Amsterdam: SCO-Kohnstamm Instituut. (rapport 339)

NO-SHOW EN LOW-SHOW IN HET WETENSCHAPPELIJK ONDERWIJS

Hoe beurs-, tempo- en keuzeproblemen van studenten leiden tot schijnbare afwezigheid

Ben Wilbrink
Uulkje de Jong
Marjon Voorthuis

Inhoud

1 Samenvatting

2 Inleiding

2.1 over no-show
2.2 opdracht en vraagstelling
2.3 opzet van het onderzoek
2.4 theoretisch kader

3 Wie zijn deze no-show studenten? Vragenlijstonderzoek

3.1 vragenlijst en respons
3.2 te onderscheiden deelgroepen in de no-show
3.3 klassificatie naar voortzetting van studie in hbo/wo
3.4 no-show studenten volgen toch onderwijs (vraag 2)
3.5 duur van de no-show studie (vraag 3)
3.6 studiefinanciering (vraag 4)
3.7 bedoeling met de studie (vraag 8)
3.8 waarom gestopt met de no-show studie? (vraag 10)
3.9 overwegingen bij de studiekeuze (vraag 9)
3.10 voorspellen van studieloopbaan-beslissingen
3.11 verschillen naar studierichting

4 Wie zijn deze no-show studenten? Bestandsonderzoek

4.1 beschrijving van beschikbare bestandsgegevens
4.2 op inschrijvingsgegevens onderscheiden no-show
4.3 analyse van de non-respons
4.4 relatie tot typeringen uit vragenlijstgegevens
4.5 hangt no-show af van opleiding, leeftijd e.d.?
4.6 voorspellen van studieloopbaan-beslissingen
4.7 low-show en no-show zijn nauw verwant
4.8 no-show en low-show in '90-'91 versus '91-'92
4.9 voorspellen wie no-show of low-show worden

5 Conclusies en discussie

Literatuur

Bijlagen
Enkele opmerkingen van respondenten
Kenschets van enkele groepen respondenten
Vragenlijst onderzoek no-show

1 Samenvatting

Vrijwel iedere studierichting heeft studenten die zich wel hebben ingeschreven maar geen tentamens afleggen. Voor deze studenten-die-niet-komen-opdagen is de term "no-show' in gebruik geraakt. Elders spreekt men wel van spookstudenten. No-show is geen verschijnsel dat uniek is voor de laatste decennia van de twintigste eeuw. In vroeger tijden was een bekende figuur dat men zich wel aan hogescholen inschreef om te kunnen profiteren van bepaald privileges, zoals een behoorlijk volume wijn en bier dat men dan belastingvrij kon kopen. In de middeleeuwen leidden vele studenten een trekkend leven, waarbij zij zich telkens bij andere universiteiten lieten inschrijven, ook wanneer zij daar maar kort verbleven. Administratieve perikelen zijn van alle tijden, maar dat is geen reden hedendaagse no-show niet verder te onderzoeken.

Een no-show student staat wel bij de studierichting ingeschreven, maar legt geen examenonderdelen af. Voor dit onderzoek is no-show beperkt tot degenen die zich bij deze studierichting voor het eerst als student voor de propedeuse inschrijven, per 1 december aan hun financiële verplichtingen hebben voldaan, en in het eerste inschrijvingsjaar niet aan enig examenonderdeel hebben deelgenomen. Volgens deze definitie vallen enkele groepen studenten buiten het onderzoek, die volgens de administratie van de studierichting no-show zijn, maar bijv. geen collegegeld hebben betaald. Een low-show student is voor dit onderzoek een student die niet meer dan 10% van de studiepunten behaalt in het eerste jaar van inschrijving; overigens is dezelfde definitie van kracht als hierboven voor no-show gegeven. De studierichtingen die meedoen in het onderzoek zijn: Rechten, Frans, Muziekwetenschap, Geschiedenis, Politicologie, Culturele Antropologie, Sociologie, Wiskunde, Informatica en Biologie. Het onderzoek levert conclusies op die in beperkte mate zijn te generaliseren: de aard van no-show en low-show zoals in dit onderzoek onthuld, heeft algemene geldigheid; maar kwantitatieve verhoudingen voor deze of gene studierichting kunnen niet zonder meer worden gegeneraliseerd naar andere studierichtingen, universiteiten, en studiejaren.

Bij de opzet van het onderzoek is uitgegaan van de grondgedachte dat no-show een uiting is van problemen die de betreffende studenten hebben met de keuze van een studie. De vraagstelling voor het onderzoek is daarom gericht op het inventariseren van andere studies die men eerder, tegelijk, of later is gaan volgen; motieven voor studiekeuze en voor stoppen met de no-show studie; persoonlijke omstandigheden zoals wijze van financiering van de studie, tijd besteed aan werk of aan andere studie, e.d.

Aan alle 297 no-show studenten in het cohort 1991-'92 is een vragenlijst gestuurd, van 143 studenten zijn deze ingevuld terugontvangen, in een aantal gevallen via een telefonisch interview. Omdat het cohort 1991-'92 2417 studenten omvat, lijkt het alsof het percentage no-show 12,3 is. In de optiek van de beheerders van de studierichtings-administraties is dat juist: zij registreren immers die 12,3 % no-show. Het probleem is dat er 276 studenten in dit cohort zijn opgenomen omdat zij een tweede studie doen bij een van de 10 in dit onderzoek betrokken studierichtingen. Onder deze '2e studie' inschrijvers is de no-show 40,6 %, en onder de overige '1e studie' inschrijvers is de no-show 8,6 %! Het percentage no-show vermindert dus drastisch wanneer niet het studierichtingsbestand, maar de studieloopbaan van de student het uitgangspunt is! Juist over die studieloopbaan is op basis van de vragenlijst meer bekend: no-show studenten zijn van te elkaar te onderscheiden naar hoe hun verdere loopbaan eruitziet, kortweg hun 'bestemming' genoemd. De no-show blijkt in veel gevallen niet meer dan een episode in die loopbaan te zijn geweest, een studiekeuze die na enige tijd is herzien. Tabel 1 geeft het overzicht van de no-show zoals deze bij de 10 studierichtingen is geconstateerd. Omdat uit het onderzoek blijkt dat no-show zelden letterlijk is op te vatten, is iedere vorm van no-show nader gekwalificeerd als 'tijdelijk,' 'omzwaai,' etc. De conclusie die alles domineert is dat no-show geen eenvormig verschijnsel is: de no-show bestaat uit verschillende groepen studenten met ieder hun eigen motieven, achtergronden, en verdere loopbaan.

Tabel 1 Percentages no-show in cohort 1991-'92 voor 10 studierichtingen aan de UvA .


aard van de totaal 1e studie 2e studie
no-show naast 1e
n=2417 n=2141 n=276

zijdelings no-show (1e) 0,7 % 0,8 % -
zijdelings no-show (2e) 2,4 - 21,0
tijdelijk no-show (1e)1,3 1,4 -
tijdelijk no-show (2e) 0,1 - 0,7
afzwaai no-show 2,2 2,5 -
omzwaai no-show (1e) 3,6 4,1 -
omzwaai no-show (2e) 0,2 - 1,4
'echte' no-show 0,2 0,3 -
pseudo no-show 1,5 - 13,4 %

subtotalen 9,1 % 36,6 %
totaal 12,2 %

Noot. Zie ook de noot bij Tabel 5. De percentages zijn verkregen door verhoudingen in de responsgroep van 143 studenten rechtlinig te vertalen naar de hele groep no-show van 297 studenten, en vervolgens naar het hele cohort van 2417 studenten. Deze percentages zijn nadrukkelijk niet representatief voor andere studierichtingen, instellingen en studiejaren, en zeker niet voor de situatie die na invoering van de tempobeurs voor het jaar 1993-'94 ontstaat.

'echte' no-show.
De 'echte no-show' zijn degenen die nooit de bedoeling hebben gehad het onderwijs te volgen; zij maken oneigenlijk (geen frauduleus!) gebruik van hun inschrijving en de daaraan verbonden privileges. Waarschijnlijk is deze groep in het onderzoek ondervertegenwoordigd, en is 0,2 % een te laag percentage. De tempobeurswet maakt het minder aantrekkelijk zich alleen in te schrijven om tegen betaling van collegegeld een basisbeurs en OV-kaart te krijgen.

tijdelijk no-show.
Het onderzoek is beperkt tot no-show in het eerste jaar van de studie. Volgens deze definitie zijn studenten als no-show aangemerkt die in het eerste jaar geen tentamens afleggen, maar dat in het tweede jaar wel doen of van plan zijn te doen: zij zijn tijdelijk no-show geweest. Het gaat bij deze 10 studierichtingen om 1,4 % van de inschrijvingen; dit zijn veelal studenten met een andere hoofdstudie of een (volledige) baan.

afzwaai no-show.
Studenten die het hoger onderwijs verlaten, ook al is dat soms maar tijdelijk, zonder tentamens te hebben afgelegd vormen 2,2 % van het cohort. Deze 'afzwaai no-show' nemen wel degelijk deel aan colleges, en ook worden er wel tentamens voorbereid, zij het niet afgelegd. Zij geven desgevraagd aan dat een studie in het wo op dit moment te zwaar is, en dat de studie niet interessant is gebleken. Een opmerkelijk gegeven is dat deze afzwaaiers een behoorlijk aantal maanden nodig hebben om tot hun beslissing te komen.

Omzwaai no-show.
Er is een belangrijke groep van studenten die volledig voor de studie beschikbaar zijn, zich oriënteren, evenwel niet deelnemen aan een tentamen, en dan omzwaaien, mogelijk naar het HBO. De omvang van deze 'omzwaai no-show' is 4,1 % van het cohort. De keuze voor de nieuwe studie blijkt hoger gemotiveerd dan die voor de eerdere no-show studie, waarmee de respondenten aangeven dat zij menen dat omzwaaien een juiste belissing was. De reden om met de no-show studie te stoppen lag in teleurstelling over de mate waarin de studie interessant bleek te zijn.

pseudo no-show.
Er is één bijzondere groep no-show die met het in de WHW loslaten van de beperkte inschrijvingsduur van de propedeuse zal verdwijnen: de studenten die zich alleen maar inschrijven om hun studiefinanciering te kunnen behouden terwijl zij nog bezig zijn in het derde inschrijvingsjaar de propedeuse voor hun studie elders te behalen. De verantwoordelijke minister heeft in antwoord op kamervragen over deze constructie gezegd dat universiteiten zeker gerechtigd zijn studenten die van deze mogelijkheid profijt kunnen hebben daar op te wijzen. Deze studenten slagen doorgaans voor die 'oude' propedeuse, maar zijn in vergelijking tot andere groepen toch wat aarzelender en minder gemotiveerd voor die studie waar ze zo laat de propedeuse voor behalen. Deze 'pseudo no-show,' het gaat immers om pseudo-inschrijvingen, betreft1,6 % van het onderzochte cohort 1991-'92.

zijdelings no-show.
Voor studenten die zich buiten de eigen studie wat breder willen oriënteren is het heel eenvoudig zich daartoe voor een tweede studie in te schrijven: er zijn aan zo'n tweede inschrijving geen extra kosten en verplichtingen verbonden. De no-show voor de groep met een tweede studie erbij is 2,7 % van het hele cohort, en een kwart van alle tweede inschrijvingen. Deze studenten hebben niet de bedoeling in deze tweede studie het doctoraal te halen, en maar een kwart geeft in het vragenlijstonderzoek aan wel ingeschreven te hebben met de bedoeling de propedeuse te halen. Zij zijn gestopt met deze extra studie omdat de combinatie met een andere studie of werk te zwaar is. Zij zijn te betitelen als 'zijdelingse no-show,' omdat zij in hun hoofdstudie wel degelijk hun studiepunten halen. Mogelijk remt de tempobeurswet het aantal tweede studies iets af, omdat het in de eerste studie voldoende punten behalen voor de tempobeursnorm prioriteit zal krijgen boven zo'n extra studie.

no-show en low-show
Van alle eerstejaars in de propedeuse blijkt ongeveer 20% no-show of low-show te zijn, volgens de registers van de studierichtingen (Zie de paragrafen 4.7 en 4.8.). No-show en low-show zijn geen wezenlijk verschillende verschijnselen, maar zij kunnen ten opzichte van elkaar in omvang sterk verschillen. Bij direct vanuit het VWO ingestroomde studenten komt low-show vaker voor dan no-show. Bij studenten die niet volledig voor de studie beschikbaar zijn komt no-show veel vaker voor dan low show. Naarmate de beschikbaarheid voor de studie afneemt en naarmate de instroom minder direct is, wordt de verhouding van het aantal low-show studenten tot no-show studenten kleiner; tegelijk stijgt de kans dat men no-show of low-show wordt.

Deze no-show of low-show is niet op voorhand te voorspellen. Er is hier sprake van een paradox, omdat het tegelijk wel waar is dat de kans om tot de no-show of low-show te gaan behoren toeneemt naarmate men ouder is, een voorgeschiedenis in het hoger onderwijs heeft, e.d. De oplossing van de paradox is dat voor iedere gegeven combinatie van achtergrondgegevens de kans altijd kleiner is dat de student behoort tot de no-show of low-show groep, dan tot de overige 80 % van de studenten! De aanpak van no-show kan dus niet in de sfeer van selectie worden gezocht, wat dat betreft is met de tempobeurswet, een prikkel op het behalen van studiepunten, zeker een goede beleidskeuze gemaakt. Voor studieadviseurs betekent de onvoorspelbaarheid van no-show en low-show dat in de groep aankomende eerstejaars geen risicogroep is af te zonderen die zij al in de eerste maanden van de studie in het oog zouden kunnen houden.

no-show, low-show, en de tempobeurswet
De resultaten van dit onderzoek duiden erop dat de tempobeurswet een onvoorziene uitwerking kan hebben op de keuzestrategie van vooral die studenten die na enkele weken of maanden ontdekken niet de goede studie te hebben gekozen. De universitaire propedeuse moet voor deze omzwaaiers een goede instapmogelijkheid halverwege het studiejaar bieden, conform de redelijkheidseisen die de tempobeurswet aan de studierichtingen stelt. De tekst van de wet spreekt niet over de tussentijds instromende studenten, en sluit de redelijkheidseis voor deze bijzondere groep dus niet uit. Dat hier een ernstig probleem ligt blijkt ook uit het feit dat relatief veel no-show studenten wachten tot het nieuwe studiejaar om dan pas aan een andere studie in WO of HBO te beginnen. Studentendecanen zouden een centraal meldpunt kunnen vormen, en kunnen bemiddelen naar de studierichtingen waar omzwaaiers tussentijds willen instromen.

Verschillen studierichting van elkaar? En studiejaren?
Studierichtingen verschillen niet van elkaar in de aard van de no-show. Er is evenmin verschil tussen de studierichtingen waar het gaat om de voorspelbaarheid van no-show en low-show: gegeven de studierichting en de persoonlijke gegevens in het CSA-bestand is niet te voorspellen of studenten behoren tot de no-show, de low-show, of de overigen. Studierichtingen verschillen wel van elkaar in de omvang van de no-show en low-show, maar deze verschillen zijn tussen de twee onderzochte jaren niet stabiel (Zie de figuren 4.8.3 en 4.8.4.); de oorzaken voor deze verschillen van jaar tot jaar zijn niet gevonden, het gaat waarschijnlijk om een samenspel van meerdere maatschappelijke invloeden, waaronder veranderingen in regelgeving en studiefinanciering. Deze fluctuaties in aantallen low-show en no-show van jaar tot jaar en van studierichting tot studierichting hebben mede tot gevolg dat numerieke rendementen dan ook instabiel zijn. De meeste redenen voor no-show hebben te maken met wat studenten elders doen: een hoofdstudie elders, een volledige baan; daar heeft het beleid van de studierichting natuurlijk geen greep op, al valt te onderzoeken of aan deze groepen studenten een onderwijsaanbod is te doen dat wel valt te combineren met andere verplichtingen.

No-show en low show studenten zijn een belangrijke doelgroep bij de oriënterende en selecterende functie van de propedeuse. No-show wijst op behoefte aan signalering en begeleiding, niet aan controle en extra regelgeving. De omvang van no-show en low-show wordt niet direct bepaald door de inrichting van studieprogramma's of de kwaliteit van het onderwijs. Het gaat om een zoekproces, om oriëntatie en zelf-selectie in het eerste halve jaar van de studie. De andere kant van het verschijnsel is dat studierichtingen niet altijd oog blijken te hebben voor halverwege het eerste studiejaar toezwaaiende studenten: veel studenten zien kennelijk zo weinig reële mogelijkheden voor tussentijds instappen dat zij het begin van het volgende studiejaar afwachten. Door deze afwachtende houding van studenten is het probleem in het verleden misschien ook minder zichtbaar gebleven. Voor het beleid op het niveau van de studierichtingen ligt hier een uitdaging, en bovendien een door de tempobeurswet gegeven aansporing, om redelijke instapmogelijkheden te creëren.

2. Inleiding

In het wetenschappelijk onderwijs is het altijd al zo geweest dat niet alle ingeschreven studenten (op tijd) hun tentamens komen afleggen. Een aantal is door ziekte of andere persoonlijke omstandigheden verhinderd. Een andere goede reden is dat studenten de studie al vroeg kunnen staken zonder dat aan de administratie te melden. Bij elkaar gaat het, zeker in de propedeuse, om zulke grote aantallen dat het gewenst is inzicht te krijgen over aard en omvang van dit grote wegblijven, verder 'no-show' te noemen. De kern van het probleem is dat no-show blijkt op het niveau van de studierichting. Het is een misverstand uit tien tot twintig procent no-show bij studierichtingen te concluderen dat dan ook 10 tot 20 procent van de studenten in het wetenschappelijk onderwijs in het geheel niet zouden studeren: de typische no-show student is omgezwaaid naar een andere studierichting, voor een andere groep was de no-show studie een tweede studie waarvoor zij zich inschreven naast hun hoofdstudie. In iets mindere mate geldt hetzelfde voor studenten die wel op een enkel tentamen verschijnen, maar geen of heel weinig punten halen: de 'low-show' studenten.

2.1 Over no-show

Uit het feit dat een student zich heeft ingeschreven voor een studie volgt niet als vanzelfsprekend dat deze student dan ook colleges loopt, praktische onderdelen doet, en tentamens aflegt. Een deel van de ingeschreven studenten vertoont zich in het geheel niet, althans niet op tentamens. Naar analogie met de luchtvaart, waar men rekent met een bepaald percentage van de boekingen waar de reizigers niet of niet tijdig voor vertrek aanwezig zijn, is er ook in het hoger onderwijs sprake van no-show. Elders spreekt men wel van spookstudenten. Het gaat bij deze no-show om relatief hoge percentages van tien tot twintig, en dat is een belangrijk deel van de totale uitval op studierichtingsniveau.
No-show is geen verschijnsel dat uniek is voor de laatste decennia van de twintigste eeuw. In vroeger tijden was een bekende figuur dat men zich wel aan hogescholen inschreef om te kunnen profiteren van bepaald privileges, zoals een behoorlijk volume wijn en bier dat men dan belastingvrij kon kopen. In de middeleeuwen leidden vele studenten een trekkend leven, waarbij zij zich telkens bij andere universiteiten lieten inschrijven, ook wanneer zij daar maar kort verbleven.

Een omgekeerde vorm van no-show zijn studenten die wel studeren, maar niet staan ingeschreven. Het kwam in de tijd van de reformatie wel voor dat de inschrijvings-voorwaarden sommige studenten afschrokken, bijvoorbeeld wanneer er een religieuze eed of gelofte moest worden afgelegd zoals in de eerste decennia van het bestaan van de Leidse Hogeschool het geval was. Een bijzonder verschijnsel in de geschiedenis van het hoger onderwijs is nog dat sommige instellingen zich naam hadden verworven als plaatsen waar men makkelijk examen kon afleggen, na in feite de studie elders te hebben gedaan (Harderwijk bijvoorbeeld): op de ene plek no-show op het examen, bij de andere instelling no-show in het aan het examen voorafgaande onderwijs. (noot: In historisch onderzoek, dat steeds meer gebruik maakt van sociologische onderzoekmethoden, is bestandsvervuiling een probleem waarvan onderzoekers zich steeds meer bewust zijn geworden. Zie Frijhoff(1981, 1992) voor ingangen tot deze literatuur.)

Het huidige no-show verschijnsel is onder andere een administratief probleem, omdat deze studenten vaak wel actief studeren, maar dan in een andere studierichting waar zij ook formeel zijn ingeschreven. Het valt dan ook niet in te zien hoe 'aanpakken van no-show studenten' zou kunnen leiden tot besparing op de begroting van O en W. De no-show passagier in de luchtvaart neemt een ander vliegtuig, en vliegt dus wel degelijk. Voor studierichtingen kan no-show wel verschil maken, afhankelijk van de balans tussen 'eigen' no-show studenten die in feite elders studeren, en 'vreemde' no-show die in feite hier studeren.
Al naar gelang de techniek voor het bepalen van numerieke rendementen kan no-show daar een meer of minder ernstig storende invloed op hebben. Numerieke rendementen per studierichting, berekend op basis van telkens het cohort studenten dat aan de betreffende studie is begonnen, bevatten dubbeltellingen van omzwaaiers waaronder no-show studenten. No-show studenten worden wel gerekend tot de studiestakers voor de studie waarin zij als no-show te boek staan, maar wanneer zij zich nooit in de gebouwen van deze studierichting hebben laten zien valt niet in te zien waarom zij voor het bepalen van het numeriek rendement meegeteld zouden moeten worden. De studierichting heeft immers niets kunnen doen of nalaten om deze studenten voor de betreffende studie te behouden. (noot: Tot de opvallende resultaten van dit onderzoek behoort dat no-show studenten vaak wel degelijk aan het onderwijs deelnemen, deels ook het eerste tentamen wel voorbereiden, maar aan dat tentamen niet deelnemen.

No-show is ook een vorm van bestandsvervuiling: studenten die in feite niet aan het examen deelnemen horen in het bestand niet thuis. Het kan zijn dat men zich heeft ingeschreven om daar zekere voordelen mee te behalen, zoals zeker het geval is voor de studenten die na twee jaar de propedeuse voor hun hoofdstudie nog niet behaald hebben. De belangrijkste reden is waarschijnlijk dat omzwaaiende studenten weinig belang hebben bij het zich afmelden. Degenen die stoppen met hoger onderwijs kunnen in verband met regelgeving van de overheid (de WHW) niet tussentijds worden uitgeschreven, ook niet wanneer zij alleen maar omzwaaien.

Het onderzoek kan ook inzicht geven in de mate waarin no-show een onvermijdelijk verschijnsel is. Voor een deel is no-show immers het verschijnsel van omzwaaien nog voordat de studie is aangevangen, of kort na de aanvang van de studie. Dit vroege omzwaaien hangt samen met de moeilijkheden die veel scholieren en studenten hebben met het bepalen van de definitieve keuze voor deze of gene studie, en is een goeddeels onvermijdelijke frictieproblematiek bij de aansluiting op het wetenschappelijk onderwijs.

2.2 Opdracht en vraagstelling

Voor dit onderzoek is opdracht gegeven door het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam. (d.d. 2 oktober 1993, kenmerk 492527/117415) Het College heeft daarbij toestemming gegeven tot gebruik van de gewenste gegevens uit de centrale studentenadministratie.

In het project 'Studieloopbanen in het Hoger Onderwijs' (De Jong, Koopman en Roeleveld, 1991) is de aandacht gevestigd op het verschijnsel dat er studenten zijn die zich wel centraal laten inschrijven bij een studierichting, maar vervolgens geen enkel studiepunt behalen. De onderzoekers hebben dit verschijnsel nader aangeduid met de term 'no-show.' In het Wetenschappelijk Onderwijs lijkt het om een zeer aanzienlijk aandeel van de eerstejaars-inschrijvingen te gaan, namelijk bij het cohort 1986 om ongeveer 20 %. Daarbij moet men er echter rekening mee houden dat er aanzienlijke verschillen tussen studierichtingen en cohorten optreden. Aanluitend op deze onderzoeksuitkomsten bestaat er bij de UvA behoefte meer inzicht te krijgen in de vorm en omvang van het verschijnsel en in de achtergronden, motieven en uiteindelijke (studie)loopbaan van de no-show studenten.

Het onderzoek is gesplitst in twee delen: een bestandsonderzoek bij een selectie van faculteiten naar de vorm en omvang van no-show; en een vragenlijstonderzoek naar de achtergronden, studiemotieven en huidige bestemming (verdere loopbaan) van de betrokken studenten.

Voor het bestandsonderzoek is de probleemstelling: is de vorm en omvang van no-show stabiel in de tijd en gelijk (verdeeld) over studierichtingen en faculteiten? Met de vorm van het verschijnsel wordt bedoeld: gaat het om studenten die helemaal niet zijn verschenen bij de studierichting, of om studenten die nooit een tentamenpoging hebben ondernomen (of om studenten die geen enkel studiepunt hebben behaald)? Met de omvang wordt bedoeld: welk deel van de studenten, uitgaande van de aantallen ingeschrevenen van de centrale studentenadministratie, kan worden aangemerkt als no-show student? Met stabiliteit wordt bedoeld: zijn er verschillen tussen de uitkomsten van dit jaar vergeleken met de uitkomsten van de twee voorafgaande jaren? Zo ja, op welk niveau liggen de verschillen: op het niveau van de studierichting, van de faculteit of van de instelling? Zijn er redenen te vinden voor eventuele stabiliteit resp. instabiliteit?

Voor het vragenlijstonderzoek is de bedoeling erachter te komen welke achtergrondkenmerken deze studenten hebben, welke motieven ze hadden voor de studie, welke reden ze hadden om niet te verschijnen, en wat ze vervolgens zijn gaan doen. De probleemstelling voor dit deel van het onderzoek is: zijn de kenmerken van no-show studenten gelijk (verdeeld) over studierichtingen en faculteiten?

De tijdsplanning voorzag in het einde van de verzameling van de bestandsgegevens per 31 oktober, einde vragenlijstafname per 16 december, en concept eindrapportage per 28 februari. Vooruitlopend op de rapportage van de resultaten van het onderzoek kan over deze tijdsplanning gemeld worden dat de bestandsgegevens pas per 1 februari volledig beschikbaar waren, waarbij de meest ernstige knelpunten zich voordeden bij het volledig krijgen van de geautomatiserde ISIS-bestanden op zowel het niveau van de studierichtingen als dat van de centrale studentenadministratie. Bij de studierichtingen bleek dat no-show studenten in het geheel niet in de bestandsuitdraaien voorkwamen, zodat op indirecte wijze de no-show studenten moesten worden geïdentificeerd. Bij het centrale bestand bleek pas bij het verrichten van de eerste analyses dat de inschrijvingen voor een tweede en derde studie (bij een van de tien aan het onderzoek deelnemende studierichtingen) niet in de selectie van eerstingeschreven propedeuse-studenten waren opgenomen, en ook niet opgenomen konden worden omdat voor deze tweede en derde inschrijvingen de ingangsdatum niet in het bestand is opgenomen. Pas in de loop van februari was het mogelijk een volledige lijst van no-show studenten op te stellen, op basis waarvan het vragenlijstonderzoek is gehouden (schriftelijk in april, in mei telefonisch onder de nog niet gereageerd hebbende studenten).

2.3 Opzet van het onderzoek

2.3.1. Definities

no-show
Een 'no-show' student staat wel bij de studierichting ingeschreven, maar legt geen examenonderdelen af. Voor dit onderzoek is no-show beperkt tot degenen die zich bij deze studierichting voor het eerst als student voor de propedeuse inschrijven, per 1 december aan hun financiële verplichtingen hebben voldaan, en bij deze studierichting in het eerste inschrijvingsjaar niet aan enig examenonderdeel hebben deelgenomen. Een praktische inperking, omdat alleen adresbestanden voor de tien deelnemende studierichtingen beschikbaar zijn, is dat de student zich bij de centrale administratie zich eveneens voor de betreffende studie heeft ingeschreven. Studenten met vrijstellingen, waarbij die vrijstellingen staan aangetekend in de administratie, zijn als no-show geteld wanneer zij overigens niet hebben deelgenomen aan enig tentamen of practicum. De door deze definitie uitgesloten groepen studenten zijn in paragraaf 2.3.4 nader omschreven, met een indicatie van de aantallen waar het om gaat. De studierichting die wil weten hoe omvangrijk de no-show is volgens de hier gegeven definitie zal het eigen bestand moeten vergelijken met dat van de centrale studentenadministratie, i.h.b. met het voor het CBS samengestelde '1 december bestand.' Niet alle studierichtingen maken deze vergelijking routinematig.

low-show
Een 'low-show' student is voor dit onderzoek een student die niet meer dan 10% van de studiepunten behaalt in het eerste jaar van inschrijving (aan de UvA zijn dat 4 studiepunten of minder); overigens is dezelfde definitie van kracht als hierboven voor no-show gegeven. In het bestandsonderzoek is ook naar low-show studenten gekeken, in verband met de 'tempobeurs'-wetgeving (Tweede Kamer '92-'93 nr. 22966), waar de minister deze norm van 10 % voorstelde. Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer kwamen veel hogere normpercentages ter sprake, uiteindelijk is voor de propedeuse de norm bepaald op een kwart van de studiepunten. Het onderzoek was ondertussen te ver gevorderd om low-show nog op 25 % te kunnen definiëren.

De inschrijving moet bij de Centrale Studentenadministratie (CSA) plaatsvinden, en ook nog eens bij de studierichtingsadministratie. Beide zijn wel nauw aan elkaar verbonden, maar geenszins identiek. De strikte definities zoals hierboven gegeven zijn nodig om goed met de talrijke verschillen tussen centrale en decentrale bestanden om te kunnen gaan. Zo is bij de CSA voor de inschrijvingen voor de tweede of derde studie moeilijk te achterhalen of het gaat om eerste inschrijvingen of niet. Er zijn studenten die bij de studierichting wel staan ingeschreven, maar niet in de 1-december telling voorkomen (bijv. omdat zij in de loop van het studiejaar zijn ingeschreven).

administratieve no-show
De term 'administratieve no-show' is gebruikt voor studenten die bij de CSA staan ingeschreven voor een studierichting waar zij onbekend zijn. Omdat de studierichting deze studenten niet kent, kunnen ze daar niet als no-show worden geteld. Administratieve no-show vloeit waarschijnlijk voort uit fouten en problemen van administratieve aard. Het is een lastige categorie, omdat sommige administratieve fouten verbeterd kunnen worden zodra ze ontdekt zijn. Een voorbeeld daarvan is het verkeerd noteren van een collegekaartnummer, waardoor de koppeling tussen CSA-bestand en studierichtingsbestand voor de betreffende student mislukt. Zo is lopende het onderzoek de aanvankelijke groep administratieve no-show aanzienlijk geslonken! Een andere administratieve omissie in studierichtingsbestanden is dat in de doctoraalfase instromende studenten of doorstroomstudenten niet altijd als zodanig zijn geregistreerd, waardoor zij ten onrechte bij de eerstingeschreven propedeusestudenten terechtkomen.

2.3.2 Verzamelde gegevens

Aan het onderzoek hebben de Faculteit der Rechtsgeleerdheid, de Faculteit van Politieke, Sociale en Cultureel-antropologische Wetenschappen (PSCW), de Faculteit der Letteren (met de studierichtingen Frans, Muziekwetenschappen, en Geschiedenis), en de studierichtingen Wiskunde, Informatica en Biologie deelgenomen, allen aan de UvA. De studieresultaten van hun eerstingeschreven propedeusestudenten van de cohorten 1989-'90, 1990-'91, en 1991-'92 hebben zij ter beschikking gesteld. De Centrale Studenten Administratie heeft de nodige centrale bestanden ter beschikking gesteld; het bestand voor de eerstingeschrevenen 1989-'90 bleek niet eenvoudig beschikbaar te zijn omdat het geen ISIS-bestand is, reden om dit cohort buiten het onderzoek te laten.

Het onderzoek is gesplitst naar een bestandsonderzoek en een vragenlijstonderzoek. Bestandsgegevens zijn allereerst gebruikt om de no-show en low-studenten te kunnen identificeren. Onder de no-show studenten in het studiejaar 1991-'92 is het vragenlijstonderzoek gehouden. Het bestandsonderzoek is gehouden voor de cohorten van 1990-'91 en 1991-'92. De bestandsgegevens zijn voornamelijk de persoonlijke achtergrondgegevens zoals door de CSA geregistreerd. De vragenlijstgegevens zijn al die gegevens die alleen van de studenten zelf te verkrijgen zijn, waarvan de belangrijkste zijn onder welke omstandigheden men destijds aan de no-show studie is begonnen, waarom men daarmee is gestopt, en welke andere studies men mogelijk heeft gevolgd voorafgaand aan, tegelijk met, of na de no-show studie.

2.3.3 Data-analyse

Omdat het om een verkennend onderzoek gaat zijn vele verschillende statistische technieken gebruikt om de verzamelde gegevens in hun onderlinge samenhang te beschrijven. De resultaten zijn zoveel mogelijk in grafische vorm gepresenteerd, om de ook na samenvatting van de resultaten nog dreigende overdaad aan gegevens overzichtelijk te houden.

Er is op meerdere plaatsen gebruik gemaakt van een bijzondere statistische techniek: multiple discriminantanalyse (MDA). Deze in de sociale wetenschappen weinig gebruikte techniek leent zich uitstekend voor onderzoek waarbij veel van elkaar te onderscheiden groepen betrokken zijn. In dit onderzoek zijn er 10 studierichtingen, 3 groepen studenten (no-show, low-show en overigen), twee jaargangen, verschillende categorieën inschrijvingen, en naar nog zal blijken een fors aantal binnen de no-show te onderscheiden deelgroepen. MDA is gebruikt om te onderzoeken of er belangrijke verschillen tussen bepaalde groepen zijn, en vooral of no-show en low-show voorspelbaar zijn. MDA is ook een aantrekkelijke techniek omdat de analyse-resultaten op een heel inzichtelijke manier zijn te presenteren: als het aantal studenten voor wie de voorspelling dat zij tot deze of gene groep horen goed, resp. fout is.

Het onderzoek levert conclusies op die in beperkte mate zijn te generaliseren: de aard van no-show en low-show zoals in dit onderzoek onthuld, heeft ongetwijfeld algemene geldigheid; maar kwantitatieve verhoudingen voor deze of gene studierichting kunnen niet zonder meer worden gegeneraliseerd.
Noot. Bijvoorbeeld kent de Erasmus Universiteit een bijzondere samenstelling naar studierichtingen, waardoor de no-show problematiek voor de Sociale Wetenschappen een heel bijzondere vorm krijgt: daar komen de 'derdejaars propedeusestudenten' terecht die zich in de andere grote studierichtingen aan de EUR niet kunnen inschrijven vanwege plaatsings- of numerus fixus regelingen. Zie Van den Bergh (1993).

