[Opdracht: Commissie Drenth. Deze eindtekst is gepubliceerd als Bijlage 3 bij Rapport van de commissie Toelating Numerus Fixusopleidingen (voorzitter P. J. D. Drenth) 'Gewogen loting gewogen.' 1997, p. 121-204. Sdu Servicecentrum. ISBN 90 346 34116 pdf. Een samenvatting is als bijlage in het advies van de commissie opgenomen, p. 82-89 html ]


Opsomming van de discussie over toelating bij numerus fixus-studies

januari 1997

Ben Wilbrink
SCO-Kohnstamm Instituut

 

Inhoud


INLEIDING
CRITERIA
MATRIX (vingeroefening)
DOELEN en INSTRUMENTEN
BESCHRIJVING en ANALYSE van HOORZITTING 1996
TWEEDE KAMER 1975
COMMISSIE WARRIES 1977
COMMISSIE WIEGERSMA 1978
VOORONTWERP PAIS 1980, met advies AR
BESCHRIJVING en ANALYSE van recente VOORSTELLEN
PROFESSIONELE PERSONEELSSELECTIE: de NPA
SAMENVATTING
GEREFEREERDE LITERATUUR



1. INLEIDING


Minister Ritzen (OCenW) heeft op 11 juli 1996 een commissie ingesteld onder voorzitterschap van prof. dr. P. J. D. Drenth om advies uit te brengen over 'welk systeem het beste is om studenten te selecteren voor studies met een numerus fixus (studentenstop). De commissie heeft het SCO-Kohnstamm Instituut opdracht gegeven een systematische analyse te presenteren van de meest belangrijke opvattingen in Nederland over de toepassing van de selectiemethodiek in het hoger onderwijs.

Op basis van aanwezige archiefstukken is allereerst een inventarisatie gemaakt van de publieke discussie en wetgevingstrajecten sinds het einde van de jaren zestig. De inventarisatie omvat circa 300 artikelen, rapporten, boeken en parlementaire stukken, en is voor belangstellenden beschikbaar. Uit deze inventarisatie worden de belangrijkste bijdragen geselecteerd voor beschrijving en analyse, waarbij gestreefd wordt naar enige volledigheid voor 1996. Uit een verder verleden zijn van belang de rapporten (1973, 1978) van de Werkgroep Selectie, verder Cie. Wiegersma te noemen, de Handelingen met de verslagen van de parlementaire behandeling van de Machtigingswet in 1975, het rapport van de Cie. Warries (1977), en het Voorontwerp van wet van onderwijsminister Pais (VVD).

 
Achtergrond van het maatschappelijk debat
Het hoger onderwijs in de Westerse wereld maakt vanaf de 18e eeuw een sterke groei door, waardoor de financiering van en de toelating tot het hoger onderwijs voortdurend hoog op de politieke agenda staan. De publieke discussie over toelating tot hoger onderwijs begint in zijn huidige intensieve vorm in 1968 met de opdracht aan Posthumus om voorstellen voor een selectiever w.o. te ontwikkelen. In 1972 publiceert De Groot een studie naar selektie voor het hoger onderwijs, waarover een heftige maatschappelijke discussie plaatsvindt. In deze discussie profileren psychologen zich als degenen die vanuit hun professie over selectie iets hebben te melden. Hier wordt de basis gelegd voor de stelling dat de mogelijkheden om steeds verder te selecteren beperkt zijn, en dat met de selectie zoals die plaatsvindt voor en bij de eindexamens van de HBS en het gymnasium de grenzen ongeveer zijn bereikt. Het maatschappelijke debat is altijd sterk gericht geweest op de methode van selecteren, niet op de vraag naar de onderbouwing van de toelatingsbeperking zelf.

Het politieke debat kende zijn hoogtepunt in de behandeling in de Tweede Kamer van het voorstel voor de Machtigingswet in 1975 ingediend door de PvdA-bewindslieden Van Kemenade en Klein. Hier werden de wetenschappelijke/rationele argumenten uit het publieke debat politiek gewogen, en werd het politieke compromis van de gewogen loting wettelijk gestalte gegeven bij motie van Vermaat (ARP). De systematiek van de gewogen loting is sinds 1975 ongewijzigd gebleven.

Theoretisch kader
Uit de gegeven schets van het maatschappelijk debat doemt de selectiepsychologie als mogelijk theoretisch kader op (Roe, 1983; naar strekking ook Van Dyck, 1995), maar een theoretisch kader moet op een meer algemeen niveau dan dat van de selectiepsychologie worden geconstrueerd. Uitgangspunt is dan dat in de huidige Westerse samenleving toelating en benoeming geacht worden te gebeuren op basis van persoonlijke verdienste: de brede opvatting is dat onze samenleving een meritocratie is. Zo biedt de selectiepsychologie een specifieke uitwerking van het beginsel dat verdienste, en niet afkomst, bepalend dient te zijn voor toelating of benoeming. Omdat verdienste en afkomst moeilijk strikt van elkaar zijn te onderscheiden, is er in de samenleving een rijk scala aan opvattingen over hoe een en ander in specifieke gevallen vorm moet krijgen. Deze opvattingen laten zich globaal clusteren tot opvattingen horend bij politieke stromingen zoals de sociaal-democratie, het liberalisme, en het neo-liberalisme. Winch (1996) geeft dat uitstekend aan op een wijze die in ieder geval onafhankelijk is van het Nederlandse selectiedebat. De meritocratische opvatting heeft tenminste twee verschillende wortels: die van het beginsel van gelijkheid zoals dat in de Verlichting (o.a. Rousseau) maatschappelijke betekenis krijgt, en dat van het eveneens in de 18e eeuw groeiende belang van doelmatigheid bij benoemingen door overheden (Fischer & Lundgreen, 1975), waardoor afkomst steeds minder een rol speelt. De spanning tussen beide beginselen heeft sterk bijgedragen aan de ontwikkeling van het onderwijs (Ringer, 1979), omdat immers kosteloos onderwijs het mogelijk maakte dat verschillen in afkomst niet hoefden te belemmeren dat wie daar de capaciteiten toe bezat zich de nodige 'verdienste' zou kunnen verwerven. De laatste gedachte is bijv. terug te vinden in de repliek van Bolkestein op Drenth (1995). Ziehier de ingrediënten die ook zo sterk het debat over toelating tot numerus fixus-studies kleuren: capaciteiten, verdienste en gelijke onderwijskansen. Dit is het veld van de gedragswetenschappen (o.a. Coleman, 1990; Dronkers & Ultee, 1995; Sen, 1995), en wat het maatschappelijk debat betreft dat van de ethiek (o.a. Rawls, 1971; Sher, 1987; Wiggers, 1991; Cahn & Haber, 1995).

Het numerus fixus-probleem hoort tot de verdelingsproblemen waarvoor niet op voorhand een evident beste oplossing aanwezig is, waar in Elster's woorden 'Solomonic judgements' worden gevraagd. In de geneeskunde kent men dergelijke moeilijke beslissingssituaties (Winslow, 1982; Elster & Herpin, 1994), in de economie bijv. de volgorde van ontslag bij afslanking (Romm, 1995) en in veel landen de toelating tot instellingen van hoger onderwijs (VS: Conley, 1995). Voor dit geheel van regels en procedures in specifieke, vaak naar plaats en tijd verbijzonderde beslissingsproblemen heeft Elster (1989, 1992, 1995) de term 'local justice' geïntroduceerd, waarvoor geen adequate Nederlandse vertaling beschikbaar lijkt. Het zijn altijd problemen waarin doelmatigheid niet het criterium mag zijn, althans niet het belangrijkste criterium, om beslissingen te nemen die mensen diep treffen. De literatuur over 'local justice' is van belang, omdat hier in geconcentreerde vorm vrijwel het gehele scala aan opvattingen aanwezig is zoals dat ook in de discussie over toelating tot numerus fixus studies is aan te treffen.


2. CRITERIA


Om de door diverse betrokkenen beoogde doelen en voorgestelde instrumenten te kunnen evalueren, is een geschikte set criteria nodig. Deze set criteria valt uiteen in criteria waaraan in ieder geval moet zijn voldaan, stopcriteria genaamd, en criteria die wenselijke kenmerken betreffen, waarbij het gaat om de mate waarin eraan is voldaan, waarin er kosten zijn, waarin er aanpassing van regelgeving nodig is, e.d.

1 STOPCRITERIA
1.1 Overeenstemming met de grondwet en met het recht.
1.2 Uitvoerbaarheid in absolute zin.
1.3 Een minimaal draagvlak is aanwezig.
1.4 Geldigheid.

2 WENSELIJKE CRITERIA
2.1 Aanpassing van wet- en regelgeving
2.2 Uitvoeringskosten.
2.3 Opbrengsten.
2.4 Doorzichtigheid voor betrokkenen.
2.5 Aanvaardbaarheid en rechtvaardigheid.
2.6 Overeenstemming met het vigerende onderwijsbeleid
2.7 Bestuurlijke eenvoud.
2.8 Politieke haalbaarheid.
PM normen van ethische aard

Stopcriteria
Er zijn criteria waaraan in ieder geval moet worden voldaan, omdat een voorstel anders niet in uitvoering kan worden genomen, of een argument anders geen rol kan spelen.

1) Overeenstemming met de grondwet en met het recht.
Uitzondering: wet- en regelgeving is aan de wetgever om eventueel aan te passen. In strijd met de grondwet zijn voorstellen die neerkomen op directe of indirecte discriminatie. In strijd met het recht zijn bijv. voorstellen die met terugwerkende kracht zouden moeten ingaan, of die in strijd zijn met internationale verdragen.

2) Uitvoerbaarheid in absolute zin.
Het gaat dan om uitvoerbaarheid gemeten naar benodigde capaciteit, beschikbaarheid van instrumenten. Onuitvoerbaar zijn op dit moment bijv. voorstellen om de numerus fixus meteen af te schaffen, of om motivatie met een test te meten.

3) Een minimaal draagvlak is aanwezig.
Voorstellen moeten gedragen worden door een belangrijke groep actoren, of een deel daaruit. Dit criterium sluit louter theoretische voorstellen uit en sluit voorstellen in die een deelbelang betreffen. Bespiegelingen over wat in de toekomst misschien mogelijk is onder diverse scenario's voldoen er niet aan.

4) Geldigheid.
Voorgestelde instrumenten/procedures moeten aantoonbaar werken in overeenstemming met het gestelde doel. In relatieve zin kan er een punt zijn waar de geldigheid niet beneden zou moeten komen; een en ander hangt af van het specifieke doel, en van de aanwezigheid van andere informatie (voor technische uitwerkingen zie bijv. Roe, 1983). Het is overigens ook een wenselijk criterium: hogere geldigheid verdient de voorkeur.

Wenselijke criteria
Een voorstel die op een bepaald criterium beter scoort dan andere, en overigens aan die andere gelijk is, verdient de voorkeur. Er moet in ieder geval een feitelijke en dus toetsbare basis zijn, zodat criteria objectief toepasbaar zijn.

1) Aanpassing van wet- en regelgeving
Voorstellen om de huidige systematiek van gewogen loting te handhaven scoren maximaal op dit criterium, omdat ze geen aanpassing vragen.

2) Uitvoeringskosten.
Er zijn nogal wat mogelijke kosten, zoals voor de samenleving, voor de kwaliteit van het onderwijs, voor potentiële kandidaten, voor instellingen, voor de onderwijsbegroting, voor ontwikkeling van instrumenten e.d., en voor uitvoeren van de selectie. Bijzondere aandacht vragen de kosten van de toelatingsprocedure zelf, de indirecte effecten van de toelatingsprocedure (backwash), en aspecten van investeren in menselijk kapitaal.

3) Optimaliseren van opbrengsten.
Hoewel de numerus fixus geen opbrengsten beoogt, kunnen betrokkenen wel van mening zijn dat opbrengsten wel van belang zijn. In het maatschappelijk debat is heeft dit zelfs een prominente plaats.

4) Doorzichtigheid voor betrokkenen.
Het moet voor potentiële kandidaten duidelijk zijn hoe de regeling is, zodat men de eigen kansen binnen de gegeven regeling kan optimaliseren. Een gedecentraliseerde regeling waarbij instellingen vrij zijn eigen criteria te hanteren, is minder doorzichtig dan een centrale regeling waarbij die criteria zijn vastgelegd. Scholieren moeten nog voordat zij hun profielkeuze doen weten hoe de regeling is.

5) Aanvaardbaarheid en rechtvaardigheid.
Opvattingen over wat aanvaardbaar en rechtvaardig is kunnen verschillen, ook nog nadat het maatschappelijke en politieke debat is gevoerd. Een selectieprocedure kan rechtvaardig zijn en toch moeilijk aanvaardbaar, wat in zekere zin overeenkomt met het verschil tussen een rationele en een emotionele benadering. Bijvoorbeeld roept loten hier en daar weerstanden op en is dus niet perfect aanvaardbaar. Of loten rechtvaardig is, is ook een kwestie van rationele analyse, zie de publicaties van Jon Elster over 'local justice.' Verschillen in inzicht over rechtvaardigheid hebben te maken met het onderschrijven van 'meritocratische' uitgangspunten, en zijn als zodanig te plaatsen binnen politiek-filosofische stromingen.

6) Overeenstemming met het vigerende onderwijsbeleid
Overeenstemming met het vigerende onderwijsbeleid in het algemeen, en dat ten aanzien van het VO en HO in het bijzonder, is van belang. Als onderdeel hiervan ook: decentrale uitvoerbaarheid. Aan de orde is de relatie tot maatschappelijke doelen van onderwijs, zoals de toegankelijkheid, gelijke kansen, of emancipatie. Onderwijskundige afstemming tussen onderdelen van het onderwijsstelsel is een aandachtspunt.

7) Bestuurlijke eenvoud.
De huidige gewogen loting voor het WO is een voorbeeld van bestuurlijke eenvoud, ook al valt daar zeker nog het een en ander te verbeteren, terwijl dezelfde regeling voor het HBO een voorbeeld van het tegendeel is.

8) Politieke haalbaarheid.
De haalbaarheid van integrale loting of van integrale selectie op cijfers is geringer dan die van de huidige gewogen loting. Voorstellen zijn zo te ordenen naar politieke haalbaarheid.

Er zijn nog andere wenselijke criteria denkbaar. Doelmatigheid is bij meerdere criteria aan de orde en is daarom geen afzonderlijk criterium. Betrouwbaarheid is geen criterium dat aan dat van de geldigheid iets wezenlijks toevoegt. Objectiviteit is een criterium dat betrekking heeft op doorzichtigheid en/of aanvaardbaarheid. Fakeability, een belangrijk punt van zorg voor ontwikkelaars van selectieprocedures en -instrumenten (Roe, 1983), valt onder het criterium geldigheid.


3. DOELEN en INSTRUMENTEN


In zijn Duyker-lezing (1995) onderscheidt Drenth vier "verschillende visies of modellen:" (1) het rechtvaardigheidsmodel, (2) het onderwijskundig model, (3) het verdienstenmodel en (4) het rendementsmodel. Deze indeling vat de verschillende visies in de discussie samen. Iedere visie is een combinatie van geponeerde doel(en) en voorgestelde middel(en), en omdat daarin zeer veel combinaties mogelijk zijn, is het voor de helderheid van de analyse beter om een opsomming van mogelijke doelen te onderscheiden van die van de instrumenten en middelen die denkbaar zijn om de gestelde doelen dichterbij te brengen.

De mogelijke doelen zijn te splitsen naar die voor de numerus fixus, respectievelijk de selectie, en die voor het onderwijs(traject) dat achter de selectie ligt. De numerus fixus is de reden waarom er moet worden geselecteerd, en is daarom van belang bij afwegingen van selectievarianten.

Uiteraard kunnen in bepaalde voorstellen meerdere doelen tegelijk een rol spelen. Een voorbeeld is het Amerikaanse selectiemodel voor toelating tot Colleges, zoals beschreven door Conley (1995) op basis van recent empirisch onderzoek: dat model is een combinatie van de doelen 'verdienste' en 'specifieke gewenste samenstelling studentenpopulatie' omdat ieder college bij de toelating rekening houdt met een gewenste mix vanuit minderheidsgroeperingen.

 
DOELEN

0 doelen m.b.t. de numerus fixus
0.1 instroom aanpassen bij:
0.1.1 opleidingscapaciteit
0.1.2 voorziene vraag op de arbeidsmarkt
0.2 gegeven de noodzaak van een numerus fixus:
0.2.1 het tekort aan plaatsen minimaliseren
0.3 geen numerus fixus bij capaciteits- of arbeidsmarktproblemen

1 selectiedoelen
1.1 betreffende de manier van selecteren:
1.1.1 schaarse plaatsen eerlijk verdelen:
1.1.1.1 naar behoefte
1.1.1.2 naar verdienste
1.1.1.3 op basis van gelijkheid (van wat)
1.1.1.4 op basis van compensatie (van wat)
1.1.2 schaarse plaatsen sociaal verantwoord verdelen:
1.1.2.1 gewenste samenstelling studentenpopulatie
1.1.3schaarse plaatsen op onderwijskundige gronden verdelen
1.2 betreffende de opbrengst van de selectie:
1.2.1 maximaliseren opleidingsrendement (welke)
1.2.2 maximaliseren kwaliteit professie (welke)
1.2.3 maximaliseren rendement op investeringen (van wie)

2 onderwijsdoelen
2.1 ontwikkeling van (mogelijk schaarse) talenten (welke)
2.2 vorming van menselijk kapitaal (welk)
2.3 bieden van gelijke kansen (op wat)

 
 
MIDDELEN: INSTRUMENTEN / GEGEVENS / PROCEDURES

1 met aanzien van de persoon:
1.1 biografische gegevens (kortweg: biodata)
1.2 examens (studieresultaten)
1.3 psychologische tests
1.4 interviews
1.5 begeleiding, advisering, oriëntatie, verwijzing

2 zonder aanzien van de persoon:
2.1 aan de hoogste bieders
2.2 wie eerst komt eerst maalt
2.3 wachtlijst
2.4 loten

De in te zetten middelen kunnen bestaan uit procedures zoals loten of de wachtrij, uit instrumenten zoals examens en tests, en uit gegevens uit de persoonlijke levenssfeer.


4. Beschrijving en analyse van hoorzitting


De beschrijving van de inbreng van de gehoorde partijen berust op ten behoeve van de analyse tijdens de hoorzitting gemaakt aantekeningen. Voor de gespreksverslagen en en een beschrijvende samenvatting van de gehele hoorzitting zie de afzonderlijke rapportage van Gielen, Datema & L'Ortye (1996).

Belangengroep 'lot'genoten (ouders)
De belangengroep 'Lot'genoten is een belangengroep van afgewezen kandidaten en hun ouders, die zich keert tegen iedere vorm van loting en daar als alternatief de wachtlijst tegenover zet, met mogelijk een voorkeursbehandeling voor wie meer gemotiveerd is. De motivatie van kandidaten moet een rol kunnen spelen, in de zin dat meer gemotiveerde kandidaten meer 'behoefte' en 'verdienste' hebben dan minder gemotiveerde. Studieresultaten hebben t.o.v. motivatie een ondergeschikte rol; wie gemotiveerd is, maar geen hoge cijfers kan halen, moet door dat laatste niet benadeeld worden. Tegelijk vindt de groep, als er dan toch moet worden geselecteerd, dat dat door examens en gesprekken moet gebeuren.
Motivatie kan blijken uit biografische gegevens, bijvoorbeeld dat een verpleegstage is gedaan, en uit gesprekken. Examens alleen bij selectie, niet om bijv. voorrang op een wachtlijst te krijgen. Wachtlijst: degenen die echt willen, blijven erop staan.

Als de uiteindelijke beslissing (mede) door loting valt, vindt men dat in strijd met de eis van invloed op eigen toekomst hebben, ook in de gewogen loting variant. Een relevante stage e.d. zou voorrang op moeten leveren. Er zijn veel kandidaten die niet iets anders willen dan geneeskunde; als je weet dat je daarvoor drie jaar moet wachten, dan zou je die jaren zinvol in kunnen vullen, wat bij de onzekerheid bij herloten niet kan. Er zijn kandidaten die aan de loting deelnemen, ook al zijn ze niet bijzonder gemotiveerd voor de studie. Kandidaten met een deficiënt vakkenpakket zouden niet mee moeten kunnen doen. Er zijn kandidaten die hogere cijfers proberen te halen door moeilijke vakken te mijden. De cijfers van het schoolonderzoek zouden niet mee moeten tellen. Men vindt dat acceptatie van een afwijzing makkelijker valt op grond van andere gegevens dan loting. Bij loten is er geen invloed op de eigen toekomst, geen zekerheid over toelating, en wordt afwijzing als onbillijk ervaren. Die problemen zijn niet door reparaties te ondervangen, loting is absoluut verwerpelijk. De numerus fixus zelf is niet het probleem, de loting is het probleem.

