[Publicatie in Tijdschrift voor Hoger Onderwijs, 2003, 1e nummer, 47-57. website ] [2e concept 28 februari]

Decentrale toelating, eerste stap naar selectieve toelating HO?

Plaatsbepaling bij eindrapport van Commissie Sorgdrager


Ben Wilbrink



Na drie jaar experimenten met decentrale toelating voor een deel van de plaatsen bij numerus-fixusopleidingen, vooral geneeskundige, heeft de begeleidende Commissie Sorgdrager februari jl. rapport uitgebracht, 'De juiste student op de juiste plaats,' zodat de minister van onderwijs een wetswijziging kan voorbereiden. De commissie is enthousiast over de experimenten, maar signaleert wel dat niet alle opleidingen gebruik maken van deze wettelijke mogelijkheid, en waar dat wel het geval is er soms oneigenlijke methoden worden gebruikt. Door voorrang aan kandidaten met hogere opleidingen elders, vermindert de ruimte voor direct uit het vwo komende kandidaten. De commissie droomt zelfs van uitbreiden van decentrale toelating, ook naar opleidingen zonder numerus fixus. Wat nu dreigt, is dat sluipenderwijs de systematiek voor toelating tot hoger onderwijs verandert van onze open toelating naar een selectiever stelsel zoals dat in Amerika, dat zelf overigens ook sluipenderwijs historisch is gegroeid. De argumenten van deze commissie verdienen daarom aandacht, wat het artikel doet via een omtrekkende beweging: laten zien hoe onjuiste beelden over het Amerikaanse selectieve stelsel telkens weer uitnodigen tot het willen aanbrengen van extra selectieve drempels. Dat miskent de selectiviteit die altijd al bestaat in het Nederlandse stelsel, die werkt via zelfselectie naar hbo of wo, en naar moeilijke of makkelijke opleidingen. Die zelfselectie is ongeveer even hard als de Amerikaanse directe selectie, maar Amerika heeft er een kostbaar toelatingsritueel voor nodig.



Inleiding


Dit artikel gaat over een experiment binnen een experiment, decentrale toelating bij numerus fixus studies waarvoor overigens een gewogen loting is voorgeschreven, en over de vraag of de begeleidende commissie-Sorgdrager aannemelijk maakt dat het 'kleine' experiment geslaagd is, wat het niet is. Het 'grote' experiment, een vorm van gewogen loting, staat overigens buiten iedere discussie, omdat er een consensus is dat dit een voorwaarde is om niemand bij voorbaat te hoeven uitsluiten. Evenals haar voorgangers, maar met uitzondering van de Raad van State (1997: "Een geleidelijke uitholling van het bestaande systeem moet worden voorkomen. "), is deze commissie verdwaald in de talloze belangrijk lijkende details van denkbare, in diverse buitenlanden gebruikte, en nu door sommige opleidingen beproefde procedures voor decentrale, niet door de overheid in detail geregelde, selectie. Bergen overwegingen van zowel ministers als door deze ingestelde commissies en de geraadpleegde Onderwijsraad, zijn evenwel als irrelevant weg te zetten, en dat gaat als volgt. Waar het op verzoek van destijds minister Jo Ritzen over gaat, sinds de eerste opschudding halverwege de jaren negentig over een briljante maar toch uitgelote kandidaat, is om het kandidaten mogelijk te maken door eigen inspanning zich betere kansen te verwerven, meer nog dan dat alleen via hogere eindexamenresultaten te doen, en daarmee het maatschappelijk draagvlak te vergroten voor de selectie voor numerus-fixusopleidingen. Lees, zoals ook de LSVB beseft: voor het politieke feit van de numerus fixus zelf. De overheid hanteert sindsdien de slogan 'meer lot in eigen hand.' Eerder deed minister Arie Pais dat al, en de commissie Wiegersma (1978) onderbouwde dat voor hem. Eenvoudige rekenkunde leert evenwel al het volgende: bij een numerus fixus is het aantal plaatsen gelijk aan de som van alle geboden toelatingskansen. De som van die kansen kan nimmer groter zijn dan de numerus fixus zelf. Het is niet mogelijk bepaalde kandidaten betere kansen te verschaffen, zonder de kansen van anderen te verminderen, die anderen dus minder 'lot in eigen hand' te gunnen. De numerus fixus definieert een nulsom-situatie, een zero-sum game, waarin winst van de een ten koste gaat van anderen. De eenvoud van deze rekensom is verpletterend, daar zal iedereen dan toch wel rekening mee hebben gehouden? Nee, het argument is niet aan de orde geweest, al heeft de commissie-Drenth zich wel gerealiseerd dat maar twee keer mogen loten de kansen van deze loters verhoogt, maar die van een deelgroep op nul stelt. Het is in het voorjaar van 2003 aan regering en parlement om op basis van drie jaar ervaring met decentrale toelating de wet een meer definitieve vorm te geven, al dan niet met 'meer lot in eigen hand' erin, al dan niet met nieuwe slogans. Dit artikel zou hier kunnen stoppen, maar er zijn meer wezenskenmerken van deze selectiesituatie die door de genoemde commissies niet zijn onderkend, waardoor zij zich tot minder zinvolle uitspraken hebben laten verleiden. Dit artikel gebruikt enkele aansprekende citaten om via deze een deel van het mijnenveld van toelating bij numerus-fixusopleidingen in kaart te brengen, een deel dat afgelopen decennia aan de aandacht is ontsnapt maar dat wel een voedingsbodem voor voortdurende onrust is: de vraag of Amerikaanse methoden navolgenswaard zijn. De verdere behandeling stuit dan meermalen op zero-sum games, en op de vraag wanneer en voor wie welke toelatingskansen gelden. Voor selectieve situaties ontkennen dat het gaat om zero-sum games is niet straffeloos: het leidt tot ondoelmatigheden en in het bijzonder opent het de deur tot oneigenlijke vormen van zich grotere kansen verwerven, economen noemen dat rent-seeking (bv. Parker, 1996). Denk in deze context aan stapelen van hogere opleidingen, dat ook de commissie nu al als een gevaar signaleert.


