1990). Disciplinary cultures and social reproduction. European Journal of Education, 25, 241-261

Leeuw, F.L. (1988). Overheidsbeleid en sociaal- engeesteswetenschappelijk onderzoek; een analyse van beleidstheorieën. Zoetermeer: Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen. Achtergrondstudies Hoger onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek 1.

Moen, J., & Weggeman, M. (1981). De bestuurlijke inrichting van het onderwijs en onderzoek aan de Rijksuniversiteit Limburg. Universiteit en Hogeschool 27, 269-285.

RAWB (1989). Advies inzake de positie van het multidisciplinair onderzoek. Den Haag: RAWB.

Schuyt, C.J.M. (1989). Social problems and the formation of disciplines. Universiteit en Hogeschool, 36, 90-104.

Teichler, U. (1989). Steering from a distance? State regulation and the development of studies in the Netherlands. Tijdschrift voor Hoger Onderwijs, 7, 130-137.

Verhagen, C.J.D.M. (1976). Organen voor multi- en interdisciplinair onderzoek aan universiteiten en hogescholen. Universiteit en Hogeschool 22, 323-332. (op basis van brief vande vijf voorzitters van de Delftse Centra aan de Commissie-Polak).

Wetenschappelijk onderwijs en onderzoek

ARHO (1989). Europa 1992 en het Nederlandse Hoger Onderwijs.Advies aan de minister van Onderwijs en Wetenschappen van niet-ambtelijke commissie WOB. Den Haag: ARHO.

Boström, L., Teichler, U., & Seashore Louis, K. (1990). Review van het onderwijsbeleid in Nederland. OESO Onderwijscomite. Zoetermeer: Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen.

Bijker, W.E. (1990). Do not despair: there is life after constructivism. Kennis en Methode, 324-345.

Cohen, M.J., et al. (1990). Hoger onderwijs in de jaren negentig. Wiardi Beckman Stichting.

Commissie Wetenschap en Technologiebeleid der VVD (1990). Concreet zicht op een nieuw onderzoeklandschap. Een visie op dewetenschappelijke infrastructuur in Nederland. 's-Gravenhage.

Foppen, J.W. (1989). Gistend beleid. Veertig jaar universitaire onderwijspolitiek. (proefschrift). Den Haag: VUGA.

Groen, M. (1988). Het wetenschappelijk onderwijs in Nederlandvan 1815 tot 1980. Een onderwijskundig overzicht. Deel II: Wis- en Natuurkunde, Letteren, Technische Wetenschappen, Landbouwwetenschappen. TU Eindhoven.

HOOP (Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan). Zoetermeer: Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, 1988, 1990.

NIRIA stuurgroep onderwijs (1987). Hoger onderwijs in de jaren negentig. Den Haag: NIRIA.

Science in a steady state; the research system in transition.London: The Science Policy Support Group (c/o AFRC 160 Great Portland Street) London (W1N 6DT). 1987.

Wetenschapsbudget 1991. Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 805, nrs. 1-2. Den Haag: SDU-uitgeverij.

Zicht op een nieuw onderzoeklandschap. Wetenschapsbeleid voor de jaren negentig. Tweede Kamer, vergaderjaar 1989-1990, 21319, nr 1-2. Den Haag: SDU-uitgeverij.

Relatie wetenschapsbeoefening en onderwijs

Haks, D. (1989). De verbinding van onderwijs en onderzoek in het Nederlandse hoger onderwijs. Achtergrondstudie in het kader van het adviesproject 'Stelsel van het Hoger Onderwijs'. Den Haag: ARHO.

Haks, D. (1990). Onderwijs en onderzoek: eenheid of scheiding? Universiteit en Hogeschool, 36, 213-224.

Sarlemijn, A. (redactie, 1984). Tussen academie en industrie. Casimirs visie op wetenschap en researchmanagement. Amsterdam: Meulenhof informatief.

Kennistraject (kennis-infrastructuur)

Dusch, M., & Müllner, W. (1989). Diplomarbeiten als Instrument des Wissens- und Technologietransfers zwischen Fachhochschulen und Unternehmen. Ergebnisse einer Untersuchung. Bonn: Bundesminister für Bildung und Wissenschaft. Band 75. K.H. Bock Verlag, 5340 Bad Honnef 1.

Feller, I. (1990). Universities as engines of R&D-based economic growth: they think they can. Research Policy, 19, 335-438.