Een nuancering brengt de groep aan in de volgende uitwisseling van argumenten. Drenth: De tragiek is dat bij de numerus fixus voor geneeskunde zoveel geschikten niet kunnen worden toegelaten. 'Lot'genoten: Kandidaten die geen alternatieven hebben vallen in dit systeem uit de boot, voor de anderen is het geen probleem.

Het komt voor dat men zich alleen maar voor geneeskunde inschrijft om de een jaar langere duur van de studiefinanciering binnen te halen. Brouwer wijst erop dat dat los staat van de numerus fixus en de selectieprocedure.


Analyse
De eigen verantwoordelijkheid. Het bezwaar van 'Lot'genoten spitst zich toe op die kandidaten die geen alternatief hebben voor de studie in de geneeskunde, en die niet in staat zijn hoge eindexamencijfers te behalen. De vraag is hoe dit zich verhoudt tot de eigen verantwoordelijkheid die tegelijk ook door 'Lot'genoten wordt benadrukt: invloed op de eigen toekomst. De eigen verantwoordelijkheid van leerlingen en hun ouders houdt ook in dat men zich niet willens en wetens een studiekeuze-fuik creëert.

Integraal loten en gewogen loten worden over één kam geschoren, wat moeilijk valt te rijmen met de hoge prioriteit voor lot in eigen hand kunnen nemen. 'Lot'genoten zegt niet dat de gewogen loting een ongewenste studiedruk oplevert, maar dat het gaat om een mogelijkheid om de eigen toekomst te bepalen die niet iedereen in gelijke mate gegeven is. 'Lot'genoten beperkt in feite de relevante mogelijkheden om de eigen toekomst te bepalen tot alleen de motivatie om geneeskunde te gaan studeren, de wil om daarvoor te wachten of relevant vrijwilligerswerk te doen.


De wachtlijst. Het alternatief van 'Lot'genoten is de wachtlijst, maar dat voorstel is niet onderbouwd. 'Lot'genoten opteert niet voor een variant waarin loten wordt gecombineerd met een wachtlijst. Dat betekent dat als het aan 'Lot'genoten ligt, iedereen moet wachten. Eind zestiger, begin zeventiger jaren zijn er wachtlijsten tijdens de studie geweest, die door de rechter verboden zijn (Szirmai, 1971).


Ervaring. 'Lot'genoten zijn van mening dat het mogelijk is te laten zien hoe gemotiveerd men voor de studie (geneeskunde) is door bijvoorbeeld stages in verpleeghuizen te lopen. De commissie heeft tijdens de zitting al op enkele problemen gewezen.

Drenth: dat zou voor kandidaten zelf best goede informatie opleveren voor de eigen beroepskeuze. Maar bij selectie voor een numerus fixus gaat zo'n stage waarschijnlijk anders functioneren, en zouden kandidaten met recht kunnen vragen de mogelijkheid voor het volgen van dergelijke stages aangeboden te krijgen. En ook dan zullen er kandidaten zijn die in het nadeel verkeren omdat ze niet in de gelegenheid zijn zo'n stage te doen.

Huisjes, Drenth: dergelijke stages zijn niet representatief voor de geneeskundige omgeving, en daarom niet vanzelfsprekend geschikt om bij selectie mee te werken. ook al zou het pedagogisch uitstekend zijn, dan houdt dat nog niet in dat dergelijke stages voor selectie zijn te gebruiken.

Het gaat er bij dit stages-idee niet om dat het een ervaring is die relevant is voor de studie, laat staan het beroep, maar dat het een geldige indicatie zou zijn van motivatie voor, in dit geval, de geneeskunde. Dat is een stelling die niet is onderbouwd, en ook moeilijk valt te onderbouwen.

Motivatie. 'Lot'genoten brengt een sterke koppeling aan tussen het beginsel dat men invloed op de eigen toekomst moet kunnen hebben, motivatie voor de studie geneeskunde, en de wenselijkheid op motivatie te selecteren, of een systeem te hanteren waarin niet-gemotiveerden afvallen. Met motivatie wordt waarschijnlijk bedoeld dat men graag geneeskunde wil gaan studeren. Dat is niet dezelfde motivatie voor de geneeskunde zoals die gaandeweg in de studie zelf ontstaat, of de motivatie van de geneeskundige beroepsbeoefenaar. Die claim maakt 'Lot'genoten ook niet. Dat betekent dat voor 'Lot'genoten van belang is dat de gemotiveerde kandidaat door zijn of haar motivatie een recht op toelating zou hebben dat uitgaat boven dat van minder gemotiveerden. Stel dat deze motivatie objectief meetbaar zou zijn, dan zouden de beschikbare plaatsen volgens 'Lot'genoten gevuld moeten worden met de relatief meest gemotiveerden, vanuit overwegingen van rechtvaardigheid. Motivatie zou dan een vorm van 'verdienste' zijn, die rechten geeft. Dat is een moeilijke stelling, waarvoor m.i. de literatuur (Sher, 1988), geen grond geeft.

Is het mogelijk om motivatie te testen, om daar desnoods specifiek voor de studie geneeskunde een test te voor te ontwerpen, en deze op aanvaardbare wijze in een selectieprocedure in te zetten? Er zijn geen aanwijzingen dat een dergelijke test, als hij al kan worden geconstrueerd, op een juiste wijze voor selectie kan worden gebruikt. Het probleem is dat een dergelijke test te gevoelig is voor oneigenlijke voorbereidingspraktijken, waardoor zijn geldigheid voortdurend aan twijfel onderhevig zal zijn.


Het interview. Kan een interview een oplossing bieden daar waar een test faalt? Als een geldige test voor motivatie niet te construeren valt, dan is het ondenkbaar dat een commissie op basis van interviews wél tot geldige uitspraken over motivatie zou kunnen komen.

Conclusie
'Lot'genoten wijst op een aantal repareerbare problemen met de huidige gewogen loting, maar doet geen onderbouwde voorstellen voor een alternatief. Een wachtlijst lost voor een kleine categorie kandidaten wel het fuikprobleem op, maar in het ongewisse blijft welke andere groepen daardoor juist in problemen komen, en wat de maatschappelijke ervan zijn.

'Lot'genoten claimt dat uitloten voor sommige kandidaten 'erger' is dan voor andere, en dat het mogelijk is om een selectieprocedure op te zetten waarin het persoonlijk nut van toegelaten worden voor kandidaat A wordt vergeleken met dat van kandidaat B. Dergelijke vergelijkingen zijn in beginsel niet mogelijk, zie bijv. de literatuur over ingrijpende voorrangsbeslissingen in de geneeskunde, zoals Elster & Herpin 1994. Bij een numerus fixus betekent preferente toelating van de ene kandidaat dat een andere daarom niet wordt toegelaten. De claim op voorrang op basis van een welzijnsargument schept een ethisch probleem.

ISO (studenten)
Het ISO is tegen selectie voor de poort, en zeker als dat selectie is op al bewezen capaciteiten. Een probleem bij dergelijke selectie is ook dat beroepsprofielen heel divers zijn, zodat er geen strakke relatie is tussen instroomprofielen en beroepsprofielen. Als het dan toch moet, dan komt het ISO al snel bij een lotingssysteem uit, omdat iedereen toelaten tot de propedeuse en daarna selecteren geen realistische mogelijkheid is.

Het ISO heeft als uitgangspunt dat een eindexamen (zonder deficiënties) een bewijs van voldoende capaciteit is. Bij de loting moet er ruimte zijn om het lot te beïnvloeden, waarvoor eindexamencijfers kunnen meewegen, en, op voorwaarde dat deze meetbaar zijn, ook motivatie en ervaring. Er hoeft aan kandidaten geen gelegenheid te worden geboden om werkervaring op te doen, dat is aan de eigen creativiteit van de scholier; gezien de diversiteit in beroepsprofielen is een breed scala aan werkervaring mogelijk relevant, dus niet alleen de stage in het verpleeghuis. Omdat eindexamencijfers als niet meer dan een indicator worden gezien, kiest het ISO niet voor direct toelaten bij hoge eindexamencijfers. Het ISO heeft twijfel of het mogelijk is om motivatie en ervaring op een behoorlijke manier vast te stellen, zodat ze mee kunnen wegen bij de toelatingskansen.

Uitvoering moet centraal gebeuren omdat decentrale selectie leidt tot onrechtvaardigheden. Er moet meer zorg komen voor de groep uitgelotenen, zij worden nu teveel aan hun lot overgelaten. Voorlichting over alternatieven, nazorgtrajecten aanbieden.

Analyse
Het ISO kiest een pragmatische benadering: áls er een numerus fixus moet zijn, dán moet de toelatingsprocedure de minst kwade zijn uit de denkbare alternatieven. De eerste overweging is dan dat eindexamens al voldoende kwalificeren, zodat een lotingssystematiek moet worden gevolgd. Het moet mogelijk zijn om de eigen lotingskansen door eigen inspanning te beïnvloeden, maar alleen via eindexamencijfers is eigenlijk te mager.

Conclusie
Het ISO is voorstander van een stelsel van gewogen loting, zonder uitzonderingspositie voor degenen met heel hoge cijfers, en zo mogelijk met meewegen van motivatie en ervaring.

KNMG (artsen)
De KNMG heeft geen formeel standpunt. Van alle kwaden is de gewogen loting misschien de beste. Een veel eerlijker systeem, als dat al beschikbaar zou zijn, is door de faculteiten moeilijk uit te voeren. Het huidige systeem honoreert motivatie nauwelijks, behalve hoge eindexamencijfers. De heel erg gemotiveerden lopen tegen een 'ongemotiveerd systeem' aan. Motivatie zou mee moeten kunnen spelen, maar "De objectiviteit en transparantie zal afnemen als je dat inbouwt. Het speelt bij vervolgopleidingen een rol, daar gaat het om gesprekken. Je zou interviews moeten houden, maar dat leidt tot logistieke problemen. Bij middelbare scholieren, en dat is anders dan degenen die een artsopleiding achter de rug hebben, is er weinig aan te meten." Mensen die al voor de 3e keer meeloten zou je op basis van de daarmee getoonde motivatie een hogere kans kunnen geven.

De KNMG heeft ervaring opgedaan met de selectie van artsen de opleiding heel wezenlijk verandert: mensen zijn niet meer bereid zich bloot te geven en vragen te stellen, nog daargelaten de competitie die ontstaat. De KNMG stemt daarmee in.

De capaciteit moet omhoog, omdat een groot deel van de jonge specialisten en huisartsen in deeltijd zou willen werken. Dat er meer artsen nodig zijn, daarmee is tot nu toe in de manpower planning geen rekening gehouden. De zorgvraag neemt ook toe. De instroom verhogen moet echter met de nodige voorzichtigheid gebeuren, er moet een garantie zijn dat ook de capaciteit van specialistische opleidingen wordt verhoogd.

Analyse
De KNMG heeft een pragmatische benadering, mede ingegeven door ervaringen met de selectie voor specialistische opleidingen en voor de huisartsenopleiding. De gewogen loting is van alle kwaden mogelijk de minste. Er zijn wel aantrekkelijke alternatieven denkbaar, bijvoorbeeld om motivatie mee een rol te laten spelen, maar die stuiten op grote praktische problemen.

De suggestie is gedaan om herhaaldelijk uitgelote kandidaten een hogere kans te geven, omdat zij laten zien gemotiveerd te zijn. Er is geen toelichting gegeven waarom een dergelijke vasthoudendheid, die overigens heel weinig hoeft te kosten, een teken van positieve motivatie zou zijn, en niet juist een negatief gedragskenmerk (minder adequaat omgaan met de realiteit dat een numerus fixus betekent dat je mogelijk niet wordt toegelaten).

Conclusie
De KNMG ziet de gewogen loting, gegeven de numerus fixus, als de minst slechte regeling van de toelating. Voor een gewenste sterkere rol van motivatie ziet de KNMG weinig of geen realiseerbare mogelijkheden, mede gezien ervaringen met selectie voor specialistische opleidingen.

DMW (medische faculteiten)
De DMW neemt geen landelijk standpunt in. Faculteiten hebben ieder afzonderlijk hun standpunt geformuleerd. De hoofdlijnen worden als volgt aangegeven: (1) een instroombeperking is noodzakelijk, (2) de faculteiten vinden dat ze op één lijn moeten blijven, dus hetzelfde systeem van toelating, en (3) er is een redelijk draagvlak voor het huidige systeem van gewogen loting.

Kanttekeningen bij de huidige gewogen loting: opnieuw nadenken over aantallen, strenger omgaan met vooropleiding en relevante vakken (meer gewicht), en andere instroommogelijkheden afkappen, in de wegingsfactor mogelijk iets extra's doen voor de echt getalenteerde student.

Zou je bij eerder uitgelotenen de intussen ontplooide activiteiten moeten laten meewegen? "We zijn daar niet over uitgediscussieerd: bijten mensen zich daar dan niet in vast, en welke activiteiten laten motivatie zien?" De motivatie van kandidaten die vele malen mee blijven loten kan zowel positief als negatief worden gewaardeerd, het valt dus moeilijk uit te maken of kansen na meerdere keren groter of juist kleiner zouden moeten worden. Wel is het zeker dat het stuwmeer niet groter zou moeten worden, want dat dat iets op zou lossen is een misvatting.

Over de mogelijkheid van een wachtlijst, met eventuele voorkeursplaatsing daarop, zijn de meningen verdeeld. De ervaring in Amerika is dat er onmiddellijk bureautjes ontstaan die dat gaan regelen, waarmee het eventuele nut van zo'n wachtlijstprocedure weer wegvalt.

Voor de inrichting van de propedeuse zijn de sleutelwoorden 'selectief' en 'verwijzend.' Het klinische stuk in de opleiding is meer naar voren geschoven in de studie, om de propedeuse meer verwijzend te maken, beter een afspiegeling te laten zijn van wat later volgt. Je zult moeten reguleren aan de poort, niet daarna, want dat zou ten koste gaan van het verwijzende karakter. Dat is dus een onderwijskundige overweging.

Diergeneeskunde kent een scherpere selectieverhouding. Voor de vele pas na de 4e of 5e keer ingelotenen wordt de 27-jaar-maatregel een schrijnend probleem. De faculteit is bezig de n.f. te verhogen van 175 naar 200. Op termijn wil de faculteit gescheiden studiepaden realiseren, bijv. onderzoek, volksgezondheid, en bestuur en beleid, met ieder afzonderlijke loting.

"Het ideaalbeeld van de dokter-voor-dieren speelt een grote rol bij de (vroegtijdige) keuze voor de studie. Dat beeld staat haaks op wat het vak in feite inhoudt."

Op de vraag centraal of decentraal te regelen toelating is het antwoord duidelijk: de overheid stelt kwaliteitseisen aan de opleidingen, dat zijn landelijke eisen. Daar past een centrale regeling bij. Wie het anders wil, zoals Bolkestein, moet aangeven dat er goede alternatieven bestaan voor een centrale regeling. De Amerikaanse collega's zijn overigens ontevreden over de gesprekken (interviews) in de toelatingsprocedure; hun beslissingen zijn ook niet voor beroep vatbaar.

De capaciteit moet misschien wel worden vergroot, maar een voorwaarde daarvoor is dat er perspectief moet zijn in de vervolgopleidingen. De DMW verwijst naar het probleem van een paar jaar geleden: een paar duizend basisartsen die niet door konden stromen. Een probleem bij het verhogen van de numerus fixus is dat de gehanteerde onderwijsvormen een beperking vormen bij de mogelijkheden om de capaciteit te vergroten.

Conclusie
De DMW heeft een groot aantal overwegingen te berde gebracht, waarvan de strekking is dat alternatieven voor de huidige gewogen loting niet aanwijsbaar beter zijn. Er zijn punten in de procedure die vallen te verbeteren, zoals de rol van kernvakken en deficiënties. Naar de opleidingscapaciteit zelf kan worden gekeken, maar daar zijn geen makkelijke oplossingen te bereiken.

LSVB (studenten)
Het standpunt van de LSVB komt neer op een afwijzing van de numerus fixus als zodanig, en als er een numerus fixus wordt gehanteerd, een afwijzing van vormen van selectie anders dan zelf-selectie. De LSVB ziet liever dat de problemen achter de numerus fixus op een andere manier worden opgelost, zoals door activiteiten en trajecten waarin keuzen en zelf-selectie een betere plaats krijgen. Er zijn uitzonderingen mogelijk, zoals voor kunstopleidingen waarvoor een voorexamen of colloquium aan het eindexamen kan worden toegevoegd.

De LSVB heeft kanttekeningen en bezwaren bij alternatieven voor de gewogen loting. Selectie op eindexamencijfers resulteert in prestatiedrang op scholen, er is een kleine voorspellende waarde, er zijn veel verschillende factoren van invloed op cijfers, er zijn leerlingen die opzettelijk doubleren. Een toelatingsexamen heeft als bezwaar dat het een momentopname is, en moeilijk representatief is te maken. De LSVB is niet voor het selecterend kennismakingsgesprek. Je studeert niet voor een baan waar functie-eisen voor zijn, maar voor je eigen ontplooiing. De overheid is ook verantwoordelijk voor de afvallers, en mag geen preferente keuze door n.f.-studierichtingen laten maken. De beslissingen mogen niet vallen op basis van financiële achtergronden, zoals een heel hoog collegegeld. Het voorstel van Cohen, om iedereen te laten beloven extra belasting te zullen betalen, krijgt evenmin instemming. De gewogen loting wordt zelf ook afgewezen. Een ongewogen loting is als methode wel rechtvaardig, maar levert onrechtvaardige uitkomsten op, al zijn die altijd nog beter dan de uitkomsten bij subjectieve methoden.

De LSVB wil geen numerus fixus, en een rechtvaardig systeem van toelating tot het hoger onderwijs. De LSVB zoekt de oplossing van de problemen achter de numerus fixus in trajecten waarin de eigen keuze van leerlingen en studenten een prominente plaats krijgt. Er wordt verwezen naar het goed functioneren van het bindend studieadvies in het hoger beroepsonderwijs. Dergelijke trajecten beginnen al in het basisonderwijs, en lopen door tot in bijvoorbeeld de propedeuse. Een kennismakingsgesprek zou een instrument kunnen zijn, ten behoeve van de kandidaat dus niet om te selecteren.

De belangrijkste voorwaarden of uitgangspunten van de LSVB zijn (1) met de juiste vooropleiding dan ook kunnen studeren, (2) eigen verantwoordelijkheid en (3) selectie op basis van onderwijskundige motieven (dus niet van financiële e.d.). De methode om deze zelf-selectie te bewerkstelligen moet zelf tot onderwijskundige verbeteringen leiden.

Geconfronteerd met het feit dat voor geneeskunde blijkt dat eigenlijk bijna alle toegelatenen ook geschikt blijken te zijn, wat moet betekenen dat de benadering van de LSVB dan nauwelijks tot een vermindering van de vraag naar plaatsen kan leiden, ziet de LSVB er geen probleem in dat al die geschikten arts worden.

Analyse
De LSVB heeft bezwaren tegen selectievarianten, evenals tegen het instellen van een numerus fixus zelf, maar is niet in staat om aannemelijk te maken dat systemen van zelf-selectie kunnen leiden tot een dusdanige verdeling van kandidaten over de studierichtingen in het hoger onderwijs dat de knelpunten waarvoor nu een numerus fixus ingesteld wordt, zich niet (meer) voor zullen doen.

De LSVB doet geen handreikingen in de richting van mogelijk werkbare oplossingen, maar het staat de commissie vrij om zelf conclusies in die zin te trekken. Te denken valt dan aan het prioriteren van verhogen van de opleidingscapaciteit boven andere denkbare maatregelen, en aan het ondersteunen van de selectie voor numerus fixus studierichtingen door trajecten waarin leerlingen beter worden voorbereid op studiekeuzen die hebben te maken met mogelijke numerus fixus-studierichtingen, en waarin niet toegelatenen worden ondersteund bij het vinden van alternatieven.