Gezond verstand



We mogen ons gelukkig prijzen dat Icke geen arts is die zowel bollebozen als sufferds behandelt. Hij geeft heel raak een sentiment weer dat door meer 'harde' academici wordt gedeeld, zoals Leppink en Veldkamp (1974) en 't Hooft (1997), de beide laatstgenoemde in de categorie van Nobelprijswinnaars. Jan Tinbergen voorzag in 1969 een structurele fixus voor het hele hoger onderwijs, met vergelijkende selectie. De numerus fixus zoals we die sinds 1972 kennen is echter een uitzonderingsregeling, en dat heeft gevolgen voor de aanvaardbaarheid van de procedures om de getalsbeperking te realiseren. Terug naar Icke, een begaafd verteller. Is het verschil tussen de VS en Nederland onoverbrugbaar? Het briljante meisje lokte onbedoeld een debat uit, dat overigens in felheid niet haalde bij dat in de zeventiger jaren maar wel veel commissiewerk opleverde. Zij kon geen medicijnen gaan studeren, en dat is tegen het zere been van meritocraten die in hoge cijfers verdienste zien die rechten geeft. Kan een kandidaat met bijzonder hoge eindexamencijfers daaraan een moreel recht ontlenen op een plaats die vervolgens een ander moet worden ontzegd, mogelijk iemand met iets minder briljante cijfers maar die daar ongelooflijk hard voor heeft moeten vechten? Bepaalt Icke voor wie het leed het kleinst is? Beide toelaten is geen oplossing, het is een zero-sum game, remember? Moreel gezien is directe en decentrale toelating bij een numerus fixus niet zo fraai, Wilbrink (1999) werkt dat verder uit. Maar het gaat om doelmatigheid, werpt de meritocraat tegen. Hoezo doelmatigheid: de samenleving heeft meer behoefte aan briljante kandidaten die natuurwetenschappelijke studies kiezen; die kennen geen numerus fixus, ze hebben tekort aan belangstelling. Studenten geneeskunde zijn door de cumulatieve effecten van de gewogen loting toch al een begaafder groep dan in de zestiger jaren nog het geval was (Wilbrink, 1980), willen die knappe vrouwen nog wel huisarts worden? Alweer zero-sum situaties, die door overheidsingrijpen scheef lopen. De boodschap is ook subtieler te formuleren dan Icke het doet, zoals het afsluitende citaat toont.



Selectie elders, dan ook selectie hier?


De commissie Sorgdrager heeft een onderzoek uit laten voeren naar procedures bij toelating tot geneeskunde in buitenlanden (Van den Broek en anderen, 1999), kennelijk onder het motto dat populair is bij veel Amerika-kenners: wat daar kan, moet hier ook. Maar het is niet onbelangrijk wat de culturele, bestuurlijke en systemische context is van selectieve procedures zoals die elders zijn aan te treffen, een commissie die daar geen acht op slaat doet zichzelf tekort. Over Amerikaanse selectieprocedures, van high school naar tertiair onderwijs, is weinig met zekerheid bekend, geheel in strijd met het beeld dat Nederlanders ervan hebben. Zeker, Kaplan verzorgt ieder jaar een nummer boordevol details over alle Amerikaanse instellingen, in de betere kiosken in Nederland te krijgen. Maar hoe de admission officers van de instellingen precies werken is enigszins mysterieus, want tot op grote hoogte discretionair en geheim voor de buitenwereld. Een van de weinige bronnen is onderzoek van Patricia Conley (1995) op basis van primaire documenten, vragenlijsten voor en interviews met deze officers. Dan blijkt van alles en nog wat een rol te spelen bij de gewenste mix die officers proberen te maken op basis van aantallen aanmeldingen die vele malen hoger liggen dan het aantal beschikbare plaatsen. Daarbij spelen natuurlijk de nationale prestatietoetsen, de SAT en de ACT, en het gemiddelde schoolcijfer een rol, maar deze zijn nimmer allesbepalend. Conley: "Historically, academic merit has never been the only criterion for admittance, and to implement it now would be to introduce a bias toward the most economically and culturally advantaged segments of society. " Instellingen en hun officers proberen corrigerend op te treden, en dat gaat niet altijd goed: het Supreme Court heeft het gebruik van quota om positief te discrimineren verboden, maar Conley meldt dat dit de problemen rond quotering en positieve discriminatie niet heeft opgelost. Wonderlijke dingen kunnen gebeuren, zoals het toelaten van een contingent academisch zwakkere kandidaten, die de overige studenten tijdens hun studie behoeden voor het behalen van slechte cijfers. Ze weten aan de andere kant van de kloof meer van de wetmatigheid van Posthumus dan de meester zelf. Maar het gaat ook hier niet om de vele details die Conley geeft; zie specifiek voor Amerikaanse medische opleidingen ook het uitstekende overzicht in Van den Broek e. a. (1999).

Er zijn een aantal punten van belang voor de Nederlandse discussie. Kandidaten solliciteren altijd bij een behoorlijk aantal instellingen, in een beperkt bereik van kansen op succes, en zijn dus erg zelfselectief. Ook elders in de wereld komt dat voor, zoals de aanmelding voor de meest prestigieuze universiteiten in Japan (Zeng, 1995), waar kandidaten echt niet aan meedoen wanneer ze zich niet een redelijke kans geven. De instellingen krijgen te maken met een enorme oploop van kandidaten, waar ze maar een bescheiden aantal van kunnen plaatsen. Toegelaten kandidaten komen lang niet altijd opdagen, omdat ze door een aantrekkelijker instelling ook zijn aangenomen. De ondoelmatigheid van dit hele gedoe is evident, procedures zijn controversieel, maar Conley ziet geen mogelijkheden 'to return to a system of open admission to all institutions of higher education. ' Is dat niet het systeem dat we aan deze kant van de kloof hebben? Ook in Amerika is er voor iedere kandidaat uiteindelijk altijd ergens plaats, maar de instellingen en de kandidaten moeten daar overuren maken om de plaats te bepalen. Eigen inspanning, lot in eigen hand zou Jo Ritzen zeggen, speelt een ondergeschikte rol, want de academische prestaties hebben de hoofdrol, en de admission officers corrigeren deze met alle informatie waar ze overigens de hand op kunnen leggen. Dan blijft al gauw alleen het talent over waarmee men op de wereld is gekomen. Wel zo eerlijk, ook al is het proces onnavolgbaar. Over de invloed van de omgeving waarin men is opgegroeid is al het nodige gezegd.