Garnier, M. (1989). Postgraduate studies and the strategy for university research after 1992. European J. of Education, 24, 345-349.

Meijden, R. van der, & Prakke, F. (1990). The research - industry and university - industry interfaces in Europe: European summary report and the Netherlands. Apeldoorn: TNO Studiecentrum voor Technologie en Beleid.

Multinational enterprises and disclosure of information. Clarification of the OECD guideline. (1988). Paris: OECD.

Schimank, U. (1990). Technology policy and technology transfer from state-financed research institutions to the economy: some German experiences. Science and Public Policy, 17, 219 - 228.

Starnick, J. (1990). Technologietransfer und Formen der Kooperation zwischen Hochschulen und Wirtschaft in der Bundesrepublik. Das Hochschulwesen, 189-195.

Waugaman, P.G. (1990). University - industry technology transfer in Germany: implications for U.S. partners. SRA Journal, summer 1990, 7-15.

Samenwerking universiteiten - industrie

Allen, M.L., Burkhalter, B.B., & Parks, P.F. (1989). The view from both sides: university - industry applied research contracts. Society of Research Administrators (SRA) Journal, 21, summer, 47-56.

Brunat, E., & Reverdy, B. (1989). Linking university andindustrial research in France. Science andPublic Policy, 16,283-293.

Cerych, L. (1989). University - industry collaboration: a research agenda and some general impacts on the development of higher education. European Journal of Education, 24, 309-313.

CRE-action 1988/3. Themanummer: University - industry dialogue.

Dorf, R.C., & Worthington, K.K.F. (1990). Technology transfer from universities and research laboratories. Technology Forecasting and Social Change, 37, 251-266.

Fishwick, W. (1983). Strengthening co-operation between engineering schools and industry. Paris: Unesco. (Studies in Engineering Education, 8).

Kemmet, C. (1989). Förderung der Zusammenarbeit zwischen Hochschule und Wirtschaft. Abschlussbericht einer Untersuchung. Bonn: Bundesminister für Bildung und Forschung. Band 83. K.H. Bock Verlag, 5340 Bad Honnef 1.

Krolis, H.P., & de Jong, M.W. (1990). De waarde van kennis voor diensten. Delft: Instituut voor Ruimtelijke Organisatie TNO.

Thompson, Q., & Ambler, M. (1990). Evaluation of the COMETT programme. European Journal of Education, 25, 23-37.

Veen, J.P., Boots, N., & Boontje, W. (1990). Netwerken. Interactie tussen bedrijven, universitaire groepen, TNO, Grote Technologische Instituten en overheidsdiensten in het kader van STW-onderzoekprojecten. Utrecht: Stichting voor de Technische Wetenschappen.

WRR (1987). Op maat van het midden- en kleinbedrijf. WRR 30. Den Haag.

Differentiatie

ARHO (1991). Het stelsel van hoger onderwijs en differentiatie.Den Haag.

Astin, A.W. (1985). Achieving educational excellence. A critical assessment of priorities and practices in higher education. San Francisco: Jossey-Bass.

Berg, F. van de - van Saparoea, & Voorthuis, M. (1987). Wetenschappelijk gehalte en beroepsgerichtheid van eerste faseopleidingen WO. Deelrapport 7 evaluatieonderzoek wet tweefasenstructuur. Amsterdam: SCO.

Blume, S. (1986). The development and current dilemmas of postgraduate education. European J. of Education, 21, 217-222.

Christiaans, H.H.C.M. (1985). W.O.- en H.B.O.-ken4merken in het technisch hoger onderwijs. In Aarts, J.F.M.C., & Wijnen, W.H.F.W. (Red.). Studierichtingen in het hoger onderwijs. Lisse: Swets & Zeitlinger, 23-40.

Christiaans, H. & Rouweler, J. (Redactie) (1981). TH en HTS: verschillen in opleiding en beroep. Delft: Delftse Universitaire Pers.

Continuing education of engineers. Engineering education and practice in the United States. Washington, D.C.: Natonal Academy Press, 1985.

Grint, N.J.M. van der, Schierbeek, B.B., Vos, Ch.J., & Zuijdgeest, L. (Redactie; 1988). Profielschets van de constructeur van de jaren '90. Zoetermeer: CIAD, Vereniging voor computertoepassingen in de ingenieurspraktijk.

Goedegebuure, L.C.J., & Maassen, P.A.M. (1991). Differentiatie in het hoger onderwijs; een literatuurstudie. Enschede: CSHOB. Den Haag: ARHO.