Conclusie
De LSVB heeft een helder standpunt, maar moet ook zelf concluderen dat in het geval van geneeskunde de aanbevelingen nauwelijks zullen leiden tot een vermindering van de vraag naar opleidingsplaatsen. De voorzitter van de commissie concludeert dan ook dat de aanbeveling om alleen via systemen van zelf-selectie te werken, hoe sympathiek ook, niet behulpzaam is voor de commissie. Het pleidooi van de LSVB kan worden opgevat als het vragen van aandacht voor mogelijkheden om de opleidingscapaciteit te vergroten, en van maatregelen voor betere voorbereiding van leerlingen op hun studiekeuze rond numerus fixus-studierichtingen, en voor nazorg en ondersteuning voor afgewezen kandidaten.

VSNU (universiteiten)
De voorzitter van de VSNU brengt geen verenigingsstandpunt mee. Hij zou de discussie willen verbreden om ingenomen standpunten wat te kunnen relativeren, en wijst in dat verband op drie ontwikkelingen:

(1) wijzigingen in de 2e-fase vwo leiden tot examengegevens waar meer betekenis aan valt te hechten dan nu het geval is,

(2) Het aantal opleidingsplaatsen in numerus fixus-studierichtingen neemt toe, maar de toename wordt afgeremd door het huidige bekostigingsstelsel omdat dat het creëren van extra plaatsen niet honoreert,

(3) De marktpositie van universiteiten verandert, leidend tot meer differentiatie tussen opleidingen. In Nederland is het evenwel niet voorstelbaar dat er een per universiteit verschillend selectiesysteem zou komen, wel een verschillende uitvoering per instelling. Bij landelijk vastgestelde eindtermen, zoals bij geneeskunde, waarborg je dat er geen ongewenste differentiatie optreedt.

Hij is voorstander van één nationaal systeem van gewogen loting. Instellingen zijn absoluut niet in staat zoiets als Bolkestein's voorstel uit te voeren.

Conclusie
Handhaven van een systeem van landelijke gewogen loting, met reparatie van onvolkomenheden. De positie en de kansen van degenen die uitloten is van belang, maar eenvoudige oplossingen liggen hier niet binnen handbereik.

RCO (werkgeversorganisaties)
Renique (RCO): Wat bijzonder stoort aan het lotingssysteem is dat het op geen enkele manier recht doet aan in het voortraject opgedane kwaliteit. Het zou toch bij de huidige tijd passen om kandidaten eigen verantwoordelijkheid te geven, dat gaat met selectie beter dan met loten. Instellingen zijn voor hun rendement verantwoordelijk, de instellingen moeten dus ook een zekere voorselectie kunnen toepassen met een goede set criteria. Wat zou het alternatief voor het lotingsstelsel moeten zijn? Zeker niet alleen prestaties in de vooropleiding. Criteria moeten wel toetsbaar zijn, op enige geobjectiveerde wijze meetbaar zijn. Instellingen met dezelfde opleiding hanteren bij voorkeur ook dezelfde criteria. Erkenning dat er geen garantie op juiste beslissingen is, in welk systeem dan ook. Ten onrechte afwijzen zou heel zuur zijn. Bij bewezen kwaliteit moet er zo weinig mogelijk risico zijn de studie van keuze niet te kunnen volgen.

Drenth: Eigen inspanningen moeten beloond worden, eens, maar in hoeverre, en komt dat met gewogen loting onvoldoende aan de orde? Gewogen loting is een compromis tussen toelaatbaarheid en rendement. Het is een systeem ook waarvan de parameters zijn in te stellen. Juist geneeskunde kent nauwelijks verbeterbare rendementen, zeker niet door intreeselectie verbeterbaar. De vraag is waarom je dan zou moeten selecteren? De faculteiten zeggen ook dat wanneer studenten falen, dat niet is te wijten aan motivatie. Zijn de onderdelen van uw redenering wel van toepassing op de toelating bij numerus fixus-studies?

Renique: Het gaat om meer dan alleen de geneeskunde-opleidingen. Als een opleiding meer analytisch is, zijn cijfers meer voorspellend; het hangt dus af van de sector van de numerus fixus-studies of cijfers meer of minder gewicht moeten hebben. Wat eigen inspanning betreft gaat het niet zozeer om de beloning voor het je best doen, maar om het triggeren dat datgene waar mensen zelf invloed op hebben dan ook meer invloed krijgt bij beslissingen over vervolgtrajecten. De maatschappelijke context is anders dan die van 30 jaar geleden. Ook als de systemen gelijk uitkomen, geven we de voorkeur aan selectie vanwege dit aspect.

Drenth: Dan gaat het dus niet om de predicerende werking, maar om de invloed die mensen zelf kunnen uitoefenen.

Renique: We vinden de huidige gewichten voor eindexamencijfers te bescheiden. We hebben echter een meer principiële benadering, kiezen daarom dus niet voor loten.

Drenth: Wat is de rationale om mensen met lage cijfers niet in aanmerking te laten komen? Dat is een grondvraag, omdat de wet iets anders zegt en de empirie aangeeft dat het niet verdedigbaar is.

Renique: Toegegeven, wij hebben meer vanuit de bovenkant geredeneerd dan vanuit de onderkant. Zekerheid van plaatsing aan de bovenkant is belangrijk, maar ook een zekere kans voor de onderkant, daar kan ik me iets bij voorstellen. Getalenteerden moet je niet een studie onthouden waar ze voor opteren, met alle respect voor het recht op toelating dat ook gehonoreerd zou moeten worden.

Vermeulen: Als kandidaten boven een acht meteen worden toegelaten, heeft dat een aanzuigende werking die ten koste gaat van bijvoorbeeld technische studies.

Renique: Onderzoek over studiekeuzen wijst uit dat die complexer verlopen dan u nu suggereert.

Drenth: Hoe organiseer je nu zo'n ingangsselectie?
Renique: Telkens weer mee laten loten is een stuwmeer-veroorzaker. Je zou één keer moeten loten, dat is consequent.

Drenth: Wat zou het draagvlak daarvoor zijn?

Renique: Ook voor intreeselectie maar één keer mee laten doen. Als er met moderne methoden geselecteerd kan worden, waarbij in onze optiek alleen van het betreffende jaarcohort moet worden uitgegaan, dan is op basis van prestaties een voorselectie te maken, en kunnen met die kleinere groep intakegesprekken worden gehouden.


Analyse
In de dialoog zijn aanvankelijk ingenomen standpunten genuanceerd. Zo is er verschuiving opgetreden van het aanvankelijke selectiestandpunt (maximaliseren van rendementen) naar het verdelen van plaatsen op een manier die prikkelend werkt voor de onderwijskwaliteit en voor de eigen inspanning.

Alle instrumenten met-aanzien-des-persoons komen in beginsel in aanmerking, op conditie van validiteit. Een bijzondere plaats is ingeruimd voor studieresultaten, omdat prikkels daarop ook dienen om de kwaliteit van het onderwijs en de kwalificaties die het oplevert te prikkelen.

Renique wil plaats inruimen voor het gelijke recht op toelating van kandidaten, en opent daarmee expliciet de mogelijkheid om loting een plaats binnen de procedure te geven. Als instrument om uitvoering te geven aan de gelijke toelaatbaarheid van kandidaten kan loten dienen, binnen een systeem waarin ook andere instrumenten kunnen worden gehanteerd.

Conclusie
De RCO opteert voor een toelatingsprocedure waarin herkenbaar en sterker dan in de huidige gewogen loting prikkels aanwezig zijn om in het onderwijs te presteren.

HBO-Raad
De vertegenwoordiger van de HBO-raad gaat niet zozeer in op de gewenste systematiek voor de toelatingsprocedure, alswel op de uitvoeringspraktijk van de huidige systematiek, waardoor zowel instellingen als kandidaten ernstige problemen ondervinden. Het is duidelijk dat de situatie in het hbo een geheel andere is dan die in het wo, ondanks de gelijkschakeling wat toelatingsprocedure voor numerus fixus studierichtingen betreft.


5. TWEEDE KAMER 1975


Handelingen Tweede kamer der Staten-Generaal, 66e Vergadering, behandeling van het wetsontwerp Verlenging en wijziging van de Machtigingswet inschrijving studenten (12929). 13, 18 en 19 maart 1975. In volgorde van sprekers en van termijnen.

Ter Woorst (KVP)
De oorzaken van de n.f. bestrijden. De n.f. mag niet structureel worden (daarom een amendement tegen arbeidsmarktfixus). Er is twijfel aan de ramingen van behoefte aan artsen. De n.f. voor dure studies leidt tot elitevorming, grotere inkomens, en machtsongelijkheid.

Van Leijenhorst (CHU)
Na de democratisering van het vo mag het ho niet achterblijven. Verdergaande aantasting van de omnivalentie van examens is de facto ook een beperking van toelatingsrecht. Integraal loten werkt negatief motiverend in het vo. Welke invloed hebben bewindslieden op vaststelling van de capaciteit? De opvang van uitgelote studenten is onvoldoende. Parkeerstudies leiden op zich weer tot extra n.f. Geef bij tweede keer loten een hogere kans, laat tweemaal uitgelote studenten gewoon toe.

Vermaat (ARP)
De KVP, ARP en CHU zijn voor gewogen loting. De procedure moet rechtvaardig en doelmatig zijn; omdat daar verschillende opvattingen over bestaan, en meerdere doelen strijdig met elkaar kunnen zijn, moet de knoop politiek worden doorgehakt. Bij een keuze tussen n.f. en wachtlijsten (binnen de studie, b.w.): dan n.f. Selectie tijdens de propedeuse is weliswaar onderwijskundig aantrekkelijk, maar psychologisch en financieel niet haalbaar. Een toelatingsexamen is een te zware belasting van kandidaten. Een scherpe cesuur, zoals in de 7,5-regeling, is onaanvaardbaar. Direct toelaten van een topgroep van 20% zou ook tot een scherpe cesuur leiden. Wij willen wel rekening houden met eindexamencijfers, maar gezien art. 26 van de Wet op het W.O. niet alleen de cijfers. Het gaat om 1) rendement, 2) rechtsgevoel van betrokkenen, 3) het vakgebied zelf. Leerlingen uit lagere sociale milieus blijken geen lagere cijfers te halen. Gewogen loting gaat met deelgroepen, per deelgroep worden dan de beschikbare plaatsen verloot. Daarbij zou met doubleren rekening gehouden kunnen worden (dan een lagere lotingsklasse). Bij herloten geen aanmerkelijk grotere kans geven.

Mw. Ginjaar-Maas (VVD)
De drempel tussen vo en ho is verlaagd, daardoor valse hoop bij mensen is aangewakkerd: het v.w.o. moet moeilijker worden. De VVD is voorstander van het aanbieden van algemeen vormend wetenschappelijk onderwijs als het hedendaags equivalent van de HBS van Thorbecke. De n.f. voor beroepsgerichte opleidingen moet definitief wettelijk worden geregeld. De a-selecte loting werkt demotiverend naar vwo toe: men kan zijn lot niet sturen. ook leidt deze tot verspilling van talenten en dus tot nivellering van kennis. De VVD wil selectie op basis van eindexamencijfers, al is dit niet ideaal. Het systeem met de minste onbillijkheden en fouten zou zijn een topgroep rechtstreeks toe te laten en voor de overigen een gewogen loting te houden.

"Wij zijn van oordeel dat een selectiesysteem op basis van prestaties individuen een kans geeft hun eigen lot te sturen. Dit is voor ons een liberaal beginsel, waar wij niet aan wensen te tornen."

"Welke concrete bezwaren zijn er tegen een procedure zoals voorgesteld door Wilbrink in Onderzoek van Onderwijs, waarbij direct na afloop van de eerste loting weer geloot wordt op basis van het aantal geschatte aanmeldingen voor het volgend jaar?"

"Het afstemmen van het aantal toe te laten studenten kán en mág nooit leiden tot monopolisme bij de beroepsuitoefening."

Verbrugh (GPV)
Waar moeten afgewezen kandidaten naartoe? "Waarom zegt de bewindsman in dit verband zo weinig over een nieuwe toekomst voor het hbo?" Gemotiveerde en bekwame kandidaten verdienen voorrang, patiënten verdienen knappe artsen. Er moet een universitair toelatingsexamen komen, tot die tijd gewogen loting met directe toelating van de top, en met voor uitgelote kandidaten later een hogere kans.

De Leeuw (CPN)
Het arbeidsmarktcriterium moet principieel aan de orde worden gesteld, niet bij deze wet al meegenomen. Trek meer middelen uit om de stops de wereld uit te helpen: "Het effect van de stops is tot nu toe eerder verkleining dan verruiming van de capaciteit geweest." "De capaciteit dient in nauw overleg met de betrokken studierichtingen vergroot te worden." "Het is onmiskenbaar dat loten absolute onzekerheid schept en dus demotiverend werkt, waardoor juist de groepen met de minste studietradities het meest getroffen worden."

Nooteboom (D'66)
"Waarom zouden wij niet degenen die dat willen in staat stellen zich een groter recht te verwerven om een plaatsingsbewijs te ontvangen door, in de periode dat ze zijn uitgeloot hun diensten ter beschikking te stellen voor de wat minder aangename werkzaamheden in onze maatschappij, daarbij de nood verdunnend met een deugd?"

"Mijn gevoel omtrent wat haalbaar is zegt mij dat het wel op een gewogen loting uit zal draaien; daar ga ik dan verder van uit. Het is van alles een beetje en vooral van allerlei nadelen een beetje, en dat is echt iets voor politici."

Abma (SGP)
Is het mogelijk bij de derde keer deelnemen tot plaatsing over te gaan, of is de kans op een wachtlijst die niet meer is te verwerken dan inderdaad groot?

"Behalve de schoolresultatenuitkomst, de uitkomst van een landelijke proef en de motivatie, die ik noemde, wil ik een toelatingsexamen ook niet geheel achter de horizon laten."

Mw. Van der Heem-Wagemakers (PPR)
De PPR heeft bezwaar tegen het structurele element van de arbeidsmarkt: "ook bewindslieden moeten niet proberen een wet te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij oorspronkelijk was ontworpen."

"In dit kader willen wij ernstig bezwaar maken tegen de passage in de nota naar aanleiding van het eindverslag, waarin de stop van dure studierichtingen in overeenstemming wordt geacht met het streven naar spreiding van kennis, macht en inkomen. Door studenten te verwijzen naar goedkopere studierichtingen blijft men accepteren, dat dure studierichtingen duur blijven en dat er geen ander benutten van onderwijsmiddelen binnen de dure studierichting mogelijk is."

"Is het toevallig dat juist opleidingen als deze, die in de huidige samenleving leiden tot een hooggesalarieerd beroep, het eerst een stop zullen ondergaan?" "Wij vinden het dan ook een gemis dat de bewindslieden onze vragen omtrent het verband tussen salariëring en aantallen beroepsbeoefenaren respectievelijk salariëring en vraag naar scholing niet konden beantwoorden, omdat de gegevens ontbreken."

"Willen wij naar een open onderwijssysteem waarin de mensen om de kennis kunnen vragen die zij zelf nodig achten, dan moeten wij af van onze drempels in de vorm van diploma's als toegangsbewijzen. In dit streven past helemaal niet een toelaten op basis van hogere intellectuele prestaties. Op grond van deze overwegingen wijzen wij selectie op grond van eindexamencijfers, ook als gemengd systeem, af en komen uit op loten als de volgende mogelijkheid."

Kolthoff (PvdA)
"Dan hebben wij het probleem van de wachtlijsten, dat zich niet als probleem voordoet als men, mèt de bewindslieden, niet tot instelling ervan overgaat. Maar dan blijft er maar één oplossing: snelle capaciteitsverruiming."

"Wij sluiten ons tenslotte geheel aan bij de uitspraak van de bewindslieden in memorie van antwoord en antwoordnota, dat het 'onbillijk is als kleine verschillen in numeriek rendement (vastgesteld voor groepen) leiden tot grote verschillen in behandeling van individuelen.'"

"De demotiverende werking die de maatregelen [loting, b.w.] zouden hebben op de v.w.o.-leerlingen ten slotte, menen wij veeleer toe te moeten schrijven aan het capaciteitstekort zelf dan aan de wijze van plaatsing."

"Wij achten het, op grond van onze politieke beginselen, eenvoudig niet rechtvaardig, dat binnen de betrekkelijk kleine groep van relatief hoogbegaafden, die de v.w.o.-abituriënten vormt, de iets knapperen meer recht op een kans tot verdere opleiding zouden hebben dan de iets minder knappen." "En ik wil nog wel een stap verder gaan. Het is stellig te verdedigen, dat het de minder knappen, ook in het w.o. zijn, die voor méér onderwijsfaciliteiten in aanmerking komen."

Van der Spek (PSP)
"Wanneer de capaciteit op dit moment in bepaalde gevallen te klein is - het is duidelijk dat dit het geval is - en niet onmiddellijk voldoende vergroting van de capaciteit kan worden geschapen, is er naar mijn gevoel maar een methode, die men redelijkerwijs kan hanteren, namelijk het invoeren van wachtlijsten. (...) Als die methode zal worden gevolgd, zal daarin een zekere motivatie tot uiting komen. Die motivatie vind ik bij de selectie een belangrijke factor. Dat is het voordeel ervan. In dat geval meen ik, dat een a-selecte loting wel degelijk zin kan hebben en dan slik ik mijn bezwaren daartegen, die ik zoëven heb genoemd, in. Dan is het immers alleen maar een loting over de vraag, hoeveel vertraging men zal oplopen bij het begin van de studie. Ik pleit dus voor wachtlijsten, die niet in een stuwmeer uitmonden. Die wachtlijsten moeten daarom tijdelijk zijn. Een stuwmeer betekent immers, dat volgende jaargangen waarschijnlijk steeds kleinere kansen krijgen (...)." "Ik zou bij uitstek het criterium van de motivatie willen gebruiken. Dat criterium zal echter wel volstrekt onmeetbaar zijn. Wanneer het echter meetbaar zou zijn, ben ik van mening dat iemand met een sterke motivatie en die een zesjesklant - een niet zo vriendelijke benaming - wordt genoemd, bepaald de voorkeur moet hebben boven iemand met een geringe motivatie met negens en tienen op zijn papiertje van het VWO."

Laat degenen met gemiddeld eindexamencijfer 8,5 of meer direct toe, en de anderen loten met een dalende lotingskans naarmate het gemiddelde lager komt te liggen.

Honig van den Bossche (BP)
De BP is tegen loten, onder verwijzing naar de universele Verklaring van de rechten van de mens, artikel 26, lid 1 "Higher education shall be equally accessible to all, on the basis of merit."

Staatssecretaris Klein
De staatssecretaris is in zijn eerste termijn zeer uitvoerig, bijvoorbeeld over de problematiek van het bepalen van de capaciteit, en de bevoegdheden die de Regering daarin heeft of juist niet heeft.

"Maar wij zullen het er toch over eens zijn dat in dit optimaliseringsproces het, gegeven dit stelsel, een bijzonder goede regel is om aan het hebben voldaan aan bepaalde eisen in een vorige fase, hetgeen tot uiting komt in het hebben behaald van een diploma, gelijke rechten te verbinden voor de volgende fase, onafhankelijk van de wijze waarop men erin is geslaagd dit diploma te behalen. (...) Met andere woorden, voor de Regering is het bij dit probleem zoal niet een ethische dan toch een essentiële vraag, of men bereid is, nu er een schaarste aan plaatsen in het wetenschappelijk onderwijs voorkomt, deze verworvenheid van gelijke rechten voor bezitters van het v.w.o.-diploma, onafhankelijk van de wijze waarop men het heeft behaald, los te laten ja of nee. Het is duidelijk dat wanneer men deze vraag ontkennend beantwoordt, hieruit logischerwijze volgt dat bij een selectie aan de ingang dan alleen nog de algehele loting past en verdere beschouwingen over numerieke rendementen etc., hoewel zeer interessant, niet meer relevant zijn."

"Ook kan een a-selecte loting niet tot gevolg hebben dat een kleiner aantal potentiële coryfeeën dan vroeger wordt toegelaten. Ik ga dan nog voorbij aan de vraag, wat de gevolgen voor andere vakgebieden zonder numerus fixus zijn van een selecte toelating tot één of meer vakgebieden." (p. 3535) Dit sluit een onderdeel af waarin over coryfeeën wordt gesproken. Voor Klein zouden medische hoogleraren een maat kunnen zijn voor wat 'coryfeeën" zijn: "Ik heb toen de heren uitgenodigd, hun eindexamenlijstje op te sturen. Ik heb daarop één reactie ontvangen."

Opmerking. Köbben (1983) heeft diezelfde vraag gesteld aan hoogleraren, en daarop meer reacties ontvangen. Hij concludeert op basis van zijn onderzoek dat de professor een goed rapport had.