2.3.4 Groepen die niet in het onderzoek zijn betrokken

Er zijn een aantal administratieve groepen die buiten het onderzoek vallen, maar die zonder koppeling met gegevens uit andere bestanden op het niveau van de studierichting of van de CSA als no-show zouden worden aangemerkt. In een niet in dit rapport opgenomen tussentijdse rapportage zijn voor al deze groepen per studierichting en jaarcohort de aangetroffen aantallen vermeld (Tussenrapportage t.b.v. de begeleidingscommissie 15 maart 1993). Er zijn over deze groepen dus wel kwantitatieve gegevens voorhanden, maar zij zijn niet in het vragenlijstonderzoek betrokken, en evenmin in de analyses in de hoofdstukken 3 en 4.

doorstromers
Studenten die na het afronden van een hbo-opleiding een doorstroom-programma komen volgen worden nogal eens in de studierichtingsadministraties van de PSCW niet als zodanig vermeld. Wanneer zij op grond van de CSA-gegevens wel als zodanig herkenbaar zijn, zijn ze alsnog uit de studierichtingsbestanden verwijderd. Doorstromers die als zodanig centraal staan geregistreerd vallen dus buiten het te onderzoeken cohort. Voor het vragenlijstonderzoek blijven ook die studenten buiten beschouwing die op grond van andere gegevens doorstromer blijken te zijn.

komt niet voor in de 1-decembertelling
Studenten die wel bij de studierichting staan ingeschreven, maar niet in de 1-decembertelling voorkomen, blijven buiten het onderzoek; zij hebben niet voldaan aan de betalingsverplichtingen. In bijzondere gevallen kan het studenten betreffen die in de loop van het jaar zijn ingeschreven, wat in de studierichtingsbestanden doorgaans niet expliciet is aangegeven, maar soms wel kan worden afgeleid uit het studiepatroon: bijvoorbeeld wel deelname aan tentamens later in het jaar, en in het bezit van een 'hoog' collegekaartnummer.
In 1990-'91 zijn er 88 studenten, waarvan 37 no-show, en 17 low-show. Voor 1991-'92 zijn deze aantallen resp. 106, 51 en 13.

geen propedeuse
Studenten die centraal staan geregistreerd voor (post-) doctoraal onderwijs in deze studierichting maar in de studierichtingsadministratie kennelijk foutief staan geregistreerd als voor het eerst voor de propedeuse ingeschreven, blijven buiten het onderzoek. Bijvoorbeeld bij politicologie is er een aanzienlijke groep van deze studenten.
In 1990-'91 zijn er 27 studenten, waarvan 22 no-show, en 0 low-show. Voor 1991-'92 zijn deze aantallen resp. 27, 25 en 0.

centraal wel propedeusestudent, maar niet als eerstingeschrevene
Een bijzondere deelgroep studenten zijn degenen die niet in het CSA-bestand eerstingeschrevenen-propedeuse voorkomen, maar in de 1-decembertelling wel staan geregistreerd voor de propedeuse van deze studie. Een van de mogelijke verklaringen hiervoor is dat deze studenten centraal staan geregistreerd als tweedejaars, maar in de studierichting als eerstejaars.

Er zijn enkele gevallen, die niet als zodanig in de tabellen zijn geregistreerd, van studenten die wel in het centrale bestand voorkomen als eerstingeschreven student voor de propedeuse, maar niet bij de betreffende studierichting, en waarvan bekend is dat zij een jaar eerder als extraneus voor deze propedeuse stonden ingeschreven. Bijvoorbeeld bij Rechten 1991 zijn er drie van dergelijke studenten.
In 1990-'91 zijn er 71 studenten, waarvan 13 no-show, en 8 low-show. Voor 1991-'92 zijn deze aantallen resp. 19, 3 en 1.

centraal ingeschreven voor een andere studie
Voor de studenten voor wie in het CSA-bestand de eerste studie niet overeenkomt met de studierichting waar zij staan ingeschreven is vervolgens gekeken naar eventuele opgaven voor een tweede of een derde studie. Wanneer er geen inschrijving voor een tweede studie bekend is, of wanneer een eventuele tweede of derde studie eveneens een andere studie betreft, blijft de student buiten het onderzoek.

In 1990-'91 zijn er 70 studenten die voor een andere studie staan ingeschreven, waarvan 40 no-show, en 11 low-show. Voor 1991-'92 zijn deze aantallen resp. 49, 29 en 1.

Zouden de genoemde groepen meegenomen worden bij het bepalen van het totale percentage no-show en low-show bij deze 10 studierichtingen, dan komen deze percentages voor 1990-'91 uit op 16,1 en 11,0 %, voor 1991-'92 op 14,9 en 8,9 %. Dit zijn de percentages no-show en low-show zoals deze blijken uit alleen de studierichtingsbestanden, dus zonder correctie van inschrijvingsfouten door vergelijking met het CSA-bestand. Deze percentages zijn niet representatief voor alle studierichtingen in het wetenschappelijk onderwijs, al was het slechts omdat numerus fixus studierichtingen geheel buiten het onderzoek vallen.

2.4 Theoretisch kader

Als nadere plaatsbepaling voor het onderzoek, en als kader waarbinnen de te rapporteren resultaten in het slothoofdstuk hun interpretatie krijgen, volgt hier een overzicht van de relevante literatuur. De paragraaf is onderverdeeld naar historische vindplaatsen, eerder onderzoek naar no-show en low-show en naar fraude onder studenten, de 'tempobeurs' voorstellen van het ministerie, en het zoekmodel voor de arbeidsmarkt dat kan dienen als inspirerend model voor het zoeken dat op de scheiding tussen voorbereidend en wetenschappelijk onderwijs plaatsvindt en waarvan no-show en low-show symptomen kunnen zijn.

2.4.1 Enkele historische aantekeningen

No-show is niet een verschijnsel dat pas in de tachtiger jaren de kop heeft opgestoken. Problemen met de registratie van studenten zijn van alle tijden. Voor historici is het altijd een punt van zorg of universitaire inschrijvingen wel parallel lopen met een serieuze studie. Enkele illustratieve citaten uit de historische literatuur zijn hier bijeengebracht.

'ficticii scholares,' 'spurious students'
Het probleem van het onderscheid tussen studenten met serieuze bedoelingen en met 'andere' bedoelingen is bijna zou oud als het instituut van de universiteit. Schwinges daarover: "As student numbers increased, teachers in the large faculties of arts seem to have begun to register the names of their students. This occurred quite early in Oxford - prior to 1231 - and in Cambridge from 1236 to 1254, and also in Paris at a later date, when the faculty made a formal decision about registration in 1289. Since the numbers of whose names were not known had obviously become a problem, there was a need for a 'master's registration book' (rotulus, cedula, matricula magistri) which would set out information enabling the master to survey and record the performance of participants at particular exercises and readings, and to distinguish genuine students from those spurious students who merely wished to enjoy the privileges of the university (Paris: boni ac legitimi aut ficticii scholares discernere)."
Schwinges (1992): p. 178. Voor de bronverwijzingen zie Schwinges p. 178 noot 12. Schwinges verwijst voor een uitgebreidere behandeling naar J. Paquet, 'L'Immatriculation des étudiants dans les universités médiévales', Pascua Mediaevalia. Studies for Prof. Dr. J. M. de Smet (Louvain, 1983), 159-71.

Frijhoff, die een zorgvuldige kwantitatieve studie van aantallen studenten tot 1815 in Nederland heeft uitgevoerd, zegt over no-show inschrijvingen: "Het is een bekend feit, dat studenten tijdens het Ancien Régime, met name in de zeventiende eeuw, zich vaak aan meer dan één universiteit lieten inschrijven, hetgeen overigens lang niet altijd een serieus studieverblijf inhield." (Bots & Frijhoff, 1985, p. 64.)

De geschiedschrijver van de Leidse Universiteit, Schotel: "Soms waren er meer vreemdelingen dan Nederlanders te Leiden. Onder deze moeten ook geteld worden, die zich niet zoozeer om te studeeren, als wel om den tijd genoegelijk door te brengen, naar Leiden begaven. In alle tijden waren er reizigers, mannen van rang en geleerdheid, die deze stad bezochten. Velen lieten zich inschrijven, doch de rector voegde steeds achter hun naam honoris causa, of het vak waarin hij uitmuntte." (Schotel, 1875, p. 280)

Het Atheneum Illustre in Amsterdam doet het bijna twee eeuwen zonder inschrijvingsregister. "Totdat eindelijk in 1824 het album voor goed tot stand kwam, voornamelijk ter bestrijding van de nalatigheid in het betalen der collegegelden." (Geschiedenis, 1932, p. 5). Maar vaak is men alleen voor de show aanwezig bij de colleges: "D. J. van Lennep, vader van Mr. Jacob v. Lennep, werd in 1790 student te Amsterdam. Hij was toen juist 16 jaar. (...) 'Aan hen, die dit zeer vroeg vinden, moet ik (wederom) doen opmerken, dat de meesten zijner tijdgenooten niet veel ouder waren dan hij, en velen onder hen dan ook in dien tijd, en zelfs later nog, door Fransche, Zwitsersche of Hoogduitsche Gouverneurs naar de collegiën vergezeld werden, wel tot geldelijk voordeel, maar voor 't overige tot groot verdriet van de Professoren; vermits die Heeren, hoezeer mede als student ingeschreven en collegegeld betalende, aan het responderen geen deel namen en als toekijkers bij de lessen zaten, zich zelve en bijgevolg anderen vervelende. Als een staaltje hoe jong men student werd, diene, dat bij ' openen der kollegiën, een moeder, meer bezorgd dan verstandig, aan zoontjelief de dienstmaagd ten geleide meegaf.'" (Geschiedenis (1932, p. 8-9). De aangehaalde tekst is van Jacob van Lennep, in: Het leven van C. en D. J. van Lennep)

Een fraaie beschrijving van inschrijving om daarmee bepaalde voordelen te verkrijgen geeft Kernkamp (Kernkamp, 1936, p. 86, 87, 88)) geschiedschrijver van de Utrechtse universiteit, hij schrijft over de 17e eeuw: "Al heel spoedig had namelijk de vrijdom van accijns aanleiding gegeven tot velerlei bedrog. Het aantal inschrijvingen nam plotseling sterk toe. In de eerste jaren van de academie liet ongeveer niemand zich inschrijven (...). Waarom zou men zich ook laten inschrijven? in de eerste acht jaren van het bestaan der academie, toen zij statutenloos was, bracht het student zijn geen enkel voorrecht mede. Zodra het echter bekend werd, dat de statuten en daarmeede de voorrechten in aantocht waren en dat niemand die voorrechten zou genieten, tenzij hij ingeschreven was, liep men storm naar het album academicum (...). Zoodra aan het als student ingeschreven zijn materieele voordeelen waren verbonden, lieten zich te Utrecht - en aan andere academiën gebeurde dat niet minder - allerlei personen inschrijven, die geen werkelijke studenten waren, of niet meer waren: reeds gepromoveerden, ambtenaren, militairen, suppoosten, klerken, lijfknechten, apothekers- en chirurgijnsbedienden, taalmeesters, schermmeesters, handwerkers (die voor de studie benoodigde instrumenten maakten), jongelieden, die alleen voorgaven philosophie of historie te studeeren, maar in werkelijkheid ver van de studie bleven." "De Senaat geeft dan een aantal van deze maatregelen in overweging; zij komen hierop neer, dat geen studenten worden ingeschreven of gerecenseerd, tenzij zij een schriftelijke getuigenis overleggen van den professor, wiens lessen zij volgen; dat de pedellen, die met het uitreiken der 'vrijbriefkens' belast waren, deze alleen zullen geven aan studenten, die deze zelf komen halen; deze briefjes zullen door de pachters van de accijnzen alleen als geldige vrijbriefjes worden beschouwd, wanneer de student, die ze vertoont, er de handteekening van zijn professor op heeft verkregen."

2.4.2 Eerder onderzoek

studieloopbanenonderzoek (De Jong, Koopman en Roeleveld, 1991)
In het Studieloopbanenonderzoek werden de onderzoekers verrast door aanzienlijke percentages studenten die geen enkel studiepunt behaalden in de studierichting van inschrijving. (noot: De Jong, Koopman en Roeleveld (1991, p. 93). Zie ook publicaties uit het project Verder studeren (tweede rapport: Webbink, De Jong, Oosterbeek en Roeleveld, 1993); ten behoeve van de behandeling van de tempobeurswet in de Tweede Kamer zijn uit dit project overzichten over no-show en low-show verschaft, terwijl in het in 1994 te verschijnen derde rapport de studievoortgang aan de orde is.) Voor het in het onderzoek betrokken cohort 1982-'83 had 15,2 % van de WO-studenten na een jaar geen enkel studiepunt behaald. Na vier jaar was dat percentage iets geslonken tot 13,9, wat erop wijst dat er een kleine groep studenten is die weliswaar om enige reden in het eerste jaar geen punten haalt, maar later de studie toch voortzet. Voor de alpha- en gamma-studierichtingen fluctueert het percentage nauw rond deze 15 %, voor de 4 beta-studierichtingen is de range 3,5 % tot 29,5 %. Voor dit cohort kon geen onderscheid worden gemaakt tussen no-show en degenen die wel tentamens hadden afgelegd maar geen punten behaald, "maar uit de ruwe gegevens blijkt dat veruit het merendeel moet worden toegeschreven aan het verschijnsel 'no-show:' (...) studenten laten zich inschrijven voor een studierichting, maar doen ofwel een andere studie ofwel laten zich bij een andere instelling inschrijven." Voor het onderzoekcohort 1986-'87 is de no-show 14,6 %, terwijl 5,5 % van de studenten wel tentamens aflegt maar geen punten behaalt in de betreffende studierichting. Het kan zijn dat het percentage no-show ten opzichte van 1982-'83 hoger is omdat er nu ook 'derdejaars propedeusestudenten' zijn met pseudo-inschrijvingen bij een willekeurige andere studierichting, die er uiteraard een jaar na de invoering van de twee-fasenstructuur in 1982-'83 nog niet konden zijn. Er zijn bij het cohort 1986-'87 grote verschillen tussen de studierichtingen in het percentage studenten dat na een jaar geen enkel punt heeft behaald: van 1,3 en 5,3 bij de twee geneeskunde-studies, tot 52 % bij een letteren-studie. (De Jong et al. p. 97 Tabel 5.9) Voor geneeskunde is het (vrijwel) ontbreken van no-show toe te schrijven aan de numerus fixus. Uitschieters naar boven hebben waarschijnlijk te maken met administratief niet goed verwerken van doorstromers en doctoraal-instromers, wat voor sommige studierichtingen tot zeer hoge maar onjuiste percentages no-show kan leiden. De grote verschillen in no-show percentages voor dit cohort 1986-'87 hebben geleid tot de vraagstelling naar verschillen tussen jaren en tussen studierichtingen voor het te rapporteren onderzoek. Voor het HBO heeft het studieloopbanen-onderzoek geen aanwijzingen voor no-show opgeleverd, omdat hier niet goed viel te onderscheiden tussen no-show en het niet gehaald hebben van het eerste studiejaar, door het jaarklassenstelsel dus. De onderzoekers trekken uit een en ander de conclusie dat numerieke rendementen uitsluitend bepaald zouden moeten worden over die groep studenten die daadwerkelijk aan de studie zijn begonnen (De Jong et al p. 115). Deze conclusie vooronderstelt dat no-show studenten in het geheel niet deel nemen aan het onderwijs, een veronderstelling die in het te rapporteren onderzoek is onderzocht, en verworpen.

de calculerende student aan de Erasmus Universiteit (Van den Berg, 1993)
Dit is een onderzoek in de Faculteit Sociale Wetenschappen aan de Erasmus Universiteit. Het is vooral een beschrijvende studie, de kwantitatieve gegevens zijn minder sterk. Het beeld dat hier naar voren komt is dat de configuratie van studierichtingen in Rotterdam een hoofdrol speelt bij het no-show verschijnsel in deze faculteit. Het gaat vooral om studenten die hun eigenlijke propedeusestudie als extraneus voortzetten en voor het behoud van hun studiefinanciering zich voor een willekeurige andere studie als student inschrijven. De situatie aan de Erasmus Universiteit, met grote studierichtingen die een numerus fixus kennen, leidt er toe dat deze derdejaars propedeusestudenten zich vooral bij de relatief kleine Sociale Wetenschappen inschrijven. Op basis van gesprekken met studentendecanen en andere sleutelfiguren is een overzicht gemaakt de motieven die kunnen leiden tot inschrijven zonder dat men de bedoeling heeft de betreffende studie ook maar voor een klein deel te doen. Een voorbeeld van dat laatste is dat buitenlandse studenten door zich aan een universiteit in te schrijven recht krijgen op een verblijfsvergunning (Van den Berg (1993, p. 19)). Dat mogelijkheden voor oneigenlijk gebruik niet altijd worden benut blijkt uit het te rapporteren kwantitatieve onderzoek: er is geen buitenlandse student gevonden die zich om deze reden heeft ingeschreven en no-show is gebleven.

studiestaken in de Letteren-propedeuse te Leiden (Wijdeveld 1993)
Bij een onderzoek naar studie-uitval in de Letterenfaculteit te Leiden blijken meer dan een kwart van degenen die zich voor een letteren-studie inschrijven met de studie te stoppen voordat zij 20 % van de studiepunten heeft behaald, de helft van deze groep is no-show. In Leiden bestaat de no-show en low-show voor bijna de helft uit studenten die er een tweede studie bij doen, ca. een tiende zijn derdejaars propedeusestudenten, en er zijn telkens enkele procenten (over het hele onderzochte cohort 1991 telkens 0,5 %) parkeerstudenten, oneigenlijke gebruikers van studiefinanciering, en studenten die in Leiden geen kamer konden vinden en daarom de studie hebben afgebroken.

studeren met een uitkering (Van Waveren, en van Geuns, 1992)
In de pers en in politieke wandelgangen is no-show wel vereenzelvigd met fraude; er is echter geen wettelijke verplichting om tentamens af te leggen, er kan bij no-show hoogstens sprake zijn van oneigenlijk gebruik van de inschrijving en van het recht op studiefinanciering. Dat wil niet zeggen dat studenten niet kunnen frauderen: Van Waveren en Van Geuns laten zien hoe een fraude-onderzoek eruitziet. Studeren met een uitkering kent een aantal legale en een aantal illegale varianten, met een tussengebied waar de uitkeringsinstanties zich enige vrijheden veroorloven. Dit onderzoek berust op vergelijking van bestanden van Studiefinanciering en uitkeringsinstanties, en dossieronderzoek in al die gevallen waarin een match werd gevonden. Het gaat uitdrukkelijk om een onderzoek naar fraude. Het onderzoek geeft geen aanwijzingen dat frauderende studenten, studenten die zowel een uitkering hebben als studiefinanciering, in werkelijkheid niet zouden studeren, maar de vraagstelling van het onderzoek was hier ook niet op gericht. De onderzoekers vinden dat 4,1 % van de studerenden aan het hoger onderwijs een bijstandsuitkering hebben, die in 40 % van de gevallen onrechtmatig is, en in nog eens 20 % van de gevallen accoord is bevonden door de GSD 'maar dat deze vorm van samenloop niet conform of zelfs strijdig met de wetgeving op dit terrein is' (p. 54). "De onrechtmatige vormen van samenloop onderscheiden zich door een overmaat aan cliënten met een WO-opleiding, voltijds studerend, als student of extraneus, relatief vaak in de propedeusefase, relatief jong (21-29) en alleenstaand. Volgens de registratie van de Informatiseringsbank kan een relatief groot deel van hen nog recht op een toelage WSF doen gelden." (p. 55). "Verder blijkt 0,75 % (schrik niet) van de studenten zowel een bijstandsuitkering als studiefinanciering te ontvangen. Daarvan maakt 0,25 % zich schuldig aan fraude."(Uitleg (1993, 20januari, p. 3)) Andere mogelijke vormen van fraude bij studenten die studiefinanciering ontvangen, zoals verzwijgen van verdiensten boven het vrijgestelde bedrag, vallen buiten dit onderzoek.

Sociale Diensten van meerdere gemeenten zijn na dit onderzoek overgegaan tot actieve controles voor de jaren 1990 en volgende, wat voor duizenden studenten tot terugvorderingen leidt, en voor vele honderden die voor aanzienlijke bedragen hebben gefraudeerd tot strafvervolging. Amsterdam heeft als eerste de resultaten gepubliceerd: voor 1990 zijn meer dan 1000 gevallen van deze fraude gevonden, waaronder natuurlijk niet alleen studenten van de UvA maar ook van de VU en het HBO in de regio kunnen zijn.(noot: Bericht in de landelijke pers 28 september 1993: onderzoek van de afdeling bijzondere controle van de sociale dienst. Mare bericht in dezelfde week dat ook de Sociale Dienst van Leiden een dergelijk onderzoek start.)
Dit onderzoek doet vermoeden dat fraude veeleer gezocht moet worden bij studenten die werkelijk studeren, dan bij de no-show.

2.4.3 'tempobeurs'

In het vergaderjaar 1992-1993 van de Tweede Kamer diende het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op de studiefinanciering en van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschapelijk onderzoek, in verband met het meten van de studievoortgang in het hoger onderwijs (Tweede Kamer, vergaderjaar 1992-1993, 22 966; Staatsblad, 1993, 403. De wet is in werking getreden (Staatsblad 1993, 404). "Achtergrond van het wetsvoorstel is dat de regering geen studiefinanciering wil geven aan studenten die niet echt studeren (de zogenoemde 'no-show-' of 'spookstudenten')."(Uitleg (1993, 13 januari, p. 31)) Deze wet is bedoeld no-show en low-show terug te dringen door daar, althans voor degenen die een studiefinanciering genieten, een financiële straf op te stellen. Bovendien is, in de verwachting dat die straf inderdaad gegeven zal worden, voor de komende jaren een opbrengst voor de rijksbegroting aangegeven die oploopt tot 20 miljoen gulden netto voor eerstejaars studerenden in wo en hbo in 1997, en nog eens 80 miljoen voor tweede en hogerejaars. "De raming van de mate waarin de norm niet wordt gehaald en daarmee de opbrengst van de maatregel is deels gebaseerd op cijfers met betrekking tot gemiddelde studieduur, uitval tijdens de studie en de leeftijd van de studerenden (in verband met samenloop van de maatregel voor studerenden van 27 jaar en ouder in het kader van de Heroriëntering op de studiefinanciering), deels op aannames met betrekking tot gedragseffecten."

De besparing berust geheel op de omzetting van beursgedeelten tot leningen. Veronderstel dat 6,6 miljoen bereikt wordt voor eerstejaars in het wo (er zijn in het hbo bijna twee keer zoveel eerstejaars studenten dan in het wo) en dat het gaat om alleen de beurs (geen aanvullende beurs) van ca. 4000 gulden (voor uitwonenden, na aftrek van het collegegeld), dan zouden no-show en low-show samen in 1650 gevallen voorkomen, dat is meer dan 5 % van het totale aantal eerstejaars studenten in het WO! Het ministerie ziet kennelijk een horde no-show en low-show studenten, die ook na de invoering van de tempobeurs nog nog meer dan 5 % bedraagt. Het valt te vrezen dat het ministerie hier de no-show en low-show op studierichtingsniveau verwart met die op het niveau van het gehele hoger onderwijs. De discussie in hoofdstuk 5 komt hierop terug.

De student moet voor het einde van het studiejaar aangeven "welke inschrijving voor het meten van voldoende studievoortgang in aanmerking moet worden genomen." Wisselt de student gedurende zijn eerste jaar van studie, dan mogen de punten voor deze twee studies bij elkaar worden opgeteld. "Op deze wijze ondervinden zij geen hinder van de voorgestelde maatregel."

Voor het in de toekomst beter beheersen van no-show en low-show inschrijvingen is ook het volgende van belang, uit de Memorie van Toelichting: "Het voorstel om de onderwijsinstellingen tevens aan de studerende te laten doorgeven welke studievoortgang is behaald, sluit goed aan bij het voornemen van de universiteiten om een zodanig signaleringssysteem voor de propedeusestudenten op te zetten dat deze na een half jaar op de hoogte worden gesteld van het al dan niet behaald hebben van het minimum aantal studiepunten. Dit systeem biedt tevens een goede aanleiding om tijdig een gesprek te arrangeren met studerenden die in de risicozone lijken te geraken." Ook hier ontbreekt het besef dat vele no-show en low-show studenten een andere studie doen, waar zij wel 'voldoende' studiepunten behalen; deze studenten hebben weinig of geen reden om op het verzoek tot een 'tijdig gesprek' in te gaan, en blijven daarmee voor de studierichting even onzichtbaar als ooit.

Een belangrijke groep onder de no-show studenten zijn de 'derdejaars propedeusestudenten,' zij die na twee jaar studie de propedeuse nog niet hebben behaald, zich als extraneus inschrijven voor hun oude studie om alsnog dat examen te kunnen afleggen, en zich als student in een willekeurige andere studie inschrijven om daarmee hun studiefinanciering te kunnen behouden. Over deze constructie zijn vragen gesteld door het Tweede-Kamerlid J. Franssen (VVD), waarop de minister als volgt heeft geantwoord: "De huidige wetgeving verhindert niet, dat een student zich inschrijft voor een tweede studierichting, maar feitelijk tentamens en examens aflegt in de eerst gekozen studierichting. In de WHW, die met ingang van 1 augustus 1993 in werking zal treden, is geen inschrijvingsduur voor de propaedeutische fase bepaald."(Uitleg (1993, 13 januari, vragen: p. 39, antwoord: p. 40))

uitvoerbaarheid van de tempobeurswet (Van der Neut, Simmelink en De Jonge, 1993)
Omdat de tempobeurswet zware eisen stelt aan centrale en vooral decentrale studentenadministraties, is door Research voor Beleid onderzocht of het mogelijk is studiegegevens tijdig aan te leveren. Mede op grond van de onderzoeksuitkomsten is de wettelijke termijn verruimd van 1 oktober naar 1 november aansluitend op het afgelopen cursusjaar. Desondanks valt te vrezen dat niet alle studierichtingen tijdig opleveren, tenzij een aantal administratieve knelpunten eerder zijn opgelost.

2.4.4 een geschikt model

Bij no-show en low-show gaat het waarschijnlijk om een belangrijke groep studenten voor wie de overgang van voorbereidend naar wetenschappelijk onderwijs niet vloeiend verloopt. Er is sprake van terugkomen op eerdere keuzen, van omzwaaien, eventueel ook voorlopig uitstellen van verdere studie. De mogelijkheden tot herstel van eerdere keuzen vormen de smeerolie die de aansluiting van voorgaand onderwijs op wetenschappelijk onderwijs mogelijk maakt. In deze zin is no-showproblematiek een uiting van aansluitingsproblemen in algemene zin zoals die zich in het onderwijsstelsel voordoen. Tot die aansluitingsproblematiek behoren allerlei indirecte leerwegen, 'stapelen' als speciaal voorbeeld daarvan, en indirecte vormen van aansluiting. Voor deze vormen van aansluitingsproblematiek zijn mij geen behoorlijke modellen of theorieën bekend, de Nederlandse literatuur overziende.

Voor de aansluiting van onderwijs op de arbeidsmarkt is er wel sprake van relevante theorievorming. Er zijn enkele deelgebieden waarbinnen behoorlijke modellen etc. beschikbaar zijn. Vooral relevant zijn baanzoekmodellen zoals die ontwikkeld zijn in een economisch specialisme dat zich bezighoudt met de arbeidsmarkt en met werkloosheidsduren.(Kiefer & Neuman, 1989, hebben belangrijke bijdragen gebundeld). Deze bijzondere tak van wetenschap heeft ertoe geleid dat men is gaan accepteren dat een zeker percentage werkloosheid aanvaardbaar is en zelfs noodzakelijk kan zijn voor een goed functioneren van de arbeidsmarkt. Wilbrink en Koppen (1990a, b) hebben een voorstel gedaan voor een theorie waarin modellen vanuit de personeelsselectie (selectiepsychologie) op zinvolle wijze zijn verbonden met baanzoekmodellen om zo een theoretische basis te verkrijgen vor voorspellingen over gedrag op de arbeidsmarkt (gedrag van zowel zoekers als aanbieders van banen, en in welke verdeling van banen over afgestudeerden dat resulteert).

De modellen die beschikbaar zijn voor de bijzondere overgang tussen onderwijs en arbeidsmarkt zijn waarschijnlijk ook te gebruiken voor belangrijke overgangen binnen het onderwijsstelsel zelf. Ook daar is immers sprake van een zeer divers aanbod van mogelijkheden, die verschillen in de mate waarin zij bij de betreffende personen 'passen'. Het zoekproces gaat hier op een iets andere manier dan op de arbeidsmarkt het geval is, omdat gestreefd wordt naar directe aansluitingen (geen lange zoektijden zoals op de arbeidsmarkt). Maar dat neemt niet weg dat iedere studiepoging op zich als een zoekpoging is op te vatten, een zoeken dat succes kan hebben, of niet. Dat zoeken is zeker niet ondoelmatig, omdat geen enkele vorm van studievoorlichting dicht genoeg bij de ervaren werkelijkheid kan komen. Er is dus weinig alternatief voor de huidige situatie: in laatste instantie zullen mensen zelf moeten ervaren of een studie of beroep, of een bepaalde baan, 'past'.

Dit is het soort model dat geschikt is om de no-showproblematiek in een krachtige greep te krijgen. Dit model is niet triviaal, het contrasteert met de gedachte die in het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen leeft, gezien de regelgeving van de laatste jaren, dat het toch mogelijk moet zijn dat veel meer leerlingen en studenten meteen goed kiezen: meteen de juiste middelbare opleiding, meteen de juiste keuze voor HBO danwel WO, meteen de juiste studierichting. En na het examen meteen de juiste baan (door Ritzen verwoord in 'Wat is onderwijs ons waard?' (p. 130) en ook de gedachte van Ritzen's commissie Rauwenhoff over de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt).

Voor het onderzoek leidt dit theoretisch kader tot toespitsen van de vraagstelling op hoe studenten de aansluiting op een geschikte studie in het hbo of wo vinden. Hoe lang duurt het voordat men de studierichting heeft gevonden waarin men ook afstudeert? Welke eisen stellen studenten aan de studie, en passen zij deze eisen aan wanneer het zoeken naar een geschikte studie langer blijkt te duren dan men verwachtte? Hoe beperken of verruimen persoonlijke kwalificaties (aard vooropleiding, persoonlijkheid, motivatie) de keuzemogelijkheden die men in feite heeft?

De grondgedachte is dat no-show een uiting is van problemen die de betreffende studenten hebben met de keuze van een studie. Het zoeken op de arbeidsmarkt is analoog aan het zoeken van een geschikte studie. De vraagstelling voor het onderzoek is daarom gericht op het inventariseren van andere studies die men eerder, tegelijk, of later is gaan volgen; motieven voor studiekeuze en voor stoppen met de no-show studie; persoonlijke omstandigheden zoals wijze van financiering van de studie, tijd besteed aan werk of aan andere studie, e.d.

3 Wie zijn deze no-show studenten? Vragenlijstonderzoek

In de beeldvorming over no-show studenten overheerst een zekere eenvormigheid: het zouden studenten zijn die niet studeren, die daar een zekere calculerende strategie in volgen, en die met hun grote aantallen het functioneren van het stelsel in gevaar brengen. In werkelijkheid gaat het om een bonte bevolking van 'echte' studenten, die zich vaak wel degelijk hebben laten zien in de studie waar zij in de boeken als 'no-show' voorkomen, die ondertussen een andere studie hebben opgepakt, of zich toch maar hebben geconcentreerd op hun oude studie waar zij graag een aantal extra studie naast hadden willen doen. Dat geldt ook de te snel veroordeelde studenten die van wettelijke mogelijkheden gebruik maken om hun propedeuse alsnog in het derde inschrijvingsjaar te halen, zonder verlies van studiebeurs: zij nemen die oude studie serieus, en hebben niet altijd reden om zich te laten zien in de nieuwe studie waar zij zich hebben ingeschreven om hun studiefinanciering te behouden. Dit alles betekent dat no-show een verschijnsel is dat zich niet in een paar woorden en met een paar cijfers laat beschrijven. Er zijn zoveel situaties, verschillende groepen, overwegingen, en uitkomsten dat het misleidend zou zijn deze over een enkele samenvattende kam te scheren. Deze hoofdstukken met resultaten gaan voortdurend zowel over no-show, als over de grote verschillen die binnen deze no-show zijn vast te stellen.

Het no-show onderzoek is opgezet als een combinatie van onderzoek naar bestandsgegevens en van informatie die bij de studenten zelf is te halen. De bestandgegevens hebben daarbij een dubbele rol: ze zijn eerst nodig om de no-show studenten te identificeren, en vervolgens bevatten ze ook persoonlijke gegevens die bij kunnen dragen aan het inzicht in de aard van no-show. De enige manier om een goed beeld te krijgen van de activiteiten die no-show studenten dan wel ontplooien, als dat niet in de no-show studie is, is hen daar zelf naar te vragen: zijn zij elders gaan studeren, gaan werken, een wereldreis gaan maken, of toch nog als au pair naar Frankrijk gegaan? En waarom is het niets geworden met die no-show studie? Bestandsgegevens kunnen het beeld aanvullen dat het vragenlijstonderzoek oplevert, daarom is eerst in dit hoofdstuk het vragenlijstonderzoek aan de orde, en in hoofdstuk 4 wat bestandgegevens nog aan inzicht toevoegen. Hoofdstuk 3 bevredigt de nieuwsgierigheid en komt met de nodige verrassingen; dit deel van het onderzoek is beperkt tot no-show van studenten in hun eerste inschrijvingsjaar in 1991-'92. In hoofdstuk 4 wordt het beeld zowel kwalitatief als kwantitatief afgerond, waarbij naast no-show ook low-show in beeld komt als een verwant verschijnsel, en waarbij ook naar de jaargang 1990-'91 is gekeken.

3.1 Vragenlijst en respons

In deze paragraaf zijn de huishoudelijke mededelingen over het vragenlijstonderzoek bijeengebracht: over de selectie van de studenten daarvoor, de opbouw van de vragenlijst, het schriftelijke en het telefonische deel van het onderzoek, en enkele gegevens over de respons en de aard van de non-respons.

in het onderzoek opgenomen studenten Voor het vragenlijstonderzoek zijn in eerste aanleg 328 studenten geselecteerd, waarvan 279 studenten omdat zij bij een van de 10 studierichtingen als no-show waren te identificeren, en 49 studenten die volgens de Centrale Studenten Administratie (CSA) bij een van de studierichtingen ingeschreven zouden moeten staan maar daar niet zijn gevonden. Van deze 328 zijn uiteindelijk 34 studenten uit het vragenlijstonderzoek verwijderd omdat zij alsnog geen no-show bleken te zijn, vrijwel allemaal in de groep van 49 'CSA - no-show.' Bij een en ander is de definitie van no-show gehanteerd die in hoofdstuk 2 is gegeven.

de vragenlijst
Wat valt er zinvol te vragen aan studenten die zich niet laten zien? Een waarom zouden die no-show studenten, als ze al bereikbaar zijn, vragen beantwoorden over een studie waar zij zich nooit hebben laten zien? Het is de bedoeling via de vragenlijst iets te weten te komen over de situatie in september 1991, anderhalf jaar geleden voor de studenten die de vragenlijst invullen. De vragenlijst is in zijn geheel in de Bijlagen opgenomen.

Studenten die wel staan ingeschreven, maar niet aan tentamens en practica deelnemen, zijn 'no-show' genoemd, maar het is onbekend of zij deel hebben genomen aan introductie en colleges, en of zij tentamens hebben voorbereid (hoewel niet afgelegd). Vraag 2 haalt deze informatie binnen, met een controle-vraag of men tentamens heeft afgelegd. (noot: Er zijn inderdaad no-show studenten die zeggen tentamens te hebben afgelegd, dat kunnen tentamens 1992-'93 zijn van studenten die niet met deze studie zijn gestopt maar deze bijv. wegens ziekte in 1991-'92 hebben onderbroken.)

Voor degenen die wel met de studie zijn begonnen is het van belang te weten tot wanneer zij daarmee zijn doorgegaan: vraag 3.

Omdat in een aantal studieloopbaan-scenario's de financiering van belang is, is daar op bescheiden wijze naar geïnformeerd, zonder te vragen naar bedragen (vraag 4 en 5). Financiering, collegegeld, en regelgeving voor inschrijving zouden kunnen leiden tot no-show, daarom is een vraag opgenomen of men zich eerder zou hebben laten uitschrijven wanneer daarmee collegegeld terug zou worden gekregen (vraag 6).