KNVC (1989). AiO-2 nu of nooit. KNCV-rapport over de 2-jarigetweede fase opleidingen chemie en chemische technologie. Den Haag.

Kooyman, E.C. (1975). Opzet en ontwikkeling van het post-academisch onderwijs in de scheikunde en de scheikundigetechnologie. Universiteit en Hogeschool, 22, 6-18.

Maassen, P.A.M., & Potman, H.P. (1990). Strategievorming in het hoger onderwijs: problemen bij het streven naar meer differentiatie van universiteiten. Beleidswetenschap, 2, 112-130.

Mulders, A.R.J., & de Jonge, J.F.M. (1989). Assistenten in opleiding: vraag en aanbod bij moeilijk vervulbare vacatures. Zoetermeer: Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen. Beleidsgerichte studies Hoger onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek 18.

Nijeboer, J.J.B. (1990). Verschillen academici en HBO-ers inbeloning en arbeidsmarktposities. Tijdschrift voor Hoger Onderwijs, 8, 150-161.

RCO (1985). Voorstel voor de inrichting van de tweede fase wetenschappelijk onderwijs. Raad van de Centrale Ondernemingsorganisaties.

RCO (1990). Initiële opleidingen met een tweede fase. Raad van de Centrale Ondernemingsorganisaties.

SER-advies over rendement van het onderwijs, 1990.

Vlugter, J.C. (1975). Post-academisch onderwijs vooringenieurs. Universiteit en Hogeschool, 22, 19-29.

VSNU (1990). Wegen na het doctoraal. Ontwikkelingen in het post-initieel hoger onderwijs. Thema-uitgave. Utrecht.

Weert, E. de (1985). Naar een karakteristiek van het hoger onderwijs. Studie naar kenmerken van wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs. Den Haag: Studiecentrum OTO.

Arbeidsmarkt, kwalificaties

Zie ook literatuur genoemd in Bijlage 5.

Atkinson, R.C. (1990). Supply and demand for scientists and engineers: a national crisis in the making. Science, 248, 4954, 425-432.

Berendsen, H., de Grip, A., & Willems, E.J.T.A. (in voorbereiding). De arbeidsmarkt voor onderzoekers 1990-2010. Maastricht: ROA.

Berghe, W. v.d. (1986). Engineering manpower; a comparative study on the employment of graduate engineers in the Western world. Paris: UNESCO.

Bosch-Zuidgeest, G.M. van den, et al. (1976). Academici in het bedrijfsleven. Publicatie in opdracht van de Stichting Stuurgroep Sociaal-Wetenschappelijk Onderzoek en de Commissie Opvoering Productiviteit/SER. Alphen aan den Rijn: Samsom.

Breed, D.J. (1986). De kwaliteit van de opleiding tot electrotechnisch ingenieur. Verwachtingen van een grootbedrijf. Universiteit en Hogeschool, 32, 310-313.

Dekkers, G. (1988). Nogmaals de arbeidsmarkt voor ingenieurs. De Ingenieur, no. 12

Eimers, T., & Hövels, B. (1990). Het toekomstig onderzoekerspotentieel. Eeerste voorlopige conceptrapportage. Nijmegen: Instituut voor Toegepaste Sociale Wetenschappen.

European Journal of Engineering Education (1985). Training international engineers for European industry; a need and a challenge. A seminar held at Udine, May 1984. Themanummer, Volume 10, 1-92.

European Journal of Engineering Education (1990). The pipeline of engineering studies in the 1990s. Themanummer over wervingvan studenten (Duitsland, Engeland, Finland) en werkgelegenheid (Frankrijk).

Grip, A. de, Heijke, J.A.M., Dekker, R.J.P. & Groot, L.F.M. (1988). De arbeidsmarkt naar beroep in 1992. Economisch Statistische Berichten 29 juni, 617-622.

Grip, A. de, Heijke, J.A.M., Dekker, R.J.P., & Groot, L.F.M. (1988) Arbeidsmarktperspectieven van universitaire studierichtingen. Economisch Statistische Berichten, 6 juli, 73 nr. 3, 663, 628-636.

Hoger onderwijs, technologie en marktsector. Nota van de minister van onderwijs en wetenschappen en de minister van economische zaken aan de Tweede Kamer. Kamerstuk 19454. Den Haag, 1985.