"De heer Vermaat, mijnheer de Voorzitter, heeft zich uitgesproken over de categorieën, die hij bij een systeem van gewogen loting zou willen onderscheiden. Het zijn er verschillende. Wat betreft de kansverhoudingen tussen de diverse categorieën, geeft hij als indicatie aan: 2/3 voor de categorie met het laagste eindexamengemiddelde, 1 voor de categorie met een eindexamengemiddelde van 7-7,5 en 1,5 voor de categorie met het hoogste eindexamengemiddelde. Het lijkt door deze vorm van presentatie onschuldiger dan het is, want de heer Vermaat stelt voor, dat de hoogste categorie 2,25 maal zoveel plaatsen krijgt als de laagste. Vooropgesteld, dat het te schatten verschil in studierendement tussen de hoogste en laagste categorie geenszins een dergelijk groot verschil in lotingskansen rechtvaardigt, wil ik erop wijzen, dat dit voorstel, met uitzondering van de medische studie, automatische toelating voor de hoogste categorie betekent en dan ook nauwelijks van het huidige stelsel [de 7,5-regeling, b.w.] afwijkt."

"Vooralsnog hoop ik echter dat de kamer, gehoord mijn argumentatie, ook tot het inzicht komt dat, in tegenstelling tot wat sommigen beweren, loten niet altijd dom hoeft te zijn, maar een uiting van wijsheid kan zijn, namelijk als alle toegestane relevante criteria geen uitsluitsel geven en toch een besluit moet worden genomen." (p. 3537)

Opmerking. Dit is inderdaad het principe dat in de personeelsselectie bij voorkeur ook wordt gehanteerd (Roe, 1983). De discussie gaat dan over welke de toegestane relevante criteria zullen zijn. De gewogen loting is een opmerkelijk soort compromis (Hofstee, 1983) tussen toepassen van relevante criteria, en loten omdat toepassen van relevante criteria nog niet volledig tot de beoogde beslissingen kan leiden.

Bij deficiënties, in relatie tot de omnivalentie van het eindexamen, is er geen wettelijke grond om kandidaten met deficiënties te kunnen uitsluiten van toelating, noch van het bezetten van een plaats wanneer zij toegelaten zijn (het accepteren van een schaduwplaats is niet te verplichten).

Er volgt een discussie over wachtlijsten, bij de beantwoording van de vraag van Mw. Ginjaar of uitgelote kandidaten niet onmiddellijk weer kunnen loten zodat zij weten in welk jaar zij in ieder geval wel een plaats zouden krijgen. "Wij zien helaas binnen het huidige wettelijke kader geen mogelijkheden uitgelote studenten te doen weten of, en zo ja wanneer, zij de studie van hun keuze alsnog kunnen aanvangen. (...) Naar mijn mening kan men [voor de onzekerheid] uitsluitend een oplossing vinden, indien de wet zodanig wordt gewijzigd dat men slechts eenmaal mag meeloten. (...) Het is duidelijk dat in zo'n stelsel de volhouders geen extra kans meer hebben, hetgeen als een bezwaar kan worden aangemerkt. Een dergelijk systeem zou echter mijn voorkeur hebben boven een systeem waarbij uitgeloten van tevoren zouden weten dat zij na enkele malen uitloten worden toegelaten. Afgezien van het feit dat dit helemaal niet kan worden gegarandeerd (...) betekent dit dat vrijwel de hele populatie na verloop van tijd alsnog zou kunnen gaan studeren, hetgeen een steeds grotere wachttijd voor nieuwe generaties zou betekenen."

"Het systeem, waarbij een automatische toelating na jaren plaatsvindt, brengt mij tot de volgende opmerkingen. Gelet op de maatschappelijke positie van deze jonge mensen, mag dit aantal jaren niet veel groter zijn dan 2. Anders ontstaan wachttijden, die niet meer tot een zindelijk stelsel zouden leiden. Dit systeem leidt automatisch tot wachtlijsten, gelet op de verhouding tussen vraag naar onderwijs en het aanbod daarvan. Het is om deze reden, dat wij zowel de vergrote kans voor uitgelotenen als de automatische toelating na X jaar afwijzen. Immers, ook de vergrote kans voor uitgeloten geeft een soortgelijk zij het minder absurd effect van vele jaren wachttijd. Het is in wezen geen oplossing."
Mw. Ginjaar-Maas: "Het selectiesysteem, dat wij nu hebben, kan helaas niet verder gaan dan het hanteren van eindexamencijfers. De motivatie kan op geen enkele wijze worden gemeten, aangezien het een sterk subjectief element zou gaan vormen. Daarom heb ik gezegd dat de mensen, die twee, drie jaar steeds proberen om zich op te geven, die zijn blijkbaar zó sterk gemotiveerd, dat men eraan tegemoet moet komen. Wij menen, dat die motivatie dan opweegt tegen een eventueel tekort in de eindexamencijfers."

Klein: "Ik wil de geachte afgevaardigde erop wijzen, dat het aantal studenten, dat zich nu voor de derde maal aanmeldt, niet per definitie significant is als maat voor het aantal uitgelotenen, dat zich voor de derde maal aanmeldt in een systeem, waarbij een derde aanmelding automatisch toelating geeft."

Van der Spek: "Dat is voorzichtig uitgedrukt."

Staatssecretaris Veerman
De staatssecretaris gaat allereerst uitvoerig in op de vraag of er sprake is van niveaudaling in het v.w.o. Hij heeft daar geen aanwijzingen voor, integendeel. "Wat het v.w.o. betreft meen ik, dat men in onderwijskringen in het algemeen van mening is, dat zeker voor de exacte vakken hogere eisen worden gesteld dan bij de vroegere h.b.s.-en en de oude gymnasia."

motivatie. "Ik ben van mening, dat, aangezien er geen betrouwbare methode bestaat om motivatie te meten, van de v.w.o.-scholen niet gevraagd kan of mag worden een uitspraak te doen over het al dan niet aanwezig zijn van voldoende motivatie om het tertiair onderwijs te volgen. Indien het criterium motivatie een rol zou gaan spelen bij de toelating tot het wetenschappelijk onderwijs kan bovendien een grote druk van de zijde van de ouders verwacht worden en wordt het voor de scholen angstig moeilijk zich te onttrekken aan die druk en daarmee van een mogelijke bevoordeling van bepaalde leerlingen."

arbeidsmarktprognoses. Ik ben ervan overtuigd dat voorlichting in ruime mate noodzakelijk is. Er is echter reeds geconstateerd dat behoefteramingen en prognoses zeer moeilijk te maken zijn. Bijstelling blijft dan ook van jaar tot jaar noodzakelijk. Ik ben van mening dat grote voorzichtigheid geboden blijft, maar ik neem aan, dat de schooldekanen zich van publikaties daarover op de hoogte houden."

Kolthoff: "Als deze Staatssecretaris nu zegt dat die ramingen zo hachelijk zijn dat er wellicht geen voorlichting op gebaseerd kan worden, terwijl de andere er een bevoegdheid tot regulering aan wil ontlenen, waar zijn wij dan? Is er een tegenspraak of lijkt het alleen maar met elkaar in tegenspraak?"

"Nu wil ik in het kort aandacht besteden aan de invloed van voorgenomen maatregelen in het wetsontwerp op de werking van het v.w.o. (...) Enerzijds komt de klacht tot ons uit het v.w.o. en uit het veld dat het systeem van integrale aselecte loting demotiverend werkt, met name ook onder goede leerlingen van het v.w.o., anderzijds hoor ik het vermaan dat door het vaststellen van een cijfermatig criterium de leerlingen worden opgedreven tot een cijferjacht, die een goede, integrale persoonlijkheidsvorming belemmert. Hoe in dit dilemma te oordelen? Toen er nog geen sprake was van enige toelatingsbeperking tot het wetenschappelijk onderwijs en het gemiddelde eindexamencijfer geen enkele rol speelde voor de kansen op toelating en alleen het diploma als zodanig daarvoor van belang was, kende de leraar reeds gemotiveerde en minder gemotiveerde leerlingen. Er waren kandidaten die om welke motieven dan ook hoge eisen aan zichzelf stelden, om daardoor met zo hoog mogelijke cijfers te slagen; er ware kandidaten, die het wat kalmer aan deden, en genoegen namen met minder en net op een voldoende mikten. Dat de eerste groep een althans relatief grotere prestatie leverde dan de tweede behoeft geen betoog; dat de tweede groep een risico aanvaardde is even duidelijk. Het toelatingsrecht tot het wetenschappelijk onderwijs voor beide groepen als zij slaagden bleef onverlet. Het is niet na te gaan in hoeverre de motivatie of eerzucht van de eerste groep mede bepalend is geweest voor het verdere studieverloop. Om het laatste gaat het uiteraard bij dit wetsontwerp primair. De vraag wordt nog moeilijker, als de extra-motivatie haar oorzaak heeft in een cijfermatig criterium dat bij de toelating wordt gehanteerd. Hoe is het studieverloop van degenen, die zich extra-inspanning getroosten in de eindexamenklas speciaal om het cijfer te behalen dat de poort opent tot een bepaalde universitaire studie? Is er voor hen dezelfde correlatie tussen behaalde cijfers en succes bij voortgezette studie als bij anderen? Ik meen dat er geen enkel verantwoord onderzoek is, dat over vragen als deze uitsluitsel geeft."

Van Leijenhorst (CHU)
"Bovendien loopt de Staatssecretaris gemakkelijk heen over de terugslag, die de numerus fixus-problematiek heeft op het v.w.o. De demotivatie, die binnen het v.w.o. optreedt, wordt gesignaleerd."

"Wij stellen voor, een eenmaal uitgelote student in het daaropvolgende jaar een lotingsklasse hoger in te delen. Wordt voor de derde maal geloot, dan komt hij twee lotingsklassen hoger, enz."

Vermaat (ARP)
"In Nederland zijn een aantal mensen en instanties van mening, dat degenen, die zijn uitgeloot, de volgende maal bij voorrang moeten worden geplaatst. Met de Staatssecretaris zijn wij van mening, dat wij een dergelijk systeem niet voor onze verantwoording kunnen nemen, gezien de grote effecten ervan."

Mw. Ginjaar-Maas (VVD)
"Het amendement van de heer Vermaat is voor ons een overgangsfase naar dat betere selectiesysteem, waarbij voor ons primair zal zijn, dat individuen zelf hun lot zullen kunnen sturen." Mw. Ginjaar dient mede namens de CDA-fractie een motie in: [De Kamer, (...) dringt er bij de Regering op aan, uiterlijk binnen twee jaar een selectiesysteem aan de kamer voor te leggen waarmee de toelating tot de instellingen van het wetenschappelijk onderwijs op bevredigende wijze geregeld kan worden. (...)."

"Ik besef, dat het gevaar van het stuwmeer levensgroot kan zijn. Daarom wil ik afstappen van het idee om wachtlijststudenten [sic] bij voorkeur toe te laten, maar ik wil dan wel graag zien, dat uitgelote studenten een grotere kans krijgen als zij een volgende keer meeloten."

Nooteboom (D'66)
"Ik kan mij voorstellen dat er op een gegeven moment duizend leerlingen zijn die ergens medicijnen willen gaan studeren en dat men van tevoren heeft gezegd: Qua rechtvaardigheidsgevoel binnen die groep geeft 30% de voorkeur aan selecteren van bovenaf en 70% heeft liever loting. Men kan dan zeggen: in een dergelijke verhouding ten opzichte van het aantal beschikbare plaatsen reserveer ik drie/tiende deel via selectie en zeventiende via loting. Ik wil erop wijzen dat het hierbij gaat om het oordeel van de leerlingen over wat rechtvaardig is."

Kolthoff (PvdA)
"Vervolgens sprak mevrouw Ginjaar namens de V.V.D.: 'Wij zijn van oordeel dat een selectiesysteem op basis van prestaties van individuen een kans geeft hun eigen lot te sturen.' Zeker, en ik zou daaraan willen toevoegen: en daarmee, bij schaarste, dat van anderen."

Van der Spek (PSP)
"Ik meen dat een derde maal meedoen bepaald wèl moet leiden tot plaatsing. Hierin is wel degelijk een stuk motivatie gelegen. Het mag natuurlijk niet tot een stuwmeer leiden en daarom hebben wij gesteld, dat de capaciteit vergroot moet worden. (...) Ik meen, dat bij de categorie van de allerhoogst begaafden - voorzover dit meetbaar is met cijfers, maar dit is het enige criterium dat wij hebben - het niet verantwoord is, ook deze lieden de kans te laten lopen, dat zij niet kunnen studeren wat zij willen."

Opmerking. Dit is een typisch meritocratisch standpunt, waarin 'lieden' die een bepaalde prestatie leveren, om die reden een privilege krijgen toebedeeld dat anderen niet krijgen, ook al heeft dat privilege geen dwingende relatie tot die geleverde prestatie (zie bijv. Young, 1990).

"Ik heb het idee geopperd, niet gepropageerd, maar meer in de vorm van een vraag naar voren gebracht, dat het advies van de school zou kunnen worden ingewonnen over de motivatie. Ik vind dat de heer Veerman dit idee overtuigend heeft bestreden."

Staatssecretaris Klein
"Op de vraag van de kamer hoe de gehele Regering tegenover deze zaak stond, heb ik gesteld dat de Regering van mening is dat, waar het een kwestie is van afweging op basis van rechtsgevoel wat als meest rechtvaardige oplossing naar voren moet komen, zij zich in het stelsel heeft te conformeren aan hetgeen in het parlement leeft."

Het amendement van de heer Vermaat ligt ten grondslag aan de gewogen loting zoals die op dit moment, 1996, nog steeds van kracht is, na de nodige verlengingen van de Machtigingswet inschrijving studenten.


6. COMMISSIE WARRIES 1977


Warries, E. (Voorzitter) (1977). Toelatingscriteria voor de numerus fixus-studierichtingen in het wetenschappelijk onderwijs. Advies van de Adviescommissie toelatingscriteria wetenschappelijk onderwijs. Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen. januari 1977. (tussenrapportage 27 februari 1976)

De commissie is door staatssecretaris Klein naar aanleiding van een motie van Mw. Ginjaar-Maas (VVD) ingesteld.

De genoemde motie vraagt om een "voor alle betrokkenen aanvaardbaar selectiesysteem" "waarmee de toelating tot de instellingen van het wetenschappelijk onderwijs op bevredigende wijze geregeld kan worden." Daarvan zegt de Cie. in een tussenadvies van 27 februari 1976 dat dit "gezien de discrepantie die er bestaat tussen de vraag naar en het aanbod van onderwijs naar haar mening ten enenmale onmogelijk" is. En voegt daaraan toe "het selectie-vraagstuk is niet slechts een technisch vraagstuk, dat door voortgezette studie tot een oplossing kan worden gebracht. Het gaat hier om een probleem, waarover uiteindelijk op politiek niveau een beslissing genomen dient te worden."

De staatssecretaris noemde vooral als bezwaren van de ingestelde gewogen loting de onzekerheid voor uitgelotenen die zich later opnieuw willen aanmelden, en "onvoldoende mogelijkheid tot persoonlijke beïnvloeding van de uitslag der selectie." Het idee van de staatssecretaris was om een groot deel (zeg 80%) van de plaatsen via éénmalige loting toe te wijzen, en de overige plaatsen via een landelijke toets waaraan bij herhaling mag worden deelgenomen. De Cie. kon daarin niet meegaan, omdat eenmaal uitgelotenen met een laag eindexamencijfergemiddelde een minimale of helemaal geen kans op die toets zouden hebben; daarmee zou ook éénmalig loten onaanvaardbaar worden, omdat er dan geen reële herkansing voor iedereen meer zou zijn. De Cie. kan voor de onzekerheid voor uitgelotenen geen oplossing bieden, omdat ophogen van kansen tot stuwmeervergroting leidt, en toepassing van de hardheidsclausule "zou haars inziens leiden tot een oneigenlijk gebruik van deze clausule, welke primair is bedoeld voor degenen wier uitloting zulke onoverkomelijke bezwaren met zich medebrengt, dat uitsluiting van een andere gegadigde verantwoord is." Voor meer eigen invloed op de selectie heeft de Cie. enkele varianten met het eindexamen v.w.o. beschouwd en verworpen, behalve de mogelijkheid van een verlengd examen, en de parkeerstudie. Iemand die in een 'parkeerstudie' de propedeuse heeft behaald, zou een lotingsklasse hoger kunnen komen. De Cie. somt een reeks evidente nadelen van dit voorstel op, maar houdt toch vast aan deze aanbeveling, omdat het de studenten motiveert voor die parkeerstudie, en "Voorts kan de invoering van het voorstel leiden tot een hanteerbare operationalisering van het moeilijk meetbare begrip motivatie." In het eindrapport (p. 37) komt de Cie. hierop terug, wat de langere termijn betreft, omdat het het kiezen van parkeerstudies te zeer zou bevorderen.

In de tussenrapportage doet de Cie. 'met de grootst mogelijke meerderheid' het voorstel kandidaten in de twee hoogste categorieën 'rechtstreeks' toe te laten. Dat zal "een stimulerende werking uitoefenen op de studieprestaties van de goede leerlingen." De Cie. doet nog enkele aanbevelingen die op logistieke problemen betrekking hebben.

De Cie. begint haar eindrapport met een (ongevraagde) beschouwing over de numerus fixus als zodanig, en de gronden die een numerus fixus wel of niet kunnen dragen. Hoge kosten of de arbeidsmarkt zouden tot een beperking kunnen leiden; in het eerste geval zal studierendement bij de toelating een sterke rol spelen, in het tweede zal dat daarentegen in mindere mate het geval zijn. (p. 12)

Over (grote) deficiënties beveelt de Cie. aan (p. 15) betrokkenen van de toelatingsprocedure uit te sluiten. Het alternatief om de omnivalentie van het v.w.o.-diploma af te schaffen is te ingrijpend. Decentrale procedures wijst de Cie. af; "Dit zou zowel selectie-technisch als selectie-ethisch tot niet optimale procedures kunnen leiden." (p. 17) Selectie in de propedeuse is naar de mening van de Cie. een schijnoplossing. "Zeer twijfelachtig zal het dan zijn, of in zo'n situatie de eigenlijke doeleinden van de propedeutische fase - de inleidende en voorbereidende doelen - verwezenlijkt zouden kunnen worden." (p. 18)

Het toelatingsmodel dat de voorkeur van de Cie. heeft is dat van de gewogen loting (p. 21). De Cie. komt hiertoe na afweging van de volgende vragen (p. 22): 1) toelating zonder aanzien of met aanzien des persoons (louter numeriek, of kwalitatief), 2) wie zijn de betrokkenen, 3) wat zijn de doelen als de selectie kwalitatief is? Bij kwalitatieve toelating kan het gaan om 'het bevorderen van de groepscohesie' (toelaten tot 'de club' op basis van subjectieve procedures, want persoonlijke indrukken), of om 'het bevorderen van het rendement.' De betrokkenen zijn 1) het bevoegd gezag, 2) de kandidaten, 3) het direct volgende systeem (werkgevers, beroepsgroep), 4) het direct voorafgaande systeem (VWO), en 5) het meer omvattende systeem (algemeen belang, behartigd door regering en parlement).