Vergelijk de beschreven Amerikaanse procedures, vanuit het gezichtspunt van de kandidaten die een plek zoeken, nu eens met de Nederlandse decentrale toelating zoals voor de afgelopen drie jaren beschreven in het evaluatierapport (Van den Broek, Kerstens en Woutersen, 2003). Dat is een aanfluiting op alle fronten: één aanmelding toegestaan, kleine kans, velen op voorhand al buitengesloten, criteria willekeurig getrokken uit de criteria-trommel, ontbreken van gegevens over de geldigheid van procedures, procedures waarvan bekend is dat ze willekeurig werken, lees er de Duyker-lezing van Drenth nog eens op na. Als veterinair Pieter Drenth landbouwminister Jo Ritzen meldt dat er gekke-koeienziekte is gesignaleerd, en de minister begrijpt de implicaties van die mededeling niet, wie zal het land dan nog redden?


Toegevoegde waarde: de Amerikaanse mythe


Ziet het bovenstaande niet over het hoofd dat er ook kwaliteitsverschillen zijn tussen opleidingen? De meer selectieve opleidingen voegen toch ook meer toe aan de intellectuele bagage van hun studenten? Helaas, Alexander W. Astin (1986), de verpersoonlijkte kennis over het Amerikaanse stelsel van hoger onderwijs, blaast deze mythe op.



De stelling van Astin is dat Amerika verstrikt is geraakt in een traditioneel gegroeid selectief stelsel, waarbij de selectiviteit een kostenpost is. Selecteren is op zich niet productief, het is vermijdbare overhead. Hetzelfde probleem doet zich overigens voor bij bedrijven die er in slagen een hoog renderende selectie voor nieuw personeel te implementeren: zodra alle concurrende bedrijvende dat ook hebben gedaan is de oude situatie weer bereikt, iedereen vist in dezelfde vijver voor nieuwe mensen (zero sum game), maar op een hoger kostenniveau.

Het is een utopische gedachte om voor het Nederlandse onderwijs in de geneeskunde, bijvoorbeeld, naar decentrale selectie toe te willen op basis van welke rendementsdoelen dan ook. De commissie Sorgdrager heeft hierover meer uit te leggen dan zij in haar eindrapport meldt.


Selectiviteit van disciplines: excellence as content


Er is nòg een bijzonderheid van het Amerikaanse selectieve stelsel te melden, waardoor het veel dichter bij het Nederlandse blijkt te staan dan harde wetenschappers veelal vermoeden. Astin geeft ook een overzicht van selectiviteit van instellingen, uiteengelegd naar disciplines waarin bachelors zijn behaald in 1981/1982 (p. 47). De selectiviteit van een instelling is geoperationaliseerd als de gemiddelde score die toegelaten kandidaten hebben op de grote prestatietests, de American College Test ACT en en de Scholastic Aptitude Test SAT. De meest selectieve instellingen bieden vooral de harde sciences en de liberal arts aan, en de minst selectieve vooral de zachte vakken education en business. Er is een bijna onverstoorde gradiënt: naarmate de selectiviteit afneemt, neemt het aandeel van de eerste categorie opleidingen af, dat van education en business toe. "Indeed, for both education and business, one finds an almost perfect inverse hierarchical pattern: The more selective the institution, the fewer the undergraduate degrees it awards in these fields. " Een deel van de selectiviteitsverschillen tussen instellingen zijn daarom verschillen in geboden opleidingen waarvoor op inhoudelijke gronden hoge respectievelijk lage minimumeisen gelden, Astin noemt dat excellence as content, een situatie die niet ongelijk is aan die in Nederland, zolang er hier tenminste nog gegadigden zijn voor de harde vakken.



Tel daarbij een kenmerkend verschil in niveau van opleidingen die zowel in het HBO als het WO worden aangeboden, en Nederland blijkt een behoorlijk selectief stelsel van hoger onderwijs te hebben. De eeuwige klaagzang over gebrek aan selectie in de polder berust op een misperceptie van zowel het eigen stelsel als van stelsels elders. Zeg niet dat dit altijd al bekend was, want dat was het niet, zie bijvoorbeeld de brochure van Rinnooy Kan, Ritzen en anderen (1987) Naar een ondernemende universiteit.

Een en ander betekent dat commissieleden die graag meer selectie zien, publieke middelen willen inzetten op iets dat al bestaat. Het kleine verschil tussen Nederland en Amerika is, zoals hierboven getoond, dat in Nederland het sorteren een kwestie van zelfselectie is, in het land van belofte van geselecteerd worden.


Selecteren kan iedereen, toch?



De chirurg geeft in zijn uitspraak de kern van veel selectie-ellende weer: velen denken verstand van selectie te hebben, ook al omdat zij het hun hele leven hebben ondervonden en gedaan. We bevinden ons ondertussen wel op een heel basaal niveau van misvattingen, want als er iets is waarop psychologische selectie als discipline zijn voedingsbodem heeft gekregen, dan zijn het de ondoelmatigheden en discriminatie waar deze ervaringsdeskundigheid vrijwel altijd mee gepaard gaat. Talloze malen is aangetoond dat ongewapende oordelen, zoals hier van medisch specialisten, op zijn best geen voorspellende waarde hebben, of op zijn slechtst functioneren als afscherming naar buiten van een erg met zichzelf bezig zijnde beroepsgroep. Drenth kent zijn vakliteratuur, maar was daarin wel de enige in zijn commissie; de commissies De Klerk en Sorgdrager ontberen hier een degelijk fundament, al is de commissie van De Klerk er wel in geslaagd op het punt van eisen van behoorlijkheid een aantal belangrijke waarschuwingen te geven. De commissie Wiegersma was een commissie van vakdeskundigen, maar die verzuimde de context van dit specifieke toelatingsprobleem te analyseren, afstand te nemen van wat het probleem oppervlakkig lijkt te zijn, en leverde zichzelf uit aan dezelfde slogans die in de rapportage van de commissie Sorgdrager zijn te vinden.