Hoof, J.J. van, & Dronkers, J. (1980). Onderwijs en arbeidsmarkt. Een verkenning van de relaties tussen onderwijs, arbeidsmarkt en arbeidssysteem. Deventer: Van Loghum Slaterus.

Kabinetsreactie rapport tijdelijke adviescommissie onderwijs en arbeidsmarkt. Min. van O. en W. 1990.

KIVI (1988). Salarisenquete TU-ingenieurs 1987. Een onderzoek naar primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden. Amsterdam: KIVI.

KIvI & NIRIA (1990). Loopbaanonderzoek bouwkundigen en civieltechnici. Den Haag: KIvI & NIRIA.

Kolkhuis Tanke, P., & Vissers, A. (1989. Hoger opgeleiden in de sectoren economie en techniek; de behoeften van het bedrijfsleven. Tilburg: Instituut voor Sociaal-wetenschappelijk Onderzoek (IVA).

Kuipers, H., Kuipers Bos, A.J., Montfort, P.J.H.M. van, & Wortelboer, H.W.F. (1989). Confrontatie vraag en aanbod onderwijs maritieme techniek. Eindrapport.

NIRIA (1988). Vacature-onderzoek 1986-1987. Den Haag: NIRIA.

O'Neill, B. (1990). Who wants to be an engineer? New Scientist, 126, 1715, 42-47.

Phillips, J.J. (1987). Recruiting, training and retaining new employees. Managing the transition from college to work. San Francisco: Jossey-Bass.

Ramaekers, G.W.M. (1990). Entry of Dutch graduates to the European Community labour market. Maastricht: Research Centrum Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA).

ROA (1990). Het informatiesysteem onderwijs-arbeidsmarkt. Onderzoeksprogramma 1990/1991. Maastricht: Research Centrum Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA).

Rudd, E. (1990). The value of a Ph.D in science or technology in Britain. European J. of Education, 21, 223-250.

Teichler, U., & Winkler, H. (1990). Der Berufsstart von Hochschulabsolventen. Bonn: Bundesminister für Bildung und Wissenschaft. K.H. Bock Verlag, 5340 Bad Honnef 1.

Tijdelijke adviescommissie onderwijs en arbeidsmarkt (Commissie Rauwenhoff) (1990). Onderwijs-arbeidsmarkt: naar eenwerkzaam traject.

Weert, E. de (1991). Differentiatie en de aansluiting tussen het hoger onderwijs en de arbeidsmarkt. Den Haag: ARHO.

Onderzoekscholen, centres of excellence

Commissie Onderzoekschool (voorzitter A.H.G. Rinnooy Kan) (1990). Vorming in vorsen. Zoetermeer: Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen.

Drenth, P.J.D. (1990). Onderzoekscholen in discussie. Universiteit en Hogeschool, 36, 336-342.

Fenger, P., Frankfort, J., & Velen, E. van (1990). Graduate research training in a number of European countries and the United States. Zoetermeer: Min. van O & W.

Friedman, R.S., & Friedman, R.C. (1990). The Canadian universities and the promotion of economic development. Minerva, 28, 272-293.

Kuenen, J.G. (1990). Mogelijke voor- en nadelen van een onderzoekschool. Universiteit en Hogeschool, 36, 357-366.

RAWB (1990). Advies inzake onderzoekscholen. Den Haag: RAWB.

VSNU (1990). Nota onderzoeksbeleid. Visie op het Nederlandsewetenschaps- en onderzoeksbeleid en de opleiding van onderzoekers. Utrecht: VSNU.

Wetenschapsbeleid, 1990, 12 # 2. Themanummer Topcentra voor excellente onderzoekers; gedachten over onderzoekscholen in Nederland.

Internationale vergelijking

ASEE (1986). Quality of engineering education. Final report of the Quality of engineering project. Washington, D.C.: American Society for Engineering Education.

ARHO (augustus 1990). Titulatuur. Documentatie en probleemverkenning. (achtergrondstudie) (door R.M. Verwayen-Leijh).

Berghe, W. van den (1986). Engineering manpower; a comparative study on the employment of graduate engineers in the western world. Paris: UNESCO. (O&W C. S 1951/10).

Chivers, G.E., & Mathieu-Batch, C. (1988). Women in engineering education: with case-studies. Paris: UNESCO. (O&WC. S 1951/13).

European Journal of Engineering Education 1988, 13 #1. Thema over Europese opleidingen.