Studenten zijn niet altijd volledig beschikbaar voor de studie, omdat zij een volledige baan kunnen hebben, of elders al met een studie bezig zijn, bestuursverplichtingen hebben, etc. , reden om te vragen naar de omvang in uren van dergelijke activiteiten in september 1991, bij de aanvang van de no-show studie (vraag 7). (noot: In deze vraag is niet opgenomen hoeveel uur is besteed aan de no-show studie, dat is een omissie. Er is in vraag 7.5 gevraagd naar andere aktiviteiten, zonder daarbij te vragen welke dat dan zijn; deze vraag 7.5 is daarom buiten de analyse gehouden.)

Studenten die zich voor een studie inschrijven kunnen dat met verschillende bedoelingen doen, die iets hebben te maken met de inzet waarmee zij aan deze studie beginnen. Vraag 8 inventariseert deze bedoelingen.(noot: In vraag 8 is niet expliciet opgenomen of men de bedoeling had alleen een bijvak af te leggen; waarschijnlijk, gezien de onderzoekresultaten, zou dat alternatief bij hoge uitzondering zijn aangekruist. ) De studiekeuze zelf, de afweging tussen deze of gene studie, is onderwerp van vraag 9, waarvoor een vorm is gebruikt die eerder bij landelijke onderzoeken is gehanteerd: respondenten geven op een 'cijferschaal' aan in welke mate bepaalde overwegingen daarbij een rol hebben gespeeld. Dezelfde vraag is later herhaald voor degenen die een andere studie zijn gaan doen, of al deden (vraag 16), om een vergelijking tussen beide te kunnen maken.

De meeste no-show studenten zullen gestopt zijn met deze studie; de vraag is waarom zij zijn gestopt. In vraag 10 is een opsomming van negatieve (studie te zwaar, te zwaar naast andere verplichtingen) en positieve (andere studie gaan doen, betaalde baan was aantrekkelijker) redenen voorgelegd. (noot: Voor de vragen 2, 8 en 10 zijn 'ja' en 'nee' als alternatieven gebruikt. Veel respondenten hebben alleen 'ja'-antwoorden gegeven, op de andere deelvragen zijn zij beschouwd daar 'nee' te hebben bedoeld.)

Het tweede deel van de vragenlijst gaat in op eventuele andere opleidingen die zijn gevolgd in de jaren 1991-'92 en 1992-'93, en opleidingen die voor die tijd zijn gevolgd of begonnen (vraag 17 e.v.).
In de Bijlagen is de schriftelijke vragenlijst opgenomen. Voor het telefonische onderzoek is dezelfde vragenlijst gebruikt, met aangepaste bewoordingen om deze telefonisch met de respondent te kunnen doornemen. Hoewel de vragenlijst een complexe vorm heeft, waarin voor sommige respondenten zelfs drie of meer studies tegelijk aan de orde zijn, hebben respondenten hier geen overwegende problemen mee ondervonden.

respons
Onder 328 no-show studenten, inclusief 49 'centrale no-show' studenten (zie paragraaf 4.2), is een vragenlijstonderzoek gehouden, bestaande uit een schriftelijke vragenlijst, met enkele weken later een telefonische enquête onder degenen die geen lijst hadden teruggestuurd. Het onderzoek heeft een bruikbare respons van 143 studenten opgeleverd, waarvan 3 anoniem. (noot: Door een fout bij het koppelen van bestanden hebben een aantal studenten een verkeerde lijst gekregen, d.w.z. een lijst waar een verkeerde studierichting als no-show richting was vermeld; hoewel dit heeft geleid tot ontbrekende gegevens en mogelijk verminderde respons, zijn er voldoende gegevens overgebleven voor de administratieve groep waar dit probleem zich voordeed: zij die no-show zijn voor een centraal opgegeven '2e studie.') De overige 188 (waaronder de 3 anonieme) zijn als volgt samengesteld: 34 gevallen zijn door administratieve fouten e.d. ten onrechte als no-show aangemerkt; 2 vragenlijsten waren onbruikbaar; 22 studenten hebben geweigerd mee te werken, waarvan enkele principieel, meerdere vanwege 'geen zin' of geen tijd, en enkele omdat ze dachten niet tot de doelgroep te horen; van 53 studenten was geen huidig adres of telefoonnummer bekend; 28 studenten waren tijdens de telefonische enquête niet bereikbaar (in het buitenland, aan het werk, e.d.); 39 studenten namen bij de telefonische enquête niet op; en van de studenten die telefonisch toezegden alsnog de lijst in te zenden hebben 10 dat niet gedaan.

In paragraaf 4.3 is een analyse over de aard van de non-respons te vinden, omdat daarvoor gebruik is gemaakt van de enige gegevens die over zowel responderende als niet responderende studenten beschikbaar zijn: de gegevens bij de Centrale Studenten Administratie.

3.2 Te onderscheiden deelgroepen in de no-show

Op grond van de gegevens die met het vragenlijstonderzoek zijn verkregen is onmiddellijk duidelijk dat no-show een verschijnsel is dat vele verschillende achtergronden heeft. Er is een indeling gemaakt naar negen groepen waar respondenten op objectieve gronden aan zijn toe te delen, kort te kenschetsen als de bestemming van deze studenten. Figuur 3.2 laat zien hoe de respondenten over deze groepen zijn verdeeld. Deze 9 groepen zijn nog verder te bundelen op grond van de tijd die men voor de no-show studie beschikbaar heeft, in figuur 3.2 aangegeven met het verschil wit/grijs. Voor ruim de helft van de respondenten is deze studie in september 1991 de belangrijkste bezigheid (wit), voor de overigen is de no-show studie 'bijzaak:' het is een tweede studie naast een belangrijker andere studie, of een studie naast een (volledige) baan (grijs). Een bijzondere groep is die van respondenten die te kennen geven niet met de no-show studie te zijn gestopt (11%), wat heel goed mogelijk is omdat voor de werkdefinitie van de no-show student slechts het eerste inschrijvingsjaar is genomen. Deze groep is alleen maar no-show omdat voor dit onderzoek met een inschrijvingstermijn van een jaar in plaats van een langere periode is gewerkt. Een belangrijk resultaat is nu dat van de overige 88,8 % respondenten de helft niet volledig voor de no-show studie beschikbaar was.

In de volgende paragrafen komen nog andere indelingen aan de orde, o.a. die naar studierichting, en naar vertrek uit het hoger onderwijs. Figuur 3.2 geeft nog geen informatie over vertrek van degenen die niet volledig voor de no-shwo studie beschikbaar waren.

93Spook32UvA475273.GIF

Figuur 3.2 Met de vragenlijst te onderscheiden groepen no-show.
Noot. De figuur geeft percentages over 143 respondenten. Wit: volledig voor de no-show studie beschikbaar, totaal 55,9 %; grijs: heeft belangrijke andere bezigheden naast de no-show studie, totaal 44,1 %.

In het volgende is per groep een korte toelichting gegeven, met telkens als illustratie een enkele typering van respondenten in termen van antwoorden op de vragenlijst. Voor motieven is een cijfer gevraagd, dat is aangegeven als bijv. 'interesse 10.' De korte gevalsbeschrijvingen hebben inhoudelijk betrekking op de vragen in de vragenlijst, zie daarvoor de Bijlagen. In de Bijlagen is voor enkele groepen een lijst van deze korte casus afgedrukt, terwijl eveneens in de Bijlagen een lijst is gegeven van de belangrijkste opmerkingen die respondenten eigener beweging hebben gegeven.

hbo/wo verlaten (14,0 %)
Tot de groep die het hoger onderwijs heeft verlaten behoren respondenten die niet alleen met de no-show studie zijn gestopt, maar bovendien aangeven in de jaren '91-'92 of '92-'93 geen andere studie binnen het wo of het hbo te doen. Respondenten horen in deze groep thuis wanneer de studie hun hoofdactiviteit is, en niet naast een hoofdstudie of naast een (volledige) baan.


omzwaai binnen het wo (25,9 %)
Tot de groep 'omzwaai binnen het wo' horen de respondenten die aangeven in '91-'92 of '92-'93 een andere studie in het wo te zijn gaan doen, ook als dat aan een andere instelling is, of na tijdelijk met studeren te zijn gestopt. Respondenten horen in deze groep thuis wanneer de studie hun hoofdactiviteit is. Het komt in een aantal gevallen voor dat er eerst een omzwaai is naar een studie in het wo, en daarna nogmaals een omzwaai naar een studie in het hbo: deze respondenten zijn tot de groep wo-omzwaaiers gerekend.


omzwaai naar studie in het hbo (4,9 %)
Analoog aan de beschrijving van de groep wo-omzwaaiers zijn de omzwaaiers naar het hbo aan deze groep toegekend.



met twee studies begonnen en alleen de andere studie voortgezet (2,8%)
In deze subgroep zijn respondenten geplaatst die met twee studies tegelijk zijn begonnen, en met één daarvan, de no-show studie, zijn gestopt. Uit de antwoorden blijkt dat deze respondenten bij de aanvang van het studiejaar twijfelen over hun keuze tussen beide studies. Dit zijn dus nadrukkelijk geen studenten die naast wat zij als hun hoofdstudie beschouwen een tweede studie zijn begonnen, deze laatste zijn als afzonderlijke groep onderscheiden.



respondenten zeggen nog te studeren (alsnog show, 11,2 %)
Er zijn studenten die aangeven met de 'no-show studie' niet te zijn gestopt. Dat is inderdaad mogelijk, omdat voor het onderzoek 'no-show' is gedefinieerd op het eerste inschrijvingsjaar. Er zijn natuurlijk studenten die door bijzondere omstandigheden dat eerste jaar niet komen tot deelname aan het examen, maar daar in het twee jaar wel toe over gaan.



tweede studie naast hoofdstudie, verder met hoofdstudie (22,4 %)
Er zijn nogal wat studenten die om verschillende redenen zich naast hun eigenlijke studie inschrijven voor een tweede studie die zij geheel of gedeeltelijk denken te volgen. Uit de gegeven antwoorden blijkt niet dat het hier alleen maar zou gaan om de bedoeling een bijvak af te leggen. Het typische motief om met de no-show studie te stoppen is dat twee studies naast elkaar te zwaar blijken. De eigenlijke studie is vaak een studie die al voor 1991 is begonnen.



studie naast (vrijwel) volledige baan , verder met de baan (4,2 %)
Er is een groep respondenten die naast een vaak volledige baan een studie is begonnen, en deze heeft moeten opgeven.



3e-jaars propedeuse, meest verder met de oude studie (12,6 %)
Wanneer de twee jaar inschrijftijd voor de propedeuse is verstreken, vervalt het recht op studiefinanciering tenzij men zich voor een andere studie inschrijft. De inschrijving voor een andere studie is bedoeld als gelegenheid om alsnog een andere studie te gaan doen. Het is mogelijk op deze wijze de studiefinanciering veilig te stellen, en in die tijd alsnog de propedeuse voor de eerdere studie te behalen (waarvoor men zich dan als extraneus inschrijft). Een veel voorkomend antwoordpatroon is het volgende: men geeft aan niet met de no-show studie te zijn begonnen, daar dus geen activiteiten in te hebben ontplooid, er geen enkele interesse in te hebben (alle deelvragen van vraag 9 worden met een nul ingevuld), in september '91 een behoorlijk aantal uren aan een andere studie te besteden, met de no-show studie te zijn begonnen als '3ejaars propedeuse constructie' en te zijn gestopt vanwege het behalen van de propedeuse in een andere studie. Belangrijk is dat de meeste respondenten aangeven inderdaad alsnog in het 'derde propedeusejaar' die propedeuse te behalen.



oneigenlijk gebruik 'anders' (2,1 %)
Er zijn tal van mogelijkheden van oneigenlijkgebruik van inschrijving als student in het WO, waarvan drie voorbeelden onder de 143 respondenten zijn gevonden. Ongetwijfeld niet toevallig vallen twee van de drie anonieme inzendingen in deze categorie. Respondenten in deze kleine groep maken ook volgens eigen inzicht oneigenlijk gebruik van de mogelijkheid zich door inschrijven studiefinanciering te verwerven of uitstel van militaire dienst. De omvang van 2,1 % voor deze groep is ongetwijfeld geflatteerd: in werkelijkheid zal hun aandeel groter zijn.


3.3 Klassificatie naar voortzetting van studie in hbo/wo

De nu gemaakte groepenindeling is ad hoc, maar bestaat wel uit groepen die als bouwstenen voor andere groeperingen zijn te gebruiken. Een eerste zinvolle clustering is meteen in Figuur 3.2 al geïntroduceerd: naar de mate waarin men voor de no-show studie beschikbaar is. Zijn er meer van dergelijke indelingsprincipes die tot een zinvol onderscheid van grotere groepen leiden?

93Spook33UvA486273.GIF

Figuur 3.3.1 Verdere loopbaan van no-show studenten.
Noot. 143 respondenten. De groep 'verder met oude studie' omvat ook de '3e-jaars propedeuse' respondenten!



In een eerdere publicatie (Wilbrink, 1993) is een clustering gemaakt naar drie groepen: respondenten met een duidelijke keuzeproblematiek, respondenten die vanuit een hoog streefdoel een (extra) studie op zich nemen, en de groep respondenten die aangeven de propedeuse voor hun oude alsnog in het derde jaar te willen gaan halen. Een dergelijke indeling is zeker verhelderend, en het is ook een indeling die voorspelbaar is in de zin zoals in paragraaf 3.10 te behandelen, maar de indeling heeft het nadeel dat een subjectief oordeel nodig is om respondenten in de ene dan wel in de andere groep te plaatsen. Een bruikbaar indelingsprincipe moet bij voorkeur objectief zijn. Naast objectief toepasbaar moet zo'n indelingscriterium ook zinvol zijn. Omdat dit onderzoek over (beginnende) studieloopbanen gaat ligt het voor de hand naar de verdere loopbaan van deze no-show studenten te kijken. Een zinvol en objectief indelingsprincipe is of men na het staken van de studie waarin men no-show is, de studie in het HO elders heeft voortgezet. Onder de voortzetters is nog weer onderscheid te maken tussen degenen die na de no-show studie een andere studierichting kiezen, en degenen die tijdens en na de no-show studie doorgaan met de studie waar zij voor die tijd al mee bezig waren. In Figuur 3.3.1 is deze driedeling afgebeeld samen met de bijzondere groep respondenten die zegt de no-show studie nog voort te zetten. In Figuur 3.2.2 is bovendien een onderverdeling gemaakt naar de negen groepen die in de voorgaande paragraaf zijn onderscheiden.

93Spook332UvA472279.GIF

Figuur 3.3.2 Relatie tussen vierdeling en de eerder onderscheiden 9 groepen.



Figuur 3.2.2 laat zien dat de groep omzwaaiers uitsluitend bestaat uit respondenten die in september 1991 volledig voor de no-show studie beschikbaar waren. De afzwaaiers zijn een deel van degenen die volledig beschikbaar aan de no-show studie waren begonnen, en alle respondenten die deze no-show studie naast een volledige baan wilden doen. Alle '3e-jaars propedeuse' no-show respondenten gaan uiteindelijk door in de studie waar zij zo laat hun propedeuse nog voor wilden halen. Respondenten die de no-show studie als tweede studie erbij deden, zijn uiteindelijk allemaal met hun eerste studie verder gegaan, een eerste studie die meerdere respondenten ondertussen hebben afgerond met het doctoraal examen.

3.4 No-show volgen toch onderwijs (vraag 2)

De benaming 'no-show' suggereert dat studenten in deze categorie in het geheel niet verschijnen: dat ze niet alleen geen examenonderdelen afleggen, maar ook niet op colleges komen. In eerder onderzoek is wel altijd zorgvuldig vastgelegd dat onder 'no-show' wordt verstaan dat niet aan examenonderdelen is deelgenomen, maar het is in dat eerdere onderzoek onbekend gebleven of deze studenten ooit een voet over de drempel van de betreffende studierichting hebben gezet. De onduidelijkheid is niet verminderd waar in sommige definities van 'no-show' ook studenten zijn begrepen die geen enkel studiepunt hebben gehaald maar wel hebben deelgenomen. Een en ander is voldoende reden de vragenlijst te beginnen met de vraag of men heeft deelgenomen aan introductie-activiteiten, colleges of practica heeft gevolgd, tentamens heeft voorbereid en deze misschien zelfs heeft afgelegd (vraag 2).

De derdejaars propedeusestudenten nemen inderdaad nergens aan deel. Voor de overige groepen is de deelname aan introductieactiviteiten 37 %, aan colleges 86 %, tentamenvoorbereiding 53 % en tentamen afleggen 27 %. Colleges worden gevolgd door alle respondenten in de groepen 'afzwaai ho,' 'omzwaai wo' en 'omzwaai hbo,' die op deze wijze hun beslissing tot staken van de no-show studie tenminste op deze college-ervaring kunnen baseren. Alle respondenten in de groep 'verder met de no-show studie' bereiden tentamens voor, en driekwart daarvan zegt ook tentamens te hebben afgelegd (wat in het volgende studiejaar 1992-'93 kan zijn gebeurd). Omzwaaiers bereiden zich minder vaak op tentamens voor dan afzwaaiers; er zijn 13 verlaters en omzwaaiers die zeggen tentamens te hebben afgelegd in de studie waar zij als no-show staan geadministreerd. Wat de oorzaak is van de laatste inconsistentie is niet bekend.

Voor een overzicht van activiteiten van no-show studenten zijn de scores over de vier deelvragen opgeteld, en is per groep het gemiddelde berekend. De respondent die vier activiteiten aangeeft krijgt score 4, de respondent die aangeeft alleen colleges te hebben gevolgd krijgt score 1. Figuur 3.4 geeft de resultaten voor 9 groepen. Omdat deze gemiddelden over soms kleine aantallen respondenten zijn berekend, is in de figuur telkens met een lijnstuk aangegeven hoeveel vertrouwen er in dat gemiddelde bestaat: hoe korter dat lijnstuk, des te meer vertrouwen. (noot: De lengte van de lijnstukken geeft het gebied aan waarbinnen het gemiddelde zal blijven bij replicaties van het onderzoek onder vergelijkbare omstandigheden (d.w.z. bij 95 % van dergelijke replicaties, of met een kans van 95 % bij de eerste de beste replicatie). De gemiddelden voor 'omzwaai wo' en 'alsnog show' zijn heel betrouwbaar, die voor 'andere studie' is door nogal wisselende scores in een kleine groep respondenten heel onbetrouwbaar.)

93Spook34UvA469268.GIF

Figuur 3.4 Aantal activiteiten waaraan respondenten in de onderscheiden groepen gemiddeld deelnemen.
Noot. De activiteiten zijn: introductie, colleges volgen, tentamens voorbereiden, of tentamens afleggen. De figuur geeft de gemiddelden, waarbij de verticale lijn het 95% betrouwbaarheidsinterval voor het betreffende gemiddelde aangeeft.



No-show studenten nemen nog behoorlijk deel aan diverse activiteiten, en daarin onderscheiden zij zich gemiddeld niet van elkaar, met uitzondering van de derdejaars propedeusestudenten die nergens aan deelnemen, en respondenten die aangeven nog steeds met de no-show studie bezig te zijn: hun gemiddelde ligt duidelijk boven dat van andere groepen.

Het beeld van no-show studenten als 'niet-deelnemers' behoeft correctie. Vooral de studenten voor wie de no-show studie de eerste studie is volgen daarin colleges, om pas verrijkt met die ervaring de studiekeuze te herzien. De derdejaars propedeusestudenten vormen een uitzondering op dat patroon: zij laten zich weliswaar in de no-show studie in het geheel niet zien, maar op grond van andere gegevens is bekend dat zij volop bezig zijn de uitgestelde propedeuse voor hun oude studie af te ronden.

3.5 Duur van de no-show studie (vraag 3)

Nu no-show studenten gebleken zijn niet letterlijk 'no-show' te zijn omdat zij wel degelijk in deze studie actief zijn, is de vraag hoeveel maanden zij met de no-show studie bezig zijn geweest. In Figuur 3.5 zijn de resultaten afgebeeld voor de zes groepen waarvoor deze vraag zinvol is. De derdejaars propedeusestudenten zijn nooit begonnen, terwijl de 'verder met de no-show studie' respondenten niet zijn gestopt. De 3 'oneigenlijke gebruikers' zijn ook weggelaten. Op een enkele uitzondering na zijn deze respondenten na 12 maanden gestopt met de no-show studie. Een aantal respondenten geeft aan nooit te zijn begonnen: in Figuur 3.5.1 te herkennen als de val van 0 naar 1 maand voor de groepen 'omzwaai wo' en 'hoofdstudie.' Stoppen met de studie vindt in de eerste maanden van de studie plaats, of rond het einde van het eerste inschrijvingsjaar.

93Spook351UvA470283.GIF

Figuur 3.5.1 De studieduur voor no-show studenten (sic): aantal studenten dat na zoveel maanden nog met de studie bezig is.

93Spook351UvA469269.GIF

Figuur 3.5.2 De studieduur voor no-show studenten: het aantal studenten dat na zoveel maanden nog met de no-show studie bezig is.
Noot. De 99 respondenten in de figuur zijn exclusief derdejaars propedeuse respondenten, en degenen die verder gaan met de no-show studie.



In het theoretisch kader is geopperd dat no-show mogelijk een verschijningsvorm is van de frictie in de aansluiting tussen voorbereidend en wetenschappelijk onderwijs. Voor het beschrijven van deze frictieproblematiek is voorgesteld gebruik te maken van baanzoekmodellen zoals deze zijn ontwikkeld voor de overgang van onderwijs naar werk. Het zoekgedrag binnen het onderwijsstelsel is anders dan op de arbeidsmarkt: er is weinig gelegenheid om te 'wachten' totdat zich een goede keuze aandient, je moet maar gewoon beginnen ook al is de keuze voor deze of gene richting niet met overtuiging gemaakt. Dan kan in de eerste maanden blijken dat de keuze niet juist was. De propedeuse is ook bedoeld als kennismaking op grond waarvan keuzen zijn te herzien. Figuur 3.5.2 laat dit aftastende gedrag goed zien, althans waar het de eerste maanden van de studie betreft. Eenmaal over de helft van het studiejaar heen is er minder gelegenheid nog met een andere studie te beginnen: men wacht het einde van het jaar af.

3.6 Studiefinanciering (vraag 4)

In de pers en in de politiek is no-show vooral met financiële zaken in verband gebracht. Respondenten hebben aangegeven welke bronnen van inkomsten zij in september 1991 hadden. Ook hebben zij aangegeven hoeveel uren betaald werk zij in die maand hebben verricht.

De derdejaars propedeuse studenten hebben allen een beurs zonder aanvullende financiering. Hoe ziet hun aanvullende financiering er dan uit, nu zij daarvoor geen lening bij het Rijk afsluiten? Het gaat om 18 respondenten, waarvan 15 aangeven een bijdrage van hun ouders te ontvangen, 11 hebben (bovendien) inkomsten uit betaald werk, en 2 respondenten hebben inkomsten uit andere bron. Voor 4 respondenten bestaat het betaalde werk uit 20 of meer uren per week (in de maand september 1991). Deze studenten hebben een solide financiële positie, zij worden door hun ouders gesteund of financieren zich zelf bij. Hoewel zij erg laat zijn met het behalen van hun propedeuse, vatten zij dat kennelijk wel als een serieuze zaak op, waarvoor zij investeren, zij het niet ten koste van een hoge studieschuld.

93Spook36UvA470291.GIF

Figuur 3.6 Gemiddeld aantal uren betaald werk per week in september 1991 voor 68 respondenten die aangeven betaald te werken.
Noot. Voor toelichting op afgebeelde betrouwbaarheidsintervallen zie noot bij Figuur 3.4 en de voetnoot in paragraaf 3.4. Voor 2 'oneigenlijke gebruikers' is het gemiddelde 15 uur.



Een groep die er vanzelfsprekend ook uitspringt is die van de werkers. Wie de studie erbij doet naast een baan (gemiddeld 35 uur), doet dat als deeltijdstudent en heeft geen recht op studiefinanciering. Voor de overige groepen geldt dat zij vrijwel allen een beurs hebben, in een kwart van de gevallen bovendien aanvullende financiering. De helft van de respondenten (68 uit 143) geeft aan in september betaald werk te hebben gedaan. Omdat dit betaalde werk gebeurt in tijd die niet aan de studie is te besteden, is voor een beeld van de omvang van dit werk gegeven in Figuur 3.6. Het hoge gemiddelde voor 8 respondenten uit de groep 'verder met no-show studie' suggereert dat dit werken verband houdt met de no-show.

3.7 Bedoeling met de studie (vraag 8)

Ook no-show studenten zijn ooit met bepaalde bedoelingen aan hun studie begonnen. In vraag 8 zijn een aantal bedoelingen aangeboden, in Figuur 3.7 in dezelfde volgorde met verkorte aanduidingen weergegeven:



Vraag 8 blijkt niet op de groep werkenden toegeschreven te zijn: zij onderschrijven vrijwel geen enkele deelvraag. De 6 respondenten die de studie naast hun werk wilden doen geven vooral eigen bedoelingen aan (5 keer in de categorie 'anders'), een keer twijfel en een keer zeker het doctoraal halen. De meesten hebben niet de bedoeling 'zeker examens' te halen. Omdat zij in Figuur 3.7 zijn samengenomen met andere ho-verlaters, geldt voor deze overige afzwaaiers dat zij in sterkere mate de bedoeling hebben zeker de propedeuse of zeker propedeuse en doctoraal te halen dan in de figuur tot uitdrukking komt. Deze groep heeft niet zozeer twijfel over de studiekeuze, als wel of zij deze studie aankunnen.

De derdejaars propedeusestudenten maken geen geheim van hun bedoeling bij de inschrijving voor deze no-show studie: allen onderschrijven deze bedoeling, op een enkele uitzondering na is dit ook de enige bedoeling die zij hebben. Als alle respondenten zo open zijn, is het des te opvallender dat de vraag of men zich alleen voor het verkrijgen van de studiebeurs heeft ingeschreven, niet wordt bevestigd (die enkeling daargelaten). (noot: De deelvraag over beurs en OV-kaart is dubbelzinnig, tenzij gecombineerd met de volgende vraag over de constructie voor het derde propedeusejaar: worden beide onderschreven, dan is kennelijk de constructie bedoeld, en is de score op deelvraag 8.6 in die zin gecorrigeerd.)

93Spook37UvA472275.GIF

Figuur 3.7 Bedoelingen waarmee men zich voor de (no-show) studie heeft ingeschreven (vraag 8).
Noot. De figuur geeft responspercentages binnen de groepen waarvoor de aantallen in de legenda zijn gegeven. De groep '3ejaar propedeuse' is afgesplitst van de groep 'verder met oude studie.' 'propedeuse halen' impliceert hier dat 'doctoaal halen' niet is bedoeld. (noot: De formulering van enkele deelvragen leidt tot problemen bij de interpretatie: het is niet zeker wat aankruisen van 'zeker de propedeuse halen' betekent in relatie tot het doctoraalexamen, en hetzelfde doet zich voor bij de twee vragen over studiefinanciering. Voor de in Figuur 3.7 afgebeelde gegevens is daarom eerst een bewerking toegepast. Een score op de vraag naar het willen halen van de propedeuse betekent hier dat hetzelfde streven zich niet uitstrekt tot het doctoraal. 'Eigenlijk alleen om de studiebeurs met OV-kaart te krijgen' is alleen blijven staan voor respondenten die geen 3ejaar propedeuse constructie zeggen te volgen; het gaat hier uitsluitend om de drie respondenten in de groep 'oneigenlijk gebruik.' )



De groep die zegt verder te gaan met de no-show studie heeft een iets meer uitgesproken zekerheid over het voor deze studie behalen van het doctoraal-examen, hoewel hier ook wel enige twijfel was over de keuze tussen twee alternatieve studies. Die twijfel speelde ook bij de 'omzwaaiers,' en bij enkele studenten die met twee studies tegelijk zijn begonnen en zich uiteindelijk hebben bepaald tot één daarvan.

3.8 Waarom gestopt met de no-show studie (vraag 10)

No-show studenten zijn op enig moment gestopt met de studie, daarom is het van belang te achterhalen wat de redenen voor het stoppen met de studie zijn geweest. Het onderzoek bevat daarom ook een klein uitvalonderzoek, samengevat in Figuur 3.8. Redenen om met een studie te stoppen kunnen van velerlei aard zijn, waarbij het allerminst vanzelfsprekend is dat deze te maken hebben met de kwaliteit van de studie of met de capaciteiten van de student. Naast redenen die teleurstelling en pech betreffen, zijn er ook redenen die juist met kansen elders hebben te maken. Aan de respondenten is de volgende lijst met mogelijkheden voorgelegd.


93Spook38UvA472275.GIF

Figuur 3.8 Redenen om te stoppen met de no-show studie.
Noot. De figuur geeft percentages bevestigende beantwoorden, genomen over de betreffende groep. De groep 'afzwaai ho' is zonder de apart weergegeven groep die de studie naast het werk doet; de groep 'doorgaan met oude studie' is zonder de 3ejaars propedeuse respondenten; de groep die zegt met de no-show studie door te gaan is niet gestopt, en daarom niet afgebeeld. Deelvraag 2 'alsnog elders ingeloot' en 7 'door financieringsproblemen' zijn weggelaten omdat zij vrijwel niet zijn aangekruist.



De resultaten bieden een interessante doorkijk op studie-uitval. Figuur 3.8 is een bonte mengeling van karakteristieke patronen voor de daarin afgebeelde groepen.

De afzwaaiers uit het hoger onderwijs gaan voor een deel (25 %) verder met een opleiding buiten het hoger onderwijs, zoals Schoevers, of een opleiding bij de KLM. Waarom zij afzwaaien: de studie is te zwaar (waaruit zij kennelijk concluderen dat een studie in het wo op dit moment voor hen te zwaar is), en de studie is niet interessant (maar kennelijk ook geen andere studie in het ho). Voor de helft is het afscheid niet definitief: zij geven aan een studie in het hoger onderwijs voorlopig uit te stellen. Persoonlijke omstandigheden spelen bij deze beslissing ook een rol.

De omzwaaiers geven aan dat de reden om met deze studie te stoppen ligt in het beginnen van een andere studie. Zij vinden de studie niet te zwaar, maar hebben wel ontdekt dat de studie voor hen niet interessant is.

Studenten die doorgaan met de oude studie geven aan dat een tweede studie er bij doen toch te zwaar is gebleken, hoewel de studie zelf niet te zwaar is, en zeker niet oninteressant. De studie naast het werk is gestaakt omdat die naast andere verplichtingen (de volledige baan) te zwaar is gebleken, niet omdat de studie zelf te zwaar of oninteressant is. Evenals bij de andere groep afzwaaiers spelen bij deze werkers persoonlijke omstandigheden een rol, en beschouwen zij het afscheid niet als definitief.

De derdejaars propedeusestudenten, die toch wat moeite met deze vraag gehad moeten hebben, geven daar dan ook wat toelichting op onder de categorie 'anders.' De belangrijkste reden om te 'stoppen' met de no-show studie is dat zij voor hun andere studie de propedeuse hebben behaald, waarmee de noodzaak voor de constructie van de 'derdejaars propedeuse' is vervallen.

Na deze opsomming valt het op dat de redenen om te stoppen weinig tot niets met het studieprogramma hebben te maken. Dat de studie te zwaar en niet interessant zou zijn wordt maar door een paar groepen aangegeven, die daar overigens goede redenen voor hebben. Er is een groep die op basis van de eerste kennismaking besluit dat dit hoger onderwijs op dit moment te hoog gegrepen is, en dat is niet iets wat met de kwaliteit van het onderwijs heeft te maken. Dat een studie minder interessant blijkt dan verwacht, dat zal altijd een aantal studenten overkomen: de omzwaaiers concluderen daaruit dat zij het elders moeten zoeken, de afzwaaiers dat dit type onderwijs hen niet ligt. De meeste redenen hebben te maken met wat studenten elders doen: een hoofdstudie elders, een volledige baan; daar heeft het beleid van de studierichting natuurlijk geen enkele greep op, al valt te onderzoeken of aan deze groepen studenten een onderwijsaanbod is te doen dat wel valt te combineren met andere verplichtingen.

3.9 Overwegingen bij de studiekeuze (vraag 9, en 16)

Na de bedoelingen om met de no-show studie te beginnen, en de redenen om deze te beëindigen, blijft nog de categorie eigenlijke studiekeuze-overwegingen over: argumenten die van belang zijn bij de keuze voor juist deze richting, en niet een andere. De behandeling van deze keuzemotieven is tot het laatst bewaard, omdat hier niet alleen de keuze voor de no-show studie, maar ook de vergelijking met die voor een eventele andere (latere) studie aan de orde is. Figuur 3.9.1 laat de overwegingen bij de keuze voor de no-show studie zien.

93Spook391UvA471283.GIF

Figuur 3.9.1 Overwegingen bij de studiekeuze voor de no-show studie.
Noot. De mate waarin iets is overwogen is aangegeven op een cijferschaal van 0 tot 10. De figuur laat 7 groepen zien, de beide niet getoonde groepen hebben te weinig waarnemingen. Ook is vraag 9. 6, instelling in de buurt, weggelaten.



Het opvallendst is ook hier weer de positie van de derdejaars propedeuse studenten: als regel geven zij hier te kennen geen enkele overweging te hebben, door overal het 'cijfer' nul in te vullen. De overige groepen, voorzover daar voldoende gegevens voor beschikbaar zijn, zijn in hun antwoorden moeilijk van elkaar te onderscheiden. Degenen die de studie naast een baan doen, vinden die kans op een betaalde baan minder belangrijk: die baan hebben zij al. De studenten die de no-show studie naast een hoofdstudie wilden doen hebben weinig aandacht voor het extrinsieke cluster motieven: leidinggevende baan, zelfstandig werk, betaalde baan: op die punten voldoet waarschijnlijk hun hoofdstudie voldoende. Bij de omzwaaiers naar het HBO is de neiging iets meer dan anderen te onderschrijven dat het beroep belangrijk is, de moeilijkheid, en de mogelijkheid de opleiding ook binnen de cursusduur af te ronden. De omzwaaiers binnen het WO zijn de no-show studie volgens eigen zeggen begonnen met een minder sterke overtuiging dat de inhoud van deze studie ook interessant zou zijn.

93Spook392UvA471283.GIF

Figuur 3.9.2 Verschil tussen overwegingen bij andere keuze (latere, of juist oudere) en eerste keuze (no-show studie) vergeleken (gemiddelde deelscore op vraag 16 min die op vraag 9).
Noot. De figuur laat 5 groepen zien, voor de niet getoonde groepen is er geen andere / latere studie in het HO. Bij de latere keuze zijn de scores meest behoorlijk hoger.



De overeenkomsten tussen de groepen zijn sterker dan de verschillen. De gezamenlijke tendens is om te beginnen met een behoorlijk belang toe te kennen aan de interessantheid van de studie, ook al is er lang niet altijd sprake van een duidelijke eerste voorkeur.

Bij de vergelijking van de motieven voor de no-show studie met die voor de andere studie zijn aanwijzingen te vinden over de kwaliteit van de beslissing af te haken bij de no-show studie en deze andere studie te beginnen. Figuur 3.9.2 geeft de verschillen tussen die overwegingen weer: de overwegingen krijgen bij de latere studie gemiddeld bijna altijd een hogere beoordeling, daarom zijn de verschillen positief. Voor alle groepen geldt dat voor de nieuwe studie (of juist de studie waar zij al mee bezig waren) de 'echte eerste voorkeur' een zeer veel hogere waardering krijgt, een duidelijke bevestiging van de (nu definitieve?) keuze voor de nieuwe studie.