Het bovenstaande is geen theorie, maar harde werkelijkheid. In WO II dachten de knapste koppen uit de psychologische wereld via een kostbaar programma, een survival zeg maar, mensen te kunnen selecteren voor spionage en opdrachten achter de vijandelijke linies; jaren later kwamen de gegevens binnen en bleek de waarde van deze selectie nihil te zijn. De modieuze assessment centers van tegenwoordig stammen daar van af, en doen het niet beter, zijn voor decentrale toelating ongeschikt. Alleen goed gestructureerde assessment centers kunnen voorspellende waarde hebben, maar deze zijn buitengewoon kostbaar om te construeren (zie bv. Wilbrink e. a. , 1990). Soms steekt die naïeve werkelijkheid voor iedereen waarneembaar zijn lelijke hoofd op, zoals bij de internationale visitatie electrotechniek door de VSNU (1991) gehouden. Er wordt in het eerste studiejaar flinke selectieve druk uitgeoefend op een groep studenten die overigens toch in zijn geheel als briljant moet worden beschouwd, maar daar gaat het niet om. Voor de onderzochte instellingen is die selectieve druk overal ongeveer gelijk. Nu wil het geval dat voor de opleiding in Leuven een zware toelatingsselectie wordt gehouden, terwijl elders een open toelating is. Nee, het is dus niet zo dat er in Leuven in het eerste jaar dan minder slachtoffers vallen dan elders! Dit niet unieke voorbeeld laat zien dat de voorspellende waarde van die extra selectie bedroevend is. Belangrijker nog: selecteren op basis van gezond verstand kent geen natuurlijk einde, het is na de laatste selectieronde altijd mogelijk nog weer nieuwe verschillen te zien waarop valt te selecteren. De overschatting zoals die uit het gegeven citaat blijkt, is daar de motor van. Een commissie die van wanten weet, stelt daar paal en perk aan, in plaats van de overschatting vrij spel te geven. Professionele tests bieden overigens weinig bescherming, deze kunnen immers ook te pas en te onpas worden ingezet, zoals de Amerikaanse burger merkt die aan een enorme overmaat van tests is blootgesteld (Hanson, 1993; Lemann, 1999).

Het gaat om kansen vooraf.



Ritzen gelooft in een maakbare samenleving waarin onvoorziene gebeurtenissen geen rol van betekenis meer spelen. Inderdaad meende Ritzen dat middelbare scholieren al vroeg foutloos belangrijke keuzen kunnen maken, en daar dan ook niet meer op hoeven terug te komen, althans niet ondersteund met publieke middelen. Ironisch dat het experiment met decentrale toelating stapelen van opleidingen beloont en dus uitlokt. Ieder examen evenwel, vraag het de kandidaten die ervoor opkomen, is in hoge mate onzeker. In de 19e eeuw was de algemene opvatting dat de samenleving al gemaakt was, en de wetenschap 'af.' Over de onzekerheid bij examens bestond bij een van de grondleggers van de mathematische statistiek evenwel geen onzekerheid.



Deze uitspraak van Edgeworth maakt misschien begrijpelijk waarom juist selectiepsychologen in bijzondere situaties loten prefereren boven nog weer een keer een kostbaar examen gebruiken: zij zijn gewend om ook bij examens te denken in termen van de rol van het toeval in de uitslag ervan. Het citaat is gegeven om te verduidelijken dat het tijdstip van belang is: zolang het examen nog moet worden gedaan is er onzekerheid inherent aan iedere voorspelling van de uitslag, pas na de uitslag is er zekerheid. In deze context is het hopelijk ook duidelijk hoe slordig commissies over kansen spreken, en bewindslieden over 'meer lot in eigen hand.' De huidige regeling om kandidaten met meer dan een 8 gemiddeld voor hun eindexamen direct toe te laten, demonstreert het probleem: of je tot die gelukkigen zult behoren, is pas met de uitslag van het examen zeker. De gewogen loting is een complexe som van producten van onzekerheden, tenminste zoals een vwo-leerling in klas 5 er tegenaan kijkt. Om maar te zwijgen van vele decentrale procedures die nog onzekerder zijn dan voor sollicitatieprocedures gebruikelijk is. De prijs voor het instellen van een numerus fixus is hoog, want hoe de schaarse plaatsen ook worden verdeeld, er heerst heel lang veel onzekerheid bij potentiële kandidaten. Loten of examineren is hier niet de boosdoener, de numerus fixus zelf is de oorzaak van de onzekerheid, onzekerheid is alleen te verminderen door de fixus te verhogen of op te heffen. Als Wiegersma, van een oudere commissie uit 1978 (besproken in bijlage 3 bij Drenth 1997), zegt dat loten oneerlijk is omdat de een een plaats heeft gekregen, en de ander niet, schrijft hij het euvel toe aan een bijzaak in plaats van aan de oorzaak: dat bij een numerus fixus er per definitie lange tijd een groep kandidaten is die in grote onzekerheid verkeert over plaatsing.

Dit soort vragen is van belang voor een goed zicht op maatschappelijk draagvlak, en hoe dat te evalueren. Geschrokken van de heftigheid van de discussie halverwege de negentiger jaren werd al gauw geroepen dat het draagvlak voor de gewogen loting verdwenen zou zijn, wat nonsens is. De gewogen loting is immers zelf een draagvlak-constructie, een politiek compromis uit 1975 tussen linkse partijen die deze schaarste met gelijke kansen wilden verdelen onder moreel gelijkgerechtigden, en rechtse partijen die privileges voor de sterksten wilden scheppen (zonder numerus fixus waren die er immers niet). Niet iedere burger is evenzeer betrokken bij deze kwestie, maar als het om draagvlak gaat, dan gaat het allereerst om de groep die direct zal worden getroffen, de leerlingen die nog voor hun eindexamenjaar zitten, en die politiek of via de media zouden kunnen onderhandelen over de toelatingsprocedure. Om die reden hebben Hofstee (1975) en Hofstee en Trommar (1975) de meningen gepeild van deze leerlingen. De commissie Sorgdrager heeft een peiling laten uitvoeren onder degenen die de procedure al hadden doorlopen (van den Broek, Kerstens en Woutersen, 2003). Dat is zoiets als vragen naar rechtvaardiging of motivering achteraf, en dat roept meer vragen op dan het beantwoordt, zie het college dat Linschoten (1964) hierover gaf. De commissie heeft niets te melden over draagvlak onder leerlingen die nog eindexamen af moeten leggen.