Fahrenkrog, G., Vrolijk, H., & Weijers, Th. (1988). Wetenschapsbudget: instrument voor beleid. Studiecentrum voor Technologie en Beleid - TNO. Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen. Den Haag: SDU-uitgeverij.

Franklin, M.N. (1988). The community of science in Europe. Preconditions for research effectiveness in European Community countries. Aldershot: Gower. Published in association with the Commission of the European Communities.

Glover, I.A., & Kelly, M.P. (1987). Engineers in Britain: a sociological study of the engineering dimension. London: Allen & Unwin. (review in EJEE, 1987, p. 415).

Hodel, H. (1990). Swiss engineering education. European J. of Engineering Education, 15, 153-164.

Irvine, J., Martin, B., & Isard, Ph. (1990). Investing in the future: an international comparison of government funding of academic and related research. Aldershot: Edward Elgar.

Joas, H. (1990). The Federal Republic of Germany: university and career opportunities for young scientists. Higher Education, Kairamo, K. (Editor; 1989). Education for life: a Europeanstrategy. London: Butterworth. In collaboration with the Round Table of European Industrialists, Brussels.

Kalamatianou, A.G., Karmas, C.A., & Lianos, T.P. (1990). Technical higher education in Greece. European Journal of Education, 23, 271-279.

Lamoure, J. (1990). ENSI: vingt ecoles pour un concours. Le monde de l'education, juin, 102-109.

NIRIA (1988). De toekomst van de ingenieur in Europa. Jubileumcongres. Den Haag: NIRIA.

OSA (1990). Werkplaats Europa 1992. Preadviezen over de gevolgen voor de arbeidsmarkt van de harminisatie binnen de EG.

Rudd, E. (1986). The value of a Ph.D in science or technology in Britain. European Journal of Education, 21, 223-250.

Schenk, H. (Redactie; 1987). Industrie- en technologiebeleid. Groningen: Wolters Noordhoff.

Steinberg, M.A. (chair)(1985). Continuing education of engineers. Engineering education and practice in the United States. Washington, D.C.: National Academy Press.

VSNU brief van 25 augustus 1988 en debat in de HO-kamer van 13september 1988 over internationale concurrentiepositie van Nederlandse afgestudeerden.

Willenbrock, K.F. (1989). A review of the U.S. Report entitled 'A National Action Agenda for Engineering Education.' European J. of Engineering Education, 14, 195-197.

Wetenschap- en Technologiebeleid

Adviescommissie voor de uitbouw van het technologiebeleid (Commissie Dekker) (1987). Wissel tussen kennis en macht. Den Haag: Ministerie van Economische Zaken.

Basalla, G. (1988). The evolution of technology. Cambridge: Cambridge UP.

Beleidsoverzicht technologie 1990-1991. Economische Zaken. Den Haag: SDU, 1990.

Berger, S., Dertouzos, M.L., Lester, R.K., Solow, R.M., & Thurow, L.C. (1989). Toward a new industrial America. Scientific American, 260 # 6, 21-29. Gebaseerd op: Dertouzos,M.L., Lester, R.K., Solow, R.M., & the MIT Commission on Industrial Productivity (1989). Made in America: regaining theproductive edge. The MIT Press.

Blume, S. (1985). The development of Dutch science policy in international perspective, 1965-1985. Den Haag: RAWB.

Burgelman, R.A., & Maidique, M.A. (1988). Strategic management of technology and innovation. Homewood, Illinois: Irwin.

Cyert, R.M., & Mowery, D.C. (1989). Technology, employment and U.S. competitiveness. Scientific American, 260 # 5, 28-35. Gebaseerd op Cyert, R.M., & Mowery, D.C. (1988). The impact of technological change on employment and economic growth. Ballinger Publishing Company.

Dickson, D. (1984). The new politics of science. New York: Pantheon. Dickson, D. (1990). Het verval van de geest. Amsterdam: De Balie.

Dosi, G., Freeman, C., Nelson, R., Silverberg, G., & Soete, L. (Editors, 1988) Technical change and economic theory. London:Pinter.

Economie met open grenzen. Economische Zaken (1990). SDU. Rathenau (1980). Maatschappelijke gevolgen van de micro-electronica. Rapport van de adviesgroep Rathenau. Den Haag: Staatsuitgeverij.