Over de mogelijkheid van een wachtlijst is de Cie., gezien de ervaring daarmee in West-Duitsland, zeer kort: "Voor toepassing gedurende een langere termijn komt zij wegens het stuwmeereffect, dat zal optreden, niet in aanmerking." (p. 28) Het doel groeps-cohesie is 'in de gegeven tijdsomstandigheden en gezien de onderwijssituatie in de universiteiten, niet ter zake." (p. 28)

De gelijke kansen-variant als numerieke procedure is bespreking waard, de Cie. verwijst naar de argumenten die in de Tweede kamer zijn gewisseld. Ook de rendements-variant is een serieuze variant, maar de Cie. ziet de vermeende voordelen niet als eenvoudig te realiseren, en voegt toe: "In sommige gevallen is zelfs een duidelijk nadeel gesignaleerd: daar, waar namelijk intellectuele belangstelling, zoals in sommige Amerikaanse geneeskundige opleidingen, leidt tot veelvuldigde [sic] specialisaties of tot onderzoeksloopbanen, zodat de huisarts niet meer beschikbaar komt." Het interview als instrument wordt door de Cie. afgewezen; "Het interview kan aanleiding geven tot het uitleven van vooroordelen. Het is dan ook gebleken, dat van elkaar onafhankelijk optredende interviewers dikwijls tot verschillende resultaten komen." (p. 31)

De gewogen loting is "een geheel nieuw systeem van toelating, waarbij elementen uit de beide andere, zuivere, modellen gebruikt zijn." (p. 32)

De Cie. geeft nog een toelichting op haar eerdere advies de beide hoogste categorieën rechtstreeks toe te laten (p. 33:) "Tevens werd geadviseerd om de wegingsfactoren voor de overige categorieën hierbij aan te passen om een zo gelijkmatig mogelijk verloop van de curve te waarborgen. Een implicatie van bovenstaand voorstel is nl. dat de gewichten per categorie steil moeten oplopen wil het verschil tussen 7,5 en 8 niet erg groot worden. Het voorstel behelsde dus een sterk selectieve variant van gewogen loting speciaal in het geval waarin slechts weinigen kunnen worden toegelaten. Op deze implicatie moet nadrukkelijk worden gewezen omdat hij niet door ieder meteen wordt onderkend." Dit 'voorstel Warries' is aan leerlingen voorgelegd;

"In een in juni 1976 door de Vereniging Ons Middelbaar Onderwijs gehouden enquête onder leerlingen van 5-v.w.o. van een 20-tal scholen over lotingsmethoden bij de toelating tot het hoger onderwijs, bleek het grootste gedeelte van deze leerlingen, die rechtstreeks belanghebbenden zijn bij de voor de studiejaren 1977-1978 en 1978-1979 geldende toelatingscriteria, een systeem van gewogen loting, waarbij de topgroep rechtstreeks wordt toegelaten, te prefereren boven de huidige regeling (auteur; drs. J.M. van der Hart, Directeur Onderwijsbureau OMO, gepubliceerd in 'Director', periodiek van AVS, spet. 1976, nr.87). Dit blijkt uit de volgende tabel, die de antwoorden weergeeft op de vraag een keuze te maken tussen het voorstel van de commissie-Warries en de huidige regeling:



rapport- gemiddelde aantal leerlingen voorstel Warries huidige regeling onbekend


meer dan 8 21 18 2 1
7,5 - 8 103 70 27 6
7 - 7,5 261 174 75 12
6,5 - 7 461 276 156 29
6 - 6,5 400 187 180 33
minder dan 6 86 53 23 10




De Cie. erkent dat in een systeem van gewogen loting de nadelen zoals die aan de zuivere modellen kleven, niet kunnen worden weggenomen. "Slechts de scherpe kantjes kunnen afgeslepen worden." De Cie. heeft ook zelf een onderzoek laten doen naar de aanvaardbaarheid van integrale selectie, integrale loting, en gewogen loting (als bijlage bij het rapport opgenomen; W. K. B. Hofstee en P. M. L. Trommar; Selectie en loting: mening van VWO - eindexaminandi). "Zeer duidelijk wordt integrale selectie afgewezen. Loting en gewogen loting gooien ongeveer even hoge ogen. Naarmate de directe betrokkenheid van de respondenten bij de fixusproblematiek stijgt (in verband met voorgenomen universitaire studie) blijkt een lichte voorkeur voor integrale loting over te gaan in een duidelijke voorkeur voor gewogen loting." (p. 36-37)

"Alles afwegend wil de commissie een duidelijke voorkeur uitspreken voor de toepassing van een systeem van gewogen loting, waarbij de goede elementen uit het rendements- en het numerieke systeem zijn overgenomen. De bepaling van de gewichten is naar de mening van de commissie een politieke kwestie." (p. 36) De Cie. wijst op de wenselijkheid "d.m.v. simulaties te bezien wat het effect van die gewichten zal zijn, gegeven een schatting van de selectieratio en van de cijferverdeling."

De Cie. besluit met nog enkele opmerkingen over wat zij 'bijprocedures' noemt; de kredietvariant (een contingent plaatsen voor toelating op grond van verdienste), een sociale criteria-variant (idem op grond van positieve discriminatie), en de hardheidsclausule (per studierichting een gedifferentieerd quotum), en een uitvoerige beschouwing over herkansing en alternatieven.

De Cie. geeft tenslotte een opsomming van haar conclusies en aanbevelingen in 11 punten. De laatste (p. 48) verdient nog aandacht: "Het bestaan van reële alternatieve studiemogelijkheden voor afgewezen gegadigden is van het hoogste belang. Wanneer er geen goede of te weinig reële alternatieven bestaan valt een numerus fixus in feite niet te rechtvaardigen."

De voorzitter van de commissie, Warries, keek na bijna 20 jaar nog eens terug op het werk van zijn commissie (NRC Handelsblad 4 juli 1996): "We hebben gezocht naar een eenvoudig systeem, wetenschappelijk verantwoord, objectief, en begrijpelijk voor alle partijen, leerlingen, scholen en medische faculteiten. Dat systeem, de gewogen loting, heeft het tot op de dag van vandaag uitgehouden. Als een nieuwe commissie iets beters wil bedenken, zal ze het moeilijk krijgen."

Evaluatie
Er zijn een aantal leemten in het rapport, die achteraf misschien makkelijker zijn te constateren dan in 1977 (er is rond dit rapport destijds geen publieke discussie geweest, zoals wel met het een jaar later verschenen rapport van de Cie. Wiegersma het geval was).

De analyse van de eigen invloed op de selectie is blijven steken in de analyse van de mogelijkheden om door hoge eindexamencijfers de kansen te vergroten, een analyse die de Cie. bekroont met het voorstel om de beide hoogste categorieën direct toe te laten. Waar de Cie. elders wel mogelijke ethische problemen aanstipt, blijft een analyse van de mogelijke ethische problemen bij het preferent belonen van hoge eindexamencijfers achterwege. De Cie. gaat bijvoorbeeld niet in op de vraag wat nog de ruimte is voor rendements-argumenten wanneer voor geneeskunde blijkt dat voor vrijwel alle categorieën het rendement zeer hoog is. In dat geval ontstaat er ook een ethisch probleem omdat het dan ineens minder vanzelfsprekend is dat de invloed op de eigen selectie zou kunnen lopen via de hoogte van eindexamencijfers (Vergelijk de situatie in Japan, zie Teichler ,1992).

Wat ontbreekt bij het advies om de hoogste categorieën rechtstreeks toe te laten is een simulatie of berekening van de inlotingskansen in een representatieve reeks van mogelijke selectie-situaties. De commissie waarschuwt wel nadrukkelijk dat dit voorstel tot steil oplopende inlotingskansen kan leiden, maar laat dit niet concreet zien. Bij geneeskunde in 1996 is de selectieverhouding dusdanig dat die kansen waarschijnlijk zeer steil zullen oplopen, terwijl het voor de selectieverhouding zoals die voor diergeneeskunde aan de orde is, zelfs de vraag is of er wel ruimte overblijft voor een steil oplopende reeks kansen. Mogelijkheden om op andere manieren te wegen zijn nog onvoldoende in discussie geweest. Zo is voorzover mij bekend nooit het idee geopperd om de weging af te laten hangen van de studierichting waar het om gaat, of van de verhouding van het aantal kandidaten tot het aantal plaatsen. De eenvoud zou daartegen pleiten, maar de extreem uiteenlopende selectieverhoudingen (vergelijk tandheelkunde - geneeskunde - diergeneeskunde als een in dit opzicht oplopende reeks) leiden bij dezelfde wegingsfactoren tot geheel andere toelatingssituaties. De gewichten kunnen flexibel worden gekozen, waarvoor Hofstee en Kiers (1996) een pleidooi voeren: de flexibiliteit is juist geschikt om politieke compromissen te accommoderen. Een voorbeeld van het treden buiten het gebaande pad van de gewichten van Vermaat is de exercitie van Van den Berg en Hoen (1996), die voor iedere lotingsklasse in beginsel hetzelfde aantal plaatsen beschikbaar willen stellen. De laatste auteurs suggereren dat daarmee de nadelen van het systeem van gewogen loting zouden zijn weg te nemen, wat evident niet kan zolang er een numerus fixus blijft bestaan.

In zijn terugblik eigent Warries zich het systeem van gewogen loting toe. De tijd heeft hier de details doen vergeten. De gewogen loting is bepaald een idee dat ouder is dan zijn commissie (Wijnen, 1973; amendement Vermaat, 1975). De specifieke vorm die de Cie. voorstond, rechtstreekse toelating van de beide hoogste categorieën, is juist niet overgenomen door de politiek, ook niet door de in 1978 aantredende minister van onderwijs, dr. Pais (VVD).

7 COMMISSIE WIEGERSMA 1978

Wiegersma, S. (Voorzitter) (1978). Werkgroep Selectie i.v.m. de machtigingswet inschrijving studenten. Rapport aan de minister van onderwijs en wetenschappen. 31 mei 1978.

De 'Werkgroep Selectie,' verder 'commissie' genoemd, had al in 1973 geadviseerd, en werd op 28 maart 1978 door minister Pais opnieuw om advies gevraagd.


De Cie. grijpt terug op haar eerdere rapport uit 1973. Het advies van de Cie. komt neer op een derde van de plaatsen toekennen op basis van cijfers voor het centraal schriftelijk eindexamen, een derde op basis van een toelatingstoets voor de betreffende numerus fixus-studie, en een derde door ongewogen loting. Op basis van dit advies geeft onderwijsminister Pais het Cito opdracht voor geneeskunde een dergelijke toelatingstoets te ontwikkelen.

De Cie. kiest positie door het formuleren van bezwaren tegen de bestaande gewogen loting, bezwaren die terugkomen in de vorm van uitgangspunten. De bezwaren / uitgangspunten zijn echter niet dwingend. De Cie. lokt dan ook felle reacties uit, onder andere van Warries en Hofstee (Cie. Warries), waarop Wiegersma dupliceert in NRC Handelsblad in juli 1978. De hier en daar minder zorgvuldige geformuleerde uitgangspunten, er komen tautologieën in voor, verzwakt het advies (in een later interview heeft Wiegersma gezegd dat de werkgroep drie keer bijeen is geweest, mogelijk te weinig om onduidelijkheden uit de tekst te kunnen halen).


Rapportage
Voor de gewogen loting ziet de Cie. een aantal bezwaren en een voordeel (p. 10-11). Het eerste bezwaar is "dat het voor leerlingen met goede capaciteiten en een sterke gerichtheid op een bepaalde studierichting waarvoor een numerus clausus geldt niet mogelijk is zich door eigen inspanning een plaats te verzekeren. (...) het blijft toch een loting die voor deze leerlingen niet te rechtvaardigen is." Het tweede bezwaar is "dat het voor een v.w.o.-leerling onmogelijk is, om de grootte van zijn of haar toelatingskans vooraf met een redelijke betrouwbaarheid te schatten. Naar een bepaalde, hoge kans toewerken is dus ook niet mogelijk." Het derde bezwaar: "De mogelijkheid om zich te kwalificeren door op de gewenste opleiding gerichte specifieke studieprestaties - door deel te nemen aan een vergelijkende toelatingstoets, zoals in veel andere landen gebruikelijk is - is niet aanwezig." Het voordeel: "bij het systeem van gewogen loting is niemand bij voorbaat kansloos. (...) Dit punt is belangrijk omdat er geen selectiemiddelen bestaan, waarmee men met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan uitmaken dat een (toelaatbare, voor het examen geslaagde) gegadigde ongeschikt zou zijn." De Cie. heeft bezwaar tegen de redenering dat gelijke toelatingsrechten tot gelijke toelatingskansen zouden moeten leiden. "Nu het toelatingsrecht de facto is opgeheven valt echter niet in te zien waarom de onmiskenbaar aanwezige verschillen niet mede in de toelatingsselectie zouden mogen worden betrokken."

De Cie. brengt een onderscheid aan tussen de afsluitingsfunctie van eindexamens, en de toelatingsfunctie, een onderscheid waar al eerder door De Groot voor werd gepleit. Dat onderscheid heeft de Cie. nodig voor haar pleidooi voor studierichtings-specifieke toelatingstoetsen.

De Cie. formuleert als algemene eisen waaraan de selectie moet voldoen: 1) objectiviteit van de instrumenten, 2) doorzichtigheid (kandidaten moeten er door eigen inspanning iets aan kunnen doen), 3) inhoudelijke voorspellende geldigheid, en 4) dus studietoetsen.

Omdat selectieverhoudingen nogal kunnen variëren, doet de Cie. het voorstel om de grens waarboven rechtstreeks wordt toegelaten te variëren tussen bijv. 7 en 7,5 (De Cie. werkt dat uit in een bijlage bij het rapport).

In de toelatingstoetsen, die dezelfde kennis veronderstellen als in de eindexamenopgaven, "dienen de elementen van inzicht en toepassing in de toetsing een sterker accent te krijgen."

"Het nieuwe systeem brengt passend tot uitdrukking, dat de selectie niet primair de 'predictieve' betekenis heeft van: 'geschikten' toelaten en 'ongeschikten' afwijzen. Toelating betekent dat een door inspanning en prestatie verworven claim wordt gehonoreerd. Terugverwijzing naar de loting betekent niet een 'ongeschiktheids'oordeel over de desbetreffende gegadigden, maar alleen dat zij zo'n claim niet kunnen overleggen." (p. 21)


Evaluatie

eerder advies.
De Cie. gaat voorbij aan het rapport van de Cie. Warries, en aan het onderzoek van Hofstee en Trommar naar de mening van eindexaminandi. Dat is jammer, want omdat de Cie. nogal nadrukkelijk in haar bezwaren tegen gewogen loting uitgaat van de positie van de leerling-kandidaat zou het de Cie. verbaasd moeten hebben dat een overgrote meerderheid van leerlingen kiest voor integrale of gewogen loting. Het is ook jammer omdat deze Cie. zich toch zou moeten kunnen vinden in het idee van de Cie. Warries in ieder geval de hoogste twee categorieën rechtstreeks toe te laten. Wat hierover de mening van de Cie. is is niet bekend, ook niet uit latere stukken van Wiegersma en De Moor.

'zekerheid.'
Minder juist is de gedachte dat het bij vergelijkende examens mogelijk zou zijn zich wèl van een plaats 'te verzekeren.' Examens zijn immers tot op zekere hoogte ook loterijen, waarvan de kansen zijn te berekenen op basis van binomiale modellen (Van den Brink, 1982). Het idee dat een examen ook een loterij is gaat tenminste terug tot Edgeworth (1888, p. 626), een grondlegger van de mathematische statistiek. Modelmatige berekeningen op het voorstel van de Cie. in vergelijking tot gewogen loting zijn inderdaad uitgevoerd en te vinden in CRWO (1978) en Wilbrink (1980b, tabel 2). Een concreet voorbeeld: de leerling die nog vóór het eindexamen op goede gronden verwacht voor dat eindexamen gemiddeld een acht te halen, heeft niet de 'zekerheid' bij Wiegersma dan ook rechtstreeks te worden geplaatst, maar zijn of haar kans daarop is ongeveer 9 op 10. Zeker, iemand die nà het eindexamen een acht gemiddeld blijkt te hebben, wordt met 'zekerheid' rechtstreeks geplaatst, maar dat is een a posteriori-redenering waar de september-leerling in de eindexamenklas weinig voor koopt.

platonisch.
De Cie. gaat (ondanks de eigen technische Bijlage 1) ook voorbij aan het niet geringe probleem dat er niet een scherpe cesuur, maar een gradueel onderscheid is tussen kandidaten met 'goede geschiktheid en sterke gerichtheid' en kandidaten die daarin net iets minder zijn. Niemand kent trouwens die kandidaten met 'goede geschiktheid en sterke gerichtheid', het enige dat bekend is zijn behaalde cijfers.

doorzichtigheid.
Dat v.w.o.-ers hun lotingskansen niet globaal zouden kunnen inschatten is een empirisch toetsbare uitspraak. De gewogen loting is ook doorzichtig in de betekenis die De Groot aan dat begrip hecht, omdat het iedereen duidelijk is dat hogere eindexamencijfers een hogere kans opleveren. De kansen zelf mogen afhangen van de omstandigheden, zoals het aantal kandidaten dat zich aanmeldt, maar dat probleem is ook door de Cie. niet opgelost: zij komt met een ingewikkelde (ondoorzichtige?) berekening voor de grens waarboven kandidaten direct toegelaten zouden kunnen worden, waarvan de resultaten afhangen van aantal kandidaten en hun cijfers en aantal plaatsen.

breuk.
De Cie. geeft geen overtuigende onderbouwing van de scherpe grens tussen net wèl en net niet op basis van cijfers rechtstreeks geplaatst worden. Op dit punt richten zich vele kritieken in de pers, waarop Wiegersma uitvoerig heeft geantwoord (NRC). Wiegersma antwoordt dat die breuk niet aan de procedure, maar aan het probleem (het feit van de getalsbeperking) ligt. Wiegersma redeneert dat bij een numerus fixus er altijd een scherp verschil is tussen de toegelatenen en de niet toegelatenen. Zo construeert hij zelfs een 'breuk' bij loten: "Evenwel moet binnen vrijwel iedere categorie worden geloot en rondom de laatste lotnummers die nog kunnen inloten ziet men dan toch weer dezelfde scherpe daling van de plaatsingskansen optreden." Dit is een misvatting. Het gaat er bij loten als procedure juist om (zie de internationale literatuur, o.a. Rawls, Elster) dat vooraf de kansen gelijk zijn. Wiegersma kan de 'breuk' niet verdedigen door de numerus fixus als schuldige aan te wijzen, waar immers de Cie. Warries voor diezelfde numerus fixus komt met een voorstel met een minder scherpe 'breuk.'

Er moet evenwel een helder onderscheid worden gemaakt tussen de situatie voorafgaand aan het eindexamen, en die wanneer de behaalde cijfers bekend zijn. De Cie., en de meeste critici, gaan er stilzwijgend vanuit dat eindexamencijfers al bekend zijn, en dan is het sneu wanneer die gemiddeld net een fractie te laag blijken voor rechtstreekse plaatsing. Natuurlijk is dat sneu, en op dezelfde wijze is het sneu in de loting net geen plaats te krijgen (omdat het volgnummer dat je geloot hebt net te hoog is). Maar wat hier sneu is, is de positie nadat de selectie heeft plaatsgevonden: nadat het examen is afgelegd, nadat lotingsnummers bekend zijn gemaakt en dus bekend is hoeveel kandidaten jou voor zijn. Iedere deelnemer weet tevoren dat dit hem of haar kan overkomen. Wat telt in de redenering dat inspanning moet worden beloond, is dat voorafgaand aan het examen het duidelijk is of een extra inspanning verschil uit kan maken, of niet. Een aantal argumenten tegen het voorstel van de Cie. hebben hierop betrekking: degenen die van zichzelf weten zeker geen 7,5 gemiddeld te zullen halen, en ook bij concentratie op de twee vakken van de extra toets niet tot de selecte topscorers te zullen behoren, worden in de procedure van de Cie. niet gestimuleerd tot een extra inspanning. Hier ligt een verschil met de gewogen loting, die het in dit opzicht wint van de drieslag van de Cie.

selecteren of plaatsen.
De Cie. publiceert een technische bijlage over selectie onder de vooronderstelling dat het de geneeskundige faculteit is die selecteert, en dus dat het om het rendement van deze faculteit gaat, maar beargumenteert niet waarom dat het juiste model zou zijn. De literatuur (Cronbach & Gleser, 1965) is er evenwel duidelijk over: het rendement van 'schaars talent' wordt bepaald door de wijze waarop dat talent over alle studierichtingen in het universitair onderwijs wordt verdeeld, dus niet geselecteed maar geplaatst. Alleen voor numerus fixus-studies selecteren met rendement als criterium moet alleen al op theoretische gronden tot ondoelmatigheid leiden (zie ook Van Dyck, 1995). Omdat de benutting van menselijk kapitaal een maatschappelijke aangelegenheid is, niet alleen die van geneeskundige faculteiten, draagt de overheid ook de verantwoordelijkheid voor een juiste plaatsing.