Veronachtzamen van kansen zoals die nog voor het opgaan voor het eindexamen liggen is al niet zo mooi, maar het berooft commissies ook van de mogelijkheid deze kansen in te schatten. Kansen zijn kwantificeerbaar, en het zou pleitbezorgers van 'meer lot in eigen hand' hebben gesierd de nodige berekeningen te presenteren. Een eerder door Pais voorgestelde ingewikkelde regeling was door te rekenen naar toelatingskansen die leerlingen voor zich zouden zien (Wilbrink, 1980). 'Meer lot in eigen hand' is ook door te rekenen, maar geen enkele commissie heeft dat laten doen. Ook vanuit institutioneel standpunt zijn selectieprocedures door te rekenen, als ze echt complex worden zijn de effecten van mogelijke varianten te simuleren (Wilbrink, 1990), dat kan dus ook voor kandidaten die nog moeten opkomen. Zonder kwantificering is 'meer lot in eigen hand' een loze kreet.


Conclusie


De commissie Sorgdrager is met een eindrapportage gekomen die geen stevige argumenten bevat op basis waarvan een degelijke inhoudelijke discussie valt aan te gaan, ofwel in ondersteunende, ofwel in kritische zin. Dat geldt ook voor de evaluatie van opvattingen van direct bij de selectie betrokkenen, waarin kandidaten en hun ouders een hoofdrol horen te spelen, niet degenen die de selectieprocedure achter de rug hebben. Rest weinig anders dan voor de nodige discussie voorafgaand aan weer nieuwe plannen van het departement, terug te grijpen op wat altijd in de discussies sinds de zestiger jaren als de scharnierpunten van de problematiek zijn beschouwd, en zo is in het bovenstaande gedaan. De inhoud is dan altijd nog tot op zekere hoogte vrij te kiezen, en zo is geprobeerd samenhangen te presenteren die nog niet eerder zo duidelijk zijn ingebracht, over de selectiviteit van het Nederlandse stelsel vergeleken met het Amerikaanse. Het zal geen verbazing wekken dat de uitkomst van de analyse nog steeds dezelfde is. Onder de specifieke omstandigheden van een numerus fixus als uitzonderingsmaatregel, de aard van het Nederlandse onderwijsstelsel, de stand van zaken in de theorie van psychologische selectie, en de morele issues die een en ander stelt, kan gewogen loting in enige redelijke vorm, bijvoorbeeld met een beperkter ruimte voor discretionaire beslissingen dan de Commissie Drenth voorstelde, rekenen op een breed maatschappelijk draagvlak. Dan wel graag zuivere vormen van argumenteren, geen gezwaai met slogans zoals 'meer lot in eigen hand' en 'de juiste student op de juiste plaats.'




Referenties

Drenth, P. J. D. (1995). In Nederland is selectie onmogelijk. Duykerlezing. NRC Handelsblad, 30 maart. [nb. dagbladredacties kiezen zelf titels van stukken]

Hooft, G. 't (1997) Loterijspelletje. NRC-Handelsblad, 26 april. http://www.phys.uu.nl/~thooft/lot.html

Icke, Vincent (2000) Amerikaanse toestanden. column in NRC Handelsblad, 5 februari.

Kamerman, Sheila (2000) Universiteit op zoek naar artsen. Selectie studenten geneeskunde 'niet eerlijker, wel menselijker. ' NRC Handelsblad, 5 mei.

Leppink, G. J., & Veldkamp, F. D. (1974) Repliek op Wilbrink 'Selektie is irrationeel'. NRC Handelsblad, 11 november.

Mulders, Angelique, & Hanne Obbink (1997) Ritzen zoekt naar nog beter rotsysteem. Het halve einde van de gewogen loting. Folia, 7 maart.

Literatuur

Astin, Alexander W. (1985) Achieving educational excellence. San Francisco: Jossey-Bass. 1985.

Broek, A. van den, M. Gooskens, G. Klein, M. Leiblum & A. Lewe (1999) Decentrale selectie bij opleidingen met een toelatingsbeperking. Onderzoek in opdracht van de commissie Sorgdrager. Nijmegen: IOWO KUN.

Broek, Anja van den, Joyce Kerstens, & Mirjam Woutersen (2003) Lot in eigen hand. Evaluatie van de experimenten met decentrale toelating in het hoger onderwijs. Onderzoek in opdracht van de Begeleidingscommissie Decentrale Toelating. Nijmegen: IOWO KUN. www. minocw. nl/onderwijs/hogeronderwijs. nl

Conley, Patricia (1995) The allocation of college admissions. In J. Elster (Ed.) Local justice in America (p. 25-80). New York: Russell Sage. [deels beschikbaar op books.google]

Drenth, P. J. D. (voorzitter) (1997) Gewogen loting gewogen. Advies van de Commissie Toelating Numerus Fixusopleidingen. Met Bijlage. Zoetermeer: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen / Den Haag: Sdu Servicecentrum. pdf

Edgeworth, F. V. (1888) The statistics of examinations. Journal of the Royal Statistical Society, 51, 599-635. [search JSTOR for online version; also his 1890 article in the same journal: The element of chance in competitive examinations http://links.jstor.org/sici?sici=0952-8385%28189009%2953%3A3%3C460%3ATEOCIC%3E2.0.CO%3B2-G]

Frijhoff, W. (1992) The Netherlands. In Clark, B. R. , & G. R. Neave (Eds) The encyclopedia of higher education. Oxford: Pergamon Press. I, 491-504).

Hanson, F. Allan (1993) Testing testing. Social consequences of the examined life. Los Angeles: University of California Press. html

Hofstee, W. K. B. (1975) Loten of cijferen: onderzoek naar mening van scholieren over numerus fixus. Onderzoek van Onderwijs, 4, april, 3-6.

Hofstee, W. K. B. , & P. M. L. Trommar (1976) Selektie en loting: meningen van eindexaminandi. Groningen: Heymans Bulletins Psychologische Instituten HB-76-251-EX. Integraal opgenomen in het verslag van de Commissie Warries.

Klerk, L. F. W. de (voorzitter) (1998) Decentrale toelating gewogen. Rapport van de Commissie Decentrale Toelating van de Onderwijsraad. In: Onderwijsraad (1998). Decentrale toelating. Advies. Den Haag: Onderwijsraad. pdf

Lemann, Nicholas (1999) The big test. The secret history of the American meritocracy. New York: Farrar, Strauss and Giroux.