De 'omzwaaiers wo' waarderen hun nieuwe studie met een gemiddeld 2 tot 3 punten hoger 'cijfer' dan hun no-show studie. Zij vinden het onderwerp van de nieuwe studie een behoorlijk stuk interessanter, en voor die verbetering hadden zij ook ruimte gezien de bescheiden '6' die zij daar voor de no-show studie voor over hadden. Voor bijna alle groepen is de beoordeling voor interesse in het onderwerp van de nieuwe studie gemiddeld ongeveer een '9.'

De groep die de no-show studie naast hun hoofdstudie wilde gaan doen ('2e studie erbij') geeft een overtuigende 'echt eerste voorkeur' voor deze hoofdstudie aan. Dat zij op de extrinsieke motieven (de extrinsieke motieven zijn de drie deelvragen: zelfstandig werk, leidinggevende baan, en betaalde baan) hier heel hoog uitkomen is het gevolg van hun lage waardering voor de no-show studie op deze overwegingen (Figuur 3.9.1).

De derde jaars propedeusestudenten komen hier heel hoog uit om de eenvoudige reden dat hun motieven voor de no-show studie vrijwel 0 zijn. De hoge waardering is echter slechts hoog in vergelijking tot de verschilscores van anderen. De absolute waardering voor wat veelal de studie is waarvoor zij in het derde jaar de propedeuse hebben behaald is tamelijk bescheiden, wat erop kan duiden dat voor deze groep studenten de keuzeproblematiek nog niet ten einde is.

Een tegenwerping kan hier zijn dat het gaat om beoordelingen achteraf, waarin de respondent de gemaakte keuze zou kunnen proberen te rechtvaardigen. Deze kritiek is een verwijzing naar de behandeling die Linschoten in 'Idolen van de psycholoog' heeft gegeven van vooroordeel en rechtvaardiging-achteraf. Helemaal te weerleggen is een dergelijke tegenwerping alleen op basis van vooraf verzamelde oordelen. In zoverre is met het probleem rekening gehouden door in de vragenlijst geen direct vergelijkend oordeel te vragen, maar enigszins besmuikt op enige afstand van elkaar afzonderlijke oordelen te vragen. Er zijn in de resultaten wel aanwijzingen te vinden dat respondenten hier 'eerlijk' op hebben geantwoord. In Figuur 3.9.1 is er bijvoorbeeld een interessant verschil tussen omzwaaiers-hbo en omzwaaiers-wo in de waardering die zij geven aan interesse in het onderwerp van de no-show studie. De omzwaaiers-wo geven een aarzelend oordeel, daarmee hun eigen omzwaaien al enigszins voorziend. De omzwaaiers-hbo hebben die terughoudendheid niet: voor hun omzwaaien speelt immers de zwaarte van de no-show studie een belangrijke rol (zie paragraaf 3.8).

De omzwaaiers verkeren in een geheel andere situatie dan degenen die 'terugkeren' naar hun oude studie. De eerste groep heeft naar het eigen oordeel een studie gevonden die zij duidelijk hoger waarderen dan de gestaakte no-show studie. De tweede groep had alle kaarten al op de hoofdstudie gezet, en daar heeft het uitstapje naar de no-show studie niets aan veranderd. De groep derdejaars propedeusestudenten valt weer buiten deze lijnen: zij hebben geen overtuigende waardering voor de oude studie waar zij serieus mee bezig zijn, misschien heeft deze aarzeling te maken met de terughoudende inzet (traag tempo) voor de studie.

3.10 Voorspellen van studieloopbaan-beslissingen

De voorgaande paragrafen hebben getoond dat er karakteristieke verschillen tussen de onderscheiden groepen no-show studenten zijn. Wat is nu de praktische waarde van dat resultaat, is het bijvoorbeeld mogelijk no-show te voorspellen op grond van dit soort vragenlijstgegevens? Wie kan voorspellen heeft in beginsel ook de mogelijkheid in handen om in te grijpen.

De kern van het voorspellen is het volgende. Veronderstel eens dat voor een student alleen bekend is dat deze no-show is, en wat hij of zij op de vragenlijst heeft ingevuld. Valt er dan een weddenschap af te sluiten in welke van de negen onderscheiden groepen deze student thuishoort? Voorspellen is vooral zinvol wanneer dat vooraf kan gebeuren, bijvoorbeeld in de eerste maand van de studie. Door deze beperking vallen een aantal vragen af: de vragen die gaan over de latere studie. Voor de voorspelling blijven in ieder geval over de vragen 4 (financiering), 7 (tijdbesteding in september), 8 (bedoelingen bij de inschrijving), 9 (overwegingen bij de keuze voor deze studie), en 17 (eventuele voorgeschiedenis in onderwijsloopbaan).

Er is een statistische techniek beschikbaar om het kunststuk uit te voeren, een techniek waarvan de details verborgen kunnen blijven omdat er voor het resultaat van de voorspelling een spijkerhard criterium is: het aantal goede en foute voorspellingen, zie in Figuur 3.10. De techniek is multiple discriminantanalyse, en die is standaard in alle statistische pakketten als SPSS, SAS, SYSTAT aanwezig.

Figuur 3.10 laat een hoge trefkans van de voorspellingen zien. Het lijkt alsof 30 % fout heel veel is, maar dat is bedrieglijk. De trefkans voor iemand die niets anders weet dan de onderlinge verhoudingen is 25 %: deel iedereen in bij de grootste groep, en die heeft een omvang van 35/136 of 25 %. De score bij blind raden is nog lager: 11 % (100/9). Het is erg lastig om met 9 verschillende groepen goed te voorspellen, daarom is 70 % een hoge score. Eerlijkheidshalve moet erbij worden gezegd dat die 70% iets is geflatteerd omdat de te klassificeren respondenten ook zijn gebruikt om de voorspellingsformule op te stellen. De overwaardering is in dit geval waarschijnlijk tussen 5% en 10 %. (noot: De methode om na te gaan wat het werkelijke percentage is (de 'jack knife' methode) zou als volgt gaan: verwijder één respondent, bepaal de voorspellingsformule op basis van de informatie over alle overige respondenten, en voorspel tot welke groep deze ene respondent behoort. Doe hetzelfde vervolgens met alle andere respondenten. Het bezwaar is dat dit een erg tijdrovende bezigheid is. Als compromis is deze techniek gebruikt met groepjes van telkens 10% van de respondenten, waarvan het resultaat is dat 56% goed voorspeld wordt. Deze score zou bij de meer intensieve variant van telkens één ongetwijfeld worden opgehoogd met nog enkele procenten.)

93Spook310UvA472273.GIF

Figuur 3.10 De goede en foute voorspelling van groepslidmaatschap op grond van enquêtevragen 4, 7, 8, 9 en 17.
Noot. De figuur geeft aantallen (n=136), en blijft daarmee in onderlinge verhoudingen gelijk aan figuur 3.2. Totaal percentage 'goed' voorspeld is 70.

De resultaten per groep vragen nog om toelichting. De groep die omzwaait naar het hbo is niet voorspelbaar; de reden voor die onvoorspelbaarheid is waarschijnlijk dat deze studenten te veel lijken op de grotere groepen 'omzwaai wo' en 'verlaten ho' waardoor zij als lid van die grotere groepen worden voorspeld.

Voor de groep 'verder met de no-show studie' is de voorspelbaarheid ook erg slecht, de reden is hier waarschijnlijk dat deze groep te weinig een eigen 'gezicht' heeft. Zij zijn ook enigszins per ongeluk als 'no-show' aangemerkt, valt ter verklaring daarvan aan te voeren.

Dat de derdejaars propedeuse studenten perfect voorspelbaar zijn is niet verrassend: zij laten zich administratief al makkelijk herkennen. Hetzelfde geldt voor de studenten die de no-show studie naast een hoofdstudie wilden doen. De wat grotere foutenmarges bij de verlaters van het ho en de omzwaaiers wo hebben waarschijnlijk te maken met de verwantschap tussen beide groepen, waardoor er voorspellingsfouten over en weer worden gemaakt.

Meer gedetailleerde analyse van de wijze waarop verschillende variabelen bijdragen aan de kwaliteit van de voorspelling zijn mogelijk, maar blijven hier buiten beschouwing. (noot: Hier zij opgemerkt dat een belangrijke bijdrage wordt geleverd door de vraag of de 'derdejaars propedeuse constructie' wordt gevolgd. De volgende vraag die sterk bijdraagt aan de voorspelling is die naar uren besteed aan een andere studie. Dan komen uren betaald werk, de waardering voor interessantheid van het onderwerp, en of men vóór 1991 ingeschreven was voor een studie in het hoger onderwijs.)

Het is mogelijk op basis van informatie die in het begin van het propedeusejaar is te verzamelen, te voorspellen tot welke van de negen onderscheiden groepen de no-show gebleken studenten behoren. Deze voorspellingstechniek zal ook voor een aantal andere vraagstellingen in dit onderzoek worden ingezet, vooral in hoofdstuk 4 waar onderzocht wordt of no-show zelf is te voorspellen, in tegenstelling tot de hier onderzochte voorspelling tot welke groep iemand behoort van wie al bekend is dat deze no-show is.

3.11 Verschillen naar studierichting

Aan dit onderzoek nemen tien studierichtingen deel. Tot nu toe is er niets gezegd over verschillen en overeenkomsten tussen deze studierichtingen naar de aard en omvang van hun no-show. Figuur 3.11 geeft een eerste overzicht over de mate waarin verschillende richtingen vertegenwoordigd zijn in de 9 onderscheiden groepen. Omdat het bij 143 respondenten verdeeld over 9 groepen niet zinvol is daar ook nog een verdeling naar 10 richtingen overheen te leggen, zijn de studierichtingen gegroepeerd. Rechten ontkomt door zijn omvang aan een groepering met andere richtingen. Wiskunde en Biologie zijn in een groep ondergebracht, waar ook Informatica bij aangeschoven zou zijn, waren er respondenten uit die studie geweest. De overige zes richtingen zijn faculteitsgewijs samengebracht: Politicologie, Sociologie en Culturele Antropologie in de PSCW, Frans, Geschiedenis en Muziekwetenschap in Letteren.

93Spook311UvA472273.GIF

Figuur 3.11 No-show per faculteit.
Noot. De figuur geeft aantallen. 'BioWis' is de groepering van Biologie en Wiskunde; voor Informatica is er geen respons van de 3 no-show studenten.



Het is geen verrassing ook hier de 3ejaars propedeusestudenten weer een bijzondere positie te zien innemen: zij zijn vrijwel allen no-show in de PSCW. De redenen voor een dergelijke eenzijdige 'voorkeur' zijn uitvoerig beschreven in het Rotterdamse onderzoek bij Sociale Wetenschappen (Van den Berg, 1993). De Erasmus Universiteit kent omvangrijke studierichtingen waarvoor een numerus fixus of tenminste een plaatsingsregeling geldt, en waar gelegenheidsinschrijvers dus niet terecht kunnen: die komen bij Sociale Wetenschappen terecht. Hetzelfde mechanisme is in Figuur 3.11 te zien. Deze no-show heeft niet met de PSCW in het bijzonder te maken; het gaat ook niet om studenten die van de nood een deugd maken en tentamens afleggen die in de 'eigen' studie als bijvak kunnen tellen. Het feit dat Rechten geen no-show uit deze groep herbergt is een gevolg van de plaatsingsregeling voor deze faculteit.

Zijn er meer van deze bijzondere samenhangen? Rechten neemt een behoorlijk aandeel in de omzwaaiers binnen het wo: het is een studie die meer dan andere studies nogal eens begonnen wordt door studenten die eigenlijk nog niet weten wat ze willen gaan doen. Dit beeld zou dan overeen moeten stemmen met dat voor low-show studenten, zie hoofdstuk 4. Nog even bij deze faculteit blijvend: Rechten is bij uitstek de studie die aantrekkelijk is voor werkenden, voor deeltijdstudenten die niet zo nodig ook de examens moeten halen, maar deze studie kunnen benutten in hun beroepsloopbaan. Voor de '2e studie erbij' zijn de PSCW, Letteren en vooral BioWis dominant, mogelijk speelt ook hier dat een inschrijving voor Rechten een formele drempel heeft door de plaatsingsregeling. Over het geheel genomen overheerst de gelijkmatige verdeling, en zijn de overeenkomsten groter dan de verschillen.

In de voorgaande paragraaf bleek het mogelijk op grond van de scores op enkele vragen uit de enquête een goede voorspelling te doen tot welke van de 9 groepen een willekeurig gekozen respondent behoort. Omdat de eenvormigheid van de studierichtingen zeker niet zo groot kan zijn als door Figuur 3.11 is gesuggereerd, is een poging gedaan om op grond van de gegevens uit de enquête een onderscheid tussen studierichtingen aan te brengen. Voor deze analyse is een groter aantal vragen gebruikt, omdat ook redenen om met de studie te stoppen (vraag 10), of men in hetzelfde jaar ook een andere studie volgde of is gaan volgen (vraag 11), de tijd tot het stoppen met de studie (vraag 3.2), en activiteiten in de studie (vraag 2) zouden kunnen onderscheiden tussen studierichtingen. De resultaten van deze analyses zijn niet beter dan wat verkregen zou worden onder de regel: deel iedere respondent in bij de grootste richting, bij Rechten. (Hier is eveneens multiple discriminantanalyse voor gebruikt. Een hoge correcte klassificatiescore voor zowel het onderscheid naar 4 faculteiten (73 %), als naar 9 studierichtingen (67%), blijkt te krimpen tot een toevalskans bij klassificatie van de ene helft van de respondenten op basis van de discriminantfuncties die zijn verkregen op grond van de gegevens van de andere helft. Omdat de helft van 143 respondenten wel erg weinig is om een complexe techniek als MDA op los te laten, is ook nagegaan hoe de klassificatiescore is wanneer telkens een tiende van de respondenten wordt geklassificeerd op basis van de analyse over de overigen, maar ook dan blijven de resultaten mager: resp. iets meer en iets minder dan 50 % bij 4 faculteiten of 9 richtingen. Mogelijk heeft dit resultaat statistische betekenis, maar de praktische relevantie ontbreekt.:) Dit betekent dat het niet mogelijk is een goede weddenschap af te sluiten op de studierichting waartoe een bepaalde respondent hoort, alleen gezien de scores op zijn of haar enquête. Afgezien van opvallende details zoals in het begin van deze paragraaf besproken, zijn er geen belangrijke verschillen tussen studierichtingen wat betreft de kenmerken en achtergronden van hun no-show studenten.

4 Wie zijn deze no-show studenten? Bestandsonderzoek

Het is mogelijk gebleken met een vragenlijstonderzoek een duidelijk beeld te krijgen over de bijdrage die verschillende groepen studenten leveren aan no-show. Nu zijn de bestanden van de Centrale Studenten Administratie ook rijk aan achtergrondgegevens van studenten, en die gegevens zijn hopelijk te gebruiken om de aard van no-show te beschrijven. Zo vallen studenten administratief in te delen in groepen die zich wat no-show betreft verschillend gedragen. De analyse krijgt vervolgens een aantal verdiepingen door gegevens uit bestanden en die uit vragenlijsten met elkaar te combineren, de voorspelling van no-show niet langer te baseren op de groep waarvan al bekend is dat ze no-show zijn, ook de low-show te bekijken die wel aan examens deelneemt maar daar heel weinig punten voor scoort, en het gegevensbestand uit te breiden met het cohort 1990-1991. Hoewel onder low-show studenten geen vragenlijstonderzoek is gedaan, zijn er voorzichtige conclusies te trekken over de verwantschap tussen no-show en low-show.

Het sluitstuk van dit deel van het onderzoek is weer de vraag of no-show en low-show zijn te voorspellen, omdat in de mate waarin dat het geval is er ook mogelijkheden voor het beleid zijn om op no-show in te spelen. Tenslotte ligt er nog de vraag of studierichtingen op grond van deze bestandgegevens zich misschien wel van elkaar onderscheiden, waar dat eerder (paragraaf 3.11) op vragenlijstgegevens niet het geval bleek te zijn.

4.1 Beschrijving van beschikbare bestandsgegevens

Universitaire bestanden zijn niet opgezet om geautomatiseerd gegevens over no-show en low-show op te leveren. De beschrijving van gebruikte bestanden is een goede gelegenheid om ook de problemen aan te duiden die ontstaan zodra in deze bestanden de gegevens over no-show en low-show worden gezocht.

studierichtingsbestanden
Voor de meeste deelnemende studierichtingen is inzage verkregen in de studentenadministratie voor de propedeusejaren 1989-1990, 1990-1991, en 1991-1992, voor degenen die in dat jaar voor het eerst voor de propedeuse zijn ingeschreven. Deze bestanden bevatten tenminste de namen van de studenten, de examenonderdelen waaraan is deelgenomen, en de daarvoor behaalde resultaten. Het aantal behaalde punten is bij de ISIS-bestanden eenduidig in de bestanden zelf vastgelegd, in de andere bestanden moet het behaalde aantal punten soms worden afgeleid uit behaalde cijfers en de omvang van de examenonderdelen.

Uitgaande van de studierichtingsbestanden zoals deze zijn aangeleverd, of konden worden ingezien, zijn lijsten opgesteld van de studenten voor wie geen enkele deelname bekend was (no-show), studenten die vier of minder punten hadden behaald (low-show), en de overigen. Er is telkens gewerkt met de periode van september tot en met augustus; dat maakte het noodzakelijk met het overnemen van bestandsgegevens te wachten tot ook de resultaten van herkansingen in augustus 1992 in de bestanden waren ingewerkt.

Met ISIS bleek dat no-show studenten niet zijn uit te draaien: kennelijk is ISIS zo geprogrammeerd dat de selectie op eerstingeschreven alleen leidt tot het weergeven van studieresultaten wanneer er tenminste één keer aan een examenonderdeel is deelgenomen. Het identificeren van de no-show moest via een omweg gebeuren. Het bleek wel mogelijk namenlijsten te produceren van alle eerstingeschrevenen, zodat door aftrekken van alle studenten voor wie resultaten bekend waren de no-show studenten overbleven. ISIS levert meer gegevens dan gevraagd: ook wanneer de student tentamens heeft afgelegd bij andere studierichtingen die met ISIS werken zijn de uitslagen daarvan in de ISIS-uitdraai opgenomen. Zijn de gegevens uit ISIS eenmaal volledig, dan is er nog het probleem dat deze bestanden zo omvangrijk zijn dat het niet denkbaar is met de hand de nodige gegevens over deelname en behaald aantal punten daaruit te verzamelen. Er is speciaal voor het halen van deze bescheiden hoeveelheid informatie programmatuur in Pascal geschreven.

bestanden van de Centrale Studenten Administratie (CSA)
De Centrale Studenten Administratie houdt voor alle ingeschreven studenten een bestand bij met persoonlijke achtergrondgegevens en aan de UvA afgelegde examens. Een belangrijk punt voor de systematiek van dit bestand is dat het is gericht op de eerste studie waarvoor men zich opgeeft. Voor deze eerste studie wordt geregistreerd wanneer die is begonnen, en of dat was na intern omzwaaien, herinschrijven, etc. Inschrijvingen voor een gelijktijdige tweede en derde studie worden geregistreerd, maar zonder extra gegevens. Dit bestand wordt aangehouden voor administratieve doeleinden, niet in het bijzonder voor onderzoek waarbij de inschrijvingssituatie op een bepaalde datum in het verleden van belang is. Van mutaties wordt geen logboek bijgehouden, zodat later niet bekend op welk moment en waarom mutaties zijn aangebracht. Ook automatisering leidt tot problemen bij onderzoek over voorbije jaren: bestanden voor ondertussen afgedankte computersystemen zijn niet meer op eenvoudige manier beschikbaar, en hebben een administratieve vorm waardoor zij niet makkelijk vergelijkbaar zijn te maken met de gegevens zoals die in de actuele administratie worden bijgehouden. Problemen van deze aard hebben ertoe geleid dat het cohort 1989-1990 niet in het onderzoek is meegenomen.

Van de achtergrondgegevens zijn voor dit onderzoek de volgende van belang: de aard van de instroom in de eerste studie (omzwaaien intern of extern, eerstejaars studie, - UvA of - wo), geboortejaar, voltijd- of deeltijdstudie, nationaliteit, geslacht, diploma op grond waarvan men is toegelaten tot het examen, en jaar waarin dat diploma is behaald. Tal van andere gegevens zijn wel beschikbaar maar niet in de analyses betrokken, zoals de cijferlijsten van de vwo-opleiding, woonplaats als geografisch gegeven, en militaire dienst. Er zijn een aantal belangrijke gegevens over de studieloopbaan voorhanden. Naar het verleden toe: het jaar waarin men voor het eerst aan de UvA is ingeschreven, voor welke studie, en welke fase; idem bij een andere instelling. Voor het onderzoek is bovendien gebruik gemaakt van de volledige 1-decemberbestanden om na te kunnen gaan of studenten zich het volgende jaar weer bij de UvA hebben ingeschreven, en zo ja voor welke studie(s) in welke fase. Van praktisch belang voor de uitvoering van het vragenlijstonderzoek zijn de namen, adressen en telefoonnummers, die in verband met de privacy in bestanden in ontkoppelde vorm zijn ondergebracht.

Voor de jaargangen 1990-1991 en 1991-1992 zijn bestanden uitgedraaid van de studenten die in dat jaar voor het eerst voor de propedeuse van de tien aan het onderzoek deelnemende studierichtingen staan ingeschreven als student, en die collegeld hebben betaald (en dus in de 1-decembertelling zijn opgenomen). Het werd pas in een late fase van het onderzoek duidelijk dat dit alleen de opgave voor de eerste studie gold. Omdat juist bij de inschrijvingen voor een tweede of derde studie een belangrijk deel van de no-show problematiek zit, zijn alsnog bestanden uitgedraaid van alle studenten die in deze jaren voor een tweede of derde studie behorend tot de tien deelnemende studierichtingen staan ingeschreven. Het probleem is dat alleen op grond van andere gegevens is vast te stellen of die inschrijvingen in het betreffende jaar voor het eerst zijn, daarvoor is afgegaan op de studierichtingsgegevens. Voor degenen die twee jaar inschrijftijd voor de propedeuse hebben verbruikt en zich daarom voor een andere studie inschrijven heeft een en ander geen gevolgen: om het betalen van 'dubbel' collegegeld te voorkomen, moeten zij zich eerst voor de 'oude' studie waar zij de propedeuse voor willen halen als extraneus inschrijven, pas daarna voor de andere (no-show) studie als student.

4.2 Op inschrijvingsgegevens onderscheiden no-show

Op grond van alleen bestandsgegevens is meteen een indeling van verschillende groepen no-show te maken. Omdat in de systematiek van de Centrale Studenten Administratie de eerste studie waar de student zich voor inschrijft meestal de hoofdstudie is, en een eventuele tweede studie een bijstudie, zijn de inschrijvingen voor deze eerste studie de belangrijkste groep. In figuur 4.2.1 en 4.2.2 zijn de deelgroepen die hiertoe behoren in een lichte grijstint aangeduid. Binnen deze groep is verder te onderscheiden naar direct vanuit het vwo instromende studenten, indirect van buiten de UvA instromende studenten, en studenten die eerder al een andere studie aan de UvA deden, terwijl studenten die geen recht op studiefinanciering hebben als afzonderlijke groep zijn onderscheiden.

93Spook421UvA489273.GIF

Figuur 4.2.1 Samenstelling van de no-show op grond van beschikbare bestandsgegevens.
Noot. In de jaargroep 1991-'92 zijn van de 2438 studenten 328 no-show. Licht: inschrijving voor 1e studie, donker: inschrijving voor 2e studie.



Waar Figuur 4.2.1 de samenstelling van de groep no-show studenten weergeeft naar onderlinge verhoudingen binnen deze groep, geeft Figuur 4.2.2 een beeld van de mate waarin no-show binnen ieder van de onderscheiden groepen studenten voorkomt. De grootste groep studenten zijn de directe instromers uit het vwo; de no-show is hier het laagst: 6,5 %. Een eerste inschrijving aan de UvA kan overigens samengaan met een voorgeschiedenis in het hoger onderwijs elders: voor de indirecte instromers, voorzover zij recht hebben op studiefinanciering, is de no-show 7,9 %. Van de studenten die binnen de UvA zijn omgezwaaid, de derde groep, is de no-show hoger dan van de eerstejaars: 10 %. Dit resultaat is op basis van eerder onderzoek (De Jong et al. 1991) te verwachten: omzwaaiers hebben in de nieuwe studie een iets minder gunstige prognose dan andere studenten.

93Spook422UvA463273.GIF

Figuur 4.2.2 De samenstelling van de no-show op grond van beschikbare bestandsgegevens.
Noot. De omvang van de groepen is telkens bij de groepsnaam aangegeven; jaargroep 1991-'92.



Een niet onbelangrijke groep studenten zijn degenen die als regel geen recht op studiefinanciering hebben omdat zij als deeltijdstudent inschrijven, ouder zijn dan 27 jaar, of niet de Nederlandse nationaliteit hebben; no-show blijft in deze groep beperkt tot resp. 12,2 %.

Het is mogelijk voor twee of drie studies tegelijk in te schrijven, en zo zijn er 221 studenten die volgens de centrale inschrijving de betreffende studie als 2e of 3e studie hebben opgegeven. In deze subgroep is de no-show heel omvangrijk: 35 %. In hoofdstuk 3 is al gebleken dat de no-show studenten een tweede studie erbij toch te zwaar vonden.

Er is een niet onbelangrijk aantal studenten die zich (voor een andere studie dan de no-show studie) als extraneus hebben ingeschreven. Een dergelijke inschrijving kan tal van nobele bedoelingen hebben, maar het kan ook de noodsprong 'derdejaars propedeuse' zijn. De no-show van 62 % gaat volgens het vragenlijstonderzoek vrijwel geheel om studenten die in de tijd die nodig is om alsnog hun propedeuse te behalen hun studiefinanciering veilig stellen. Het is niet onwaarschijnlijk dat de overige 38 % van de nood een deugd maakt, en in de 2e studie punten behaalt die als bijvak kunnen tellen.

Er is een groep van 49 (2,0 %) studenten die wel in het centrale bestand staan, maar niet zijn teruggevonden in het bij hun opgegeven studie behorende studierichtingsbestand. Deze studenten zijn per definitie no-show, omdat immers geen examenresultaten bekend zijn. Tijdens het vragenlijstonderzoek bleek dat voor 34 studenten de status van 'no-show' niet juist was; vrijwel al deze studenten behoren tot de groep van 49 CSA - no-show studenten. Het gaat hier om fouten van administratieve aard die deels in de bestanden zitten, zoals verkeerd genoteerde namen of collegekaartnummers, en die deels zijn te wijten aan fouten die in dit onderzoek zijn ontstaan bij het overnemen van gegevens en het koppelen van bestanden. Deze 34 waren als no-show aangemerkt na vergelijking van centrale en studierichtings-bestanden.

4.3 Analyse van de non-respons

De achtergrondgegevens van de studenten die in het bestand van de Centrale Administratie aanwezig zijn maken het mogelijk een analyse te maken van de non-respons bij het vragenlijstonderzoek. De drie anonieme vragenlijsten buiten beschouwing latend is de respons 47,6 % (140 uit 294). Van de in paragraaf 4.2 onderscheiden groepen dragen de directe instromers daar het meest aan bij: hun respons is 68 %. Daar staat tegenover dat indirecte instromers, de studenten die geen recht op studiefinanciering hebben, en studenten die een tweede studie erbij doen een gemiddeld lagere respons hebben (respectievelijk 33, 39 en 35 %). Van de studenten die waarschijnlijk de derde-jaars propedeuse constructie volgen is de respons beter: 51 %.

Bij splitsen van studenten naar wie in 1992 opnieuw aan de UvA staan ingeschreven of niet (146, resp. 151), blijkt de respons onder de inschrijvers 57 % te zijn, onder de niet-inschrijvers 38 %. De lage respons van de tweede groep hangt waarschijnlijk samen met hun minder goede bereikbaarheid door verhuizing, maar mogelijk ook met een minder belang dat zij hechten aan het invullen van UvA-enquêtes.

Bezien naar de verschillende soorten non-respons, zoals onbereikbaar, weigering, telefoon niet opgenomen e.d., zijn de enige opvallende cijfers die voor indirecte instromers die naar verhouding minder vaak over telefoon beschikken, en voor '2e studie' respondenten waar de 'weigeringen' zich concentreren. De laatste groep bestaat overigens voor een belangrijk deel uit studenten Rechten, die mogelijk eerder dan anderen geneigd zijn te zeggen dat zij persoonlijke gegevens voor zich wensen te houden.

Deze analyse levert geen aanwijzingen op dat de non-respons de resultaten van het onderzoek ernstig zou kunnen vertekenen. Zoals te verwachten is de non-respons wat groter voor ouderen, en voor mannelijke studenten. (noot: Enkele multiple discriminantanalyses zijn gedaan om na te gaan of non-respons voorspelbaar is, dus niet willekeurig verdeeld over de doelgroep. Op basis van de groepenindeling in twee helften (kruisvalidatie) zijn de scores correct 52 % en 56 %, terwijl de toevalstreffer 50 % zou zijn uitgaande van even grote groepen, 52 % uitgaande van de omvang van de non-respons groep. Hetzelfde met nu de studierichtingen als voorspellers: 58 % en 55 %. Tenslotte de combinatie van groepen en studierichtingen: 62 % en 57 %, terwijl de MDA over alle 294 een score van 64 % oplevert. De variabelen die bij de voorspelling een rol spelen zijn: is men direct in de 1e studie ingestroomd, Frans, Geschiedenis, Sociologie, en of men een tweede studie doet.) Alleen voor de onderlinge verhouding tussen de onderscheiden groepen is van belang dat de directe instromers in het vragenlijstonderzoek oververtegenwoordigd zijn.

De resultaten van dit onderzoek geven geen landelijk representatief beeld voor het wetenschappelijk onderwijs. Numerus fixus studierichtingen en technisch wetenschappelijke studierichtingen zijn geheel afwezig in het onderzoek, terwijl het niet onwaarschijnlijk is dat no-show bij numerus fixus studies minder vaak voorkomt. Ook is de Universiteit van Amsterdam naar de samenstelling van zijn studentenpopulatie niet representatief voor het Nederlandse WO, mogelijk leidt ook dat tot no-show percentages die hoger zijn dan bij representatief landelijk onderzoek gebleken zou zijn. Eerder onderzoek aan de EUR heeft laten zien hoe de specifieke constellatie van studierichtingen in Rotterdam tot een opeenhoping van derdejaars propedeuse no-show leidt bij sociale wetenschappen (Van den Berg, 1993).

4.4 Relatie tot typeringen uit vragenlijstgegevens

Op grond van de vragenlijst is een groepenindeling naar bestemming gemaakt, zoals in het voorgaande hoofdstuk behandeld. Hebben de administratieve instroomgroepen een betekenisvolle relatie tot deze eerder naar bestemming onderscheiden no-show? Voor bijzondere groepen als extraneï ligt die relatie voor de hand: 83 % van de respondenten in deze groep geven aan de constructie van de 3e-jaars propedeuse te hanteren. Voor de groep die geen recht op studiefinanciering heeft is het zo dat deze voor de helft bestaat uit studenten die de studie naast een volledige baan doen. De studenten met een volledige baan zijn allen deeltijdstudenten en hebben om die reden geen recht op studiefinanciering. De groep die voor een '2e studie' no-show is, bestaat voor driekwart uit studenten die deze studie naast een hoofdstudie erbij wilden doen. Voor de grootste groep, de no-show die direct is ingestroomd, komt omzwaai binnen het wo relatief vaak voor: 53 %. Andere opvallende verbanden zijn er niet, behalve wat de groep CSA - no-show betreft. Van deze laatste groep (11 studenten in het vragenlijstonderzoek) blijkt de helft aan te geven nog steeds in de 'no-show studie' verder te gaan, zijn er drie omgezwaaid binnen het wo, en zeggen 2 de no-show studie er als tweede studie bij te hebben genomen. De no-show die op basis van dit CSA-bestand is geconstateerd blijkt inderdaad vrijwel geheel te berusten op administratieve problemen van verschillende aard: eerder werden immers al 34 van deze CSA - no-show herkend als niet - no-show.

Tabel 4.4 Administratieve instroomgroepen gekruist met de groepen die naar bestemming zijn onderscheiden.


bestemming direct indirect eerder geen tweede 2e stud., CSA
in 1e st. 1e jaar UvA SF-recht studie 1e extran. no-show

ho verlaten 10 5 2 3 . . .
omzwaai wo 23 7 1 1 2 . 3
omzwaai hbo 5 2 . . . . .
andere studie 1 1 . . 2 . .
alsnog show 3 3 3 1 1 . 5
hoofdstudie . 4 2 . 20 3 2
voll. baan . . . 6 . . .
3e jr proped. . . . . 2 15 1
oneigenlijk 1 . . . . . .



Directe instromers onderscheiden zich van andere groepen no-show door in september 1991 vrijwel allemaal volledig voor de studie (waar zij no-show voor zijn) beschikbaar te zijn. Naar faculteiten bezien is het opvallend dat op een uitzondering na alle '2e studie, voor 1e als extraneus' ingeschreven studenten die tweede studie in de faculteit PSCW hebben gekozen. Ook in het juist genoemde Rotterdamse onderzoek bleek een dergelijk bijzonder patroon, afhankelijk van numerus fixus studies en plaatsingscommissies die bepaalde studierichtingen voor een pseudo-inschrijving blokkeren. De faculteit Rechten neemt een verhoudingsgewijs groot deel van de direct ingestroomde no-show voor zijn rekening, evenals van de no-show zonder recht op studiefinanciering, het laatste omdat deze faculteit veel deeltijdstudenten aantrekt.

93Spook44UvA472273.GIF

Figuur 4.4 De voorspelbaarheid van bestemmingscategorie op grond van de instroomcategorieën.
Noot. Het percentage goed voorspelde bestemmingen van 143 no-show studenten is 53. (Bij kruisvalideren op twee helften is er geen krimp: de percentages correct zijn dan 57 % en 48 %.)

Is het mogelijk de bestemming te voorspellen op grond van de instroomgroepen waar studenten toe behoren (dus ook: gegeven dat deze studenten no-show zijn)? Figuur 4.4 laat het antwoord zien. Zou de voorspelbaarheid nul zijn, dan zou het percentage correct 25 % zijn door iedereen in de grootste groep in te delen. Hoewel de voorspelling verre van perfect is, is deze dus twee keer zo goed als het minimum van 25 %.

Uit het feit dat de voorspelbaarheid beperkt is, valt af te leiden dat beide groepsindelingen niet dezelfde informatie bevatten: de bestemming is niet sluitend op de instroom te herleiden.

4.5 Hangt no-show af van opleiding, leeftijd e.d.?

Er zijn een aantal persoonlijke gegevens die niet in de vragenlijst zijn opgenomen omdat zij in het CSA-bestand al beschikbaar waren. In deze paragraaf is een overzicht gegeven, gerelateerd aan de negen no-show groepen uit het vragenlijstonderzoek. In de volgende paragraaf is aan de orde of deze gegevens de voorspelling van no-show verbeteren.

93Spook451UvA472273.GIF

Figuur 4.5.1 De verdeling van mannen en vrouwen over de no-show groepen.
Noot. Het aantal respondenten is 140, exclusief de 3 anonieme respondenten.



De verdeling van mannen en vrouwen over de no-show groepen is niet gelijk: mannen zijn oververtegenwoordigd in de groep 'volledige baan', 'alsnog show' en 'derdejaars propedeuse'. Vrouwen zijn over-vertegenwoordigd in de groep omzwaaiers binnen het wo. Een en ander doet vermoeden dat vrouwen vaker in de jongere groepen te vinden zijn, mannen in de oudere. Het leeftijdsverschil tussen mannen en vrouwen in de groep no-show (294) is 1,4 jaar: mannen zijn gemiddeld 23,4, vrouwen 21,8 jaar oud. ( Significant op 5% niveau (F waarde bij variantieanalyse heeft overschrijdingskans 0,0106); berekend door 1991 min het geboortejaar als leeftijd te nemen.)