onderwijsselectie of personeelsselectie?
De Cie. kiest een set eisen voor de selectie: 1) objectiviteit, 2) doorzichtigheid, en 3) inhoudelijke voorspellende geldigheid. De eerste eis is onomstreden. De tweede eis volgt uit de wens dat kandidaten door eigen inspanning invloed op de selectie moeten kunnen hebben. De Cie. constateert dat een intelligentietest daarmee in strijd zou zijn. De kernvraag moet dan zijn waarom bij de toelating tot een numerus fixus studie, bij geneeskundige studies tevens in zekere zin toelating tot een beroepsgroep, een instrument moet worden buitengesloten dat overigens bij personeelsselectie zeer algemeen wordt gebruikt. Dat selectie-instrumenten inhoudelijke voorspellende geldigheid moeten hebben lijkt vanzelfsprekend, maar wat de commissie hier bedoelt blijft mistig. In de personeelsselectie is er wèl duidelijkheid: selectie hoort te gebeuren op die kenmerken en kwalificaties die van belang zijn voor de goede uitoefening van de betreffende functie. Om dat te kunnen doen is het gewenst een functie-analyse uit te voeren, en op basis daarvan selectie-instrumenten te ontwikkelen. Bij de toelating tot geneeskundige numerus fixus-studies wordt dat ingewikkeld, want de mogelijke functies later zijn heel divers, zijn daar wel communale functie-eisen voor te vinden, en zo ja, kan daarop worden getest? En waarom zou hier geen intelligentietest gebruikt mogen worden? De Cie. raakt verstrikt in de eigenaardige verschillen tussen selectie in het onderwijs en personeelsselectie. Omdat er bij de geneeskundige opleidingen zo'n unieke relatie is tussen opleiding en beroep, zoals die in andere studierichtingen zelden aanwezig is, kan niet worden volstaan met slechts te poneren dat de criteria voor selectie gevonden moeten worden binnen de opleiding zelf, niet in de erop volgende beroepsuitoefening.

verdienste.
De Cie. vat hier en daar eigen posities kernachtig samen, zo ook in het hierboven gegeven citaat van p. 21, over het honoreren van inspanning en prestatie. Het lijkt een heldere keuze die de Cie. hier maakt, maar toch is die keuze bewijsbaar onjuist. Het argument speelt ook in de huidige discussie een belangrijke rol. De formulering van de Cie. lokt onmiddellijk de wedervraag uit waarom het zo zou zijn dat kandidaten met lagere eindexamencijfers niet kunnen claimen zich te hebben ingespannen, en te hebben gepresteerd. Er bestaat hier een bruikbare analogie met de problematiek van prestatie-indicatoren voor het onderwijs. Het is nu algemeen geaccepteerd (bijv. Roeleveld, 1994) dat de prestaties van bijv. basisscholen op de Cito-toets niet per definitie met de kwaliteit van het onderwijs op die school hebben te maken, dus niet op zichzelf een juiste aanwijzing vormen voor inzet en prestatie van de school. Dat is zo, omdat de aard van de instroom in die school mogelijk de volledige verklaring vormt voor een relatief hoge of lage gemiddelde Cito-score. Wanneer het de bedoeling is inspanning en prestatie te belonen, maar in de praktijk worden alleen hoge cijfers beloond, dan kunnen bedoeling en praktijk behoorlijk uit elkaar lopen omdat capaciteiten hebben en hoog presteren niet hetzelfde is als hoge cijfers halen. Het is een zeer principiële problematiek, waarop in het kader van meritocratisering van de samenleving (Young, 1959) en rechtvaardigheid (Rawls, 1974) beargumenteerde posities zijn te kiezen, wat de Cie. nalaat, maar zij is daarin bepaald niet de enige. Zie voor dit laatste ook de bundel die de Onderwijsraad voorjaar 1997 uitbrengt over toegankelijkheid van het onderwijs.

toets.
De toelatingstoets voor geneeskunde is door het Cito ontwikkeld, in opdracht van de minister, en onder begeleiding van een door de minister ingestelde commissie onder voorzitterschap van prof. dr. P. J. D. Drenth (zie Broekman, Van Antwerpen, Meijering & Reijnaert, 1979). De commissie telde vijf leden, waaronder Wiegersma, die eveneens lid waren van de Cie. Wiegersma (Werkgroep Selectie): gezien het eerdere tegengestelde advies van de eveneens zeer deskundige Cie. Warries een situatie waarin een 'risky shift' bijna onontkoombaar is. De kosten van ontwikkeling en afname van de toets (alleen voor geneeskundige studies?) worden door het Cito geraamd op jaarlijks ongeveer 4 ton (Broekman e.a. p. 46). Het team van het Cito heeft zich georiënteerd in de VS (de Medical College Admission Test (MCAT)) en West-Duitsland (ontwikkeling van de Hochschuleingangstest door Michel en anderen). Of de toets 'elementen van inzicht en toepassing' meet die in het eindexamen minder duidelijk worden gemeten, is een omstreden punt. Ook is omstreden (Wilbrink, 1980a) dat de toets een valide instrument zou zijn, omdat in de Nederlandse situatie van toelating tot het universitair onderwijs een dergelijke toets niet zozeer voorspellende geldigheid voor in dit geval geneeskunde moet hebben, maar differentiële geldigheid voor de beslissing welke studie een kandidaat het beste kan doen.

Conclusie
Afgezien van omstreden details stelt de Cie. voor bij numerus fixus-studies in deze volgorde een derde van de plaatsen toe te kennen op basis van eindexamencijfers, een derde op basis van een toelatingstoets, en een derde door ongewogen loting. Voor het ondubbelzinnig afwijzen van subjectieve selectiemethoden is de Cie. ook door haar critici geprezen.
In vergelijking met het voorstel van de Cie. Warries is het omstreden element hierin de toelatingstoets, maar die toets is de kern van het voorstel; zonder de toets zou de oude variant-De Brauw overblijven, door niemand gewild. De Cie. Wiegersma legt een iets grotere nadruk op presteren dan de Cie. Warries doet, maar het verschil is niet groot. De ongewogen loting lijkt een drastisch verschil met de Cie. Warries op te leveren, maar is dat niet principieel omdat de toelatingstoets ook als een loterij werkt, maar dan een typische examenloterij waarin de kandidaten met de hoogste beheersing de beste kansen hebben. Een verschil met Warries is wel dat het voorstel van de Cie. Wiegersma de politiek minder ruimte lijkt te laten: er kan niet met de weging worden geschoven, want die is er niet, wel met de contingentering voor de drie rubrieken, ook al wijst de Cie. zelf niet op die mogelijkheid.

Alles draait om de onderbouwing van de introductie van een toelatingstoets (dat zo'n toets kan worden geconstrueerd is op zich niet omstreden, en het Cito heeft laten zien dat het kan). Die onderbouwing is door een niet geheel consistente combinatie van uitgangspunten niet overtuigend, ook niet na de dupliek van Wiegersma (1978) op de repliek van Hofstee, Knoers, Warries, & Wijnen (1978). Modelberekeningen hebben laten zien dat voor de leerling die aan het eindexamenjaar begint de verwachte plaatsingskansen onder het model van de ene of van de andere commissie niet wezenlijk verschillen, in welk geval de extra toelatingstoets die de Cie. Wiegersma nodig heeft een extra belasting is die de Cie. Warries welbewust heeft vermeden.

VOORONTWERP PAIS 1980, met advies ACADEMISCHE RAAD

Voorontwerp van wet houdende machtiging inschrijving studenten wetenschappelijk onderwijs (door de minister, dr. A. Pais, op 15 juli 1980 om advies naar de Academische Raad gezonden)

Er is uiteindelijk geen ontwerp van wet ingediend omdat hiervoor het draagvlak in het Parlement ontbrak, met name ook bij de coalitiepartner van de VVD, het CDA, omdat de behandeling van de Wet twee fasen-structuur prioriteit verdiende, en omdat het kabinet nog slechts een jaar had te gaan.

De tekst van het voorontwerp handelt uitvoerig over zaken die voorafgaan aan het instellen van een plaatsingscommissie of het vaststellen van een numerus fixus. Wat hier ter zake is, is alleen de wijze waarop bij een numerus fixus de toelating wordt geregeld, dat betreft paragraaf 12. Zonder evaluatie volgen hier passages uit het Voorontwerp, de Toelichting, en het advies van de Academische Raad.

Paragraaf 12. Procedure met betrekking tot toelating, indien een numerus clausus is vastgesteld

"Artikel 17.

1. In het geval van overschrijding van de beschikbare onderwijscapaciteit stelt Onze minister richtlijnen vast voor de wijze waarop de toelating wordt geregeld.
Behoudens in nader door Onze minister aan te wijzen gevallen vindt hierbij in elk geval toepassing plaats van het volgende stelsel:

a. een derde deel van het vastgestelde aantal plaatsen wordt toegewezen aan degenen (...) [met een getuigschrift vwo] en die bij dat examen het hoogste totaal aantal punten hebben behaald, met dien verstande (...) dat degenen, die een gelijk aantal punten op vorenbedoelde wijze hebben behaald, worden toegelaten.

b. een derde deel van het vastgestelde aantal plaatsen wordt toegewezen aan degenen, die in het bezit zijn van een getuigschrift als genoemd in dit artikellid onder a en die bij dat examen het hoogste aantal punten hebben behaald bij het centraal schriftelijk gedeelte, bij het schoolonderzoek dan wel het mondelinge gedeelte van dat examen en de bij de in dat jaar af te nemen landelijk vergelijkende toets in de verhouding van respectievelijk 0.5 : 0.5 : 1, met dien verstande, dat al degenen, die een gelijk aantal punten op vorenbedoelde wijze hebben behaald, worden toegelaten.

c. het resterende aantal plaatsen wordt toegewezen door toepassing van een systeem van loting met een verschillende kans op inloting.

2. Degene, die met het oog op een bepaalde studierichting aan de in het eerste artikellid omschreven toelatingsprocedure volledig heeft deelgenomen, is van deelname van deze toelatingsprocedure voor die studierichting voor enig volgend studiejaar uitgesloten.

[par. 15, art. 20 overgangsbepaling: als er geen toelatingstoets is ontwikkeld, dan tweederde van het aantal plaatsen toewijzen zoals in art. 17a bepaald]

Memorie van Toelichting
"Het gegeven van eerderbedoelde toelatingsbeperking roept het probleem op van de meest verkieslijke selectiemethode. De ondergetekenden namen in dit verband met belangstelling kennis van de gedachtengang in deze van de Werkgroep Selectie, die onder voorzitterschap van Prof. dr. S. Wiegersma een nader in par. 2 van deze Memorie aan de orde komend rapport over de selectie bij studierichtingen met een numerus clausus uitbracht. (...)"

Paragraaf 2 van de Memorie gaat uitvoerig in op de wijze van selecteren. Hieruit zijn in ieder geval de volgende passages van belang.

"In de op 16 januari 1978 afgelegde Regeringsverklaring is gesteld, dat de regering loting als toetsingsmechanisme minder aanvaardbaar acht en dat zal worden gestreefd naar de opstelling van inhoudelijke criteria voor toelating tot instellingen van hoger onderwijs."

Genoemde uitgangspunten
"- De a.s. studenten dienen een mogelijkheid te hebben om de uitslag van de toelatingsprocedure te beïnvloeden; leerlingen met goede capaciteiten en een sterke gerichtheid op een bepaalde numerus clausus-studierichting moeten zich door eigen inspanning zoveel mogelijk van een plaats kunnen verzekeren.

- Het is gewenst om bij de selectie verschillende relevante criteria te betrekken, zodat de aanstaande studenten de mogelijkheid hebben om via verschillende sporen toelating te verkrijgen.

- Het is van belang dat schaarse beschikbare onderwijsvoorzieningen zo goed mogelijk worden gebruikt. Daarom verdient het aanbeveling om de kwaliteiten die studenten in een wetenschappelijke opleiding bij voorkeur dienen te hebben, een rol te laten spelen bij de toelating. De selectiemiddelen dienen mede te zijn afgestemd op de aard en het niveau van de betreffende wetenschappelijke opleiding.

- De te hanteren selectiemiddelen dienen te voldoen aan eisen van objectiviteit.

- De doorzichtigheid van de te hanteren selectie-criteria is van belang, opdat de aanstaande studenten van tevoren zo goed mogelijk kunnen bepalen waar zij aan toe zijn."

"De ondergetekenden stemmen in met de opmerking van de Werkgroep selectie, dat niet valt in te zien waarom onmiskenbaar aanwezige verschillen in capaciteiten en motivatie tussen de kandidaten niet mede in de toelatingsselectie zouden mogen worden betrokken."

"In de eerste plaats wordt het in overeenstemming met billijkheidsoverwegingen geacht om bij de selectiebeslissing rekening te houden met in de voorafgaande schoolperiode behaalde resultaten en met de zich door de leerling getrooste inspanning. In goede eindexamenresultaten weerspiegelt zich het feit, dat de betreffende leerlingen veelal zowel goede studiecapaciteiten als een positieve studiehouding hebben."

Op basis van een aantal inhoudelijke argumenten en een wetstechnische overweging nemen de bewindslieden de suggestie van de Werkgroep om het schoolonderzoek buiten beschouwing te laten, niet over (er wordt verwezen naar de aangekondigde examennota).

"In par. 3.4 van het rapport van deze Werkgroep wordt aangegeven, dat de instrumenten, waarmee men de kwaliteiten van de gegadigden bepaalt van een zo groot mogelijke objectiviteit moeten zijn. In een landelijk uniform systeem verdient ongelijkheid van beoordelingswijzen te worden vermeden. Dit sluit voor wat betreft landelijke beslissingen allerlei methoden categorisch uit: geen interview voor beoordelingsdoeleinden, geen niet-objectieve tests. Voorts wijst het rapport erop, dat voor de kandidaat doorzichtig moet zijn wat er van hem [sic] wordt verwacht, zodat hij er zelf aan kan werken - als en voor zover hij zijn kansen wil verbeteren. Deze eisen laten, behalve bijvoorbeeld attitudetests, ook geen intelligentietests toe, waarop men zich immers niet kan voorbereiden."

De bewindslieden volgen de Werkgroep wat de aard van de te hanteren toelatingstoets betreft, onder verwijzing naar het rapport van het Cito en de brief van de voorzitter van de begeleidingscommissie: voor geneeskundige studierichtingen toetsen in de vakken natuur- en scheikunde, waarin inzicht een sterkere plaats heeft.

"Daar het echter om de introductie van een nieuw element gaat, achten de ondergetekenden het van belang voorshands op voorzichtige wijze deze toetsen te hanteren door in eerste instantie voor deze toetsen een niet te grote plaats in het geheel van de selectieprocedure in te ruimen." In casu door eindexamencijfers en toetsresultaat gelijkelijk mee te laten wegen, een suggestie die in het Cito-rapport werd gedaan (par. 3.6).

"Met de Werkgroep selectie zijn de ondergetekenden van mening, dat het niet gewenst is om kandidaten die een betrekkelijk hoog niveau niet kunnen halen, kansloos te maken. (...)

Voor de verdeling van de resterende plaatsen onder degenen die noch op grond van hun eindexamencijfers noch via deelname aan de toetsen in combinatie met de eindexamencijfers zijn toegelaten, achten de ondergetekenden loting in deze fase als beperkt aanvullend middel derhalve aanvaardbaar. De ondergetekenden zijn voornemens om bij de wijze van loting rekening te houden met de positie van bepaalde categorieën gegadigden, waarvan kan worden gesteld dat zij in een zekere achterstandssituatie verkeren. Met name hebben zij het oog op vrouwelijke gegadigden en degenen die de militaire dienstplicht hebben vervuld.

Zij stellen derhalve voor om in het aantal voor loting beschikbare plaatsen een tweedeling aan te brengen, waarvan de ene helft wordt toegewezen aan vrouwelijke gegadigden en de andere helft aan mannelijke gegadigden. Aldus kan worden gewaarborgd dat tenminste evenveel vrouwen als mannen via de lotingsprocedure toelating verkrijgen. Voor de toepassing van deze maatregel bestaat reden, zolang de verhouding tussen het aantal gegadigde vrouwen en het aantal gegadigde mannen niet in evenwicht is.

Voorgesteld wordt tevens om het aantal voor mannen beschikbare plaatsen zodanig te verdelen, dat de respectievelijke inlotingskansen van de Nederlandse gegadigden die de militaire dienst hebben vervuld en van de overige mannelijke gegadigden zich verhouden als 2:1. Hierdoor kan naar het oordeel van de ondergetekenden een billijke compensatie worden geboden aan degenen die ter voldoening aan een grondwettelijke verplichting enige tijd de normale studiegang hebben moeten onderbreken."

"Naar de mening van de ondergetekenden dient ook voor de[ze] categorieën zonder v.w.o.-diploma een billijke toelatingsmogelijkheid te bestaan. De ondergetekenden stellen derhalve voor om deze categorieën bij de indeling in de hierboven onder 2.3.c beschreven lotingsprocedure een zodanige inlotingskans te geven, dat deze inlotingskans gelijk is aan de verhouding tussen het aantal beschikbare plaatsen en het aantal reële gegadigden, dus aan de selectieratio. Indien bijvoorbeeld voor een bepaalde studierichting twee keer zoveel gegadigden als plaatsen zijn, wordt aan de onderhavige categorieën een toelatingskans van 50% verschaft. In de praktijk betekent dit, dat deze categorieën een verhoogde lotingskans verkrijgen. Gezien de kleine absolute aantallen waar het om gaat, is het nadelig effect van deze kansverhoging voor de overige deelnemers aan de lotingsprocedure slechts gering."

Voor niet-Nederlanders wordt een bepaald quotum in mindering gebracht op het totaal aantal beschikbare plaatsen. "De selectieprocedure voor dit quotum zal afzonderlijk worden bezien."

Voor de hardheidsclausule wordt gedacht aan 5% van het aantal beschikbare plaatsen, in mindering te brengen op het voor loting toegewezen aantal.

deelneming voor één keer
"De ondergetekenden geven echter aan een deelneming voor één keer aan de toelatingsprocedure de voorkeur. Zij wijzen erop dat de gegadigden in het door hen voorgestelde systeem reeds drie mogelijkheden van toelating worden geboden.

Een voordeel van deze maatregel is, dat de onzekerheid ten aanzien van de toelating tot numerus clausus-studierichtingen voor een belangrijk deel wordt weggenomen. De betrokkenen worden niet in het ongewisse gelaten, maar weten na één keer deelnemen of zij al dan niet worden toegelaten.

Voorts kan het volgen van een parkeerstudie met de bedoeling later eventueel om te zwaaien naar de studierichting van de aanvankelijke voorkeur niet meer voorkomen. De afgewezen gegadigden zullen mee dan thans worden genoopt om de studierichting van tweede keuze gemotiveerd te kiezen, daar na te zijn afgewezen [sic] vooruitzicht op een mogelijke toelating tot de studierichting van eerste keuze niet meer bestaat."

Er is geen overgangsrecht voorzien, en dus ook niet uitgewerkt, voor degenen die onder de Machtigingswet niet zijn ingeloot en zich nogmaals zouden willen aanmelden.

Evaluatie
De Academische Raad heeft over dit Voorontwerp geadviseerd (zie hierbeneden).

ACADEMISCHE RAAD (advies Voorontwerp van Wet houdende machtiging inschrijving studenten w.o., 4 november 1980)

"De voorkeur van de Raad gaat uit naar verlenging van de huidige Machtigingswet (...)."
"De in art. 17 lid 1 van het Voorontwerp neergelegde voorstellen voor een bij de toelating tot numerus clausus-studierichtingen te hanteren nieuw selectiesysteem steunen voor een belangrijk gedeelte op de voorstellen die op dit punt zijn ontwikkeld door de Werkgroep Selectie. De Academische raad heeft in zijn desbetreffende advies d.d. 17 januari 1979, A.R.-67, reeds te kennen gegeven dat hij zich om redenen van principiële en van practische aard niet met die voorstellen kan verenigen."

"In het algemeen is de Raad van mening dat de Machtigingswet niet gebruikt mag worden om rendementsverbeteringen na te streven. Hij tekent hierbij aan dat voorzover de studieresultaten in gesloten studierichtingen zouden stijgen door scherpe selectie, deze als gevolg daarvan in de open studierichtingen zullen dalen."

De Raad spreekt zich uit tegen beperking van de deelname tot één keer "omdat deze niet alleen inperking van het toelatingsrecht maar zelfs opheffing van de toelaatbaarheid impliceert. Een dergelijke beperking van de herkansingsmogelijkheden voor toelating zou bovendien niet in de Machtigingswet doch in de Wet op het Wetenschappelijk Onderwijs moeten worden geregeld. Zij zou immers neerkomen op een fundamentele wijziging van met name art. 26 W.W.O."