RAWB (1989). Bewegende grenzen - naar een beleid voorwetenschappelijk en technologisch onderzoek in de jaren '90. Den Haag

Schenk, H. (Redactie) (1987). Industrie- en technologiebeleid. Groningen: Wolters-Noordhoff.

SER (1982). Rapport werkgelegenheidseffecten micro-electronica met commentaar. Den Haag: SER.

Tijdelijke Adviescommissie voor de Uitbouw van het Technologiebeleid (voorzitter: prof. dr. W. Dekker) (1987). Wissel tussen kennis en markt. Den Haag: Ministerie van Economische Zaken.

Vernieuwingsplan in het kader van het Nederlands technologiebeleid. 1987. TU Delft, TU Eindhoven & U Twente.

Wetenschapsbudget 1991. Onderwijs en Wetenschappen. Den Haag: SDU-uitgeverij, 1990.

Wit, G.R. de, & Hovestadt, P.A. (1990). Technologie en werkgelegenheid. Den Haag: OSA. (OSA-werkdocument W 70; onderzoek: MERIT, Maastricht).

Bestuursstructuur, arbeidsvoorwaarden

ARHO (1988). Advies inzake de versterking van de bestuursorganisatie van universiteiten en hogescholen. Den Haag.

ARHO (1990). Eigen meesterschap in het personeels- en arbeidsvoorwaardenbeleid. Den Haag.

Coppens, I.M.T., Boorsma, P.B., & Koelman, J.B.J. (1989).Externe bekostiging in het beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs. Enschede: CSHOB.

Dommele, J. van (1990). Besturingsvraagstukken bij universitaire strategie-ontwikkeling. Universiteit en Hogeschool, 37, 130-140.

Hardy, C. (1990). 'Hard' decisions and 'tough' choices: the business approach to university decline. Higher Education, 20, 301-321.

Hofstee, W.K.B. (1990). Universitair bestuur en professionele waarden. Universiteit en Hogeschool, 36, 288-299.

Maassen, P.A.M., & Potman, H.P. (1990). Strategievorming in het hoger onderwijs: Problemen bij het streven naar meer differentiatie van universiteiten. Beleidswetenschap, 112-130.

Maassen, P.A.M., & van Vught, F.A. (1990). Strategic planning. Enschede: CSHOB. (artikel geschreven voor the Encyclopedia of Higher Education).

Slootman, A.W., & Vught, F.A. van (redactie) (1980). Arbeidsvoorwaardenbeleid in het wetenschappelijk onderwijs. Ontwikkelingen en veranderingen, knelpunten en mogelijkheden. Culemborg: Lemma. Boekbespreking in Tijdschrift voor Hoger Onderwijs 1990, 8, 38-40.

Vries, P. de (Redactie; 1990). Bekostiging en doelmatigheid in het hoger onderwijs. Enschede: CSHOB.

Vries, P. de, Koelman, J.B.J., & Boorsma, P.B. (1990). Bekostiging van het specifieke hoger onderwijsbeleid. Zoetermeer: Ministerie van O en W.




Lijst van afkortingen


AgM   Adviesgroep Materialen
aio's   assistenten in opleiding
ARO   Adviesraad Onderwijs
ARHO   Adviesraad voor het Hoger Onderwijs
AU   Algemene Universiteit
AWT   Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid
BSe   Bachelor of Science
BUWP   Beleidsnota Universitair Wetenschappelijk Personeel
CAD/CAM   Computer Aided Design/Computer Aided Manufacturing
CTW   Commissie van advies voor de Technische Wetenschappen
CvB   College van Bestuur
DEA   Diplómes des Etudes Approfondies
DEES   Diplómes des Etudes Supérieures Spécialisées
DEUG   Diplóme d'Etudes Générales
DUT   Diplóme Universitaire de Technologie
EZ   Ministerie van Economische Zaken
FEANI   Fédération Européen d'Association Nationales d'Ingénieurs
gti's   grote technologische instituten
HBO   Hoger Beroepsonderwijs
HOOP   Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan
HTO   Hoger Technisch Onderwijs
HTS   Hogere Technische School
NIVR   Nederlands Instituut voor Vliegtuigontwikkeling en Ruimtevaart
NLR   Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratium
oio's   onderzoekers in opleiding
O&W   Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen
RAWB   Raad van Advies voor het Wetenschapsbeleid (opgeheven per 1.1.91, nu AWT)
ROA   Research Centrum Onderwijs en Arbeidsmarkt
RCO   Raad van de Centrale Ondernemingsorganisaties.
SCO   Stichting Centrum voor Onderwijsonderzoek
SoZaWe   Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
STW   Stichting voor de Technische Wetenschappen
TNO   Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk   Onderzoek
TOC   Telematica Onderzoekcentrum
TUD   Technische Universiteit Delft
TUE   Technische Universiteit Eindhoven
TU's   Technische Universiteiten
TWO   Technisch-Wetenschappelijk Onderwijs
UT   Universiteit Twente
VROM   Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
V&W   Ministerie van Verkeer en Waterstaat
VWO   Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs
WHW   Wet op het Hoger onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek
WO   Wetenschappelijk Onderwijs
WRR   Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid
WW0   Wet op het Wetenschappelijk Onderwijs