93Spook451UvA472273.GIF

Figuur 4.5.2 Gemiddelde leeftijd van no-show groepen
Noot. Voor toelichting op afgebeelde betrouwbaarheidsintervallen zie de noot bij Figuur 3.4 en de voetnoot in paragraaf 3.4.

Leeftijd is een belangrijke variabele. Figuur 4.5.2 laat zien dat er verschillen in gemiddelde leeftijd zijn tussen de bestemmingsgroepen. De omzwaaiers zijn jonge studenten. De groep 'verder met no-show studie' is gemiddeld wat ouder, een kwart van deze groep bestaat uit deeltijdstudenten.

De gegevens over vooropleiding en aard van de instroom zijn voor een belangrijk deel verwerkt in de indeling in administratieve groepen zoals die in paragraaf 4.2 is opgesteld.

4.6 Voorspellen van studieloopbaan-beslissingen

Is het mogelijk de voorspelling van no-show groepen te verbeteren door ook van gegevens uit het centrale bestand gebruik te maken? In paragraaf 4.4 is al behandeld dat op grond van de administratieve instroomgroepen wel iets valt te voorspellen.

93Spook451UvA472273.GIF

Figuur 4.6.1 De voorspelbaarheid van no-show groepslidmaatschap op grond van de combinatie van administratieve groepen en enquêtevragen 4, 7, 8, 9 en 17.
Noot. Totaal percentage 'goed' is 60 %, gebaseerd op een jack knife van telkens 10 %.

De combinatie van lidmaatschap van instroomgroepen met vragenlijstgegevens levert een geringe toename in voorspellend vermogen op. In Figuur 4.6.1 zijn de resultaten van de voorspelling afgebeeld. Het totale percentage 'goed' is 60 %, waar dat voor de voorspelling op grond van alleen de enquêtevragen 56 % was (paragraaf 3.10).
(noot: De voorspelling is uitgevoerd op telkens 10 % van de gevallen die buiten de discriminantanalyse zijn gelaten (jack knife methode). Ook de 56 % voor alleen de vragenlijstgegevens is op deze methode gebaseerd, en wel op telkens dezelfde 10%-groepen. De statistische techniek die voor het opstellen van de voorspellingsformule is gebruikt (multiple discriminantanalyse) is zo krachtig dat het gevaar bestaat dat de voorspelling te sterk door toevalligheden in de gegevens wordt beïnvloed. Bij een eerdere poging zijn meer bestandsvariabelen gebruikt dan alleen de indeling naar administratieve groepen, en dat resulteerde in een voorspelling van 53 % (volgens dezelfde jack knife aanpak). Weglaten van deze variabelen leverde de verbetering tot 60 % op.)

De voorspelling op grond van de combinatie van bestands- en vragenlijstgegevens (60 %) is weinig beter dan die van alleen vragenlijstgegevens (56 %), of van alleen de administratieve groepen (50 %). Het is bovendien te bedenken dat in alle analyses tot nog toe er vanuit is gegaan dat al bekend is dat deze studenten no-show zijn.

93Spook462UvA471274.GIF

Figuur 4.6.2 De voorspelbaarheid van bestemming op grond van lidmaatschap van instroomgroepen en de enquêtevragen 4, 7, 8, 9 en 17. Noot. Totaal percentage 'goed' is 77 %, kruisvalidatie op twee helften, hier niet afgebeeld: 64 % en 62 %.

Wanneer het voorspellen van negen groepen niet tot hoge scores goed leidt, is een grovere indeling in vier groepen nog te proberen, zoals de indeling naar vier groepen gepresenteerd in Figuur 3.3.1. Figuur 4.6.2 geeft de voorspellingsresultaten op grond van lidmaatschap van instroomgroepen en de genoemde enquêtevragen. Het percentage goede voorspellingen, 77 %, is weliswaar hoger dan bij de voorspelling van negen groepen, maar niet zoveel hoger dat de meer gedetailleerde voorspelling niet de voorkeur zou blijven houden. (De grootste groep 'verder met oude studie' is 40 %; dus een voorspelling met 40 % goed is al te bereiken door iedere student in deze groep te plaatsen. )

4.7 Low-show en no-show zijn nauw verwant

Het is te verwachten dat er een nauwe verwantschap bestaat tussen no-show en low-show, waarbij de laatste gedefinieerd is als niet meer dan 4 punten behaald bij tenminste een enkele deelname aan tentamens of practica. Immers, waar no-show studenten toch menige onderwijsactiviteit vertonen maar er niet toe komen deel te nemen aan soms wel voorbereide tentamens, bestaat de low-show groep uit de studenten die deze tentamenpogingen net wel hebben gedaan. Figuur 4.7.1 laat de no-show naast de low-show zien voor het cohort 1991-'92, Figuur 4.7.2 geeft de situatie voor cohort 1990-1991 weer.

Er is een opvallende ontwikkeling in de verhouding van aantallen no-show en low-show studenten te onderkennen: hoe 'verder' de groepen verwijderd zijn van die van de directe instromers, des te meer overwicht heeft no-show op low-show. Het kan zijn dat jongere studenten, studenten met een kortere voorgeschiedenis in het hoger onderwijs, vaker nog wel aan het afleggen van tentamens toekomen voor zij besluiten deze studie te stoppen.

voorspelbaarheid
Wanneer no-show en low-show in aard slechts gradueel van elkaar verschillen, dan zal het moeilijk zijn op grond van achtergrondvariabelen te voorspellen tot welke van beide groepen studenten behoren, gegeven dat zij in ieder geval tot één van beide behoren. Die voorspelling is voor inschrijvingen voor de eerste en tweede studie afzonderlijk onderzocht.

93Spook462UvA471274.GIF

Figuur 4.7.1 No-show en low-show, cohort '91-'92.

93Spook472UvA472273.GIF

Figuur 4.7.2 No-show en low-show, cohort '90-'91.

No-show en low-show voor de eerste studie zijn niet helemaal onvoorspelbaar: voor 418 no-show en 423 low-show studenten (ook die uit het cohort 1990-1991 erbij genomen) is het percentage goede voorspellingen 63 %, waar blind voorspellen (toeval) tot ca 50 % goed zou leiden. (Kruisvalideren op grond van cohort '90 resp. '91 levert op: 62 % en 61 %; idem op een splitsing op even en oneven collegekaartnummers: 58 % en 59 %.) De achtergrondvariabelen die aan deze voorspelling bijdragen zijn: of de studie 1ejaars-wo is, het jaar waarin het diploma is behaald op grond waarvan examenrecht bestaat, leeftijd, of voor een voltijd dan wel voor een deeltijdstudie is ingeschreven, en op grond van welk diploma het propedeuse-examen mag worden afgelegd. De voorspelbaarheid berust waarschijnlijk op de ongelijke verhoudingen tussen no-show en low-show binnen de vier administratieve groepen van directe instromers tot en met degenen die geen recht hebben op studiefinanciering, en wijst niet op een wezenlijk verschil tussen no-show en low-show.

Voor de no-show en low-show bij de tweede studie is het resultaat eenvoudiger: beide groepen zijn niet op achtergrondvariabelen te onderscheiden. Er zijn 227 no-show en 47 low-show studenten, zodat 83 % goed voorspeld kan worden door iedereen als no-show aan te merken, en dat is precies wat het resultaat van de statistische analyse is.

Verschilt de verhouding van aantal no-show tot low-show tussen studierichtingen? Die vraag is op verschillende manieren te onderzoeken, één daarvan is door de studierichting als voorspeller te gebruiken. Dat levert voor de eerste studie een geringe verbetering boven kans op: 62 %, die echter krimpt tot 55 resp. 57 procent bij kruisvalideren tussen de cohorten 1990 en 1991. (Ook de combinatie van achtergrondvariabelen en studierichtingen is onderzocht, maar die doet het bij het voorspellen niet beter dan alleen de achtergrondvariabelen. Het percentage goed is weliswaar 66 %, maar bij kruisvalideren krimpt dat tot 60 % en 58 % (op even / oneven collegekaartnummers gesplitst). Er zijn verschillen, maar deze zijn klein. Voor de tweede studies is het verschil niet voorspelbaar, hier zijn tussen studierichtingen geen verschillen.

93Spook481UvA473281.GIF

Figuur 4.8.1 No-show en low-show naar instroomgroep; 1991-'92

93Spook482UvA473281.GIF

Figuur 4.8.2 No-show en low-show naar instroomgroep; 1990-'91.

4.8 No-show en low-show in '90-'91 versus '91-'92

Voor een vergelijking van no-show en low-show in de beide onderzochte jaren zijn in paragraaf 4.7 al figuren met aantallen gepresenteerd. Hieronder in Figuur 4.8.1 en 2 dezelfde gegevens, maar nu gepercenteerd over de betreffende instroomgroep.

Tabel 4.8.1 No-show en low-show in beide cohorten 1990-'91 en 1991-'92.


inschrijving in

eerste studie tweede studie


cohort rij-totaal cohort rij-totaal


'90-'91'91'92'90-'91'91'92

>4 punten 1713 1764 3477 110 132 242
no-show 226 193 419 114 113 227
low-show 239 184 423 16 31 47

kolom-totaal 2187 2141 4319 240 276 516

Noot. De verschillen zijn voor inschrijvingen in de eerste studie statistisch significant (overschrijdingskans p < 1 %), voor die in de tweede studie niet ( p = 0,12).

Tabel 4.8.2 Inschrijvingen voor een tweede studie, beide cohorten 1990-'91 en 1991-'92.


eerste studie tweede studie rij-totaal

cohort 1990-'91 2178 240 2418
cohort 1991-'92 2141 276 2417

kolom-totaal 4319 516 4835

Noot. De verschillen zijn statistisch significant (overschrijdingskans < 10 %).

Er zijn kennelijk verschillen tussen de beide jaarcohorten, de percentages low-show en no-show zijn in het cohort 1990 hoger dan die in het cohort 1991, althans wat de inschrijvingen voor de eerste studie betreft (in de figuren de groepen 'directe instroom' tot en met 'geen recht op studiefinanciering'). De beide kruistabellen (Tabel 4.8.1 en 4.8.2) maken de verschillen tussen de beide jaren preciezer, ondertussen het verschil tussen eerste en tweede inschrijvingen in het oog houdend. Omdat ook de gretigheid waarmee men zich voor tweede studies inschrijft zou kunnen verschillen tussen beide jaren, is ook dat onderzocht (Tabel 4.8.2). Voor de inschrijvingen in de eerste studie zijn no-show en low-show in 1991 minder omvangrijk dan in het voorgaande cohort. Voor de inschrijvingen in een tweede studie is het minder duidelijk of de grotere aantallen low-show in 1990 meer dan een toevallige fluctuatie zijn.

Bezien naar de administratieve groepen in Figuur 4.8.1 en 4.8.2 zijn de verschillen tussen de beide cohorten redelijk gelijk verdeeld. Alleen de groepen 'eerder UvA' en 'geen recht op studiefinanciering' laten een opvallende vermindering van low-show zien. De verschillen in de beide groepen in een tweede studie ingeschrevenen zijn niet statistisch significant gebleken; merk op dat de groep extraneï in aantal maar klein is: resp. 55 in 1991-'92 en 68 in 1990-'91.

De verschillen tussen beide cohorten zouden met de studierichting te maken kunnen hebben. Daarom is ook voor studierichtingen een zelfde tweetal afbeeldingen van de gegevens gemaakt, zie Figuur 4.8.3 en 4.8.4. Er zijn fluctuaties van jaar tot jaar, alleen Politicologie laat in beide jaren dezelfde verhoudingen zien. Het kan zijn dat deze verschillen op het niveau van studierichtingen te maken hebben met locale situaties en veranderingen daarin.

93Spook483UvA469273.GIF

Figuur 4.8.3 No-show en low-show naar studierichting, 1991-'92.

93Spook484UvA469273.GIF

Figuur 4.8.4 No-show en low-show naar studierichting, 1990-'91.

4.9 Voorspellen wie no-show of low-show worden

Van alle eerstejaars in de propedeuse blijkt ongeveer 20 % no-show of low-show te zijn. Het is daarom zeker van belang te onderzoeken of voor studenten aan het begin van het jaar al een redelijke voorspelling valt te doen of zij behoren tot de groep die meer dan vier punten behaalt, tot de low-show, of tot de no-show. Het probleem is verwant aan de bekende vraag of studieresultaten in het eerste jaar voorspelbaar zijn op grond van bijvoorbeeld de eindexamencijfers vwo.

De behandeling is ook hier weer te splitsen in die voor studies op basis van inschrijving als eerste studie bij de Centrale Studentenadministratie, en die als tweede (of derde) studie.
(Voor de analyses is het bestand gesplitst in degenen die voor het eerst in een eerste studie staan ingeschreven, en degenen die voor het eerst voor een tweede studie staan ingeschreven. De werkelijkheid is gecompliceerder: er zijn ook studenten die eerstejaars zijn voor zowel de eerste als de tweede studie waarvoor zij zich hebben ingeschreven. In enkele gevallen zijn dat twee studies die beide in het onderzoek vallen, die dus behoren tot de groep van tien deelnemende studierichtingen. Het gaat om zulke kleine aantallen dat hier geen vertekenende werking vanuit gaat.)

inschrijvingen voor de eerste studie

Voor de eerste studie zijn de resultaten volstrekt eenduidig: het is niet mogelijk gebleken op grond van in het centrale bestand aanwezige gegevens als leeftijd, diploma, voltijd- of deeltijd-deelname, etc, te komen tot voorspellingen die beter zijn dan iedereen meteen indelen bij de grootste groep van studenten die meer dan vier studiepunten behalen. Tabel 4.9.1 geeft een voorbeeld van een dergelijk toevalsresultaat: het percentage goed voorspeld is 81,5, terwijl de grootste groep 80,5 % is.

Alleen de studierichting als voorspeller levert evenmin een voorspelling beter dan kans op (80,5 %). De combinatie van bestandsgegevens met studierichting is evenmin een voorspeller die iets 'doet:' de score is 81,6 %.

Is het misschien mogelijk binnen een studierichting te voorspellen? Voor de grootste studierichting Rechten is dat nagegaan, met als resultaat 84,7 % goed, terwijl de groep met meer dan vier punten in deze studierichting 84,6 % is. Ook binnen afzonderlijke studierichtingen is er geen voorspelbaar verband tussen administratieve persoonlijke gegevens en de groep waartoe men later blijkt te behoren: meer dan vier punten, low-show, of no-show.

Tabel 4.9.1 Voorspellen voor 'eerste studie' o.g.v. CSA-gegevens


werkelijke aantallen voorspelde aantallen

>4 punten low-show no-show

>4 punten 3472 3485 2 12
low-show 423 423 0 0
no-show 418 363 0 55

totaal 4313 4271 2 67

Noot. De beide cohorten 1990-'91 en 1991-'92 zijn hier gecombineerd. Goed: 81,5 %; omvang van de groep met meer dan 4 punten: 80,5 %.

Tabel 4.9.2 Voorspellen voor 'tweede studie' o.g.v. CSA-gegevens en in welke studierichting de student zich heeft ingeschreven.


werkelijkeaantallen voorspelde aantallen

>4 punten low-show no-show

>4 punten 242 206 2 34
low-show 47 37 1 9
no-show 227 96 5 126

totaal 516 339 8 169

Noot. Cohorten 1990-'91 en 1991-'92 gecombineerd. Goed: 64,5 %; omvang van de groep met meer dan 4 punten: 47,3 %.

inschrijvingen voor de tweede studie.
Voor de 'tweede studie' is de situatie wat aantallen betreft een heel andere. Over beide cohorten gecombineerd zijn hier iets meer dan 500 studenten, waarvan er 242 behoren tot de groep die meer dan vier punten in de tweede studie behaalt, 47 studenten zijn low-show in deze studie, en 227 zijn no-show. Deze studenten verschillen waarschijnlijk ook meer van elkaar in leeftijd, vooropleiding en dergelijke dan voor de groep inschrijvers voor de eerste studie het geval is.

Zowel op grond van alleen de achtergrondgegevens uit het CSA-bestand, als op grond van de kennis in welke studierichting een student zich heeft ingeschreven, is enige verbetering in de voorspelling mogelijk (ten opzichte van de door de omvang van de grootste groep bepaalde kans). Het gaat om bijna 60 % goed, waar ongeveer 50 % de kans-score is. De combinatie van achtergrondvariabelen en studierichting doet het nog iets beter, de resultaten (maar die zijn iets geflatteerd) daarvan zijn in Tabel 4.9.2 te vinden.

De groep low-show blijkt onvoorspelbaar te zijn, wat is toe te schrijven aan een midden-positie als kleine groep tussen de veel grotere groep no-show en de groep met meer dan vier studiepunten, een middenpositie die zowel letterlijk is, als ook naar karakteristieke kenmerken.

De voorspelling voor alleen Rechten (110 >4 punten, 12 low-show en 44 no-show), komt uit op 70 % goed, terwijl de omvang van de groep met meer dan vier punten 66 % is. Deze voorspelling kan niet als beter dan kans worden beschouwd.

5 Conclusies en discussie

De conclusie die alles domineert is dat no-show geen eenvormig verschijnsel is: de groep no-show bestaat uit verschillende groepen met ieder hun eigen motieven, achtergronden, en verdere loopbaan. Het begint al direct met een ongeveer gelijke tweedeling in de groep no-show naar de mate waarin zij volledig voor de studie beschikbaar zijn. Studenten met een (volledige) baan, of met een al jaren lopende hoofdstudie waar zij een extra studie bij willen doen, zijn niet volledig beschikbaar voor studie. De overige studenten zijn wel volledig voor de studie beschikbaar, deze studenten zijn druk doende zich te oriënteren op de studie en zich af te vragen hoe zij verder zullen gaan: een deel besluit (tijdelijk) de studie in het ho te stoppen, een deel stapt over naar een studie in het hbo, en een groot deel zwaait om binnen het wo. No-show studenten blijken meestal wel degelijk aan onderwijs deel te nemen, alleen omdat zij aan het afleggen van tentamens niet toekomen vallen zij onder de definitie van no-show. Studenten die zich inschrijven met de intentie om zonder werkelijk te studeren toch studiefinanciering en OV-jaarkaart te incasseren of om daarmee nog even uit militaire dienst te blijven, zijn er in heel kleine aantallen (enkele promillen).
(noot: Deze wet heeft geen aanhaaltitel, heet in het Ontwerp-HOOP 1994 de Wet Studievoortgangscontrole, en is algemeen bekend als de wet op de tempobeurs. Het gaat om de Wet van 2 juli 1993, houdende wijziging van de Wet op de studiefinanciering en van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, in verband met het meten van de studievoortgang in het hoger onderwijs. )

In het volgende zijn de conclusies gerangschikt naar onderscheiden groepen. Omdat de resultaten uitnodigen tot een vergelijking met de tempobeurswet en zijn mogelijke gevolgen, en omdat nu deze wet in werking is getreden de onderzochte situatie historisch is geworden, is op meerdere plaatsen in de discussie de relatie tot deze wet uitgewerkt.

Tabel 5 Percentages no-show naar deelgroepen en referentiegroep.


deelgroep respondenten cohort '91-'92

totaal 1e studie 2e studie
n=143 n=2417 n=2141 n=276

zijdelings no-show (1e)   5,6 % 0,7 %   0,8 % -
tijdelijk no-show (1e) 10,5 1,3 1,4 -
afzwaai no-show 18,3 2,2 2,5 -
omzwaai no-show (1e) 29,4 3,6 4,1 -
'echte' no-show   2,1 0,2 0,3 -
subtotaal '1e studie' 65,7 8,0   9,1 -
pseudo no-show 12,6 1,5 - 13,4 %
zijdelings no-show (2e) 19,6 2,4 - 21,0
tijdelijk no-show (2e) 0,7 0,1 - 0,7
omzwaai no-show (2e) 1,4 0,2 - 1,4
subtotaal '2e studie' 34,3 4,2 - 36,6

totaal 100,0 12,2 - -

Noot. De percentages over het cohort 1991-'92 zijn als volgt verkregen. Het percentage over de groep respondenten is eerst geëxtrapoleerd (bijv. pseudo no-show: 12,6 % van 143 zijn 18 studenten, 18 maal 297/143 is 37, dat is 1,5 % van 2417) naar de totale groep van 297 no-show studenten, en vervolgens naar het cohort van 2417 studenten.(Enkele per abuis als no-show of eerstingeschreven aangemerkte studenten, zijn bij de no-show groep die oorspronkelijk 328 studenten omvatte buiten beschouwing gelaten; ten onrechte tot de onderzoekgroep gerekende studenten (o.a. studenten die doorstromer bleken te zijn) zijn van de oorspronkelijke omvang van 2438 studenten afgetrokken.) Met deze rechtlijnige extrapolatie van respondenten naar steekproef naar cohort is geen rekening gehouden met het in de respons oververtegenwoordigd zijn van directe instromers (par. 4.3). Drie groepen zijn uitgesplitst naar voor de 1e studie resp. de 2e studie ingeschrevenen. De no-show met een (volledige) baan zijn inbegrepen bij de 'afzwaai no-show;' de no-show die hun 'andere studie' hebben voortgezet zijn opgenomen in de groep 'zijdelingse no-show.'

Omvang en definitie van no-show

Percentages no-show kunnen ver uiteenlopen al naar gelang de definitie van no-show. Zo is het vanuit beleidsoptiek van belang of het alleen gaat om studenten die studiefinanciering genieten, of ook naar deeltijdstudenten, buitenlandse studenten en studenten die zelf hun studie financieren. Het is altijd van belang inschrijvingen voor de eerste studie te onderscheiden van die voor een gelijktijdige tweede studie: voor tweede studies zijn de no-show percentages zeer hoog, maar deze studenten hebben vrijwel altijd ook een eerste studie waar zij niet no-show zijn. In het volgende is altijd zorgvuldig aangegeven hoe percentages no-show en low-show zijn bepaald; zie ook de in dit onderzoek gehanteerde definities (hoofdstuk 2). Tabel 5 geeft een overzicht van percentages no-show over zowel de 143 respondenten als het hele cohort 1991-'92, en ook afzonderlijk naar alle voor de eerste, respectievelijk de tweede studie ingeschrevenen. (De tabel bevat geen percentages over het cohort 1990-'91 omdat de getabelleerde no-show groepen zijn geïdentificeerd op grond van het alleen voor cohort 1991-'92 gehouden vragenlijstonderzoek.) Deze tabel bevat geen percentages over het cohort 1990-'91 omdat de getabelleerde no-show groepen zijn geïdentificeerd op grond van het alleen voor cohort 1991-'92 gehouden vragenlijstonderzoek.

Het beeld van no-show studenten als 'niet-deelnemers' behoeft correctie. Vooral de studenten voor wie de no-show studie de eerste studie is blijken wel degelijk colleges te lopen en soms tentamens voor te bereiden, om pas verrijkt met die ervaring de studiekeuze te herzien. De benaming 'no-show' is dus onterecht, en is in het volgende telkens aangevuld met een nadere kwalificatie, bijvoorbeeld 'tentamen no-show' om aan te geven dat de no-show alleen tentamens betreft, niet de introductie, colleges, werkgroepen, etc.

De 'echte' no-show : oneigenlijke gebruikers

De 'echte no-show' zijn degenen die nooit de bedoeling hebben gehad het onderwijs te volgen; zij maken oneigenlijk gebruik van hun inschrijving en de daaraan verbonden privileges. Gerefereerd aan de groep respondenten gaat het om 2 %, aan het hele cohort 0,2 %. Waarschijnlijk is deze groep in het onderzoek ondervertegenwoordigd; het feit dat twee van de drie anonieme respondenten tot de oneigenlijke gebruikers behoren is daar een aanwijzing voor. De tempobeurswet sluit de 'echte no-show' uit van het genot van een beurs, dat treft dan waarschijnlijk ongeveer 0,5 % van de eerstingeschrevenen. De wet maakt het minder aantrekkelijk om zich tegen betaling van collegeld een beurs en OV-jaarkaart te verwerven, maar zal weinig effect hebben op degenen die een oproep voor militaire dienst ontwijken, of zich een verblijfsvergunning willen verschaffen.

Studenten die alsnog doorgaan waren tijdelijk no-show

Het onderzoek is beperkt tot no-show in het eerste jaar van de studie. Volgens deze definitie is er een groep studenten als no-show aangemerkt die weliswaar in het eerste jaar aan geen enkel examenonderdeel hebben deelgenomen, maar dat in het tweede jaar wel hebben gedaan of van plan zijn te doen: tijdelijke no-show, eerder ook als 'alsnog show' aangeduid. Hier kunnen ook enkele studenten bij zijn die om administratieve redenen ten onrechte als no-show in het eerste jaar zijn aangemerkt.

Deze 'tijdelijke no-show' vormt een in omvang niet te verwaarlozen groep: 11 % van de respondenten in het vragenlijstonderzoek. (Dat komt overeen met wat eerder in het studieloopbanenonderzoek (De Jong, Koopman en Roeleveld, 1991, tabel 5.5) is gevonden voor het cohort 1982. Voor het cohort 1986 (idem, tabel 5.8) is er geen uitsluitsel over de omvang van deze groep die alsnog punten behaalt in het tweede jaar. ) Er is niet rechtstreeks gevraagd naar de reden waarom zij een zo lange 'studiepauze' hebben gehouden, maar uit antwoorden en commentaar is duidelijk dat dit vooral studenten zijn die de no-show studie naast een hoofdstudie of (volledige) baan doen en in het eerste jaar gewoon niet zijn toegekomen aan het afleggen van tentamens; voor de overigen is geen duidelijk patroon te herkennen in de mix van persoonlijke omstandigheden en voorgeschiedenissen in het onderwijs.

Studenten die uit het HO vertrekken: afzwaai no-show

De groep van studenten die het hoger onderwijs verlaten, ook al is dat soms maar tijdelijk, bestaat uit 4 % van de respondenten die de studie naast een (volledige) baan wilden doen, en 14 % die volledig voor de studie beschikbaar waren. Samen is dat 18 %, ofwel 2,2 % van alle eerstingeschrevenen in de 10 onderzochte studierichtingen, of beter: 2,5 % van alle voor een eerste studie ingeschreven studenten.

Deze 'afzwaai no-show' die het hoger onderwijs verlaten nemen wel degelijk deel aan colleges, en ook bereiden zij wel tentamens voor, maar leggen deze niet af. Zij geven desgevraagd aan dat een studie in het wo op dit moment te zwaar is, en dat de studie niet interessant is gebleken. De helft van deze afzwaaiers geeft aan dat zij de studie in het ho voorlopig hebben uitgesteld. Een opmerkelijk gegeven is dat deze afzwaaiers een behoorlijk aantal maanden nodig hebben om tot hun beslissing te komen. (Zie Figuur 3.5.1)

De 'afzwaai no-show' is 2,2% van alle studenten in de studierichtings-administraties, en het gedragseffect van de tempobeurswet zou hier kunnen zijn dat deze studenten per 1 februari de studie staken, waar zij anders wat aarzelender zouden zijn in het opzeggen van de studie. (De tempobeurswet laat eerstejaars studenten het beursgedeelte als beurs behouden wanneer de studie voor 1 februari is gestaakt en niet binnen 7 maanden na het staken van de studie opnieuw studiefinanciering aanvraagt.) De deeltijdstudenten die een (volledige) baan hebben, hebben geen recht op studiefinanciering.

Omzwaai no-show: na de no-show studie een andere studie

Er is een belangrijke groep van studenten die volledig voor de studie beschikbaar zijn, zich oriënteren, evenwel niet deelnemen aan een tentamen, en tenslotte besluiten een andere studie te gaan doen, mogelijk een andere studie in het hbo. De omvang van deze 'omzwaai no-show' is 30,8 % van de respondenten, voor meer dan de helft zijn dat directe instromers; het gaat om 3,8 % van het cohort 1991-'92. (Uit Tabel 4.4 blijkt dat er 2 no-show zijn in de tweede studie, de overige 42 in de 1e studie, daarom is deze verhouding ook in Tabel 5 aangehouden. Er dus geen echt scherpe lijn te trekken tussen voor de eerste en tweede studie ingeschrevenen.) De keuze voor de nieuwe studie blijkt hoger gemotiveerd dan die voor de eerdere no-show studie, waarmee de respondenten aangeven dat zij menen dat omzwaaien een juiste belissing was. De reden om met de no-show studie te stoppen lag in teleurstelling over de mate waarin de studie interessant bleek te zijn, niet in de zwaarte van de studie.

De tempobeurswet is bedoeld om schijn-inschrijvers te weren, maar raakt ook de omzwaaiers. Deze laatste zullen goed moeten calculeren om ondanks het mislukken van de eerste studie alsnog in hetzelfde studiejaar de norm te halen van geslaagd voor tenminste 25 % van het examenprograma (binnenkort waarschijnlijk opgehoogd tot mogelijk 70 %). Zij kunnen daarvoor bijvoorbeeld proberen toch voor de eerste tentamens in de studie punten te behalen, en pas daarna om te zwaaien, omdat de zo behaalde punten 'meegenomen' mogen worden. De nieuwe wet zet het omzwaaien tijdens het studiejaar dus onder druk, en maakt het voor de student tot een riskante beslissing.

Derdejaars propedeusestudenten: pseudo no-show

Er is één bijzondere groep no-show die met het in de WHW (Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Staatsblad 1992, 593; gewijzigd: 662.) loslaten van de beperkte inschrijvingsduur van de propedeuse zal verdwijnen: de studenten die zich alleen maar inschrijven om hun studiefinanciering te kunnen behouden terwijl zij nog bezig zijn in het derde inschrijvingsjaar de propedeuse voor hun studie elders te behalen. De tempobeurswet heeft geen uitwerking op deze vorm van no-show, omdat deze schijninschrijvingen zich niet meer voor zullen doen. Het onderzoek heeft een duidelijk beeld van deze derdejaars propedeusestudenten opgeleverd, omdat zij zeer openhartig de vragen hebben beantwoord. Deze studenten weten heel goed dat zij gebruik maken van een mogelijkheid die de wet hen biedt. De verantwoordelijke minister heeft in antwoord op kamervragen over deze constructie gezegd dat universiteiten zeker gerechtigd zijn studenten die van deze mogelijkheid profijt kunnen hebben daar op te wijzen. Deze studenten slagen doorgaans voor die 'oude' propedeuse, maar zijn in vergelijking tot andere groepen toch wat aarzelender en minder gemotiveerd voor die studie waar ze zo laat de propedeuse voor behalen.

Deze 'pseudo no-show' betreft 13 % van de respondenten in het vragenlijstonderzoek, of 1,5 % van het onderzochte cohort 1991-'92. Van de inschrijvingen cohort 1991-'92 in het centrale bestand zijn 55 studenten voor een eerste studie als extraneus ingeschreven en voor een tweede als student; van deze inschrijvers is 60 % no-show voor die tweede studie, de overigen zouden, van de nood een deugd makend, in de tweede studie een tentamen kunnen doen dat als bijvak kan tellen voor de eerste studie. Een klein aantal van deze inschrijvingen blijkt in het vragenlijstonderzoek niet van de derdejaars propedeuseconstructie gebruik te maken: 3 van de 18 respondenten doet die tweede studie werkelijk als extra studie.

Studenten met een hoofdstudie elders: zijdelings no-show

Voor studenten die zich buiten de eigen studie wat breder willen oriënteren is het heel eenvoudig zich daartoe voor een tweede studie in te schrijven: er zijn aan zo'n tweede inschrijving geen extra kosten en verplichtingen verbonden. Van de 4829 studenten in beide cohorten samen zijn er 516, of 10,6 %, die voor de betreffende studierichting als tweede studie staan ingeschreven. De kans is groot dat een student voor wie de studie een tweede inschrijving is, daarin no-show is: 44 % is no-show, en daarnaast is er nog een aantal low-show studenten (9 %). De derdejaars propedeusestudenten buiten beschouwing latend is de no-show voor de groep met een tweede studie erbij ongeveer 40 %.

Omgekeerd bestaat no-show voor bijna een kwart uit studenten die een andere studie als hoofdstudie hebben: het gaat om 25,2 % van de respondenten in het vragenlijstonderzoek. Een aantal van deze zijdelingse no-show staat voor de eerste studie als no-show bekend, dat wil zeggen dat hun hoofdstudie een studie elders is (aan de VU of een HBO-instelling), of een tweede studie aan de UvA. Tot de 'zijdelingse no-show' zijn ook 4 studenten gerekend die zich met twee studies tegelijk zijn begonnen en van de andere studie hun hoofdstudie hebben gemaakt (in 2 gevallen de 1e studie, in de andere 2 gevallen de 2e studie).

Deze studenten hebben niet de bedoeling in deze tweede studie het doctoraal te halen, en maar een kwart geeft in het vragenlijstonderzoek aan wel ingeschreven te hebben met de bedoeling de propedeuse te halen. Zij zijn niet gestopt met deze extra studie omdat deze oninteressant zou zijn maar omdat de combinatie met een andere studie of werk te zwaar is. Zij zijn te betitelen als 'zijdelingse no-show,' omdat zij in hun hoofdstudie wel degelijk hun studiepunten halen. De tempobeurswet raakt deze 'zijdelingse no-show' dus niet, omdat zij hun studiepunten elders verdienen. Mogelijk remt de wet het aantal tweede studies iets af, omdat punten die in zo'n tweede studie worden behaald niet mee mogen tellen voor het halen van de tempobeursnorm: een tweede studie erbij is voor velen al te zwaar, en nu komt daar een risico-factor bij. ( De norm is voor '1993-'94 gesteld op 25 %. In de Memorie van Toelichting bij de Rijksbegroting 1994 worden voor de beide volgende jaren verhogingen tot 50 %, resp. 70 % voorgesteld.)

Deeltijd no-show zijn niet volledig voor de studie beschikbaar

De 'zijdelingse no-show' vormt samen met een deel van de 'afzwaai no-show' de 'deeltijd no-show.' In het vragenlijstonderzoek bleek 40 % van de no-show te bestaan uit studenten die niet volledig voor de studie beschikbaar waren omdat zij een (volledige) baan hadden, een andere studie als hoofdstudie hadden, omdat zij derdejaars propedeusestudenten waren, of helemaal niet de bedoeling hadden te studeren. Onder de tempobeurswet en de WHW vervallen de beide laatstgenoemde groepen, zodat in 1993-'94 tegenover iedere 9 volledig voor de studie beschikbare no-show studenten er 5 kunnen staan die niet volledig voor de studie beschikbaar zijn (de 'tijdelijke no-show' buiten beschouwing latend).

Deze 'deeltijd no-show' genieten geen studiefinanciering voor de no-show studie: zij zijn immers als deeltijdstudent ingeschreven, of krijgen studiefinanciering voor hun hoofdstudie. De tempobeurswet raakt deze studenten niet.

No-show en low-show zijn verwant

Van alle eerstejaars in de propedeuse blijkt ongeveer 20% no-show of low-show te zijn, volgens de registers van de studierichtingen. Er zijn sterke aanwijzingen dat no-show en low-show aan elkaar verwant zijn. De eerste aanwijzing is dat no-show studenten in zo hoge mate toch aan het onderwijs deelnemen, soms tot en met het voorbereiden van tentamens. De tweede aanwijzing is dat no-show en low-show nauwelijks van elkaar zijn te onderscheiden: gegeven dat een student no-show of low-show is, is op grond van leeftijd, voorgeschiedenis, e.d. niet te voorspellen tot welke van beide groepen hij of zij behoort. Een derde verrassende aanwijzing komt uit eerder onderzoek, waarbij bleek dat studenten die hun studie Rechten na het afleggen van de eerste twee tentamens staakten, voor die tentamens zowel lage cijfers haalden, als daar minder tijd dan andere studenten in hadden geïnvesteerd (Wilbrink, 1992). Dat is een verrassend resultaat omdat daaruit blijkt dat deze afzwaaiers voor de beide tentamens hogere cijfers hadden kunnen halen wanneer zij er evenveel tijd in zouden hebben geïnvesteerd als anderen. Kennelijk hebben deze studenten nog net wel de moeite genomen om het tentamen (zonder hoop op een voldoende resultaat) af te leggen, waar anderen die moeite net niet meer hebben genomen. De eersten laten zich kennen als low-show, de laatsten als no-show.