Linschoten, J. (1964) Idolen van de psycholoog. Utrecht: Bijleveld. dbnl

Onderwijsraad (1998) Decentrale toelating. Den Haag: Onderwijsraad. html plus stukken rapport horen internationaal standpunten studenten bestemming schoolverlaters

Parker, Glenn R. (1996) Congress and the rent-seeking society. Ann Arbor: University of Michigan Press.

Raad van State (1997) Advies van de Raad van State van 5 december 1997, opgenomen met de reactie van Ritzen in vergaderstuk 25947 A van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 1997-1998.

Rinnooy Kan, A. H. G. , J. M. M. Ritzen, en anderen (1987) Naar een ondernemende universiteit. Utrecht: Veen. Nederlands Gesprek Centrum.

Sorgdrager, W. (voorzitter) (2003) De juiste student op de juiste plaats. Eindrapportage van de Begeleidingscommissie Decentrale Toelating. www. minocw. nl/onderwijs/hogeronderwijs. nl

Tinbergen, J. (1969) Onderwijsplan en numerus fixus. Universiteit en Hogeschool, 16 (3), 189-193.

VSNU (1991) Visitatie electrotechniek. Utrecht: VSNU

Wiegersma, S. (voorzitter) (1978) Werkgroep Selectie ivm. de machtigingswet inschrijving studenten. Rapport aan de minister van onderwijs en wetenschappen. 31 mei.

Wilbrink, Ben (1980) Toelating tot numerus fixus studies opnieuw in discussie. Universiteit en Hogeschool, 27, 179-199. html

Wilbrink, Ben (1990) Complexe selectieprocedures simuleren op de computer. Amsterdam: SCO Kohnstamm-Instituut. (rapport 246) pdf

Wilbrink, Ben (1999). Rechtvaardigheid en selectie voor numerus-fixusstudies. Tijdschrift voor Hoger Onderwijs, 17, 136-152. html

Wilbrink, Ben, Willem van Hoorn, Leo J. Th. van der Kamp, & Jen Algera (1990) Selectie voor politie-officier. De toelating tot de Nederlandse Politie Academie. Amsterdam: SCO. (Rapport 245) html

Zeng, K. (1995). Japan's dragon gate: the effects of university entrance examinations on the educational system and students. Compare, 25, 59-84.









decentrale selectie


Het is mijn bedoeling om het thema decentrale selectie in een afzonderlijke pagina decentrale selectie onder te brengen. Tot nog toe (mei 2009) heb ik het onderwerp ondergebracht in de pagina loten_nf, maar het is mij gebleken dat meerdere instellingen op creatieve wijze decentraal selecteren tot het uiterste dat de wet toestaat. Daarbij is loten niet het probleem, maar wekken de wonderlijke methoden om die selectie uit te voeren mijn verbazing. Een overzicht dat actueel is: Dekker (2008). Een van de eerste grondige empirische analyses is die van Urlings-Strop en anderen (2008) van de decentrale selectie geneeskunde aan de Erasmus Universiteit.


J. A. Dekker (2008). Een review van decentrale selectie en numerus fixus bij geneeskunde. Tijdschrift voor Hoger Onderwijs, 26. annotatie

Louise C. Urlings-Strop, Theo Stijnen, Axel P. N. Themmen & Ted A. W. Splinter (2009). Selection of medical students: a controlled experiment. Medical Education, 43, 175-183. annotatie

Ruim baan voor talent. html.







p. 8 NRC HANDELSBLAD

Voor studies geneeskunde: Universiteiten staken selectie 'aan de poort'


Door onze redacteur Guus VALK



DEN HAAG, 29 MAART [2003]. Twee van de vijf universiteiten die eerstejaars studenten geneeskunde 'aan de poort' selecteren, stoppen met het experiment wegens gebrek aan succes.


De medische opleiding van de Universiteit Leiden heeft het project afgeblazen, de Universiteit Utrecht stopt er aan het einde van dit studiejaar mee. Dat blijkt uit een rondgang langs de medische faculteiten. Slechts één van de vier universiteiten die de effecten van selectie hebben gemeten, de Erasmus Universiteit Rotterdam, zegt dat geselecteerde studenten betere resultaten behalen.

Volgens de universiteiten van Amsterdam, Utrecht en Leiden behalen geselecteerde studenten geen betere resultaten. Utrecht en Leiden zeggen dat de proef bovendien te kostbaar is om ermee door te gaan. De Vrije Universiteit doet sinds kort mee en heeft het project nog niet geëvalueerd. De Rijksuniversiteit Groningen begint er komend studiejaar mee.


( ... )


Volgens de Utrechtse hoogleraar medische onderwijskunde Th. ten Cate zullen eerstejaars studenten komend studiejaar weer worden toegelaten door loting. Nu selecteert de universiteit 10 procent van de medische studenten door hun kennis en vaardigheden te testen.


Dit systeem is echter veel te duur, zegt Ten Cate. "Op hoogtijdagen zitten tien mensen in de slectiecommissie. Die tijd gaat allemaal af van het onderwijs. Bovendien blijkt dat geselecteerde studenten geen hogere cijfers halen. Vwo-ers hebben allemaal dezelfde opleiding gehad, dus de verschillen zijn niet zo groot." De universiteit begint volgend studiejaar met een 'klasje' van topstudenten, waarvoor de universiteit nog wel wil selecteren.


De Erasmus Universiteit zegt dat geselecteerde studenten wel degelijk gemotiveerder zijn dan ingelote studenten. Zij selecteert nu 30 procent van de studenten geneeskunde en gezondheidswetenschappen en wil dat uitbreiden naar circa 50 procent. Volgens eigen onderzoek halen geselecteerde studenten hogere cijfers.


De Landelijke Studentenvakbond is tegen selectie, omdat in de praktijk niet de student, maar de instelling de meeste invloed heeft. "Iedere opleiding verzint eigen criteria", zegt voorzitter Noortje van der Meij. "Daardoor weet de student niet waar hij aan toe is."




The New York Review of Books : Ronald Dworkin (2003). The Court and Michigan - What is at stake. The New York Review of Books, May 15, Volume L Number 8, 8-11. Zolang nummer 8 het meest recente nummer is, is de http://www.nybooks/articles/16271#fnr10 (broken link?) in te zien.