Publikatie van de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) en de Adviesraad voor het Hoger Onderwijs (ARHO) Publication of the Advisory Council for Science and Technology Policy (A WI) and the Advisory Council for Higher Education (ARHO)

Druk/Print
SDU Drukkerij, Den Haag

Uitgave/Edition
juli/July 1991

Verkoopprijs/Price

Dfl. 25,-

ISBN 90 346 2617 2


Ontwikkelingen

De AWT heeft het pre-advies afgeschoten, op basis van het argument dat het een extra bestuurslaag zou opleveren. Zelden zo'n zwak argument gehoord (in Scandinavische landen is dit prima opgelost; waar een centrale initiator gewenst is en het departement die rol bij voorkeur juist niet moet spelen, hoe kan het dan anders? Door een 'platform' - een eendagsvlieg - op te richten?). Opvallend is ook de redactie van het advies van de AWT, die losgezongen lijkt van het werk van de pre-adviseurs. Het is mij altijd onduidelijk gebleven welk belangenspel (op het bureau van de AWT zelf?) hierachter heeft gespeeld; de zaak was al zo beslist vooruitlopend op de raadsvergadering. Wat niet wegneemt dat de raad veel waardering had voor de grondige inhoudelijke aanpak in het pre-advies, waarin o.a. opviel het punt van de discipline-gewijze organisatie van het wetenschapsbedrijf wereldwijd, en de verstrekkende gevolgen die dat feit heeft voor het welslagen van innovatie-pogingen, die immers de grenzen van bestaande disciplines wel moeten schenden. Voor Ackermans en De Jong was een en ander een teleurstelling, maar uiteraard accepteerden zij de eigen verantwoordelijkheid van de Raad. Het in het pre-advies gesignaleerde beleidsvacuüm heeft dus ongehinderd voort kunnen bestaan, het Innovatieplatform vult dat tot nu toe slechts met babbels.

En de ARHO? Dat was een club in opheffing, die heeft weinig ingebracht. De opvolger, de Adviesraad Onderwijs (ARO), waarin ook primair en secundair onderwijs behartigd werden, heeft het evenmin lang volgehouden. Uiteindelijk is de aloude Onderwijsraad met alle advieswerk belast, nu eindelijk dus ook voor het wetenschappelijk onderwijs - de herinnering aan de Academische Raad was ondertussen voldoende vervaagd.

Na meer dan tien jaar vindt het Kabinet het kennelijk toch van belang iets te gaan innoveren, vandaar het lusteloze Innovatieplatform dat ergens in 2004 moeizaam op gang komt (zie de site). Het Platform heeft de werkzaamheden gedelegeerd naar een reeks projectgroepen, allemaal ook weer zorgvuldig volgens het beginsel van evenredige vertegenwoordiging samengesteld. De praatclub die het meest verwant is aan de Ackermans-De Jong thematiek is het Project Sleutelgebieden Nederlandse economie 2005.

Maarten Cornet, Free Huizinga, Bert Minne en Dinand Webbink (2006). Kansrijk kennisbeleid CPB 124. pdf


Nieuwere literatuur, en bijzondere oudere literatuur




Ben R. Martin (2010). The origins of the concept of 'foresight' in science and technology: An insider's perspective. Technological Forecasting & Social Change, 77, 1438-1447. abstract




John Irvine (Ed.) (1997). Equipping Science for the 21st Century. Edward Elger. site



Auke van Dijk, Jaap Frankfort, Tom Horn & Kees Vos (1993). Wetenschaps- en technologiebeleid in Nederland. DSWO Press. isbn 9066950943

AWT (2007). Weloverwogen impulsen. Strategisch investeren in zwaartepunten. Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid. pdf

Peter van den Besselaar & Edwin Horlings (2011). Focus en massa in het wetenschappelijk onderzoek: de Nederlandse onderzoeksportfolio in internationaal perspectief.. Rathenau Instituut. pdf, brochure

Gordon, Mordechai (2007). What makes interdisciplinary research original? Integrative scholarship reconsidered. Oxford Review of Education, 33, 195-209.