No-show en low-show zijn geen wezenlijk verschillende verschijnselen, maar zij kunnen ten opzichte van elkaar in omvang sterk verschillen. Bij direct vanuit het VWO ingestroomde studenten komt low-show vaker voor dan no-show. Bij studenten die niet volledig voor de studie beschikbaar zijn komt no-show veel vaker voor dan low show. Achterliggende factoren bepalen de verhouding van low-show tot no-show. Naarmate de beschikbaarheid voor de studie afneemt en naarmate de instroom minder direct is, wordt de verhouding van het aantal low-show studenten tot no-show studenten kleiner; tegelijk stijgt de kans dat men no-show of low-show wordt (zie Figuren 4.7.1 en 4.7.2).

Is deze no-show of low-show op voorhand te voorspellen, bijvoorbeeld op grond van leeftijd of voorgeschiedenis in het onderwijs? Nee, dat kan niet. Er is hier sprake van een paradox, omdat het tegelijk wel waar is dat de kans om tot de no-show of low-show groep te behoren toeneemt naarmate men ouder is, een voorgeschiedenis in het hoger onderwijs heeft, e.d. De oplossing van de paradox is dat voor iedere gegeven combinatie van achtergrondgegevens de kans altijd kleiner is dat de student behoort tot de no-show of low-show groep, dan tot de overige 80 % van de studenten! Pas wanneer er een extra premie wordt gezet op het identificeren van no-show en low-show studenten kunnen deze met een overigens bescheiden mate van succes iets worden onderscheiden van de overige studenten. De premie houdt in dat het aanwijzen van no-show en low-show studenten zo belangrijk is, dat men het op de koop toe wil nemen dat relatief veel studenten ten onrechte worden voorspeld tot de no-show en low-show te behoren. (noot: Het is dezelfde paradox die pleiters voor meer selectie aan de poort van de universiteit parten speelt: het is duidelijk dat de kans op succes in het wo toeneemt naarmate de cijfers voor het vwo-examen hoger zijn, en toch is het niet mogelijk op basis van diezelfde cijfers de succesvolle studenten te scheiden van de veel kleinere groep niet succesvolle. Maar als die scheiding niet kan worden gemaakt, kan er niet worden geselecteerd. Voor ieder gegeven eindexamencijfergemiddelde is dan de kans dat deze student tot de succesvolle studenten behoort altijd groter dan de kans dat deze student tot de niet-succesvollen behoort.) De aanpak van no-show kan dus niet in de sfeer van selectie worden gezocht, wat dat betreft is met de tempobeurswet zeker een goede beleidskeuze gemaakt. Voor studieadviseurs betekent het feit dat no-show en low-show niet te voorspellen zijn , dat in de groep aankomende eerstejaars geen risicogroep is af te zonderen die zij al in de eerste maanden van de studie in het oog zouden kunnen houden.

no-show, low-show, en de tempobeurswet

De resultaten van dit onderzoek duiden erop dat de tempobeurswet een onvoorziene uitwerking kan hebben op de keuzestrategie van vooral die studenten die na enkele weken of maanden ontdekken niet de goede studie te hebben gekozen. De wet is gericht op no-show studenten die zich in het geheel niet voor de studie laten zien, en dat aantal is beperkt tot enkele promillen van het aantal studenten. Volledig voor de studie beschikbare no-show en low-show studenten blijken zeker wel met de studie bezig te zijn, maar halen daar te weinig punten voor. Zij komen door de tempobeurswet in de positie dat zij na de omzwaai naar een andere studie, rond december en januari, tenminste 25 % (binnenkort mogelijk tot 70 %) van de punten moeten halen in de nog resterende helft van het studiejaar. De verkeerde helft van het studiejaar, want niet iedere universitaire studie kan met vrucht nog halverwege het cursusjaar worden begonnen. Het ziet er naar uit dat no-show en low-show studenten gedwongen worden uiterlijk 31 januari van het studiejaar te kiezen tussen drie mogelijkheden: omzwaaien en alles op alles zetten om met een late start alsnog in de nieuwe studie die 25 % van de punten te veroveren, uitschrijven en pas in september aan een nieuwe studie beginnen, of in ieder geval de rest van dit studiejaar doorgaan in de huidige studie en daar de 25 % van de punten behalen. Een nog hogere tempo-norm, de 50 of 70 % die het departement op afzienbare termijn wil invoeren, zou het oriënterende karakter van de propedeuse kunnen bedreigen, althans voor deze studenten die weinig of geen punten hebben behaald en nog tijdens dit jaar willen omzwaaien. Studenten die door deze wet in problemen geraken kunnen proberen een beroep te doen op het auditorenfonds van hun universiteit.

Een en ander leidt tot de conclusie dat de universitaire propedeuse voor deze omzwaaiers een goede instapmogelijkheid halverwege het studiejaar moet bieden, conform de redelijkheidseisen die de tempobeurswet aan de studierichtingen stelt. (Aan art. 7.4 van de WHW is lid 6 toegevoegd: “De opleiding dient zodanig te worden ingericht dat de student in redelijkheid in staat wordt gesteld om te voldoen aan de norm voor de studievoortgang (...).”) De tekst van de wet spreekt niet over de tussentijds instromende studenten, en sluit de redelijkheidseis voor deze bijzondere groep dus niet uit. Voor studierichtingen met een modulair opgezet studieprogramma waarin eerdere onderdelen geen strikte voorwaarde zijn om latere onderdelen te kunnen volgen, is aan deze eis op natuurlijke wijze voldaan. In andere studierichtingen is het nodig nadrukkelijk aandacht aan deze problematiek te schenken, bij voorkeur is samenwerking met studentendecanen. Immers, waar een studie geen tussentijdse instapmogelijkheden biedt, zullen studenten zich niet makkelijk toch daarvoor aanmelden. Dat hier een ernstig probleem ligt blijkt ook uit het feit dat relatief veel no-show studenten wachten tot het nieuwe studiejaar om dan pas aan een andere studie in WO of HBO te beginnen. Studentendecanen zouden een centraal meldpunt kunnen vormen, en kunnen bemiddelen naar de studierichtingen waar omzwaaiers tussentijds willen instromen.

Verschillen studierichting van elkaar? En studiejaren?

Natuurlijk zijn er verschillen tussen studierichtingen, maar die verschillen zijn er niet altijd, en niet vanuit iedere optiek. Studierichtingen verschillen niet van elkaar in de aard van de no-show: gegeven wat een no-show student vertelt over studiekeuzemotieven, redenen om te stoppen, en de verdere studieloopbaan, valt er niets te voorspellen over de studierichting waarin deze student no-show is. Alleen voor derdejaars propedeusestudenten is er een verschil tussen de PSCW en de overige faculteiten: omdat bij de PSCW er geen numerus fixus ofplaatsingsregelingen zijn die dit type inschrijvingen belemmeren vallen ze vooral aan deze faculteit toe; hetzelfde verschijnsel is bij Sociale Wetenschappen aan de Erasmus Universiteit gevonden.

Er is evenmin verschil tussen de studierichtingen waar het gaat om de voorspelbaarheid van no-show en low-show: gegeven de studierichting en de persoonlijke gegevens in het CSA-bestand is niet te voorspellen of studenten behoren tot de no-show, de low-show, of de overigen.

Studierichtingen verschillen van elkaar in de omvang van no-show en low-show, maar deze verschillen zijn tussen de twee onderzochte jaren niet stabiel (zie de figuren 4.8.3 en 4.8.4.); de oorzaken voor deze verschillen van jaar tot jaar zijn niet gevonden, het gaat waarschijnlijk om een samenspel van meerdere maatschappelijke invloeden, waaronder veranderingen in regelgeving en studiefinanciering. Deze fluctuaties in aantallen low-show en no-show van jaar tot jaar en van studierichting tot studierichting hebben mede tot gevolg dat numerieke rendementen dan ook instabiel zijn. De meeste redenen voor no-show hebben te maken met wat studenten elders doen: een hoofdstudie elders, een volledige baan; daar heeft het beleid van de studierichting natuurlijk geen greep op, al valt te onderzoeken of aan deze groepen studenten een onderwijsaanbod is te doen dat wel valt te combineren met andere verplichtingen.

Met de invoering van de tempobeurswet zijn opnieuw verschuivingen in percentages no-show en low-show te verwachten. Het gerapporteerde onderzoek levert in zekere zin een historisch beeld op van no-show en low-show in het begin van de negentiger jaren; de verschuivingen die mede door de tempobeurswet al in het studiejaar 1993-'94 ontstaan, zijn straks door vergelijking met dit historische ijkpunt vast te stellen.

No-show een symptoom van zoekgedrag

Het onderzoek is begonnen met een theoretisch kader waarin de soms tastende overgang van middelbaar naar hoger onderwijs is vergeleken met de in sommige opzichten beter onderzochte problematiek van de overgang van onderwijs naar werk, via de arbeidsmarkt. Zoekende, kiezende, wachtende en veranderende studenten komen in bijna iedere paragraaf van dit rapport voor; het theoretisch kader heeft een goede richting aan het onderzoek gegeven, want de problemen achter de no-show zijn inderdaad vaak zoek-problemen.

Voor de no-show omzwaaiers is er evident sprake van zoeken, van 'oriëntatie, zelfselectie en verwijzing' zoals het in de wet twee-fasenstructuur heet (zie Voorthuis en Wilbrink (1987) voor een overzicht van de literatuur). Omzwaai binnen het wo vindt voor meer dan de helft van deze studenten binnen een half jaar plaats, de overigen verliezen waarschijnlijk tijd omdat zij (moeten) wachten op het begin van het nieuwe studiejaar. De kleinere groep die naar het hbo omzwaait heeft in het onderzochte jaar in het geheel geen gelegenheid gehad nog gedurende dat eerste jaar de hbo-studie te beginnen, ook niet in de eerste weken van het jaar (zie Figuur 3.5.1.). Het gaat er hier in zekere zin omgekeerd aan toe, vergeleken met de arbeidsmarkt waar zoeken gelijk staat aan wachten op een baan, en waar men een baan die niet bevalt niet zomaar opzegt voordat een andere is gevonden. In het onderwijs moet men wel gebruik maken van de gelegenheid om in september met de studie te beginnen, ook al is de keuze allerminst zeker. Zeker, uitstel van de keuze is mogelijk, maar kost tenminste een jaar: werken voor een uitzendbureau, een internationale uitwisseling, vrijwilligerswerk in een ontwikkelingsland, of eerst de militaire dienst. Al vast 'iets' gaan studeren levert ook uitstel op, maar kost een jaar van het steeds strikter beperkte studiebudget.

Voor de no-show afzwaaiers is er zeker sprake geweest van zoeken, van uitproberen of een universitaire studie een haalbare kaart was. Zij hebben de conclusie getrokken dat een universitaire studie voorlopig te moeilijk en ook oninteressant is. Achteraf gezien lijkt dat jammer van de investering, maar dat zou een te oppervlakkige conclusie zijn. Hadden zij beter kunnen weten, en zich deze schade kunnen besparen? Het antwoord daarop moet ontkennend zijn, dat is althans de conclusie van Manski, die het probleem heeft geanalyseerd vanuit de vraag of het rationeel kan zijn aan een studie in het hoger onderwijs te beginnen, ook als je je kansen daarvoor maar laag inschat. (noot: Manski (1989). Abstract: “Dropout from postsecondary schooling is widely considered a social problem. In fact, reducing dropout would not necessarily make society better off. This conclusion derives from analysis of the process of postsecondary enrollment and completion. The key observation is that students contemplating enrollment do not know whether completion will be feasible or desirable. Hence, enrollment is a decision to initiate an experiment, one of whose possible outcomes is dropout. Experiments should be evaluated by their ex ante expected return, not by their ex post success rate. It follows that, told only the completion rate of enrolled students, one cannot judge whether the right enrollment decisions have been made.”) Ook vanuit een beschouwing van de arbeidsmarktsituatie voor schoolverlaters die niet verder gaan in het hoger onderwijs waar bijna alle anderen dat wel doen (zie Wilbrink en Dronkers, 1993) is de conclusie dat het onverstandig is het niet tenminste te proberen. De studentenadministratie

Het verschijnsel no-show is enkele jaren geleden gesignaleerd bij onderzoek waarbij een groot aantal administraties waren betrokken. Nu er gericht onderzoek naar deze no-show is gedaan, is er meer duidelijkheid over de rol die studentenadministraties en de regelgeving voor die administraties hebben bij de verschijningsvormen van no-show. Voor de interpretatie van no-show is het onderscheid tussen de studierichtingsadministratie en de centrale studentenadministratie van belang. De studierichting beschikt over gedetailleerde gegevens over de studieresultaten maar niet over eventuele andere studies van de student (In ISIS is echter te zien of de student ook in andere met ISIS werkende studierichtingen heeft deelgenomen aan tentamens en practica). Voor het centrale bestand geldt het omgekeerde: hier is in beginsel een overzicht voorhanden van de studieloopbaan van de student, maar de enige bekende resultaten zijn de examens. Door beide administraties te raadplegen, dus door de studieloopbaan te koppelen met de resultaten (op het niveau van examenonderdelen), is no-show gebleken grotendeels een 'optisch' effect te zijn. Inspectie van alleen studierichtingsadministraties levert behoorlijke percentages no-show op, maar geanalyseerd naar studieloopbanen blijkt de no-show weg te smelten tot een groep studenten die een goede poging tot een universitaire studie doet en daar na enige orientatie vanaf moet zien, en een pluk oneigenlijke gebruikers, 'echte no-show,' van minder dan een procent.

De tempobeurswet noopt tot tal van ingrepen in de studieadministratie, waarbij het gaat om regelgeving, informatiesystemen, en beheer op centrale en decentrale niveaus. Nu bij de uitvoering van dit onderzoek nog eens is gebleken dat bestaande administratieve systemen niet altijd even gemakkelijk informatie prijsgeven die voor een onvoorzien doel nodig is, is dat een extra reden om in het bijzonder aandacht te schenken aan de wendbaarheid van het hele administratieve complex. Tenslotte

No-show is in zijn verschijningsvorm ook een informatieprobleem: op het niveau van de studierichting is doorgaans niet bekend wanneer de no-show student daadwerkelijk met de studie is gestopt, als men al weet of er daadwerkelijk een begin mee is gemaakt. Het numeriek rendement van de studierichtingen wordt door no-show in ongunstige zin beïnvloed, terwijl de gepresenteerde onderzoeksgegevens erop wijzen dat de meeste van deze studenten juist duidelijk aangesproken worden op de oriënterende en selecterende functie van de propedeuse. Het menselijke aspect van de no-show problematiek is dat van studenten die niet het geluk hebben meteen die studierichting te kiezen waarin zij zich thuisvoelen. No-show wijst op behoefte aan signalering en begeleiding, niet aan controle en extra regelgeving. De omvang van no-show en low-show wordt niet direct bepaald door de inrichting van studieprogramma's of de kwaliteit van het onderwijs. Het gaat om een zoekproces, om oriëntatie en zelf-selectie in het eerste halve jaar van de studie. De andere kant van het verschijnsel is dat studierichtingen niet altijd oog blijken te hebben voor halverwege het eerste studiejaar toezwaaiende studenten: veel studenten zien kennelijk zo weinig reële mogelijkheden voor tussentijds instappen dat zij het begin van het volgende studiejaar afwachten. Door deze afwachtende houding van studenten is het probleem in het verleden misschien ook minder zichtbaar gebleven. Voor het beleid op het niveau van de studierichtingen ligt hier een uitdaging, en bovendien een door de tempobeurswet gegeven aansporing, om redelijke instapmogelijkheden te bieden.


Literatuur


Berg, M. J. M. van den (1993). De calculerende student? Een onderzoek naar studenten die niet naar colleges komen en geen tentamens doen. Rotterdam: RISBO.

Bots, J. A. H., & Frijhoff, W. Th. M. (1985). De studentenpopulatie aan de Franeker universiteit 1585-1811. In Jensma, G.Th., Smit, F.R.H., & Westra, F. (1985). Universiteit te Franeker 1585-1811. Bijdragen tot de geschiedenis van de Friese hogeschool. Leeuwarden: Fryske Akademy. p. 73-89.

Frijhoff, W. (1981). La société néerlandaise et ses gradués, 1575-1814. Amsterdam: APA-Holland University Press.

Frijhoff, W. (1992). Universities: 1500-1900. In Clark, B.R., & Neave, G.R. (Eds) (1992). The encyclopedia of higher education. Oxford: Pergamon Press. II 1251-1259.

Geschiedenis van het Amsterdamsch studentenleven 1632-1932. Amsterdam, 1932: Internationaal Antiquariaat Menno Hertzberger.

Jong, U. de, Koopman, P., & Roeleveld, J. (1991). Snelwegen en slingerpaden in en om het hoger onderwijs. Eindrapport Project 'Studieloopbanen in het hoger onderwijs'. Achtergrondstudies Hoger onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek 10. Zoetermeer: Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen.

Jong, U. de, Koopman, P., Miner, M., & Roeleveld, J. (1990). Schatting van gerealiseerde cursusjaren door studenten in het hoger onderwijs. Amsterdam: SCO Kohnstamm Instituut.

Jong, U. de, Oosterbeek, H., Roeleveld, J., Teulings, C. N., & Webbink, H. D (1991). Wel of niet verder studeren? Beleidsgerichte studies Hoger onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek 26. Zoetermeer: ministerie van Onderwijs en Wetenschappen.

Kernkamp, G.W. (1936). De Utrechtsche Universiteit 1636-1936. Deel I. De Utrechtsche Academie 1636 - 1815. Utrecht: Oosthoek.

Kiefer, N.M., & Neumann, G.R. (Eds) (1989). Search models and applied labor economics. Cambridge: Cambridge University Press.

Linschoten, J. (1964). Idolen van de psycholoog. Utrecht: Bijleveld.

Manski, C. F. (1989). Schooling as experimentation: a reappraisal of the postsecondary dropout phenomenon. Economics of Education Review, 8, 305-312.

Neut, A. C. van der, Simmelink, V. I., & de Jonge, J. F. M. (1993). De uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel over de studie-voortgangscontrole door instellingen voor Hoger Onderwijs. Leiden: Research voor Beleid.

Schotel, G. D. J. (1875). De academie te Leiden in de 16e, 17e en 18e eeuw. Haarlem: Kruseman & Tjeenk Willink.

Schwinges, R. C. (1992). Admission. In De Ridder-Symoens, H. (Ed.). A history of the university of Europe. Volume I, Universities in the middle ages. Cambridge: Cambridge University Press. 195-243

Vakgroep Geschiedenis R. U. L. (1992). Diepteonderzoek Geschiedenis.

Voorthuis, M., & Wilbrink, B. (1987). Studielast, rendement en functies propedeuse. Relatie tussen wetgeving, theorie en empirie. Deelrapport 2 van het Evaluatie-onderzoek Wet Twee-fasenstructuur. Amsterdam: SCO (rapport 112).

Waveren, R. C. van, en R. C. van Geuns (1992). Studeren met een uitkering. 's-Gravenhage: VUGA. (Regioplan)

Webbink, H. D., De Jong, U., Ooosterbeek, H., & Roeleveld, J. (1993). Studiekeuzen van scholieren en studenten in 1991. Serie Verder studeren, een panelstudie onder scholieren en studenten. Zoetermeer: ministerie van Onderwijs en Wetenschappen.

Wet van 2 juli 1993, houdende wijziging van de Wet op de studiefinanciering en van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, in verband met het meten van de studievoortgang in het hoger onderwijs. Staatsblad, 1993, 403. Besluit van 6 juli 1993 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding: Staatsblad, 1993, 404.

Wijdeveld, P. P. H. (1993). Vroegtijdige propedeuse-uitval bij Letteren-studierichtingen. Leiden: Bureau Onderzoek van Onderwijs.

Wilbrink (1992). The first year examination as negotiation; an application of Coleman's social system theory to law education data. Paper European Conference on Educational Research. Enschede: University of Twente. html

Wilbrink, B. (1993). No-show studenten. Onderzoek van Onderwijs, 22, 37-40. htm

Wilbrink, B., en Dronkers, J. (1993). Dilemma's bij de groei van de deelname aan hoger onderwijs. Achtergrondstudies Hoger onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek. Zoetermeer: Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen. html

Wilbrink, B., & De Jong, U. (1993). No-show inschrijvers aan de Universiteit van Amsterdam. In H. J. M. van Berkel (Red.) Onderwijsonderzoek in Nederland en Vlaanderen 1993. Proceedings van de Onderwijsresearchdagen 1993. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum. 144-145. html

Wilbrink , B., & Koppen, J.K. (1990). Arbeidsmarktposities voorspellen voor H.O-disciplines. In van Hout, J.F.M.J., & van Wieringen, A.M.L. (Red.). Hoger onderwijs. ORD 1990. Nijmegen: ITS, p. 77-90. a. html

Wilbrink, B., & Koppen, J.K. (1990) Employment prospects for graduates. Paper EAIR European Association for Institutional Research, 12th international forum september 1990, Lyon. Amsterdam: SCO (niet gepubliceerd). b. html



Bijlage 1

Enkele opmerkingen van respondenten

"Hoe moet ik mij uitschrijven?"

"Eind december 1991 heb ik de ziekte van Pfeiffer gekregen; pas eind oktober 1992 ben ik beter geworden. Deze studie was voor mij achteraf niet de goede keuze, daarom studeer ik nu aan de HES, maar als ik niet ziek was geworden, had ik zeker mijn propedeuse afgerond en zou daarna zijn overgestapt naar een andere studie."

"Ik heb me ingeschreven voor deze studie, maar ben tijdens de algemene introductieweek van de UvA overgestapt naar de Engelse faculteit omdat Engels me makkelijker en leuker leek. Toen dit niets bleek te zijn ben ik in januari '92 een internationale opleiding gericht op massacommunicatie om aldaar televisieproduktie te studeren. Dit is de richting die vanaf het begin van mijn academische loopbaan voor ogen had."

"Deze studie heb ik per vergissing gezien als de richting waar organisatie & beleid werd gedoceerd. Na de 10e maand 1991 heb ik mij aangemeld bij de faculteit PSCW. Dit is echter nooit goed verwerkt door de UvA. Zodoende heb ik nu problemen met de studiefianciering omdat zij als laatste studie ... in hun administratie hebben." "Helaas moet ik u vermelden dat ik een beetje gestoord word van het feit dat de administratie van de UvA zo nalatig en slecht is dat er nog steeds verondersteld wordt dat ik ... werkelijk heb gekozen. Naar ik mij kan herinneren heb ik ca. 7 brieven en 11 telefoontjes gepleegd om deze misvatting recht te zetten. Daarom voor de laatste keer. Ik ben in het seizoen '91/'92 na ... ingeschreven geweest bij de studie ... aan de Faculteit P.S.C.W. Dit omdat deze studie mijn interesse had en ik door informatie van de UvA in de veronderstelling was dat dit gedoceerd werd bij de 1e genoemde studie (...). Dank."

"Ik ben met een andere studie begonnen, ook aan de UvA, ben waarschijnlijk nog niet uitgeschreven bij de no-show studie, dat wil ik wel." "Voor mij was het nogal verwarrend dat ik mij ondanks mijn verzoeken niet uit kon laten schrijven bij ... , terwijl ik volledig gestopt was."

"Nog vermeld moet worden dat ik, na R.U.U. in 1988, kort ingeschreven heb gestaan bij de Katholieke Universiteit van Nijmegen voor een dwaling van drie maanden (sept '88-dec '88) in de studierichting ... . Daarna ben ik alsnog overgestapt naar het 1e doctoraaljaar ... aan de R. U. U., waar ik, in 1989, om persoonlijke redenen toch mee ben gestopt. Na twee jaar (Natuurlijk heb ik mij toen voor die 2 jaar uitgeschreven en de studiefinanciering stopgezet.), in 1991, heb ik de draad weer opgepakt in Amsterdam, waar ik, na 6/7 weken ... te hebben gestudeerd, ben overgestapt op mijn oude liefde ... . Ik had me, mijns inziens, uitgeschreven bij ... , maar klaarblijkelijk is dit niet goed gegaan, anders had ik deze vragenlijst niet toegestuurd gekregen! Excuses hiervoor."

"Ik wilde toen Europese Studies na mijn prop. gaan doen. Net nadat ik me had ingeschreven voor ... besloot ik ... te gaan doen als prop. (Ik had eigenlijk totaal geen idee wat ik nu wilde gaan studeren). ... heb ik 1,5 maand gedaan en toen ben ik overgestapt naar ... want ... beviel me niet en Europese Studies ook niet meer." "Ik besloot toen om toch ... te gaan doen. (Alleen om prop. te halen voor Europese Studies). Ik heb heel lang getwijfeld over welke studie ik echt leuk vond."

"Ik heb veel moeite gehad met het vinden van een voor mij juiste studie. Ik heb daarom het cursusjaar '91-'92 verspeeld aan 2 studies. Nu studeer ik ... aan Hogeschool Holland en dat bevalt me heel goed. Ik zal de studie zeker afmaken. Een belangrijke reden warom ik de studie aan de UvA gestopt ben, is het universitair systeem dat mij niet goed beviel. De overstap was, denk ik, iets te groot."

"Bij huidige studie (Hogere Hotelschool Den Haag) geschiedt aanname / inloting per half jaar! Aanvang van mijn studie in Den Haag was 1 februari 1992. Bericht voor toelating kwam pas na sluitingstermijn van de universiteitsinschrijvingen. Dus al ingeschreven en gewisseld op 1 feb '92."

Gestopt door "ontdekking van een studie waardoor ik vrijstellingen kon verkrijgen voor de studie geneeskunde, als ik ingeloot zou worden." "Ik ben begonnen met [de no-show studie] omdat ik eindelijk wilde beginnen met studeren. Bovendien was ik dat jaar ('91) uitgeloot voor Geneeskunde. Toen ik eenmaal begonnen was met [de no-show studie] (eigenlijk omdat ik dacht dat ik daar alle kanten mee opkon), kwam ik erachter dat [de no-show studie] NIET mijn studie was en dat er een studierichting bestond dnl. Medische Info. Kunde waar geneeskunde/informatica erg door elkaar heen lopen. Op dat moment ben ik begonnen op Mik (nov. 91). Gelukkig ben ik in '92 alsnog voor Geneeskunde ingeloot. In vind Mik echter ook interessant en heb besloten de 2 studies te combineren."

"Ik was uitgeloot voor ... en nog niet zeker of ik wel mijn prop. ... had gehaald. Hierdoor heb ik mij ingeschreven voor [de no-show studie]. Na 2 maanden werd ik nageplaatst bij de EUR waarna ik [de no-show studie] en communicatiewetenschap heb laten vallen. Met m'n alsnog (in die twee maanden) behaalde prop. [technische wet.] ben ik in het 2e jaar [een bovenbouwstudie] begonnen. (Als ik hiermee geen uitbijter word dan weet ik het ook niet meer)."

"De belangrijkste reden die mij ertoe gebracht heeft in sept. 1992 de studie [de no-show studie] erbij te gaan doen, was het feit dat de studie ... zo is ingericht dat ik op dat moment - met mijn 30 studiepunten - minimaal tot december moest wachten om verder te kunnen gaan. Voor die tijd mocht ik niet aan mijn 2e jaar beginnen, wegens de 35 punten regeling en het (merkwaardige) 2e herkansingsprogramma."

"U zult wellicht verbaasd staan te kijken over mijn studieverleden. Hieronder volgt een kort overzicht: studiejaar 1988/1989: Ingeschreven bij achtereenvolgens: 1 RUU ... (van 9-88 tot 12-88). 2 TH Eindhoven ... (van 1-89 tot 8-90). Studiejaar '90/'91: propedeuse ... en vanaf '91 vrij doctoraal ... en hoop hierin af te studeren in 1994. Met vriendelijke groet."

"voor mijn afstuderen bij ... al zoveel mogelijk vakken bij [de no-show studie] halen; ik wil [de no-show studie] graag nog gaan doen (afronden), maar zal 't straks zelf moeten gaan betalen. "... had prioriteit daar was ik al ver mee!" "88-89 Ik ben in mijn tweede studiejaar ook al aan vakken [voor de no-show studie] begonnen (...), alleen toen als vrije onderdelen binnen de studie [oude studie]. Heb toen colleges gevolgd, maar de tentamens vielen precies samen met die van [de oude studie]. 90-91 Binnen [andere studie] volgde ik de zgn. 'Inleiding ...', deed daar wel tentamen in gehaald.

Het is vanaf mijn eerste jaar mijn wens geweest op één of andere manier [de no-show studie] te gaan studeen; door mijn studiewisselingen had ik echter voortdurend te weinig tijd en aandacht om er goed aan te beginnen. Een studieadviseur bij [de no-show studie] waarschuwde me voor 't omswitchen naar haar faculteit, aangezien ik op dat moment nog maar 3 jaar studietijd had. 'k Heb me in '91/'92 alleen voor de zekerheid aan de [de no-show studie] ingeschreven, zodat ik me er in m'n vrije tijd aan een enkel vak zou kunnen wijden. Mooi bedacht, maar teveel gevraagd op dat moment. Deze constructie, 'voor 't geval dat' inschrijven, is me geadviseerd in verband met 't vereist zijn van een plaatsingsbewijs. Anders had ik 't via de vrije-onderdeel-regeling geregeld, en had ik dus niet ingeschreven gestaan. Helaas (vooral voor een vervolg van m'n [no-show studie]) ben ik zo studietijd verloren."

"In 1990/1991 stond ik ingeschreven bij de studierichting ... omdat ik via deze propedeuse naar de bovenbouwstudie ... kon doorstromen, ik heb dus in 1991 mijn propedeuse ... gehaald en heb me toen bij [de bovenbouwstudie] en [de no-show studie]ingeschreven, het bleek voor mij niet mogelijk om 2 studies naast elkaar te volgen en ik heb me medio februari 1992 uitgeschreven bij [de no-show studie]."

"Ik vind het een goede zaak dat het mogelijk is om op een eenvoudige manier bij een andere onderwijsinstelling een 2e studie te kunnen volgen, ook al zij het summier. Ik hoop dat die mogelijkheid blijft bestaan."

"Ik vond de studie [de no-show studie] door mijn overspannenheid te zwaar om te kunnen blijven volgen. Het volhouden van mijn baan als ... secretaresse was prioriteit 1! Tevens bemerkte ik dat mijn interesse uitging naar het [specialisme binnen de no-show studie]; het zwoegen van de eerste 4 jaar duurde me te lang alvorens aan mijn 'specialisme' te kunnen werken/beginnen. Mochten zich mogelijkheden voordoen om losse cursussen [voor dat specialisme] te volgen, dan houd ik mij aanbevolen."

"om enkele vakken te kunnen volgen en daar ook tentamen in te kunnen doen, dus uit interesse. Voor mijn belangrijkste studie ... is het niet toegestaan om een vak [uit de no-show studie] te doen, dus kan ik er ook geen tentamen in doen!"

"Nadat ik voor mijn vorige studie (vraag 17 t/m 19) in 1989 mijn doctoraalbul had gehaald, bleek dat de gevolgde keuzevakken mij niet erg veel kans boden op het door mij gewenste beroep. Om die kans te vergroten heb ik aan de UvA aanvullend onderwijs in 2 studierichtingen gevolgd. Dit heeft er mede toe geleid dat ik per 1-4-93 ben aangenomen voor de door mij begeerde baan. Per 1 april ben ik dan ook gestopt met beide studies."

"Tijdens studie HTS eigen ... bedrijf gestart. Studie [de no-show studie] bood mogelijkheden om hiaten in kennis op te vullen. Vakken gevolgd uit 3e/4e jaar."

Bijlage 2

Kenschets van enkele groepen respondenten

Hieronder volgt voor alle respondenten een korte kenschets op basis van de vragenlijstgegevens. Deze gegevens zijn de basis geweest voor de indeling in subgroepen, volgens welke de respondenten hier ook zijn geordend. Waar in het volgende de term 'extrinsiek' wordt gebruikt staat deze voor de deelvragen 9.2 t/m 94 over zelfstandig werk, leidinggevende baan, en betaalde baan.

subgroep gestopt met hbo/wo studie

12 uur werk, 12 uur bestuur. Had al doctoraal, haalde extra kwalificaties in Amsterdam. Zegt tentamen(s) te hebben afgelegd, maar die zijn in het studierichtingsbestand niet te vinden.

Gestopt: betaalde baan, uitstel verder hoger onderwijs, persoonlijke omstandigheden; 12-92 SF gestopt.

Studie tot nov. '91. Gestopt: andere studie, oninteressant, en: de faculteit was erg ver van de stad. Geen andere studie(s). Er wordt geen andere studie genoemd.

Studie tot 2-93, heeft nog steeds SF. Gestopt: oninteressant, uitstel ho-studie, persoonlijke omstandigheden. (8 uur betaald werk, 5 uur zorg voor anderen, 10 uur bestuurswerk).

Gestopt wegens persoonlijke omstandigheden; nog steeds SF.

In januari '92 gestopt, SF tot juni '92.

In februari '92 gestopt, ook met SF. Redenen stoppen: oninteressant, betaalde baan, uitstel studie ho, persoonlijke omstandigheden.

Snel gestopt, ook SF. Besteedde 4 uur aan andere studie. Studie in HO uitgesteld. Eerder Hogeschool voor de Kunsten 88-91.

Bij vraag 3 studeert deze respondent nog politicologie. Gestopt: andere studie, te zwaar. Nu dus wel gestopt! Lijst onduidelijk ingevuld.

Te zwaar en studie niet interessant (inhoud wel). Nov gestopt, wel jaar SF, geen andere studie.

Studie tot 8-92. Interesse 6, extrinsiek (noot: 'extrinsiek': het cluster overwegingen in vraag 9.2 t/m 9.4: zelfstandig werk, leidinggevende baan, betaalde baan.) hoog. Gestopt: studie te zwaar. Tot 8-92 SF.

Studie tot 6-92, zegt tentamen(s) te hebben afgelegd, stemt niet overeen met studierichtingsbestand. Motief: algemene ontwikkeling. Interesse 8, baan 10, beroep 9. Gestopt: te zwaar, oninteressant, betaalde baan aantrekkelijker. '89-'91 andere studie wo.

Studie tot nov 91. Interesse 10, beroep 10, buitenland 10. Gestopt: te zwaar, naast andere verplichtingen te zwaar, studie ho voorlopig uitgesteld. Eerder 90-91 Slavische taal en letterkunde.

Studie tot 6-92. 20 uur betaald werk. Reden: plezier en persoonlijke interesse. Interesse 10, extrinsiek 0, voorkeur 10, moeilijk 7. Gestopt: naast andere verplichtingen te zwaar, studie HO uitgesteld, pers. omstandigh.

Studie tot 1-92 . Zegt een of meer tentamens te hebben afgelegd, heeft volgens eigen opgave een practicum gedaan. Financiering: VUT. Reden: om mentaal mezelf te blijven. Interesse 8, extrinsiek 0. Gestopt: persoonlijke omstandigheden, anders: "Nederlands is niet mijn 'moedertaal' (I felt limited by the language)."

subgroep omgezwaaid binnen wo Als omzwaaier binnen het wo zijn ook degenen geteld die in '92-'93 niet meer blijken te studeren, in het hbo studeren, of elders een opleiding volgen, als zij maar na de no-show studie gestopt te hebben een andere studie in het wo zijn gaan doen, in dit geval dus in '91-'92.