 
 

6 BESCHRIJVING en ANALYSE van recente VOORSTELLEN

De publieke discussie over de gewogen loting is in 1994 opnieuw op gang gekomen. Naar aanleiding daarvan schreef Drenth in dat jaar een kort artikel met de argumenten voor die gewogen loting, waarna een uitvoeriger betoog in 1995 volgde als Duyker-lezing, met daarop onder andere een repliek van Bolkestein. In 1996 werd een nieuwe actiegroep 'Lotgenoten' actief (eind zeventiger jaren was er ok een dergelijke groep), en kwam de bijzondere actie van het College van Bestuur van de Erasmus Universiteit in het nieuws: een briljante studente die een ongunstig lotnummer had getrokken, maar toch in Rotterdam geneeskunde zou kunnen gaan studeren. In snel tempo volgden de publicaties in de landelijke dagbladen elkaar dan op. In chronologische volgorde worden de bijdragen behandeld van Drenth, Bolkestein, Eykhoff, Mössenlechner (over 'Lot'genoten), Grimbergen, Van Kemenade, Cohen, Van Rossum, Bomhoff, De Groot, De Vries en Wilbrink.


6.1 VOORSTEL DRENTH


P. J. D. Drenth is hoogleraar arbeids- en organisatiepsychologie, en vanuit die functie in het verleden ook betrokken geweest bij de inrichting van de toelating tot numerus fixus studies. Drenth heeft op 29 september 1994 in NRC Handelsblad een verdediging van de gewogen loting gegeven, en deze verdediging verder uitgewerkt in de Duyker-lezing 1995, ook gepubliceerd in NRC Handelsblad van 30 maart.

Drenth onderscheidt twee uitgangspunten: het recht op vrije studiekeuze, dat door een numerus fixus kan worden ingeperkt, en (bij schaarste) selecteren op basis van de hoogste kansen op succes. Loten bij de toelating tot n.f.-studies is dan een minimale aantasting van het recht op vrije studiekeuze, terwijl het andere uitgangspunt is dat nu er toch schaarste is, degenen met de hoogste kans op succes eerst worden toegelaten. Het doel de opleidingscapaciteit te beperken lokt makkelijk het andere doel uit dan ook maar te gaan selecteren op kans op succes. Volgens Drenth is de gewogen loting een aanvaardbaar compromis tussen beide uitgangspunten, waarna hij beargumenteert waarom selectie op uitsluitend eindexamencijfers in de gegeven omstandigheden minder gewenst is. Selectie uitsluitend op examencijfers of in combinatie met resultaten op een toets (1) levert (te) weinig op, (2) resulteert in (te) veel ten onrechte afgewezenen, en (3) gaat voorbij aan de positie van de afgewezenen. Ook in de Duyker-lezing werkt hij dit 'rendementsmodel' in kritische zin uit "omdat de meeste deelnemers aan het selectiedebat het rendementsmodel geheel of in grote trekken hanteren." Drenth onderscheidt ook nog het onderwijskundig model en het verdienste-model, maar werkt deze niet uit.

Drenth pleit voor het handhaven van gewogen loting, omdat in de gegeven situatie een sterkere nadruk op selectie onvoldoende rendementswinst op zal leveren. Bij het uitwerken van het rendementsmodel wijst Drenth er meermalen op dat vanuit de optiek van de overheid of de samenleving het zeker niet vanzelfsprekend is n.f.-studierichtingen een voorkeurspositie te geven t.o.v. andere studierichtingen.

Analyse
Drenth presenteert een eenvoudig denkbeeldig casus dat hij doorrekent op rendementswinst bij selectie. Die winst is beperkt, ondanks de optimistische aannamen die Drenth bij de berekening hanteert, en dat maakt het nut van de selectie twijfelachtig. De opbrengst zou nog geringer worden wanneer er tegelijk rekening mee wordt gehouden dat afgewezen kandidaten een andere studierichting gaan volgen (met vergelijkbare kans op succes). Zijn analyse is elementair, het valt niet in te zien wat daar tegenin valt te brengen. Belangrijker is waarom de verwachte opbrengst van extra selectie zo laag is: Drenth geeft aan dat het Nederlandse middelbaar onderwijs al erg selectief is, en dat tegelijk de voorspellende waarde van eindexamenresultaten beperkt is, en van andere instrumenten, zoals psychologische tests, nog beperkter.

Evaluatie
Drenth verdedigt de gewogen loting tegen voorstellen om uitsluitend op eindexamenresultaten, eventueel in combinatie met andere persoonlijke kenmerken, te selecteren, door aannemelijk te maken dat de rendementswinst bij een dergelijke selectie niet de moeite waard is. Daarbij speelt de specifieke Nederlandse situatie een belangrijke rol: selectief middelbaar onderwijs, selectie alleen bij n.f.-studierichtingen, en een overheid die verantwoordelijk is voor het onderwijs.

Drenth kijkt bij zijn analyse van de mogelijkheden voor selectie uitsluitend naar de relatie tot opleidingsrendementen. Dat is een markant verschil met het voorstel van De Vries (hier beneden), waarin die claim van rendementswinst bijna nadrukkelijk niet wordt gemaakt.

Drenth werkt het selectiemodel uit en wijst het op grond van zijn resultaten af; hij is voorstander van handhaven van de gewogen loting, maar verdedigt dat indirect door het selectiealternatief te kritiseren.


 

6.2 BOLKESTEIN


(partijleider VVD) repliek op Drenth 30 maart 1995


Bolkestein zet een onderwijsfilosofie uiteen waarin de hoogste vormen van onderwijs getalsmatig in omvang teruggesnoeid zouden moeten worden, waarbij de toelating tot dat selectievere hoger onderwijs, en dan vooral het universitaire onderwijs, wordt voorbehouden aan de meest geschikten, dat zijn degenen met de beste eindexamencijfers. "Elitair zijn dergelijke voorstellen inderdaad, want de universiteit dient uit de intellectuele voorhoede van de bevolking te bestaan. Onrechtvaardig zijn ze niet, zolang op intellectuele prestaties wordt geselecteerd en ieder talent in staat wordt gesteld deze prestatie te leveren."

Bolkestein wenst zich prikkels in het onderwijsstelsel om zo hoog mogelijke cijfers te halen, en doelt daarmee niet op de al bestaande sterke prikkels om in het middelbaar onderwijs in zo hoog mogelijke stromen terecht te komen, maar op het loslaten van aan het behalen van examens als zodanig verbonden civiele effecten, ten gunste van civiele effecten uitsluitend gebonden aan de relatieve hoogte van de examencijfers.

Bolkestein begeeft zich in een speculatie over de manier waarop de selectie die volgens Drenth niet mogelijk is, toch mogelijk kan worden gemaakt. Het voorstel komt er op neer om het hele onderwijsstelsel veel selectiever te maken dan het op dit moment is. Hoewel hij onderzoek aanhaalt dat deze gedachte moet ondersteunen, is de beschikbare tijd natuurlijk niet voldoende om een zo vergaand voorstel goed te onderbouwen. Hij besluit de repliek dan ook met een knipoog naar Drenth. "Op die wijze kan via de omweg van selectie door de universiteit, worden bereikt dat het VWO daadwerkelijk wordt verzwaard en dat het daar afgegeven diploma garant staat voor de kwaliteit van opleiding en leerling."

Evaluatie
Bolkestein snijdt in zijn repliek enkele hoofdpunten uit de discussie over toegankelijkheid en selectiviteit van ons (hoger) onderwijsstelsel aan. Daarom is in deze evaluatie een poging gedaan die hoofdpunten te koppelen aan de literatuur.

Met zijn keuze voor een elitaire universiteit plaatst Bolkestein zich, althans voor zijn repliek, maar in lijn met een eerdere studie van de Teldersstichting (Van Schie, 1994), buiten de hoofdstroom van de ontwikkelingen in het hoger onderwijs in de Westerse wereld, waar immers sprake is van een nog steeds groeiende deelname (Wilbrink & Dronkers, 1993; Eicher & Chevaillier, 1993). Omdat er ook zonder elitisme in ons land sprake is van een stevige selectie om de toelaatbaarheid tot hoger onderwijs te verwerven, zijn de opvattingen van Bolkestein over selectie vervolgens nog wel degelijk van belang.

Het is een misvatting te menen dat een 'intellectuele elite' wordt gevormd door selectie, in tegenstelling tot door onderwijs (Astin, 1986), tenzij letterlijk een elitaire klasse wordt bedoeld, zoals die overigens in meerdere landen, waaronder Nederland, nog aanwijsbaar is (Dronkers & Hillige, 1995; Suleiman, 1978; Ellis, 1994).

Bolkestein kiest een hedendaags meritocratisch uitgangspunt: selectie moet rechtvaardig zijn, en rechtvaardig is selectie op prestaties, waarbij een ieder die daartoe de capaciteiten heeft via onderwijs in de gelegenheid is gesteld die prestaties zo mogelijk te leveren (wat iets anders is dan 'het ontplooien van ieders mogelijkheden,' waartegen hij zich afzet). Het meritocratisch gehalte van ons onderwijsstelsel en zijn plaats in de samenleving is onderwerp van een studie van de Onderwijsraad die voorjaar 1997 beschikbaar komt.

De keuze voor het inbouwen van nog meer prikkels om te presteren met het oog op verdere selectieve drempels in het onderwijsstelsel en in de samenleving heeft gevolgen voor de aard en de kwaliteit van het onderwijs. Het is makkelijk speculeren over de gewenste gevolgen die dat zou kunnen hebben, maar dat verdient tegenwicht in de vorm van een analyse van de ook te verwachten ongewenste gevolgen (Bishop, 1995, geeft die analyse in een internationaal vergelijkend overzicht).

Het voorstel dat Bolkestein doet voor een selectiever onderwijs, zowel VWO als universiteit, is een galant ingaan op de uitnodiging een repliek te leveren. Hij heeft er echter nog geen begin van een serieuze onderbouwing van gegeven. Een poging om daar onder andere onderzoekresultaten van Mellenbergh voor te gebruiken strandde nog tijdens dezelfde avond omdat de aanwezige auteur Drenth publiekelijk kon bevestigen dat Bolkestein een en ander enigszins uit verband had getrokken. Wat er meer in ernst van valt te zeggen is dat een (beperkt) selectiever onderwijs een ander onderwerp is dan de selectie voor toelating tot vervolgonderwijs, en dat men het eerste best kan nastreven zonder daarmee de mogelijkheden voor het aanscherpen van die toelatingsselectie, in Drenthiaanse zin, te vergroten.


6.3 EYKHOFF


(emeritus hoogleraar electrotechniek T.U. Eindhoven) repliek op Drenth 30 maart 1995


Eykhoff confronteert Drenth met vijf stellingen.

1) Selectie-aan-de-poort is iets waar men in andere landen wel kans toe ziet.

2) Vroeger was selectie aan de poort niet nodig omdat de kwaliteit van het onderwijs nog behoorlijk was.

3) Selectie zou in moeten spelen op plaatsing naar gelang van capaciteiten (bv. onderscheid HBO-WO).

4) Fouten bij selectie kunnen via tweede kans-wegen e.d. worden hersteld, dus geen angst daarvoor.

5) Selectie bevordert de competitie, dus een positieve studiehouding, dus komen er weer "studenten die van meet af aan INTENSIEF en EFFICIËNT werken aan hun professionele en persoonlijkheidsvorming."

Eykhoff weet een reeks voordelen op te sommen wanneer universiteiten weer zouden moeten selecteren bij de toelating. Zijn conclusie: "We kunnen niet wachten tot onze selectie-instrumenten ideaal en onfeilbaar zijn. ook hier geldt een pragmatisch adagium: 'Als het niet kan zoals het moet, dan moet het maar zoals het kan.' Elders werkt het ook zo."

Evaluatie
De uiteenzetting van Eykhoff is boeiend omdat hij ongetwijfeld onder woorden brengt wat bij veel docenten in het universitair onderwijs leeft. De onderstroom is klassiek: er zijn toch evident veel aankomende studenten die beter iets anders kunnen gaan doen. Dat is nog dezelfde houding van docenten die rond 1870 ervoor zorgde dat Thorbecke bakzeil haalde met zijn principiële openheid van de toelating tot de nieuwe Hogere Burgerschool (Bartels, 1963). Wat meer bij de tijd en bij het vak van Eykhoff blijvend: in een internationale visitatie die enkele jaren geleden is gehouden voor electrotechnische faculteiten, bleek overal de propedeuse in ongeveer gelijke mate behoorlijk selectief te zijn (Vroeijenstijn, 1992). Dus ook voor Leuven, waar als enige een pittige toelatingsselectie was gehouden, die dus niet voorkwam dat er in de propedeuse weer even sterk werd geselecteerd als dat ook in andere landen gebeurde. Wie dat wil vindt altijd wel gelegenheid om nog eens extra te selecteren, zonder zich ervan bewust te zijn dat die extra selectie vaak weinig tot niets oplevert (Hofstee, 1969).

Het is moeilijk om in te zien dat selectie een probleem is waarvan de samenleving al enige tijd geleden heeft geleerd dat het beter professioneel kan worden aangepakt. Eykhoff heeft zichzelf in een positie gebracht waarin hij zijn toehoorders, voornamelijk psychologen, uitlegde dat er in Amerika instituten zijn die wel degelijk toelatingstests kunnen maken. Een belangrijk aantal van zijn toehoorders hebben kennen die instituten van stages en werkbezoeken.

Selectiepsychologen zoals Drenth krijgen het de mensen in de praktijk zoals Eykhoff niet uitgelegd wat de valkuilen zijn bij het inrichten van selectieprocedures op basis van de intuïtieve gevoelens die docenten daarbij hebben.

Doet men elders wat wij hier denken niet te kunnen? Eykhoff verwijst naar Amerika. Inderdaad heeft Amerika een naar toelatingseisen gedifferentieerd stelsel van hoger onderwijs, overigens niet om redenen van doelmatigheid zo opgezet, maar historisch zo gegroeid. Selectie in Amerika is een proces van sorteren naar dat toelatingsniveau (Astin, 1985). Dat doen we in Nederland trouwens ook (onderscheid HBO-WO, met name ook door Eykhoff zo genoemd). In Amerika gebeurt dat op een enigszins onnavolgbare want publiek niet controleerbare manier door toelatingsambtenaren die een breed scala van toelatingscriteria hanteren en die de opdracht hebben te zorgen voor een evenwichtig samengestelde studentenpopulatie (Conley, 1995). Er zijn in Amerika geen eindexamens voor de high school. Wij doen het in Nederland anders, maar we selecteren wel, en wel door eindexamens. Het is op voorhand geenszins evident dat het Amerikaanse stelsel selectiever zou zijn dan het Nederlandse, het tegendeel is veeleer het geval, lettend op het niveau van onze propedeuse vergeleken met dat van het freshman year in Amerikaanse colleges, of op het niveau van ons VWO vergeleken met dat van de high school.

Zie ook de dupliek van Drenth (13 maart 1995 gepubliceerd).


6.4 PERS: Mössenlechner


Het grimmige lot. NRC Handelsblad 6 juni 1996


Actiegroep 'Lot'genoten, Mw. Van Kammen: "Af en toe denk ik dat de loting ontworpen is om familietradities in de medische wereld te doorbreken." "Het frustrerende is dat geschikte jonge mensen die sterk gemotiveerd zijn, toch geen dokter kunnen worden." "Alle alternatieven zijn volgens ons beter."

Prof. dr. G. E. J. Staal: "Elk jaar weer kloppen er mensen bij ons aan die zijn afgewezen en hopen via een sluiproute alsnog te kunnen beginnen. Vaak zijn het de ouders die ons benaderen, bekende Nederlanders soms, waaronder gerenommeerde artsen. Nee, namen noem ik niet. We krijgen wel eens geld aangeboden, en dan gaat het niet over kinderachtige bedragen. Dit jaar was er weer een stel dat 25 mille over had voor een plaatsje voor hun kind. Maar daar gaan wij natuurlijk niet op in."

Staatssecretaris Nuis, geciteerd uit het kamerdebat over het HOOP 1996: "Het blijkt dat je ontzettend veel klachten krijgt over een gewogen loting. Dat wijst erop dat er een psychologisch groot bezwaar zit aan het feit er iets is waaraan je niets kunt doen."

Mössenlechner: "De loting werd in 1975 ingevoerd door het kabinet Den Uyl."

Evaluatie
'Lot'genoten, evenals Nuis, speelt het parten dat er een numerus fixus is, dus dat er hoe dan ook afvallers zullen zijn: zij richten hun argumenten op een specifieke methode, niet op het probleem van de getalsbeperking.

'Lot'genoten is heel eerlijk in het aangeven dat een medische thuisomgeving onderdeel kan uitmaken of de achtergrond kan zijn van wat zij hoge motivatie noemen. Dat duidt tegelijk op mogelijke ethische problemen die kleven aan procedures waarin er ruimte is voor een onderzoek naar motivatie: in Westerse samenlevingen is het al geruime tijd zo dat afkomst als zodanig geen rechten op bijzondere behandeling op kan leveren. De ernst van dat probleem is aangeduid in het citaat van prof. Staal.

De uitspraak van de 'Lot'genoot is ook pikant omdat de numerus fixus de arbeidsmarkt voor geneeskundigen afschermt, wat gunstig uitwerkt voor de status en de inkomenspositie van de beroepsgroep, maar ten koste gaat van de kansen van hun kinderen om eveneens tot de professie door te dringen.

De auteur maakt een misser in de door 'Lot'genoten politiek ingezette discussie (verkregen commitment van de VVD) door het kabinet Den Uyl aan te merken als originator van het gebruik van loten als instrument.


6.5 VAN KEMENADE


(onderwijssocioloog, was als minister in het kabinet Den Uyl mede verantwoordelijk voor het wetsvoorstel integraal te loten, nu commissaris van de Koningin in Noord Holland) De Volkskrant 4 juli 1996

Van Kemenade beschrijft de overwegingen achter het in 1975 ingevoerde systeem van de gewogen loting:
"Dat ieder die het vwo haalt toelaatbaar is tot de universiteit;

Dat het studierendement wel enigszins maar zeker niet volledig bepaald wordt door de eindexamencijfers;
Dat de voorspelbaarheid van wie een goed arts wordt niet meetbaar is en in ieder geval van veel meer factoren afhankelijk is dan van de eindexamenresultaten op het vwo;

Dat de eindexamencijfers van veel meer factoren afhankelijk zijn dan van intelligentie alleen;

Dat ook diegenen die met lagere cijfers het vwo-diploma hebben gehaald en arts willen worden niet volstrekt kansloos moeten zijn op deelname aan een publiek goed, gefinancierd met publieke middelen."

Van Kemenade behandelt een aantal alternatieve mogelijkheden, en wijst deze telkens af:

1. Toelaten op basis van alleen eindexamencijfers, wat stuit op problemen met betrekking tot de geldigheid van de cijfers als enige basis voor de beslissing,

2. Alleen de kandidaten met de allerhoogste cijfers direct toelaten, wat een variant is op 1) en dus dezelfde bezwaren heeft,

3. Een toelatingsexamen, wat dubbelop gaat met het eindexamen,

4. Selectie in de propedeuse, wat een te kostbare variant is voor bijna alle betrokkenen,

5. Kennismakingsgesprekken. Deze zijn onaanvaardbaar op grond van hun gebrekkige of ontbrekende geldigheid.

"Ons stelsel van gewogen loting is bij nadere beschouwing in onze situatie dus zo gek nog niet en mag zeker niet in de waagschaal worden gesteld door een incident en een publicitair interessante reactie van een universiteit daarop."

Evaluatie
De lijst alternatieven van Van Kemenade is niet volledig, zo ontbreekt daar de wachtlijst op.

De argumenten tegen de genoemde alternatieven zijn bekend, en juist. Misschien had Van Kemenade hier en daar ook voordelen kunnen noemen.


6.6 HOFSTEE


(hoogleraar psychologie R. U. Groningen, onderzoek over beoordelen, vanaf begin 70-er jaren betrokken in debat over loting, was lid van Cie. Warries) Trouw, 4 juli 1996

Hofstee neemt hier in kort bestek de technische en principiële argumenten rond toelatingsselectie nog eens door: inperken van de rechten van het vwo-diploma moet zonder aanzien des persoons; selectie garandeert nooit succes, maar dat kan op zich geen argument zijn om dan maar te gaan loten; talenten waarmee men op de wereld wordt gezet geven geen bijzondere rechten; selectie op cijfers stimuleert de beste leerlingen, maar kan helaas de middelmaat om diezelfde reden niet stimuleren. Het is aan de politiek om in te schatten hoe de balans ligt tussen degenen die voor loten zijn, en degenen die voor selectie op prestaties zijn. De weging van eindexamencijfers kan aan die inschatting worden aangepast (ook: Hofstee & Kiers, 1996). Het probleem is echter niet zozeer de loting of de selectie, maar de numerus fixus zelf, en zijn politieke connotaties zoals de buitenproportionele kostbaarheid van de geneeskundige opleiding en de status die de numerus fixus verleent aan de geneeskundige opleidingen. Waarschuwt nog eens tegen de gedachte dat mensen met fatsoen op basis van een gesprek zouden kunnen worden afgewezen. Stelt enigszins schertsend voor om de hardheidsclausule te vervangen door een eigen beleidsruimte voor iedere instelling, met een overheidspremie op het aannemen van bepaalde categorieën studenten. "Maar voordat iemand hier echt enthousiast over wordt: echte politiek zou bestaan uit een grondige heroverweging van de numerus clausus."