In Amerika is er weinig overheidsregulering van de toegangen tot hoger onderwijs, daar heeft de markt het overgenomen, gecontroleerd door het recht. Die controle is nu actueel, omdat het Supreme Court op zijn vroegst in juli 2003 uitspraak zal doen over de toelaatbaarheid van een regeling waarin raciale kenmerken extra punten opleveren voor toelating tot de University of Michigan. Dat zal dan een uitspraak worden met vergaande gevolgen, positief danwel negatief, een eerdere uitspraak uit 1978 overtreffend, dat de blanke kandidaat Bakke ten onrechte benadeeld was door een quotum voor zwarten bij de toelating tot de studie geneeskunde aan de University of California.

Dworking beschrijft summier de toelatingsregeling, die bestaat uit een puntenstelsel zoals bij ons wel door gemeenten wordt gehanteerd bij het toewijzen van woonruimte. Michigan laat kandidaten daarin ook door raciale afkomst (niet-blank) punten verdienen. De belangrijkste reden daarvoor is, zoals in het voorgaande uit het werk van Conley al is gebleken, een gewenste mix in de samenstelling van de studentenpopulatie. De puntenregeling is een eerste schifting, waarop gecorrigeerd wordt door naar individuele omstandigheden te kijken. Zolang niet nadrukkelijk voor een van rechtswege blinde procedure (zoals loten) wordt gekozen, mag een procedure immers niet een blinde toepassing van regels zijn.

In Amerika is de belangstelling voor deze zaak enorm: iedereen bemoeit zich ermee, schrijft stukken, of demonstreert: van studenten tot de Federale Overheid. De neoconservatieve kliek van Bush en consorten is tegen deze affirmative action, maar Dworkin signaleert dat ze tegelijk voorstander is van een goede raciale mix. De tweede opmerkelijke ontwikkeling die Dworkin signaleert is de lobby vanuit de military en het bedrijfsleven voor die affirmative action, omdat ze zonder dergelijke acties niet in staat zijn hun corps van leidinggevenden uit een adequate raciale mix te laten bestaan. Lees de uiteenzetting van Dworkin om vertrouwd te raken met een acuut en belangrijk maatschappelijk probleem in Amerika. Het verduidelijkt meteen hoe in selectieve procedures bepaalde maatschappelijke groepen in de verdrukking kunnen raken, of juist het omgekeerde, en welke ingrijpende maatschappelijke gevolgen dat kan hebben. Er is met andere woorden niet zoiets als een vanzelfsprekende prioriteit van meritocratische beginselen boven andere.




Leo Prick (2003). Het belang van passie. NRC Handelsblad Wetenschap & Onderwijs zaterdag 3 mei, column.

(prick@nrc.nl)


Leo heeft deze keer zijn column met passie geschreven. De stelling van Leo is deze week over decentrale selectie voor geneeskunde in plaats van loten:




En de medische faculteit in Rotterdam begrijpt dat gelukkig. Daar hebben ze tenminste oog voor studenten die meer dan gemiddeld gemotiveerd zijn.


Er valt over examens veel te zeggen, zeker als ze voor verdere maatschappelijke loopbanen bepalend zijn, maar bepaald niet dat het levensgeluk van mensen er door wordt opgevijzeld.


Over de mogelijkheden om motivatie te testen of daar in gesprekken achter te komen, is de afgelopen decennia al voldoende geschreven: die mogelijkheden zijn niet maakbaar. Op motivatie denken te selecteren zet bovendien de deur open voor ouderwetse voorkeuren voor afkomst in plaats van talent en verdienste.


Je weet het nooit met die column-schrijvers: maken ze de kachel met je aan, of menen ze serieus wat ze debiteren? Leo Prick meent het meestal serieus.


Ik wil daarom nog wel een argument tegen zijn stelling aangooien. Bij een numerus fixus is voorkeur voor de een, hoe ook bepaald, een nadeel voor de anderen. Selectie is hier immers een stoelendans: de maat is niet een absolute norm van kennis of vaardigheid, maar het relatieve aantal beschikbare stoelen. In deze zin is per definitie de hoeveelheid geluk eveneens beperkt: wat de een er meer van krijgt, krijgen de anderen minder. Tenzij er een verborgen moreel oordeel in het betoog van Leo zit: dat sommige mensen meer titels hebben voor geluk dan anderen, en dat het goed is dat bij selectie daaraan vorm wordt gegeven. Ik kan het mij niet voorstellen, en dat is een van de redenen geweest om het artikel over Decentrale toelating te plegen.




Chavannes, Marc (2003). De worsteling met de Amerikaanse erfzonde. NRC Handelsblad 22 juni, 25. 'Mogen universiteiten lagere eisen stellen aan minderheden? Komende week bepaalt het Supreme Court de toekomst van affirmative action. Chavannes spreekt enkele betrokkenen, zoals filosoof Carl Cohen, Ralph Williams, jurist van Michigan State University Jonathan Alger, Theodore St. Antoine. Carl Cohen verhaalt hoeveel moeite het hem kostte om gegevens over de feitelijke toelatingsprocedure in handen te krijgen. Daaruit blijkt dat blanken geweigerd werden terwijl zwarten met dezelfde scores werden aangenomen. Chavannes begrijpt er maar weinig van, want uiteraard zijn testscores in de VS niet het enige criterium, en is zo'n vergelijking op maar een enkele van de toelatingscriteria demagogisch. Afijn, wel een uitgebreid artikel.



NOS Journaal 23 juni 22:00 uur: Supreme Court doet uitspraak dat positieve discriminatie is toegestaan, zij het niet door voor ras punten toe te kennen, maar bijvoorbeeld wel zoals de Law School selecteert waarbij een redelijke raciale mix tot stand wordt gebracht.



Screeningpremie bij elite-onderwijs


Dominic J. Brewer, Eric Eide, Ronald G. Ehrenberg (1996). Does It Pay To Attend An Elite Private College? Cross Cohort Evidence on the Effects of College Quality on Earnings. NBER Working Paper No. 5613*


Arnaud Chevalier and Gavan Conlon (2003). “Does it pay to attend a prestigious university?” Centre for the Economics of Education London School of Economics and Political Science. pdf.