25 uur andere studie. Na introductie al andere studie (aan UvA) gaan doen, zonder vertraging daarvoor de propedeuse behaald, met bovenbouwstudie vervolgd.

6 uur werk, 15 uur andere studie. Andere studie (UvA) 1e trim., daarna 'college' in Maastricht

12 uur werk. 92-93 andere studie VU. Hoge verwachting voor deze studie, daarin teleurgesteld, voor andere studie bescheiden verwachting. Zegt tentamen(s) te hebben afgelegd, maar die zijn in het studierichtingsbestand niet te vinden.

3 uur werk, 10 uur andere studie. Nooit begonnen. Kennelijk teleurgesteld in interesse in de studie, is 91-92 andere studie gaan doen (UvA). Geen SF, maar bijdrage ouders.

Kennelijk teleurgesteld in interesse in de studie, is andere studie gaan doen (UvA). Staat in de jaren 91-92 en 92-93 voor andere studie wo ingeschreven.

8 uur werk. Zeer ongemotiveerd in keuze. Gestopt: te zwaar, oninteressant. Andere studie wo gaan doen, in 92-93 HBO, daarvoor zeer gemotiveerd.

tel In nov gestopt. Had daarnaast 25 uur betaald werk (en een basisbeurs). Motief: propedeuse nodig voor europese studies. Gestopt wegens andere studie, te zwaar. 91-93 studie RUU, daarvoor net iets hoger gemotiveerd dan voor no-show studie.

10 uur andere studie. Andere studie gaan doen (UvA 91-93).

14 uur werk. Andere studie gaan doen, maar geeft daar geen informatie over behalve opmerking bij 10.1 dat hij/zij uiteindelijk een andere studie is gaan doen. Ook om persoonlijke omstandigheden gestopt. Voor die andere, niet nader aangeduide studie maximaal gemotiveerd (veel tienen), 28 punten behaald. Nog steeds SF.

Nooit begonnen. 6 uur werk, 10 uur andere studie. Andere studie (EUR 91-93), daar 1500 studiepunten voor, zeer hoog gemotiveerd. Bedoeling was bovenbouwstudie te kunnen gaan doen. Eerder twee jaar HBO.

13 uur werk. Had verkeerd idee over de studie, andere studie gaan doen aan de UvA; in 92-93 opgegeven geen studie te doen. Eerder 4 jaar HES. Ongemotiveerd, in mrt 92 gestopt met rechten. Andere studie UvA '92-93 zeer gemotiveerd. Uit vragenlijst is dus niet duidelijk of van maart 92 tot juli 92 SF is genoten, of niet.

Studie tot dec 91. 8 uur werk. Ongemotiveerd Andere studie VU '91-'93, extrinsiek gemotiveerd.

Tot nov. 91. Motief: propedeuse nodig voor europese studies. Interesse een 6. Gestopt wegens andere studie, oninteressant, anders: te schools. Andere studie gaan doen UvA (interesse 6)

tel Tot juli 92. 16 uur zorg voor anderen. Motivatie laag, interesse 5. Wilde ondertussen uitkijken naar andere studie. Gestopt wegens andere studie, oninteressant. Andere studie UvA 91-93 (interesse 8).

In no-show studie ongeinteresseerd (2). Andere studie UvA 91-93, interesse 9. Klacht dat je je tussentijds niet uit kunt schrijven bij de studierichting.

tot juli 92. Zegt tentamen(s) te hebben afgelegd, maar die zijn in het bestand niet te vinden. 8 uur werk. Motief o.a. interesse 9. Gestopt wegens andere studie, oninteressant. Andere studie (interesse 10) 92-93 gaan doen UvA

tot 9-92 (interesse 7). Gestopt: te zwaar; anders: te jong, te veel. Andere studie (interesse 8) gaan doen in '92-'93 UvA

tot 8-92., SF tot 8-92. Interesse 8, ook de extrinsieke motieven ca. 8. Gestopt: oninteressant, financiering, pers. omstandigh., anders: universitaire leven stond me niet aan. Andere studie gaan doen '91-'92 UvA, '92-'93 Leerlingwezen (hoge motieven, ook interesse 10).

tot 8-92. 12 uur zorg voor anderen. interesse 7, echt eerste voorkeur 10. Gestopt: te zwaar, pers. omstandigh. Andere studie (interesse 10, beroep en betaalde baan 10, echt eerste voorkeur weer een 10) gaan doen in '92-'93 UvA. Eerder 90-91 HBO.

tot nog steeds. Interesse 5. Gestopt wegens andere studie, oninteressant. Is dus gestopt, maar staat nog wel ingeschreven. Andere studie (voor bijvak) resp. nog weer andere studie gaan doen '91-92, 92-93 UvA. Interesse is een 9.

tot dec 91. SF tot 8-92. Interesse 3, betaalde baan 9. Gestopt: oninteressant, studie HO uitgestld. Andere studie UvA 91-92 (3 studiepunten). 92-93: D.O.C. (particulier) PR-assistent. interesse 10, extrinsiek zeer laag.

tot 11-91. 14 uur werk. Andere studies (91-93, resp. 91-92) gaan doen aan UvA. Zeer onzekere keuze. Motivatie voor no-show studie is zeer laag. Toch wegens oninteressantheid en andere studie gestopt.

tot okt 91. Gestopt: andere studie, twee studies naast elkaar te zwaar, oninteressant. Andere studie 91-93 UvA, interesse 9., extrinsiek laag.

tot 8-92. 10 uur werk. Ondertussen uitkijken naar andere studiemogeijkheden. Interesse no-show studie 6. Gestopt: andere studie, oninteressant. Andere studie UvA 91-93. interesse 10, echt 1e voorkeur 10.

Laat in het jaar (mei) gestopt, wegens andere studie en oninteressant. In 92-93 andere studie aan de UvA.

16 uur werk. Zeer extrinsiek gemotiveerd. Toch wegens oninteressantheid, anders studie en betaalde baan gestopt. Andere studie (91-93 ) aan RUL gaan doen: naast hoge extrinsieke motieven ook interesse hiervoor een 10.

tot 1-92. Andere studie (TUD , ook al in september) 91-92, idem (UvA ) 92-93. Geeft (naast andere) ook beurs en OV-kaart als studiereden.

tot 12-91. Tot wanneer SF is niet gevraagd. 10 uur betaald werk. Reden; alleen zeker propedeuse en doctoraal. Interesse 8, beroep 8, eerste voorkeur 7. Gestopt: andere studie, oninteressant, pers. omstandigh. Andere studie: 91-93 UvA (twee studies), waarvoor 7 studiepunten behaald; interesse 8, beroep 8, eerste voorkeur 8. 89-90 UvA nog weer andere studie. Volgens CSA in 92-93 ingeschreven bij 3 studierichtingen, overal voor de propedeuse.

tot 3-92. 20 uur werk, 10 uur zorg. Zeker prop., andere: ... Interesse 8, extrinsiek ca 6. Gestopt: andere studie, naast verpl. te zwaar, pers. omstandigh. Andere studie: 92-93.

tot 12-92 (geen verdere gegevens, verkeerde vragenlijst). Andere studie wo, interesse 10. Eerder: bij de HES van 88-90.

tot 11-91. SF, nog steeds. 20 uur werk. Reden: twijfel. Interesse 8, extrinsiek alleen beroep 7, 1e voorkeur 5. Gestopt: andere studie, te zwaar, niet interessant. Andere studie 91-93 wo, 29 punten, interesse 9, extrinsiek ca 7. Eerder RUU 87-88 daar propedeuse gehaald.

niets gedaan, nooit mee begonnen. SF nog steeds. 5 uur werk, 6 uur andere studie, 72 uur andere aktiviteiten. Reden: twijfel, zeker propedeuse, uitkijken, andere. Andere studies: 91-92 twe studies wo, 92-93 één daarvan voortgezet, 29 punten, interesse 8, extrinsiek gem. 7.

tot 8-91. SF nog steeds. Geen uren andere studie. Reden: twijfel, propedeuse, uitkijken. Interesse 8, extrinsiek 0, 1e voorkeur 0. Gestopt: andere studie, te zwaar, niet interessant. Andere studie: 91-92 wo, 92-93 Kunstacademie. Eerder: Eindhoven (TUE?) van 88-90.

subgroep omzwaai naar studie in het hbo Gericht op bovenbouwstudie communicatiewetenschappen, gestopt wegens ziekte, SF tot 2-92, vanaf 8-92. '92: HES.

Studie tot dec '91, in '92-'93 andere studie HBO, waarvoor hoge motivatie. Is met no-show studie begonnen oa omdat de propedeuse nodig is voor andere studie (interesse no-show studie is een 5). Gestopt: studie te zwaar en oninteressant.

6 uur werk. Jaar later HBO gaan doen. Had 'onbewuste' keuze gedaan: bij vraag 8 "onbewuste keuze, je moet toch wat" maar de interesse voor rechten was toch een 8. De keuze voor de latere HBO-studie ziet er niet uit als meer overtuigd dan die voor de no-show studie.

tot aug 92. 7 uur werk. Interesse 10. Gestopt: te zwaar naast andere verplichtingen, pers. omstandigh. Andere studie gaan doen 92-93 PABO, interesse 6, enkele andere motieven ook matig. Eerder 90-91 HvA .

Deed in 91-92 ook een HBO-studie. In 92-93 andere studie gaan doen in HBO.

tot 7-92. 8 uur werk. Naast andere redenen: om niet in dienst te hoeven. Interesse: 6. echt eerste voorkeur 1, extrinsieke redenen 1. gestopt: andere studie. Hogere Hotelschool gaan doen 92-93 HBO interesse 7, extrinsiek 9. Eerder 90-91 Nijenrode. subgroep omzwaai naar opleiding buiten hbo/wo (geteld als gestopt met studie hbo/wo) Deze aanvankelijk als aparte subgroep onderscheiden respondenten zijn voor de rapportage samengevoegd met de subgroep van degenen die niet meer in hbo of wo studeren. Zegt tentamen(s) te hebben afgelegd, maar die zijn in het studierichtingsbestand niet te vinden. 8 uur werk. Is begonnen met de studie o.a. om comm. wetenschappen te kunen gaan doen (interesse 5) Gestopt wegens andere studie (pas in 92-93 Schoevers gaan doen), oninteressantheid. Halverwege het jaar gaan werken, zegt nog steeds SF te ontvangen. '92-'93 opleiding Schoevers.

Na feb. gestopt .10 uur bestuur. In '92-'93 Schoevers gaan doen (motivatie daarvoor is exrinsiek, inhoudelijk een 6). Ontvangt nog steeds SF. Motief: propedeuse nodig voor europese studies. Motivatie voor no-show studie was hoog, gestopt wegens oninteressant, uitstel studie in ho,

tot 6-92. 10 uur werk. interesse 5. Heeft nog steeds SF. Gestopt: ander studie, oninteressant, pers. omstandigh. 92-93 Schoevers (hoge motivatie). tot 11-91. 5 uur werk. SF tot feb 92. Interesse 10, extrinsiek laag. Gestopt: voorlopig uitstel. Geen andere studies, wel bij vraag 13 91-92 particulier. 90-91 HBO.

tot 3-92. Heeft tentamen(s) afgelegd. AAW-uitkering. Reden: wilde kijken of studeren op een universiteit toch voor mij iets was. Interesse 8, beroep 8, niet moeilijk 9. Gestopt: andere studie, oninteressant, financiering, betaalde baan aantrekkelijker, studie HO uitgesteld, pers. omstandgh, Andere opleiding 92-93 bedrijfsleven, diploma gehaald, interesse 9, baan 10 (ik heb nu de baan!), beroep 10. Eerder: VU 84-86.

subgroep tweede studie gestopt, met eerste doorgegaan In deze subgroep zijn respondenten geplaatst die met twee studies tegelijk zijn begonnen, en met één daarvan, de no-show studie, zijn gestopt. Dit zijn dus nadrukkelijk geen studenten die naast wat zij als hun hoofdstudie beschouwen een tweede studie zijn begonnen, deze laatste zijn als afzonderlijke subgroep onderscheiden.

tot sept 92. 20 uur andere studie. Andere studie UvA. Zegt tentamen(s) te hebben afgelegd, maar die zijn in het studierichtingsbestand niet te vinden, wel een tentamen voor andere studie. Nogal extrinsiek gemotiveerd voor de no-show studie, maar oninteressantheid was wel een van de redenen te stoppen. Voor andere studie is de interesse 7 (no-show studie: 2), en zijn extrinsieke motieven op 5 gewaardeerd: een soort omkering dus.

tot 8-92, 12 uur werk, 12 uur andere studie, gestopt wegens ander studie en oninteressantheid. Andere studie gaan doen aan UvA, 91-93. In '87 enkele maanden ingeschreven bij HBO-studie.

tot 12-91, 10 uur andere studie. Reden: twijfel tussen 2 studierichtingen. Interesse 7, extrinsiek 0. Gestopt: andere studie. Andere studie UvA 91-93, interesse 9, extrinsiek 0, voorkeur 8. Eerder nog weer andere studie UvA 90-91.

tot 2-92. 10 uur baan, 15 uur besturswerk, 20 uur andere studie. Reden: 2e studie erbij, twijfel tussen 2 studierichtingen. Interesse 8 extrinsiek 0 behalve beroep 6. Gestopt: 2 studies te zwaar, naast andere verplichtingen te zwaar. Andere studie UvA 91-93 90 punten interesse 7 extrinsiek 7,5. In 88 in Rotterdam (EUR) begonnen.

subgroep 'parkeerstudenten' Deze aanvankelijk onderscheiden subgroep is bij nader inzien ingedeeld bij andere subgroepen. De parkeerstudie is gemarkeerd door vraag 10.2. 10 uur bestuur. Ingeschreven in afwachting van uitslag selectie HBO (halfjaarlijks!). Is HBO gaan doen.

Uitgeloot voor geneeskunde, na 1 jaar werken toch vervolgopleiding willen doen. Andere studie 91-93, en Geneeskunde 92-93. Zegt tentamen(s) te hebben afgelegd, maar niet volgens studierichtingsbestand. Gestopt door "ontdekking van een studie waardoor ik vrijstellingen kon verkrijgen voor de studie geneeskunde, als ik ingeloot zou worden."

Meerdere andere studies in 91-92 en 92-93. TUD van 89-92.

nooit mee begonnen. Reden inschrijven no-show studie: uitwijkstudie voor het geval gekozen studie numerus fixus zou krijgen. Gestopt: nooit begonnen. Deze gekozen studie van 91-93 70 punten, geen eerdere studie.

subgroep respondenten die zeggen nog te studeren in de no-show studie Er zijn studenten die aangeven met de 'no-show studie' niet te zijn gestopt. Dat is inderdaad mogelijk, omdat voor het onderzoek 'no-show' is gedefinieerd op het eerste inschrijvingsjaar. Er zijn natuurlijk studenten die door bijzondere omstandigheden dat eerste jaar niet komen tot deelname aan het examen, maar daar in het twee jaar wel toe over gaan. Enkele respondenten die eerder, op zich terecht, in de subgroepen '2e studie naast hoofdstudie' en 'studie naast werk' waren ingedeeld, zijn alsnog in deze subgroep ondergebracht (met * gemerkt).

Studeert nog steeds, legt tentamens af (alleen streepjs in studierichtingsbestand), 4 uur werk. geen andere studies. Eerder 4 maanden andere studie (1990, UvA).

tel Door persoonlijke omstandigheden gestopt. '91-92 niet gestudeerd. Familielid in '91 overleden, hierdoor dat cursusjaar niet gestudeerd. Studeert nog steeds. Twijfelt nog steeds over overstappen naar andere studie (numerus fixus studie).

Is niet met deze studie gestopt, heeft daarin tentamen(s) afgelegd (in studierichtingsbestand staan geen voldoendes of onvoldoendes, wel streepjes ??; het is mogelijk dat zij in 92-93 tentamens heeft afgelegd). 8 uur werk. In 1992-93 naast deze studie ook andere studie aan de UvA. Deze student zegt in sept. '92 30 punten voor de no-show studie te hebben behaald. Hier klopt ergens iets niet.

Studeert dit nog steeds, geen tentamens afgelegd, 10 uur werk, geen andere studies, wel SF; geeft aan zeker propedeuse en doctoraal in no-show studie te hebben willen halen. Eerder studie aan de HES, 89-91.

studeert dat nog steeds (geen tentamen afgelegd). 0 uur andere activiteiten (geen werk, geen andere studie, etc.). Reden: alleen om zeker de propedeuse te behalen. Interesse 6, extrinsiek 8. Doet geen andere opleidingen. Eerder andere studie UvA van 89 tot 91. Ontvangt (nog steeds) SF. Ontkent dus dat de inschrijving alleen is om studiebeurs en OV-kaart te krijgen. Moeilijkheid van de studie speelde vrijwel geen rol (5).

studeert dat nog, zegt tentamen(s) te hebben afgelegd. Is gericht op bovenbouwstudie communicatiewetenschappen. Interesse 8. Geen andere studie. Eerder UvA andere studie 90-91.

CSA-no-show, staat dus niet in het studierichtingsbestand. Geeft aan tentamens te hebben afgelegd, maar dat kunnen tentamens '92 zijn, na nieuwe inschrijving als deeltijdstudent voor 92-93. Tijdelijk gestopt in feb. 92. Financiering: UAF. 20 uur bestuurswerk. Zeker doctoraal halen, geen andere redenen. Interesse 9, andere motieven 0 behalve beroep 5. Gestopt: andere verplichtingen, pers. omstandigh. (problemen met de Nederlandse taal).

*Doet ook andere studie RUU (al in sept 91: 30 uur). Zegt tentamen(s) te hebben afgelegd, maar die zijn in het studierichtingsbestand niet te vinden; studeert nog in de no-show richting, zouden dus tentamen(s) 92-93 kunnen zijn.

*studeert dat nog. Zegt tentamen(s) te hebben afgelegd, maar niet volgens pol-bestand. 20 uur andere studie. Geen duidelijke bedoelingen: om zeker doctoraal te doen, en uit te kijken naar andere studiemogelijkheden. Interesse 8. Andere studie: vrij doctoraal andere richting bij onbekende instelling; geen motieven ingevuld. Eerder UvA andere studie, RUU andere studie, en TUE; van 88 tot 91.

*nog steeds. 30 uur andere studie. Reden: 2e studie erbij, twijfel tussen 2 richtingen, anders: Interesse 8, extrinsiek ca. 7, gestopt: twee studies naast elkaar te zwaar; Andere studie 91-93 UvA 195 punten. Interesse 8, extrinsiek ca 4. Eerder: Uva andere studie 91-92 en nog weer andere studie 87-93.

*tentamens afgelegd, studeert nog, nog steeds SF, 15 uur betaald werk, 10 uur vrijwilligerswerk, 40 uur andere studie. Wilde 2e studie, zeker examens halen. Interesse 7, extrinsiek ca 6, 1e voorkeur 5. Is niet gestopt. Andere studie: AH, 1991-93 als student, 100 punten behaald, geen vertraging. Interesse 8, extrinsiek ca 7, 1e voorkeur 8. Eerder UvA 86-88. Daarvoor nog weer andere studie aan zowel VU als UvA.

*Zegt tentamens te hebben afgelegd, niet volgens Info-bestand. Studeert nog, ook aan KUN ingeschreven (8 uur andere studie) sinds 1989. Interesse 5, extrinsiek nog lager. Nu nog aan KUN ingeschreven voor nog weer andere studie. Onduidelijk.

*studeert dat nog, in 92-93 wel tentamen(s) afgelegd. Betaald werk 38 uur. Reden: NIMA-B gedaan, wil nu communicatiewetenschappen doen. Heeft daarvoor prop. nodig. Heeft no-show studie gekozen om algemene kennis te verbreden. Heeft 91-92 niets gedaan, pauze gehouden. Haalt dit jaar propedeuse, geen vertraging: immers, twee jaar propedeuse is normaal voor avondstudent. Geen andere studie. Eerder 89-91 NIMA-B (HBO-niveau).Volgens CSA in 1985 met een studie begonnen.

*CSA-no-show. Heeft tentamens afgelegd, studeert nog, geen beurs, 30 uur werk. Redenen: 2e studie er bij, twijfel tussen twee, zeker examens.Interesse 6, extrinsiek 9, 1e voorkeur 7. Niet gestopt, dus. Doet wel andere opleiding ernaast: HEAO, 110 punten behaald, als deeltijdstudent ingeschreven. (NB: in de vragenlijst is daar geen categorie voor opengehouden, die is alsnog toegevoegd). Motieven: interesse 8, extrinsiek 7. Heeft in 87-88 ook HBO (andere studie) gestudeerd. Zegt met no-show studie UvA in '90 te zijn begonnen, eerst als extraneus, nu deeltijd. Dat is ook de verklaring van de no-show: bij de studierichting is deze student waarschijnlijk als 2ejaars geadministreerd.

*tentamens afgelegd, studeert dit nog. Geen sf. 40 uur zorg voor anderen. Reden: doctoraal halen. Interesse 10, zelfstandig werk 10, beroep 10. 1e voorkeur 0. Niet gestopt. Geen andere studie . Eerder PAO 85-90.

*tentamens afgelegd, studeert nog. Geen SF. 40 uur werk. Examens halen, anders: carriéremogelijkheden. Interesse 8, alleen beroep scoort 7. 1e voorkeur 10. Niet gestopt. Eerder HBO 83-86.

subgroep tweede studie naast hoofdstudie. 8 uur werk, 25 uur andere studie. Gestopt wegens andere studie, twee studies naast elkaar zou te zwaar zijn. Andere studie 91-93 VU (verkorte doctoraalopleiding), hiervoor HBO (4 jaar) gedaan.

Is dit gaan studenren met de bedoeling een kopstudie te volgen. Is gestopt omdat twee studies naast elkaar te zwaar was (de andere studie vergde in sept. 91 60 uur per week). Die andere studie was HEAO, studeerde daar van 9-88 tot 1-92. Zegt het collegegeld om medische redenen wel teruggekregen te hebben.

tot nov 91. 12 uur aan andere studie. Reden: 2e studie erbij, aanvullig op 1e studie. Interesse 8. Gestopt: 2 studies te zwaar, studie te zwaar, te zwaar naast andere verplichtingen, anders: anders dan verwacht. 91-93 VU. Eerder 90-91 Universiteit Limburg.

Andere studie 91-93 legde teveel beslag op de tijd. Voor no-show studie uitsluitend inhoudelijk gemotiveerd (10), voor die andere studie naast inhoudelijk (9) ook extrinsiek (tienen). Heeft eerder in 1990 een maand voor nog weer andere studie ingeschreven gestaan.

nov 91, zegt tentamen(s) te hebben afgelegd maar het studierichtingsbestand is duidelijk: geen tentamens. 30 uur andere studie. Reden: 2e studie erbij, en ondersteuning specialisatie. Interesse 10, beroep 10 moeilijk 7. Gestopt: 2 studies te zwaar, wsk te zwaar, oninteressant. Andere studie wo, 88-93, 280 punten van de 400 benodigd. Interesse 10, zelfstandig werk 10, baan 10, echt eerste voorkeur 10, in de buurt 7 niet moeilijk 7. (commentaar)

92, 40 uur andere studie. Reden: 2e studie erbij, om bovenbouwstudie te gaan volgen. Interesse 9. Gestopt: 2 studies te zwaar. Andere studie: 91-93 HBO. Interesse 10, zelfstandig 10, beroep 10, echt eerste voorkeur 10. Eerder: UvA 8-88 tot 6-89. In 92-93 niet meer aan UvA ingeschreven.

tot 8-92. 20 uur andere studie. Reden: 2e studie erbij, en interesse. Interesse 9, extrinsiek ca 3. Gestopt: 2 studies te zwaar. Andere studie wo 86-92, afgestudeerd, interesse 8, extrinsiek 8.

tot 8-92. Zegt tentamen(s) te hebben afgelegd, wat volgens de administratie niet zo is. 30 uur andere studie. Reden: 2e studie erbij, propedeuse halen. Interesse 10, extrinsiek alleen beroep 7. Gestopt: 2 studies te zwaar, studie te zwaar, oninteressant. Andere studie wo 88-93, bijna alle studiepunten maar wel vertraging, interesse 8, extrinsiek 7.

daar kennelijk niets aan gedaan, wel aan andere studie wo 50 uur (op dat moment stage voor scriptie in Spanje). Reden: "om enkele vakken te kunnen volgen en daar ook tentamen in te kunnen doen, dus uit interesse. " Interesse 8, geen extrinsieke motivatie. Gestopt: twee studies naast elkaar te zwaar, anders: toen ik eenmaal een groot deel van het 1e trimester gemist had, dacht ik dat het erg moeilijk zou zijn om de studie nog te volgen. Anere studie wo 91-93, 159 van de 16 studiepunten, interesse 10, zelfstandig werk 9 andere extrinsiek ca 6, echt eerste voorkeur 10. Geen eerdere opleiding.

tot 1-92. 15 uur betaald werk, 20 uur andere studie. Reden: 2e studie erbij, ook andere studiemogelijkheden. Interesse 8, zelfstandig werk 8, overig extrinsiek 6. Gestopt: twee studies te zwaar. Andere studie UvA, 147 van 168 punten, interesse 10, baan 7, beroep 8, zelfstandig werk 8. Eerder UvA nog weer andere studie 87-88.

eerste deel niet ingevuld (verkeerde vragenlijst gekregen). Andere studie wo 91-93 interesse 9, sinds 1987.

geen activiteiten, nooit met de studie begonnen. 40 uur andere studie. Reden: 2e studie erbij, andere studiemogelijkheden. Interesse 8, zelfstandig werk 5. Gestopt: 2 studies te zwaar. Andere studie: natuurkunde 91-93, 140 punteninteresse 9, zelfstandig werk 9. Geen eerdere studie.

tot 11-91. 25 uur andere studie, 12 uur werk. Reden: 2e studie erbij, twijfel tussen 2 richtingen. Interesse 8, extrinsiek zeer laag. Gestopt: andere studie, propedeuse andere studie behaald, 2 studies te zwaar, naast andere verplichtingen te zwaar, pers. omstandigh. Andere studie wo, sinds 1987, in 92-93 als auditor, 70 punten, nog 84 halen, interesse 8, zelfstandig werk 8, andere extrinsiek 4, echt eerste voorkeur 10.

(verkeerde lijst gekregen, eerste deel niet ingevuld) Andere studie wo 89-93.

tot ? 40 uur andere studie. Reden: ik wilde er een tweede studie (in wo) bij doen. Interesse 9, extrinsiek 1. Gestopt: 2 studies te zwaar, naast andere verplichtingen te zwaar. Andere studie wo vanaf 1990, geen vertraging, interesse 9, extrinsiek ca 8.

geen enkele activiteit, nooit mee begonnen. 25 uur andere studie. Reden: 2e studie erbij, andere studiemogeljkheden. Interesse 10, leidinggevende baan 8. Gestopt: 2 studies te zwaar, oninteressant. Andere studie wo (kopstudie) 91-93, 80 punten (van de 105 zonder scriptie), interesse 10, zelfstandig werk 10, leidinggevende baan 10, ban buitenland 10, echt eerste voorkeur 10. Eerder nog weer andere studie wo 90-91.

Bij vraag 3: "was ingeschreven voor studiefinanciering, echter niet studeren" 10 uur andere studie. Reden: 2e studie erbij, zeker propedeuse. Geeft bij vraag 8 niet aan dat studiefinanciering reden is. Interesse: 8, extrinsiek 5. Gestopt: te zwaar, naast andere verplichtingen te zwaar, pers. omstandigh. "1991/1993 nog steeds ingeschreven echter geen colleges gevolgd i.v.m. studiefinanciering. Andere studie wo, waarvoor in 92-93 als extraneus, daarvoor 27 van de 168 punten behaald, interesse 9, exrinsiek ca 5, begonnen in 1990.

tot 12-91. 35 uur andere studie wo. Reden: 2e studie erbij, en me wat bredr ontwikkelen. Interesse 8, extrinsiek 0. Gestopt: 2 studies te zwar. Andere studie UvA 90-93 108 punten, geen vertraging, interesse 9, beroep 10, baan 9, zelfstandig werk 9, echt eerste voorkeur 9.

tot 8-92. 30 uur andere studie. Reden: 2e studie erbij, twijfel tussen richtingen. Interesse 8, beroep 7, baan 5. Gestopt: andere studie, 2 studies te zwaar, naast andere verplichtingen te zwaar. Andere studie wo 90-93. 60 punten interesse 8, extrinsiek ca 8.

Verkeerde lijst gekregen, eerste helft deels niet ingevuld. 10 uur zorg voor anderen, 15 uur andere studie. Andere studie wo 63 punten, interesse 10, zelfstandig 10, baan 8, beroep . Eerder ook studie wo 1990.

tot 8-92 10 uur baan, 30 uur andere studie. Reden: 2e studie erbij, mooie taal. Interesse 7, extrinsiek 0, buitenland 8. Gestopt: 2 studies te zwaar, naast andere verpl. te zwaar, betaalde baan aantrekkelijker, anders: te zwaar, wilde werken vanwege financiën. Andere studie wo 70 punten 90-93. Interesse 10, zelfstandig werk 10, overig extrinsiek ca 7.

tot 8-92. 8 uur baan, 20 uur andere studie. Reden: 2e studie erbij, andere mogeljkheden, anders: (commentaar) Interesse 6, leidinggevende baan 7, beroep 6. Gestopt: propedeuse andere studie behaald, pers. omstandigh. Andere studie wo 65 punten vertraging 90-93. Nog weer andere studie wo 92-93. Interesse 8, extrinsiek ca. 8.

tot 12-91 30 uur andere studie. Reden: hierin geinteresseerd, naast andere studie. Interesse 9, beroep 7, zelfstandig werk 6. Gestopt: 2 studies te zwaar, financiën, naast andere verplichtingen te zwaar, betaalde baan aantrekkelijker. Andere studie UvA 90-93 84 punten vertraging interesse 9, extrinsiek 8.

11-91. 30 uur andere studie. Reden: 2e studie erbij. Interesse 9, extrinsiek alleen beroep 8, andere extrinsiek ca 3. Gestopt: 2 studies te zwaar. Andere studie wo, 91-93, 62 punten, interesse 9, zelfstandig 8, baan 7, beroep 8, buitenland 9, voorkeur 8.

tot 10-91. 20 uur andere studie. Reden: 2e studie erbij, propedeuse halen. Interesse 8, extrinsiek laag, buitenland 8. Gestopt: andere studie, 2 studies te zwaar, naast andere verplichtingen te zwaar. Andere studie: UvA 91-93, 18 punten, interesse 8, zelfstandig 8, beroep 8, voorkeur 10.

nooit mee begonnen, geen activiteiten. 10 uur baan, 25 uur andere studie. Reden: uitkijken andere studiemogelijkheden. Interesse 6, beroep 4, rest 0. Gestopt: andere studie, 2 studies te zwaar, naast andere verplichtingen te zwaar. Andere studie UvA 91-93 45 punten vertraging. Interesse 8, extrinsiek ca 8. "Duidelijker aangeven / informeren dat er formeel ook moet worden uitgeschreven"

niets, nooit. 30 uur andere studie. Reden: 2e studie erbij. Interesse: 9. Gestopt: 2 studies te zwaar, pers. omstandigh. Andere studie wo 87-92, nog weer andere studie 92-93. 24 punten (voor laatste studie?) vertraging. Interesse 8, extrinsiek ca 8.

Heeft punten voor een verslag en aawezigheid behaald. 20 uur werk, 20 uur andere studie. Reden: 2e studie erbij, twijfel, interesse. SF tot 8-92. Interesse 9 exrinsiek 1. Gestopt: andere studie, 2 studies te zwaar, verplichtingen, betaalde baan aantrekkelijker. Andere studie 91-93 UvA, in 92-93 als extraneus, 60 punten, interesse 6, exrinsiek ca 9. Eerder HTS 86-90.

tot 4-92. SF tot 7-92 8 uur werk, 8 uur zorg, 16 uur andee studie. Reden: 2e studie erbij, twijfel, andere mogelijkheden. Interesse 7, extrinsiek 10 behalve leidinggevende baan 5. Gestopt: te zwaar, studie HO uitgesteld, pers. omstandigh., anders: even iets anders willen doen, niet studeren. Andere studie 91-92 UvA als extraneus. Interesse10, andere motieven allemaal heel hoog behalve leidinggevende baan 5. Geen eerdere studie.

niets gedaan, nooit begonnen. SF nog steeds. 40 uur andere studie. Reden: twijfel, uitkijken. Interesse 8, extrinsiek 1. Gestopt: andere studie. Andere studie wo 91-93 .28 punten, interesse 10, extrinsiek 1.

nooit begonnen. SF nog steeds. 20 uur werk, 40 uur andere studie. Reden: 2e studie er bij. Interesse 10, extrinsiek 0, 1e voorkeur 0. Gestopt: twee studies te zwaar. Andere studie aan de VU 91-93, 145 punten, interesse 7, extrinsiek ca 7, begonnen in 1987.

anoniem Heeft verkeerde lijst gekregen (maar studeert dat toevallig wel sinds 1988), is no-show. "Ik ben in 1988 met mijn studie ... begonnen en studeer dat nu nog. Daarbij heb ik mij ingeschreven voor een andere studie, omdat ik daar een vak wilde gaan volgen en eventueel meer vakken, die aansloten op mijn studie ... . "

subgroep studie naast (vrijwel) volledige baan. Er is een groep respondenten die naast een vrijwel volledige baan een studie is begonnen, en deze heeft moeten opgeven. Enkele van deze werkenden geven aan nog steeds met de no-show studie bezig te zijn: deze zijn geplaatst bij de subgroep 'nog niet met de no-show studie gestopte' respondenten.

tot 2-92. Betaald werk 32 uur. Reden: positieverbetering werk. Interesse 7, beroep 10, leidinggevend 9. Gestopt: andere studie gaan doen, te zwaar, ook te zwaar naast andere verplichtingen, studie HO uitgesteld, anders: ziekte/overspannenheid. Andere studie 92-93 LOI, interesse 8, baan 1, beroep 7. Geen eerdere studie.

tot 2-92, zegt tentamen(s) te hebben gedaan. 40 uur betaald werk. Reden: belangstelling hoever ik zou komen. Interesse 8, extrinsiek matig. Gestopt: oninteressant, naast andere verplichtingen te zwaar, betaalde baan aantrekkelijker, pers. omstandigh. Geen andere studie, geen eerdere studie.

tot 9-92. Betaald werk 40 uur en eigen vermogen. Reden: positieverbetering bij het werk. Interesse 9, eerste voorkeur 9, extrinsiek zeer laag. Gestopt: studie HO voorlopig uitgesteld, anders: ziekte. Geen andere studie. Eerder 83-87 VU. (in CSA geen eerdere studie opgegeven).