James Dawson, Jan van Steen, Barend van der Meulen (2009). Science Systems Compared: a First Description of Governance Innovations in Six Science Systems. The Hague, Rathenau Instituut. pdf

B. Jacobs & J. J. M. Theeuwes (Red.) (2004). Innovatie in Nederland. De markt draalt en de overheid faalt. Preadviezen van de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde 2004. pdf hele boek

Dominic J. Brewer, Susan M. Gates and Charles A. Goldman (2002). In pursuit of prestige. Strategy and competition in U.S. higher education. New Brunswick: Transaction Publishers.

Brookman, Frits Henry Brookman (1979). The making of a science policy. A historical study of the institutional and conceptual background to Dutch science policy in a West-European perspective. proefschrift VU. Academische Pers.

Jewkes, John Jewkes, David Sawers & Richard Stillerman (1958). The sources of invention. Macmillan.

Ina Spiegel-Rösin, and Derek de Solla Price (Eds) (1977). Science, technology and society. A cross-disciplinary perspective. London: SAGE. isbn 0803998589 (ao: Salomon: Science policy studies - Ravetz: Criticisms of science - Mulkay: Sociology of the scientific research community - MacLeod: Changing perspectives in the social history of science - Layton: Conditions of technological development - Freeman: Economics of research and development - Fisch: Psychology of science. Lakoff: Science policy studies - Nelkin: Technology and public policy) [in 1990 had ik dit boek graag bij de hand gehad]

Vereniging van Burgerlijk Ingenieurs (1895). Verslag der Commissie inzake het Technisch Onderwijs, benoemd ingevolge het besluit van de Algemeene Vergadering der Vereeniging van Burgerlijk Ingenieurs, op 18 Juli 1891, te 's-Gravenhage. 's-Gravenhage: Gebr. Belinfante, voorheen A. D. Schinkel. [234 blz quarto]


Over Edsger Dijkstra's productieve werk (Nederland's gemiste kans in informatica) zie deze website


Innovatieplatform: kennisinvesteringsagenda . Platitudes.

Carolien Nout (Red.) (2007). Handboek Innovatieplatform. Wetenschappelijke visies op de werkwijze van het Innovatieplatform. Innovatieplatform. isbn 9789074948050

> Burns, Tom R. Burns & Reinhard Ueberhorst (1988). Creative democracy. Systematic conflict resolution and policymaking in a world of high science and technology. Praeger.


Maarten Cornet, Free Huizinga, Bert Minne en Dinand Webbink (juli 2006). Kansrijk kennisbeleid. CPB Document 124. pdf


Robbert Dijkgraaf (26 mei 2007). Disciplines op drift. NRC (column p. 50)


Een interessant interdisciplinair samenwerkingsverband ontstaat in 2009 tussen drie winnaars van de Spinozapremie 2009: Albert van den Berg, natuurkundige, Michel Ferrari, neuroloog, en Marten Scheffer, bioloog, gaan samen onderzoek doen naar migraine: waarom komen die aanvallen op de momenten dat ze komen, en waarom normaliseert dat na enige dagen weer? De chip-techniek van de natuurkundige kan de bloedwaarden op een niet belastende manier monitoren, de bioloog maakt een model om de omslagpunten te voorspellen, de neuroloog is de migraine-onderzoeker. Succes. [NRC weekblad 4 juli 2009, wetenschapinterview, 20-23

Wiskunde in beweging. isbn 903462725x

Dit rapport levert een aardig contrast op met dat van Ackermans en De Jong. Deze verkenningscommissie wil meer van hetzelfde en de positie van wiskundigen verbeteren. Ackermans en De Jong kijken naar wat voor Nederland van belang is voor een goede toekomstige ontwikkeling. Of heb ik nu te oppervlakkig naar het rapport van de Verkenningscommissie gekeken?


29 november 2016 \ contact ben apenstaartje benwilbrink.nl

Valid HTML 4.01!   http://www.benwilbrink.nl/publicaties/91TechnUniversiteitenAWT.htm