Universitair onderwijs als industrie: concurrentie en marktwerking


Over het Amerikaanse hoger onderwijs is een studie beschikbaar die de concurrentie tussen instellingen onderzoekt en beschrijft, door het hoger onderwijs als een industrie te beschouwen, die verschillende clientèles bedient:


Deze studie door economen vormt een boeiend contrast met de benaderingen vanuit psychologie of sociologie. Het is heel makkelijk om de Amerikaanse situatie wat betreft selectie-aan-de-poort te zien als het resultaat van een langdurige ontwikkeling waarin de instellingen niet zo veel wisten te sturen. De economische analyse komt op een wezenlijk andere conclusie uit: dat de instellingen wel degelijk voortdurend bewuste keuzen maken die leiden tot het ontstaan en vervolgens het in stand blijven van een stelsel dat zich kenmerkt door een grote variatie in selectiviteit van instellingen voor universitair onderwijs.

NB: de sector van post-secundaire beroepsopleidingen is groter dan die van de opleidingen die met een of andere graad worden afgesloten.
NB: binnen de sector van universitaire opleidingen zijn de echt selectieve instellingen een kleine minderheid, dat zijn de instellingen die Prestige kopen door heel selectief te zijn, en die heel selectief kunnen zijn omdat zij Prestige hebben (Prestige: zie beneden). Dit is dus GEEN model dat in buitenlanden kopieerbaar is, tenzij daar al een vergelijkbare situatie bestaat (zoals in Engeland met zijn Oxbridge)

Wat nog veel krasser is; in de analyse van deze drie economen is vrijwel niets te vinden over kwaliteit van het onderwijs, anders dan dat erop wordt beknibbeld om investeringen in het prestige van de instelling te kunnen doen. Daarmee kom ik op het begrippenschema dat de auteurs presenteren om hun bevindingen, gebaseerd op site visits aan een grote representatieve groep instellingen, te organiseren. Dat klinkt wat vaag, en zo bedoelen zij het ook: het is een oriënterend onderzoek geweest, waarbij het gehele veld is beschouwd zoals anders een hele tak van industrie bekeken zou zijn, en met alle aandacht voor de instellingen als de concurrerende spelers in dat veld.

Waarop concurreren zij? Dat kan iedereen zelf bedenken: inkomsten van studenten, van onderzoekopdrachten, van overheidsgelden, en donaties van particulieren en bedrijven. Hoe zij dat doen ligt iets minder voor de hand; de auteurs onderscheiden twee modaliteiten: Prestige en Reputatie, zeg maar: Naamsbekendheid en Dienstbaarheid. Om het prestige te verhogen zijn er meerdere wegen mogelijk, een daarvan is de bekende weg via sportactiviteiten, andere zijn het aantrekken van de beste kandidaten, het aantrekken van veel onderzoek. Om de dienstbaarheid te verhogen wordt alles gedaan dat de (potentiële) studenten tevreden stelt.

Met andere woorden: om het prestige te verhogen worden enorme en ook riskante investeringen gedaan die onder andere worden gefinancierd uit de ruimte die anders voor het onderwijs zelf beschikbaar zou zijn; om de reputatie te verhogen worden opleidingen en roosters aangeboden waar studenten om vragen, en campusfaciliteiten waar zij om vragen, en over de normen voor het verlenen van graden heb ik nog geen opbeurende berichten gelezen. In beide varianten is de kwaliteit van onderwijs het slachtoffer, wat opmerkelijk genoeg heel erg evident is bij instellingen die op prestige concurreren, wat op heel andere gronden al een paar decennia eerder door Alexander Astin werd geconcludeerd. Maar ook de instellingen die concurreren op reputatie, een heel wat minder riskante strategie die dan ook door for-profit instellingen vrijwel zonder uitzondering wordt gevolgd, dreigen ernstig tekort te schieten waar het om het algemeen belang gaat, om wat een kenniseconomie in de VS nodig heeft zal ik maar zeggen. Het laatste is een type argument dat ik zelf gewoontegetrouw inbreng bij discussie over selectie voor medische studies en juist niet voor technische en natuurwetenschappelijke. Maar dit terzijde.

Over concurrentie ben ik begonnen aan een afzonderlijke pagina, naar aanleiding van een debat in het voorjaar van 2006 georganiseerd door de RMO (Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling) en de Volkskrant, en in het bijzonder een ongenuanceerd betoog van Jaap Dronkers voor harde concurrentie tussen scholen om de kwaliteit van het onderwijs op te jagen. Kijk, daar hebben we dus weer een interessant contrast; een studie elders in een sector die al bijna een eeuw keihard concurreert laat zien dat de kwaliteit van het onderwijs daarbij het onderspit delft, en hier in Nederland dreigen we zo naief te zijn dat we precies het omgekeerde geloven.

Ronald G. Ehrenberg (2003). Method or Madness? Inside the USNWR College Rankings. Cornell Higher Education Research Institute, Working paper WP 39.


Admissions in 21st century United States of America


Op het titelthema is een uitstekende (naar Amerikaanse maatstaven) bundel analyses en voorstellen verschenen in 2005, geredigeerd door Camara en Kimmel. Aan dit boek heb ik een uitvoerige bespreking gewijd op een afzonderlijke pagina. Voor mij was opvallend in deze studie:




Ben Wilbrink (2004). Meer permanente selectie kan onze economie niet gebruiken. concept. Voordracht Studium Generale Tilburg, 30-9-2004. html

Ben Wilbrink (2004). Extra selectie aan de poort: wanneer is genoeg genoeg?. Onderzoek van Onderwijs, 33 nummer 3, 37-40. html concept-versie

pagina   selectie aan de poort van de universiteit


page   Literature on admissions


page   2005 reader by Camara and Kimmel: review and annotations



Bij Astin's stelling over de Amerikaanse mythe zie:

Liang Zhang (2003). How College Affects Students: Toward The Reconciliation Of Theory With Empirical Evidence. Dissertation Submitted to the Faculty of the Center for the Study of Higher Education. Cornell Higher Education Research Institute, Working paper WP 43. download.




2 juni 2009 \ contact ben apenstaartje benwilbrink.nl

Valid HTML 4.01!   http://www.benwilbrink.nl/publicaties/03DecentraleToelatingTvHO.htm