Studie tot 9-92. 40 uur werk. Wilde zeker examens halen. Interesse 9, exrinsiek ca 4. Gestopt: uitstel, pers. omstandigh. Eerdere studie 83-87.

tot 4-92. Financiering: betaald werk 16 uur. Reden: een begin te maken met deze studie , i.v.m. de verwachting dat mijn overige werkzaamheden op korte termijn zouden worden gestaakt (quod non). Interesse 10, geen andere motieven. Gestopt: te zwaar naast andere verplichtingen. Geen andere studie. Eerder: in Leiden 53-57.

tot 12-91. Betaald werk 40 uur. Reden: interesse 8, extrinsiek 5, in de buurt 8. Gestopt: naast andere verplichtingen te zwaar, studie HO voorlopig uitgesteld, te druk. Geen andere, geen eerdere studie. Volgens CSA studie in 1982 begonnen.

tot 6-92. 40 uur betaald werk. Reden: positieverbetring in de maatschappij. Interesse 6, leidinggevende baan 7, beroep 8, voorkeur 10. Gestopt: naast andere verplichtingen te zwaar, voorlopig uitstel studie HO, pers. omstandigh. Geen andere studie, geeft geen eerdere studie maar is in 89 wel met een andere studie begonnen.

subgroep 3e-jaars propedeuse Wanneer de twee jaar inschrijftijd voor de propedeuse is verstreken, vervalt het recht op studiefinanciering tenzij men zich voor een andere studie inschrijft. De inschrijving voor een andere studie is bedoeld als gelegenheid om alsnog een andere studie te gaan doen. Het is mogelijk op deze wijze de SF veilig te stellen, en in die tijd alsnog de propedeuse voor de eerdere studie te behalen (waarvoor men zich dan als extraneus inschrijft). Onderstaande respondenten geven aan van deze mogelijkheid gebruik te maken.

tot 8-92. Geen activiteiten. 20 uur andere studie, 6 uur baan. Reden: derde propedeusejaar. Interesse 0, extrinsiek 0. Gestopt: propedeuse andere studie behaald, oninteressant. Andere studie UvA. 99-92, 50 punten , in 92-93 gestopt, interesse 7, beroep 8, zelfstandig werk 7.

nooit mee begonnen, geen activiteiten. 8 uur betaald werk, 15 uur andere studie. Reden: twijfel 2 studies, andere studiemogelijheden, 3e propedeusejaar. Interesse 8, extrinsiek ca 8. Gestopt: andere studie, oninteressant. Andere studie vanaf feb. 92 UvA tot 93, 30 punten, interesse 9, extrinsiek ca. 8.,5. Eerder 91-92 nog weer andere studie UvA van 90-2/92.

nooit mee begonnen, geen activiteiten. 40 uur andere studie. Reden: 3e jaar propedeuse. Motieven 0. Gestopt: propedeuse andere studie behaald. Andere studie wo89-93, 126 punten, interesse 8 extrinsiek 8, voorkeur 10

nooit mee begonnen, geen activiteiten. 6 uur baan, 20 uur andere studie. Reden: 3e propedeusejaar. Motieven 0. Gestopt: propedeuse andere studie behaald. Andere studie wo 91-93, als student, 30 punten, interesse 9, extrinsiek ca 6.

nooit mee begonnen, geen activiteiten. 10 uur baan 10 uur bestuurswerk, 10 uur andere studie. Reden: 3e propedeusejaar. Motief: interesse 2 moeilijk 5, rest 0. Gestopt: propedeuse andere studie behaald, betaalde baan aantrekkelijker. Andere studie wo 91-92 als extraneus, vanaf 89. Interesse 5, extrinsiek 3, studiepunten 42.

nooit mee begonnen, geen activiteiten. 20 uur andere studie. Reden: beurs & 3e propedeusejaar. Motieven 0. Gestopt: behoud studiefinanciering en verlengen prop. jaren. Andere studie wo 89-93, in 91-93 als extraneus, interesse 10, extrinsiek ca 7.

nooit mee begonnen, geen activiteiten. 30 uur baan, 10 uur andere studie. Reden 3e propedeusejaar. Motivatie 0. Gestopt: propedeuse andere studie behaald. Andere studie wo 91-92 (extr) en 89-91, bovenbouwstudie 92-93. Kenneljk in deze laatste 22 punten behaald. Interesse 10, extrinsiek 10 behalve zelfstandig werk 2. eerste voorkeur 10.

nooit mee begonnen, geen activiteiten. 6 uur bestuurswerk, 20 uur andere studie. Reden: twijfel, andere mogelijkheden, 3e propedeusejaar. Motieven interesse 7 exrinsiek ca 5. Gestopt: andere studie, propedeuse andere studie behaald. Andere studie wo 89-91, bovenbouw 91-93. In 91-92 extraneus. 72 punten, interesse 7, extrinsiek ca 7. Eerder nog een jaar HEAO gedaan.

nooit mee begonnen, geen activiteiten. 16 uur bestuurswerk, 20 uur andere studie. Reden: 3e propedeusejaar, uit leger blijven. Motieven 0. Gestopt: andere studie, propedeuse andere studie behaald. Andere studie:UvA 89-91 en 91-92 als extraneus en 92-93 als student; nog weer andere studie 92-93. Interesse (letteren?) 9, extrinsiek ca 8.

nooit mee begonnen, geen activiteiten. 15 uur andere studie Reden beurs & 3e propedeusejaar. Motieven 0. Gestopt: andere studie, propedeuse andere studie behaald. Andere studie wo 89-92. nog weer andere studie wo 92-93. In 91-92 extran. psychologie. Interesse 7, extrinsiek ca 7.

nooit mee begonnen, geen activiteiten. 6 uur werk, 6 uur andere studie. Reden 3e propedeusejaar. Interesse 4, rest 0. Gestopt: andere studie, propedeuse andere studie behaald. Andere studie wo vanaf 89, in 91-92 al extraneus, interesse 10, extrinsiek 9 behalve betaalde baan 5.

nooit mee begonnen, geen activiteiten. 40 uur andere studie. Reden 3e propedeusejaar. Motieven alle 1. Gestopt: andere studie, propedeuse andere studie behaald. Andere studie UvA vanaf 89, in 91-92 als extraneus, 40 punten, interesse 8, extrinsiek ca 7.

nooit mee begonnen, geen activiteiten. 20 uur baan, 10 uur andere studie. Reden: 3e propedeusejaar. Motieven geen. Gestopt: geen recht op studiefianciering meer. Andere studie wo 89-93, in 92-93 als extraneus, 20 punten, interesse 7, extrinsiek ca 6.

nooit mee begonnen, geen activiteiten. 8 uur zorg, 25 uur andere studie. Reden beurs & 3e propedeusejaar. Motieven 0. Gestopt: behoud financiering . Andere studie wo 89-heden, in 91-92 als extraneus, 42 punten Interesse 7, extrinsiek ca 8 behalve betaalde baan 5.

nooit mee begonnen, geen activiteiten. 20 uur baan, 20 uur andere studie. Reden: 3e propedeusejaar. Motieven geen. Gestopt: propedeuse andere studie behaald. Andere studie wo 89-93, in 91-92 als extraneus, 50 punten, interesse 6, extrinsiek ca 8.

nooit mee begonnen, geen activiteiten 5 uur bestuurswerk 30 uur andere studie Reden 3e propedeusejaar, uitstel militaire dienst. Motieven 0. Gestopt: behoud beurs. Andere studie UvA 89-93. 91-92 extraneus. Interesse 6, zelfstandig werk 3 andere extrinsiek: 8.

nooit mee begonnen, geen activiteiten. 28 uur baan, 20 uur andere studie. Reden: 3e propedeusejaar.Motieven geen. Gestopt: propedeuse andere studie behaald. Andere studie wo 91-93, 53 punten, interesse 8, extrinsiek ca 8. Eerder HEAO 88-90.

Heeft niets gedaan, maar zegt nog wel in deze studie te studeren, ontvangt beurs. Is niet uitgeschreven, zegt zich wel uit te willen laten schrijven maar dat dat niet lukt. 8 uur betaald werk, geen andere studie, 6 uur andere activiteiten. Is derdejaars propedeusestudent. Motieven alles nul. Andere studie wo (vanaf '89), waarvoor behoorlijk gemotiveerd en 52 punten behaald.

subgroep oneigenlijk gebruik anders Er zijn enkele studenten die duidelijk ook volgens eigen inzicht oneigenlijk gebruik maken van de mogelijkheid zich door inschrijven studiefinanciering te verwerven. De motieven zijn nogal verschillend, het zijn mooie smoezen.

anoniem, doet niets, nooit begonnen, heeft SF, gehad tot 8-92. Doet 40 uur stage. Heeft zich ingeschreven om onbetaalde stage/reizen te kunnen doen. Motieven alle nul, gestopt: betaalde baan. Geen andere studie/opleiding. Heeft van 88-91 aan de UvA gestudeerd, doctoraal behaald in 1991.

anoniem, doet niets, nooit begonnen, heeft SF, gehad tot 8-92. 20 uur werk, 20 uur andere studie. Inschrijving vanwege beurs/OV. Motieven: alle 0. Gestopt: eigen bedrijf opgezet. Andere studie 91-93: MBA, hoog gemotiveerd. Eerder: HBO 87-90.

10 uur werk. Staat ingeschreven om dienstplicht te ontwijken, ontvangt wel SF. Zegt tentamen(s) te hebben afgelegd, maar die zijn in het studierichtingsbestand niet te vinden; kunnen tentamen(s) 92-93 zijn, want studeert nog steeds. Is niet gestopt, maar geeft wel aan (bij 10.13) een andere studie te gaan doen. "Ik sta slechts ingeschreven om een dreigende dienstplicht te ontwijken. In mijn studietijd heb ik gereisd en wat geld verdiend voor een verdere studieloopbaan. De dreiging dat ik één of enkele jaren van een volgende studie geen studiefinanciering krijg deert mij niet, aangezien mijn financiële onafhankelijkheid t.o.v. de studiefinanciering veilig gesteld is."











Vragenlijst

Onderzoek
Studieloopbanen aan de
Universiteit van Amsterdam





Respondentnummer:

...................


Amsterdam, april 1993











project 6821







Inleiding

In deze vragenlijst stellen wij u vragen over achtereenvolgens:
- de studie Politicologie, waarvoor u zich in september 1991 heeft ingeschreven;
- eventuele andere studies, opleidingen, waarvoor u zich in 1991/1992 of later heeft ingeschreven en
- een eventuele studie, opleiding, waarvoor u zich voor september 1991 heeft ingeschreven.

Bij de meeste vragen hoeft u alleen maar een cirkeltje of kruisje te zetten bij het door u gekozen antwoord. Bij een klein aantal vragen wordt u verzocht het antwoord in te vullen.

De ingevulde vragenlijst kunt u in de bijgevoegde antwoordenvelop naar ons terugsturen. Een postzegel is niet nodig.



Wilt u hier aankruisen op wat voor bon u prijs stelt, als u wordt ingeloot.

0 een cd bon van f50,
0 een boekenbon van f50,
0 een cadeaubon van f50,
0 een bloemenbon van f50,




1. Volgens onze gegevens heeft u zich in september 1991 ingeschreven bij de studierichting
Politicologie.


2. Heeft u in de studie Politicologie:

(omcirkel uw antwoord)
ja/nee - het introduktieprogramma bezocht
ja/nee - één of meerdere colleges en/of practica bezocht
ja/nee - één of meerdere tentamen(s) voorbereid
ja/nee - één of meerdere tentamen(s) afgelegd


3. Tot wanneer bent u met de studie Politicologie doorgegaan?

0 niet van toepassing, ik studeer nog Politicologie
0 ik ben doorgegaan met Politicologie tot maand .. van het jaar 19 ..
0 ik ben nooit met de studie Politicologie begonnen


4. Welke bronnen van inkomsten had u in september 1991? (U kunt meerdere antwoorden aankruisen)

0 betaald werk
0 bijdrage van ouders
0 bijdrage van partner
0 studiefinanciering: basisbeurs
0 studiefinanciering: basisbeurs + aanvullende financiering
0 anders, nl.: ...........................................................


5. Tot wanneer heeft u studiefinanciering ontvangen?

0 niet van toepassing, ik had geen studiefinanciering
0 ik heb nog steeds studiefinanciering
0 ik had studiefinanciering tot maand .. van het jaar 19 ..


6. Wanneer u een deel van uw collegeld/inschrijftijd terug had kunnen krijgen, wanneer zou u zich dan voor de studie Politicologie hebben laten uitschrijven?

0 maand .. van het jaar 19 ..
0 niet van toepassing, ik ben niet uitgeschreven


7. Kunt u aangeven hoeveel uur u gemiddeld per week besteedde in september 1991 aan eventuele andere aktiviteiten?

.. uur per week betaald werk
.. uur per week de zorg voor anderen (kinderen, ouders e.d.)
.. uur per week bestuurs- of ander vrijwilligerswerk
.. uur per week andere studie
.. uur per week andere aktiviteiten


8. Met welke bedoelingen heeft u zich in september 1991 voor de studie Politicologie ingeschreven?

(omcirkel uw antwoord)
ja/nee - ik wilde een tweede studie erbij doen
ja/nee - ik twijfelde tussen twee studierichtingen
ja/nee - om zeker de propedeuse Politicologie te halen
ja/nee - om zeker het doctoraal Politicologie te halen
ja/nee - om ook uit te kijken naar andere studiemogelijkheden
ja/nee - eigenlijk alleen om de studiebeurs met OV-jaarkaart te krijgen
ja/nee - om studiefinanciering te kunnen behouden na twee propedeuse jaren bij een andere studie
ja/nee - andere bedoelingen, namelijk ..............................................


9. Bij uw keuze voor de studie Politicologie heeft mogelijk een aantal overwegingen een rol gespeeld. Hieronder wordt een aantal van zulke overwegingen genoemd. We vragen u om bij elke overweging aan te geven hoe belangrijk die is geweest bij uw keuze van de studie Politicologie (door een cijfer tussen 0 en 10 te geven).

0: deze overweging speelt totaal geen rol
10: deze overweging speelt een uitzonderlijk sterke rol

Ik ben Politicologie gaan studeren, omdat:
.... ik het onderwerp van deze studie interessant vond
.... ik dacht door deze studie later zelfstandig werk te kunnen verrichten
.... ik dacht door deze studie later een leidinggevende baan te kunnen bekleden
.... ik dacht door deze studie later zeker een betaalde baan te kunnen krijgen
.... ik dacht door deze studie te volgen een bepaald beroep te kunnen uitoefenen
.... ik deze studie kon volgen op een onderwijsinstelling die dicht in de buurt is
.... ik verwachtte dat deze studie niet moeilijk voor mij zou zijn
.... ik verwachtte deze studie binnen de (formele) cursusduur te kunnen afronden
.... ik verwachtte met deze studie meer kans op een baan in het buitenland te hebben
.... deze studie echt mijn eerste voorkeur was


10. Kunt u aangeven waarom u met de studie Politicologie bent gestopt?

(omcirkel uw antwoord)
ja/nee - ik ben een andere studie gaan doen
ja/nee - door alsnog ingeloot te zijn voor een andere studierichting
ja/nee - omdat ik mijn propedeuse voor mijn andere studie had behaald
ja/nee - twee studies naast elkaar was te zwaar
ja/nee - de studie Politicologie was te zwaar
ja/nee - ik vond de inhoud van de studie Politicologie niet interessant
ja/nee - door financieringsproblemen
ja/nee - studeren naast mijn andere verplichtingen was te zwaar
ja/nee - een betaalde baan was aantrekkelijker
ja/nee - ik heb een studie in het hoger onderwijs voorlopig uitgesteld
ja/nee - persoonlijke omstandigheden
ja/nee - niet van toepassing, ik ben niet gestopt met Politicologie
ja/nee - anders, nl.: ..................................



Met behulp van de vragen 11 tm 16 willen wij een compleet beeld krijgen van uw studieloopbaan. Daarom wordt gevraagd bij welke studies/opleidingen (andere dan de studie Politicologie), u in 1991/1992 of daarna ingeschreven bent geweest. Een aantal van deze vragen gaan over de voor u belangrijkste studie. Hiermee bedoelen wij de studie, waar u de meeste tijd aan besteed(de) en de meeste affiniteit mee heeft (had).



11. Heeft u in het studiejaar 1991/1992 of daarna nog (een) andere studierichting(en)/opleiding(en) dan de studie Politicologie gevolgd?

0 nee
0 ja. Bij welke instelling en studierichting was dit?


Ik heb een andere studie gevolgd bij:


1991/1992 1992/1993InstellingStudie/opleiding


12. Hoe staat/stond u bij deze andere studie(s) ingeschreven?

1991/1992 1992/1992

0 student 0 student
0 extraneus 0 extraneus
0 auditor 0 auditor


13. Heeft u in één van beide studiejaren nog andere studies/opleidingen gevolgd dan de reeds door u genoemde?

0 nee
0 ja. Wilt u deze hieronder invullen.


Jaar .................................... Jaar ....................................
Instelling......................... .... Instelling ..............................
Studierichting ....................... Studierichting.........................
Ingeschreven als ..................... Ingeschreven als ......................





14. Hoeveel studiepunten heeft u tot nu toe voor de andere, voor u belangrijkste studie behaald?

ik heb ... studiepunten behaald
ik moet in totaal ... studiepunten behalen voor het doctoraaldiploma





15. Heeft u studievertraging bij de andere, belangrijkste studie ten opzichte van de formele cursusduur.

0 ik heb geen studievertraging
0 ik heb wel studievertraging


16. Bij uw keuze voor de andere, belangrijkste studie heeft mogelijk een aantal overwegingen een rol gespeeld. Hieronder wordt een aantal van zulke overwegingen genoemd. We vragen u om bij elke overweging aan te geven hoe belangrijk die is geweest bij uw keuze van deze studie (met een cijfer tussen 0 en 10).

0: deze overweging speelt totaal geen rol
10: deze overweging speelt een uitzonderlijk sterke rol

Ik ben deze studie gaan doen, omdat:
.... ik het onderwerp van deze studie interessant vond
.... ik dacht door deze studie later zelfstandig werk te kunnen verrichten
.... ik dacht door deze studie later een leidinggevende baan te kunnen bekleden
.... ik dacht door deze studie later zeker een betaalde baan te kunnen krijgen
.... ik dacht door deze studie te volgen een bepaald beroep te kunnen uitoefenen
.... ik deze studie kon volgen op een onderwijsinstelling die dicht in de buurt is
.... ik verwachtte dat deze studie niet moeilijk voor mij zal zijn
.... ik verwachtte deze studie binnen de (formele) cursusduur te kunnen afronden
.... ik verwachtte met deze studie meer kans op een baan in het buitenland te hebben
.... deze studie echt mijn eerste voorkeur was





Tot slot stellen wij nog enkele vragen over een eventuele studie/opleiding, bij welke u voor september 1991 ingeschreven bent geweest.


17. Was u voor september 1991 nog ingeschreven bij de UvA of een andere instelling voor hoger onderwijs (hbo of wo)?

0 nee (u bent klaar met het invullen van de vragenlijst!)
0 ja, bij:

Instelling: ..........................................................
Studierichting/opleiding: ...................................


18. Wanneer heeft u bij deze instelling en studierichting ingeschreven gestaan?

van maand .. jaar 19 ..
tot maand .. jaar 19 ..






19. Staat u nog ingeschreven bij deze studie?

0 ja
0 nee, ik heb mij voor het laatst ingeschreven in het studiejaar 19..../....




HARTELIJK DANK VOOR HET INVULLEN VAN DE VRAGENLIJST!

Stuur de vragenlijst op in de bijgesloten antwoordenvelop (een postzegel is niet nodig).





N.B. Als u nog opmerkingen wilt maken die u in de vragenlijst niet kwijt kon, dan kunt u deze op de volgende pagina maken.



Ruimte voor opmerkingen


CIP-GEGEVENS KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK DEN HAAG

Wilbrink, Ben .
No-show en low-show in het wetenschappelijk onderwijs. Hoe beurs-, tempo- en keuzeproblemen leiden tot schijnbare afwezigheid / Ben Wilbrink, Uulkje de Jong, Marjon Voorthuis. Amsterdam: Stichting Centrum voor Onderwijsonderzoek van de Universiteit van Amsterdam. (SCO-rapport 339) - Met lit. opg.

ISBN 90-6813-382-9
SISO UDC
Trefw: wetenschappelijk onderwijs.

Alle rechten voorbehouden. Niets uit dee uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij electronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

All rights reserved. No part of this publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted, in any form by any means, electronic, mechanical, photocopying, recording, or otherwise, without the prior written instruction of the publisher.

Copyright voor de oorspronkelijke uitgave: Stichting Centrum voor Onderwijsonderzoek (SCO)


Na publicatie van het rapport nog gevonden materiaal

tot 1877 alle Amsterdamse studenten spookstudenten

"Ofschoon het aantal hoogleeraren later belangrijk is toegenomen, kon toch, tot de opheffing van het Atheneum toe, te Amsterdam geen examen worden afgelegd en moesten de Amsterdamsche studenten zich tot 1877 daartoe naar de hoogescholen begeven. Omdat men daar echter, om tot het afleggen van een examen en tot de promotie te worden toegelaten, als student ingeschreven moest zijn, spreekt het van zelf dat in de academische albums van die hoogescholen velen te vinden zijn, die eigenlijk aan ons Atheneum studeerden.
Ja, zoo doet zich zelfs het vreemde geval voor, dat men bijna met zekerheid kan zeggen dat, hoe minder iemand zich Leidsch student kon noemen, hoe vaker hij in de boeken dier universiteit voorkwam, omdat de studenten, die werkelijk te Leiden studeerden en zich dus ieder jaar voor het volgen der colleges opgaven, zich in dat geval niet bij den Rector, doch slechts bij den pedel behoefden te laten recenseren, terwijl de Amsterdamsche studenten, die met tussenpoozen van soms eenige jaren zich opnieuw aanmeldden, elken keer door den Rector wederom in het Album werden opgenomen."


In 1799 werd een serieus begin gemaakt met het inschrijven van studenten, omdat er in verband met 'vrijdom van gewapenden dienst' een dergelijke lijst moest zijn. Om spookstudenten op die lijst tegen te gaan, om te voorkomen dat men zich zou inschrijven om de vrijstelling van dienst en niet om enige lessen te volgen, werden de nodige regels opgesteld. In een en ander kwam al spoedig de klad, en het blee met het inschrijven lange tijd sukkelen aan het Atheneum.

Over de periode 1632-1799 is onbekend wie er aan het Atheneum studeerde. Toch zullen velen, de meesten, van hen examen hebben afgelegd in Leiden, Harderwijk of een andere instelling. Dit zijn dus de echte spookstudenten, zij achtervolgen historici die het Atheneum op hun weg tegenkomen.

R.W.P. de Vries (1913). Album academicum van het Athenaeum Illustre en van de Universiteit van Amsterdam: bevattende de namen der curatoren, hoogleeraren en leeraren van 1632 tot 1913, der rectores magnifici en secretarissen van den senaat der Universiteit van 1877 tot 1913, der leden van den Illustrissimus Senatus Studiosorum Amstelodamensium van 1851 tot 1913, en der studenten van 1799 tot 1913. Amsterdam: Amsterdamsch Studenten Corps. In feite is dit een geactualiseerde en aangevulde heruitgave van N. de Roever (1882) Album Academicum, met de namen van hoogleraren en lectoren van 1632-1882 en van studenten van 1799-1882.


Volkskrant 24 januari 1994

Spookstudent verdwenen.

Spookstudenten bestaan nauwelijks. Dat wijst onderzoek van de Universiteit van Amsterdam uit. Vorig jaar om deze tijd brak enorme commotie uit toen bleek dat bij Geschiedenis in Leiden een fiks aantal studenten nooit kwam opdagen bij tentamens. Er leek een trend gesignaleerd: jongeren schreven zich wel in teneinde een basisbeurs te ontvangen, maar studeren: ho maar. Deze zogenoemde spookstudenten, zo wist men onmiddellijk, vierden natuurlijk feest op staatskosten. Dit vermoeden van lanterfanten heeft er mede toe bijgedragen dat de zogenoemde 'tempobeurs' dit jaar is ingevoerd. Daardoor moeten studenten het eerste jaar minimaal 25 procent van het totaal aantal studiepunten behalen, willen ze hun beurs niet verliezen.
Deze week blijkt uit de UvA-studie echter dat studenten die al bij inschrijving van plan zijn niet te gaan studeren, een te verwaarlozen groep vormen van minder dan 1 procent. Daar staat tegenover dat een, zeker niet te verwaarlozen, groep van 20 procent tot de categorie lowshow gerekend mag worden. Maar die heeft, gelukkig, nettere motieven voor een gebrek of tekort aan studiepunten.
De onderzoekers van het Amsterdamse SCO-Kohnstamm Instituut keken bij tien studierichtingen, zoals bij letteren, sociale wetenschappen, wiskunde en biologie, naar het gedrag van eerstejaars studenten in 1991 en 1992.
Een van de belangrijkste redenen voor het niet of nauwelijks punten halen, bleek het feit te zijn dat studenten een andere hoofdstudie volgden. Dat die meer aandacht krijgt, zal niernald verbazen. Een andere groep studenten, vooral bij rechten, blijkt een (bijna) volledige baan te hebben en heeft vermoede, lijk de zwaarte van de universitaire studie onderschat. Overigens studeert deze groep, zo benadrukt onderzoeker B. Wilbrink, zònder studiefinanciering. En dan is er nog de groep studenten die tijdens de studie domweg ontdekt verkeerd gekozen te hebben.
'Met dit onderzoek is de witte vlek ingevuld die er bestond in de boeken. Studenten lieten een administratief spoor achter, zonder dat we wisten wat er aan de hand was. Nu blijkt dat die fuss rondom de spookstudent gewoon voor een belangrijk deel de keuzeproblematiek in het hoger onderwijs weerspiegelt', aldus Wilbrink.
Een vrij groot deel van de foute kiezers blijkt lang te wachten al eer zich in te schrijven bij een andere studie. Maar nu de tempobeurs is ingevoerd en studenten in de propedeuse dqs minstens 25 procent van de voorgeschreven studiepunten moeten halen, staan de studenten onder grotere druk. Al lost dat op zich het keuze-probleem niet op. 'Die groep overstappers meldt zich natuurlijk bij studentendecanen. En zal wei een beroep doen op financiele steun uit het auditorenfonds', vermoedt Wilbrink.
Om studenten bij de huidige tempo-druk tegemoet te komen, zodat zij bij het overstappen naar een andere studie toch op tijd genoeg studiepunten kunnen halen met tentamens, stelt Wilbrink daarom voor om 'waar nodig betere instapmogelijkheden te creëren halverwege de propedeuse'. ms



Toon van de Put 1 Poorter jan 1994 1 Pagina 15

Tempobeurs blijkt een overbodige maatregel

Onderzoek toont aan:
Spookstudenten bestaan niet

Spoken bestaan niet.. Behalve in de deathmetal dan. Misschien zouden de bewindslieden Ritzen en Cohen hun 'hoofd ook eens flink heen en weer moeten schudden om er, de waanideeën uit te bannen. Want wat blijkt? Ook spookstudenten bestaan niet.

Geschrokken van de geruchten over hele horden studenten die zich wel inschreven voor een studie, lekker een beurs opstreken, maar verder geen enkel studiepunt haalden, liet de Universiteit van Amsterdam begin dit jaar een onderzoek doen. SCO Kohnstamm, het onderzoeksinstituut van de faculteit Pedagogiek en Onderwijs Wetenschappen, mocht gaan spitten naar aantal, achtergronden en motieven van deze zogenaamde spook of noshowstudenten. Iets wat het ministerie ook wel had mogen doen voor ze, op basis van die geruchtenstroom, dit collegejaar onverwijld de tempobeurs invoerde.

Nul

Na het doorlopen van de Centrale Studenten Administratie voor het prodedeusejaar van tien studierichtingen aan de UvA dacht SCO een percentage van 12,3 no show gevonden te hebben. Maar bij nadere nuancering bleef daar niet meer dan 0,2 procent (oftewel afgerond nul procent) "echte noshow" van over. Twee promille dus slechts van alle ingeschrevenen heeft nooit de bedoeling gehad om onderwijs te volgen en geniet oneigenlijk van de beurs. De overige 12,1 procent blijken bij een andere studierichting wel tentamens te doen; het jaar erop de studie weer op te pakken danwel er juist helemaal mee te kappen of hebben een (volledige) baan en vangen niet eens studiefinanciering.

Dat het percentage zo laag zou zijn geloofden ze zelf ook niet. Zonder argumenten stelt het rapport: "waarschijnlijk is de [noshow] groep ondervertegenwoordigd." Aan de andere kant is de UvA "naar de samenstelling van zijn studentenpopulatie niet representatief, mogelijk leidt dat tot percentages die hoger zijn dan bij representatief landelijk onderzoek gebleken zou zijn"; goed onderzoek vraagt tenslotte altijd om vervolgonderzoek. Maar, met 'zulke kleine aantallen was de een omdraaiing van de titel voor het rapport een betere benaming geweest: "Noknow en lowknow bij het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen. Hoe schijnbare afwezigheid leidt tot beurs, tempo en keuzeproblemen."

Weinig kennis

Voor Uulkje de Jong, een van de drie personen vermeld op het kaftje van het rapport, is er nog veel te weinig kennis over wie en wat studenten eigenlijk zijn. Zonder die kennis wordt het nooit wat met onderwijsbeleids of onderwijskwaliteitsverbetering. Zelf doet ze alles om het tegendeel te bewerkstelligen: "Me baserend op mijn onderzoekingen naar studiebelasting, heb ik niet de indruk dat het beeld van no en lowshow bij andere studierichtingen of in de doctoraaljaren wezenlijk anders is. 9011t geven meer te kennen wat studenten willen halen, niet zozeer wat ze kunnen halen." In een bezuiniging door de tempobeurs gelooft ze niet. Om de door het ministerie nagestreefde besparing te halen zou, ook na invoering van de wet, nog steeds vijf procent van de studenten de norm niet moeten halen. Dat terwijl dat percentage nu al laag is en studenten wel dubbel zullen uitkijken om de norm niet te halen. Heel eufemistisch: "De wet maakt het minder aantrekkelijk om tegen betaling van collegegeld een beurs en OVkaart te verwerven, maar zal weinig effect hebben op degenen die een oproep voor militaire dienst ontwijken, of zich een verblijfsvergunning willen verschaffen."

Toch meent ze dat de tempobeurs ook goede uitwerkingen, voor studenten zal hebben. "We ontdekten dat studenten die uiteindelijk met de studie stoppen nogal lang over die beslissing doen, ze hangen maanden rond in een schemergebied." Ietwat bemoederend voegt ze daaraan toe: "Als er dan die financiële druk achter zit, geloof ik dat, en dat heb ik ook gemerkt in mijn eigen praktijk, dat het voor hen beter is, duidelijker is, als ze daar eerder uitkomen."

Het menselijk aspect

Uit het onderzoek blijkt ook dat niet te voorspellen valt wie er no of lowshow student wordt. Er kan dus geen voorselectie plaatsvinden en in die zin bereikt de tempobeurs wel wat hij beoogd te doen, selectie achter af. Wrang blijft dat de verkeerde groep het hardst geraakt wordt., "Het menselijke aspect van de noshow problematiek is dat van studenten die niet het geluk hebben meteen die studierichting te kiezen waar zij zich thuisvoelen. Noshow wijst op behoefte aan signalering en begeleiding, niet aan controle en extra regelgeving. De omvang wordt niet direct bepaald door de inrichting of kwaliteit van liet onderwijs; het gaat om een zoekproces, om oriëntatie en zelfselectie. De nieuwe wet zet het omzwaaien tijdens het studiejaar onder druk, en maakt het tot een riskante beslissing. Veel studenten zien kennelijk zo weinig reële mogelijkheden tot tussentijds instappen dat zij het begin van het volgend jaar afwachten. Voor het beleid op het niveau van de studierichtingen ligt hier een uitdaging om redelijk instapmogelijkheden te bieden." De studentenbonden zouden het wat krachtiger gesteld hebben, maar verder ...

En passant worden in het rapport ook nog met twee mythen afgerekend. Als eerste, veel zogenaamde noshow studenten lopen wel degelijk colleges, werkgroepen en bereiden ook nog tentamens voor, om pas verrijkt met die ervaring de studiekeuze te herzien. Als tweede wordt de selectieaandepoort ballon doorgeprikt: de kans op succes in het wetenschappelijk onderwijs neemt weliswaar toe naarmate de VWO cijfers beter zijn, maar toch is het niet mogelijk om op basis van die cijfers de succesvolle studenten te scheiden van de veel kleinere groep niet succesvolle. Geen onderscheid, geen selectie: voor ieder cijfergemiddelde is de kans op succes groter dan op geen succes!

Tempobeulen

Uit het rapport sijpelt naar voren dat tempobeurs en vijfjarenmaatregel dubbelop zijn. Door de verkorte inschrijfduur moet het studietempo automatisch al omhoog om het nog enigszins betaalbaar te houden en wordt de tempobeurs het spreekwoordelijke kanon om de noshow mug te vermorzelen Daarnaast blijft het zo dat Jo Beavis en Job Butthead hun overkilt aan dood en verderf uitstorten over instellingen die er nog lang niet klaar voor zijn. Vlak voor de kerstvakantie vonden de eerste gesprekken plaats tussen studentenvertegenwoordigers en Dienst Welzijn en Studentenzaken (DSW) over de nieuwe auditorenfondsregeling. Deze regeling moet de ergste slachtoffers opvangen, zal maar een jaar gelden en is eigenlijk al per 1 september ingegaan.

De instellingen hebben een groot probleem. Stel je werkt je een jaar te barsten voor de Commissie Intree en haalt maar een paar studiepunten. Mocht je daardoor nou niet binnen de reguliere tijd klaar zijn, betaalde de universiteit je nog maximaal zes maanden beurs om je studie af te ronden. Slechts veertig procent van diegenen die ooit voor auditorensteun in aanmerking kwam, maakte er daadwerkelijk gebruik van. Werk je je nu, ten tijde van de tempobeurs, uit de naad en haal je weinigmoet er in ieder geval een heel jaar beurs terugbetaald worden. En hoogstwaarschijnlijk heb je ook studieverlenging nodig. Actieve (of, voor hetzelfde geld, zieke) studenten zijn zo voor de universiteit in een klap drie keer zo duur geworden. Het ministerie heeft wel beloofd dit te compenseren, maar ze beloven wel meer.

Ziek zijn wordt echt een crime. je moet je meteen uitschrijven, maar hebt daarbij wel een wachttijd van twee maanden, voordat de uitschrijving werkelijk ingaat. Hierdoor kan je collegegeld retributie mislopen en zou bij jongetjes de militaire dienst ook wel eens heel erg ongeduldig kunnen gaan worden.

Bezinning

Misschien dat ze op het ministerie nog tot bezinning komen. De LSVb heeft er in de Studentenkamer inmiddels met succes voor gezorgd dat een erg onbillijke bepaling eruit gehaald is. Bij switchen in hogere jaren of bij twee studies, worden de punten voortaan wel bij elkaar opgeteld. DSW mag dus weer een nieuwe, mooie folder maken.

Het SCO Kohnstamm onderzoek bracht tot slot, ongewild, nog iets zeer pijnlijks aan het licht. Het einde van de verzameling van de "bestandsgegevens"(lees: de studieresultaten) was eind oktober voorzien. Het werd eind februari. En dan hebben we het nog niet eens over persoonsverwisselingen, terugrapportages en beroepsprocedures. Het wordt lachen in 1994!

Toon van de Put 1 Poorter jan 1994 1 Pagina 15

Toon van de Put is lid van de universiteitsraad voor de ASVAIMFASJFASLetterenplatformfractie.

Het rapport "Noshow en lowshow in het wetenschappelijk onderwijs. Hoe beurs, tempo en keuzeproblemen leiden tot schijnbare afwezigheid" is te verkrijgen bij het SCOKohnstamm Instituut, Grote Bickersstraat 72 te Amsterdam, tel: 0205550357.

Mogelijkerwijs is er eind januari een Studentennetwerk Avond over het auditorenfonds. Inlichtingen: 525 2890.

Het spookt helemaal niet aan de universiteit.

Foto: archief Poorter

1 Poorter jan 1994 1 Pagina 15


8-2006 \ contact ben apenstaartje benwilbrink.nl

Valid HTML 4.01!   http://www.benwilbrink.nl/publicaties/93SpookstudentenUvA.htm