Evaluatie
Hofstee zet de discussie over gewogen loting neer als een strijd tussen wat gedragswetenschappelijk bekend is over de mogelijkheden en onmogelijkheden van bepaalde vormen van selectie, en wat door politici en direct betrokkenen als wenselijkheden worden gezien die zo redelijk zijn dat er toch ook mogelijkheden voor moeten zijn. Dat karakter heeft de discussie van meet af aan gehad, de 'meet' is de '7,5-regeling' van De Brauw uit 1973. Tot de onmogelijkheden behoort het gesprek waarin de motivatie van de kandidaten wordt gepeild. Tot de mogelijkheden behoort om de discussie tussen voorstanders van loten resp. selectie op basis van cijfers af te ronden met een compromis-regeling die, bijvoorbeeld door een geschikte keuze van wegingsfactoren, de politieke krachtsverhouding tussen die twee partijen weerspiegelt. Selectie is niet louter een technisch probleem, maar ook een politiek probleem, en dat laatste zeker waar het de voorafgaande politieke keuze betreft om een numerus clausus in te stellen, resp. te laten bestaan.


6.7 COHEN


(oud staatssecretaris van onderwijs, rector-magnificus Rijksuniversiteit Limburg, lid Eerste Kamer voor de PvdA) Trouw 5 juli 1996; De Limburger 13 juli 1996 'Waarom ik voor loting ben'

De kern van het probleem is dat er voor bepaalde studierichtingen een beperkte toelating is. De kern van de bezwaren tegen loten is het psychologische probleem dat je geen enkele invloed op het resultaat ervan kunt uitoefenen.

Cohen benadert vervolgens het probleem vanuit de verdienste-benadering: het zou mooi zijn als je zou kunnen selecteren op die kenmerken die voor de praktizerende arts en specialist van belang zijn, en dat zijn niet alleen intellectuele capaciteiten. Het probleem is dan dat er geen instrumenten en procedures beschikbaar zijn waarmee die selectie op aanvaardbare wijze is uit te voeren. "Als wij dat zouden proberen, dan geeft het misschien aan afgewezen individuen een zekere bevrediging omdat zij in ieder geval hebben kunnen laten zien wat zij waard zijn, maar het uiteindelijke resultaat is in hoge mate onbetrouwbaar en dus toevallig: het lijkt wel ... een loterij. Als dat zo is kun je maar beter eerlijk zijn, en ook echt loten."

Om 'motivatie' te meten heeft hij nog een oud voorstel voorhanden: "laat diegenen toe die bereid zijn om het hoogste percentage van zijn of haar latere inkomen op te offeren, en laat hen dat later ook werkelijk betalen." "Maar voorlopig houd ik het op loting."

Evaluatie
Het psychologische probleem met loten is dat je geen invloed op de uitslag hebt (voor anderen is dat juist een reden om in bepaalde omstandigheden voor loten als instrument te kiezen). Dergelijke psychologische problemen zijn wel onderzocht (Janoff-Bulman & Brickman, 1982), en het zou goed zijn dat onderzoek te benutten om goed onder woorden te brengen waar de psychologische problemen zitten, en of er modaliteiten in de procedure denkbaar zijn die daaraan tegemoet kunnen komen zonder zelf weer nieuwe psychologische problemen voor andere groepen te creëren.

Cohen gaat niet in op de gewogen loting, waarvan immers is te zeggen dat het tegemoet komt aan het genoemde psychologische probleem. Tegen beter weten in volhouden dat het bij gewogen loting niet mogelijk is om zelf invloed uit te oefenen, bewijst niemand een dienst.

De stelling van Cohen is dan dat een selectieprocedure die ook rekening houdt met gegevens uit tests of gesprekken in feite toevalsresultaten oplevert. De stelling is in overeenstemming met de stand van zaken in de selectiepsychologie (Roe, 1983), zeker rekening houdend met de jeugd van betrokkenen en met het lange traject tussen selectie en beroepspraktijk. Concreet betekent dat dat in de huidige gewogen loting de loting vervangen door gesprekken qua toevalligheid van de uitkomsten op hetzelfde neerkomt. Dan toch gaan selecteren is in strijd met de beroepscode van personeelsfunctionarissen en selectiepsychologen (zie Roe, o.c.; NIP, 1988).

Voorrang voor meermalen uitgelote studenten creëert ongetwijfeld een stuwmeer, waardoor kansen om direct in te loten dalen, en er meer een wachtlijstsituatie ontstaat. Cohen kan dan de motivatie van de een, die meermalen is uitgeloot, niet afwegen tegen die van de onbekende andere waarmee van plaats wordt geruild. Hij geeft niet aan waarom het idee dan onjuist zou kunnen zijn dat lang volhouden een aanwijzing is voor motivatie, en misschien wel meer dan die van de gemiddelde direct toegelaten kandidaat (de stelling van 'Lot'genoten). Het begrip 'motivatie' heeft vele mogelijke betekenissen, en vraagt om een uitwerking zodat het mogelijk wordt stellingnamen met betrekking tot deze of gene betekenis van 'motivatie' te toetsen tegen de onderzoekliteratuur. Vooruitlopend daarop: in de personeelsselectie komt selecteren op 'motivatie' als zodanig niet voor, tenzij in de vorm van motivatie om tijdens de selectie zelf goed je best te doen (Roe, 1983), of in de vorm van ervaring waarmee aannemelijk wordt gemaakt waartoe men (al dan niet gemotiveerd, maar toch) in staat is, waartoe Roe onderscheid maakt tussen testervaring en werkervaring. Een behoorlijkheidseis om werkervaring te gebruiken bij selectie is dat het gaat om ervaring die aantoonbaar is gerelateerd aan wat voor de betreffende functie (geneeskundige beroepspraktijk) vereist is.

De sociale doelstelling van Cohen, vertegenwoordiging van diverse minderheidsgroepen in geneeskundige beroepen, is eerder vormgegeven in het Voorontwerp van wet van onderwijsminister Pais (VVD), maar in een vorm die mede tot ertoe heeft geleid dat Pais het voorontwerp niet heeft opgevolgd met een ontwerp van wet.


 

6.8 Van der LINDEN


(hoogleraar meetmethoden en data-analyse, U. Twente) NRC Handelsblad 13 juli 1996

De gewogen loting is een combinatie van loten en van selectie op basis van eindexamencijfers. Van der Linden vraagt aandacht voor de kwaliteit van die eindexamencijfers. Die kwaliteit is heel behoorlijk, en er is nieuw beleid waardoor die kwaliteit nog zal verbeteren, zoals door de nieuwe profielen in het vo. Hoewel hem geen landelijk onderzoek over de voorspellende waarde van eindexamencijfers bekend is, poneert Van der Linden dat er een substantieel verband met studiesucces moet bestaan, gezien internationale studies. Dan voorspellen examens dus beter dan de dobbelsteen.

Er zijn persoonlijke gegevens op grond waarvan eveneens behoorlijke voorspellingen zijn te doen, maar "het is louter vanwege een hoogst respectabele vorm van ethische zelfbeperking dat we niet overgaan tot een stelsel van voorspellers met maximaal succes." Kan dat dan wel met interviews? Van der Linden beargumenteert dat interviews geen bruikbaar alternatief zijn, zeker niet in vergelijking tot examens. Tenslotte vraagt Van der Linden aandacht voor de Duitse toelatingsprocedure waarin onder andere met een wachtlijst wordt gewerkt.

Evaluatie
Van der Linden spitst de discussie niet toe op geneeskunde, maar dat is nu juist een studierichting waarin studiesucces zo algemeen is dat het geen verband met de hoogte van eindexamencijfers laat zien. Eindexamencijfers zijn als selectie-instrument niet te verdedigen op basis van hun verband met later succes: als dat verband er is, wat bij geneeskunde nu juist niet het geval is, voorspellen dezelfde cijfers in ongeveer dezelfde mate ook succes in heel andere studierichtingen. Dan is het bij dit verdelingsprobleem moeilijk te beargumenteren dat op basis van doelmatigheid de kandidaat met hogere cijfers voorrang zou moeten krijgen. Dat gemiddelde eindexamencijfers niet bijster geschikt zijn als selectiemiddel omdat ze om te beginnen niet nuttig zijn om te bepalen welke studie voor deze of gene kandidaat het beste is om te volgen, is niet voldoende bekend. Er is evenwel al in 1974 op dat verband gewezen door Wilbrink, het is in het kader van de verwijzende functie van de propedeuse benadrukt door de CVHWO (1974), Drenth (1994) heeft er nog eens op gewezen, en een monografie over selectie voor het hoger onderwijs is op dat thema gebouwd (Van Dyck, 1995).

Wachtlijsten zijn in feite bij de huidige gewogen loting ook aanwezig, en kunnen korter of langer worden gemaakt door kansen bij opnieuw loten lager of juist hoger te maken. Een wachtlijst is een instrument dat mogelijk in combinatie met loten kan worden benut. De mogelijkheden voor compromismodellen worden talrijker wanneer ook de wacht- en herkansingsproblematiek erbij wordt betrokken. Iemand moet deze modellen dan wel uitwerken. Voor alleen de gewogen loting zijn er mogelijkheden of voorbeelden uitgewerkt door staatssecretaris Klein (Verlenging en wijziging Machtigingswet inschrijving studenten, 1975), Wilbrink (1975), Hofstee (1983), Hofstee en Kiers (1996) en Van den Berg & Hoen (1996).


6.9 GRIMBERGEN


(voorzitter Landelijke Studenten Vakbond) NRC Handelsblad 29 juli 1996

Zoals ook op de hoorzitting van de commissie toegelicht, is de LSVB voorstander van een systeem van zelf-selectie, en tegenstander van bevoorrechting van hoogbegaafden zoals gedefinieerd op eindexamencijfers. Bij dit laatste verwijst Grimbergen ook naar de vele initiatieven voor 'excellente tracé's.' "Onderwijs is een recht voor alle studenten: geen privilege voor een kleine groep."

Evaluatie
De LSVB verwijst naar het recht op onderwijs, en acht daarmee in strijd "het verzinnen van barrières voor aankomende en niet-hoogbegaafde studenten."

De positie van de LSVB is dan, hoewel niet zo door de voorzitter verwoord: onder verwijzing naar wat over recht op onderwijs is vastgelegd in o.a. internationale verdragen, moet een numerus fixus een uiterste middel zijn, maar de LSVB vermag niet in te zien dat in de huidige omstandigheden althans voor het universitair onderwijs de inzet van dat uiterste middel gerechtvaardigd is. Wat voor kandidaten voor het universitair onderwijs geldt, geldt natuurlijk ook voor anderen uit hetzelfde leeftijdscohort, zoals degenen die opteren voor HBO.

Het is denkbaar een en ander te baseren op The United Nations Convention on the Rights of the Child (zoals afgedrukt in Stephens, 1995):


De interpretatie van 'on the basis of capacity' moet dan zijn, ook gelet op de eis van gelijke kansen, dat het gaat om voldoende capaciteiten voor het volgen van hoger onderwijs, i.t.t. de interpretatie dat vergelijkenderwijs minder capaciteiten dan een ander op zich een grond zou kunnen zijn voor niet toelaten. Nota bene: capaciteiten en eindexamencijfers zijn verschillende zaken! Een numerus fixus is een uitzonderingssituatie, waarvoor het niet goed denkbaar is dat daar een toelatingsregeling voor zou kunnen gelden die naar de geest in strijd is met dit internationale verdrag. Geschikte kandidaten afwijzen omdat zij minder hoge eindexamencijfers hebben behaald dan anderen, ligt op zijn minst niet voor de hand, gezien de tekst van het verdrag. Dit leidt tot het advies eens uit te laten zoeken hoe een en ander juridisch zou kunnen liggen, het bovenstaande is immers bepaald geen juridische analyse van de strekking van dit internationale verdrag.


6.10 Van ROSSUM


(emeritus hoogleraar neuropathologie R. U. Utrecht) NRC Handelsblad 19 augustus 1996

Het voorstel van Van Rossum is om alle gegadigden tot de propedeuse toe te laten, en in twee vergelijkende examens, een extra examen in december, en het propedeutisch examen zelf, zoveel gegadigden af te laten vallen als gezien de numerus fixus nodig is. Dat afvallen is definitief: Van Rossum stelt niet voor om nog gelegenheid tot herkansen te geven.

Evaluatie
Selectie na de propedeuse is een uit en te na doorgediscussieerde en afgewezen variant. Van Rossum komt niet met nieuwe argumenten. Omdat het in het huidige stelsel slechts bij een enkele HBO-instelling mogelijk is om ieder half jaar de studie te beginnen, zou voor de meeste per december afgewezen toch een heel studiejaar verloren gaan.


6.11 BOMHOFF


(hoogleraar economie Universiteit Nijenrode) NRC Handelsblad 26-8-1996)

Loten vindt Bomhoff dom en dwaas, het voorstel van Van Rossum voor selectie in de propedeuse is hem liever.

Bomhoff geeft een kijkje in de ontstaansgeschiedenis van de problematiek, die ligt in de tweede helft van de jaren zestig: "Steeds langer moesten medische studenten echter wachten tot er plaats voor hen was bij de klinische vakken in de hogere jaren, en dus begonnen de universiteiten het karakter van de medische tentamens te veranderen. Het ging er niet meer om hoeveel studenten de stof beheersten, maar voor hoeveel studenten er plaats was in het volgende studiejaar. Ik was in 1968 voorzitter van de landelijke studenten vakbond, en ons bestuur heeft toen een kort geding aangespannen tegen de Leidse universiteit uit protest tegen de steeds langere wachtlijsten voor oudere medische studenten en de oprukkende praktijk van examens waarbij van tevoren vaststond hoeveel studenten mochten doorgaan. (...) Maar de uitslag van het kort geding had minder vrolijke gevolgen. Wij studenten wonnen van de universiteit omdat in de toelichting op de wet duidelijk stond dat examens bedoeld waren om de kennis van studenten te toetsen en niet om het aantal studenten dat mocht doorstromen naar het volgend jaar volgens plan in te perken. Vergelijkende examens bleken dus in strijd met de wet, en dat bracht de opvolgers van minister Veringa er toe om loting in te voeren."

Evaluatie
Bomhoff trekt uit de historie de les dat de overheid het dus bij wet mogelijk moet maken om vergelijkende examens af te nemen. De algemene les is dat examens niet zomaar dan eens voor het ene, dan voor het andere doel kunnen worden gebruikt.


6.12 DE GROOT


(Trouw, 28-8-1996)

In een interview dat Esther Hageman met hem had, heeft A. D. De Groot een aantal opvattingen over toelating tot numerus fixus studies weergegeven (Trouw, 28 augustus 1996). De Groot is de auteur is van 'Selektie voor en in het hoger onderwijs' van 1972; hij was ook lid van de Commissie Wiegersma. De Groot is de oprichter van het Cito.
Het interview wekt de indruk dat het debat over de mate van erfelijkheid van verschillen in intelligentie, door De Groot met een scherpe stellingname in zijn rapport uitgelokt, direct te maken heeft met de keuze voor gewogen loting bij toelating tot numerus fixus-studies. De Groot suggereert vervolgens dat sleutelfiguren in het publieke debat die kiezen voor gewogen loting, bang zouden zijn om te selecteren, omdat beslissingen wel eens onrechtvaardig zouden kunnen uitpakken. "De angst om iemand af te wijzen is hier endemisch. We zijn ook nog steeds bang dat selectiefouten vooral de mensen met weinig geld treffen." "Maar als je een beetje een vent bent of een stevige meid, dan vind je je weg ook wel wanneer je wordt uitgeselecteerd. Daar heb je in mijn model dan de Open Universiteit voor. We moeten er niet zo sentimenteel over doen."
"In de kern is de discussie over selectie helemaal geen technische discussie, maar een ideologische. Je zou op zich vrij verantwoord kunnen selecteren, maar we doen het in Nederland niet want de cultuur kan het niet aan. Examencijfers zeggen wel wat, maar niet zo heel veel over iemands latere prestaties. Maar in Nederland gebruiken we dat feit nota bene om de voorspellingskracht van de cijfers nog verder te verzwakken door die loting. De meeste landen zijn er wat flinker in, maar wij niet. Het voordeel is dat wie uitgeloot is niemand de schuld kan geven. Het systeem is niet alleen inefficiënt - zie [de briljante uitgelote leerling die de EUR wilde toelaten] - maar ook laf."
"Het beste zou zijn een afsluitend examen voor het voortgezet onderwijs, zonder toelatingsrecht, en een eigen toelatingstoets van de universiteit. Alleen de conservatoria en dergelijke hebben dat. Akkoord, misschien zitten daar wat schoonheidsfoutjes aan: soms wordt iemand wel op het ene maar niet op het andere conservatorium toegelaten. Maar de hoofdlijn is eerlijk."

Evaluatie
De Groot gaat confrontatie met het feit van de numerus fixus uit de weg, waar in het geval van geneeskunde de standaard-redenering over geschikte kandidaten die niet, en ongeschikte die wel worden toegelaten, nauwelijks opgaat. Zijn weergave van de onderbouwing van de huidige lotingssystematiek is niet geheel conform de werkelijkheid. Het voorstel van scheiding van afsluitend en toelatend examen, ook door Wiegersma gedaan, komt zoals het hier staat beschreven neer op een verdubbeling van exameninspanningen waarvan de meerwaarde niet aannemelijk wordt gemaakt, maar waarvan de kosten aanzienlijk zijn.


6.13 DE VRIES


(woordvoerder hoger onderwijs voor de fractie van de VVD in de Tweede Kamer) De Volkskrant 2 september 1996

De Vries doet een voorstel voor de toelating tot numerus fixus studies gedaan, zoals ook eerder bij de Algemene Beschouwing van de VVD-fractie in 1995: toelaten op basis van gemiddeld cijfer van relevante eindexamenvakken en een 'motiveringsgesprek.' Het 'motiveringsgesprek' is een combinatie van een gestructureerd interview ('werken met standaard beoordelingsformulier') en een biografische vragenlijst (naar 'motivatie en nevenactiviteiten'). "De beoordeling van het gesprek wordt met een nader vast te stellen gewicht gemiddeld met het eindexamenpakket."

De Vries gaat het vooral om de legitimering van toelatingsbeslissingen naar de betreffende kandidaten toe. Zo wordt van het interview gezegd dat de uitkomst eerlijker is dan die van loting, en van selectie aan de poort van een conservatorium of een hogere hotelschool: "Afwijzing is in dergelijke gevallen makkelijker te accepteren dan wanneer het lot ongunstig over toelating beschikt." En in de slotzin: "... studenten die thans aan de willekeur van het lot zijn overgeleverd." Er zijn in het VVD-voorstel, althans in dit artikel, geen rendementsoverwegingen aan de orde, noch die betreffende n.f.-faculteiten, noch bredere overwegingen die met allocatie van schaars talent hebben te maken. Het gestructureerde interview wordt aanbevolen omdat de foutenmarge in ieder geval kleiner zou zijn dan die van loten; ook dat argument is gezien de context veeleer bedoeld als legitimering naar kandidaten toe, dan als rendementsoverweging vanuit bijv. de n.f.-faculteit of de overheid.

Analyse
Het gaat de VVD blijkens dit voorstel om een manier van selecteren die de plaatsen eerlijk worden verdeelt, zowel naar behoefte (de gemotiveerden) als naar verdienste.

Er wordt niet gerefereerd aan onderwijsdoelen, noch aan mogelijkheden om iets aan het relatieve tekort zelf te doen. Het wordt eerlijker gevonden om de meer gemotiveerde kandidaten bij voorrang toe te laten, waarmee misschien wordt bedoeld dat voor hun de teleurstelling bij afwijzen groter zou zijn. Voor selectie op verdienste wordt gekeken naar (bepaalde) eindexamencijfers en biografische gegevens. Het gebruik van psychologische tests is niet overwogen, mogelijk omdat voor de VVD 'verdienste' iets is dat door eigen inspanning is bereikt en daarom bepaalde rechten geeft.

Evaluatie
Discussie over rendement hoeft de VVD niet aan te gaan, omdat de legitimering van selectiebeslissingen naar de kandidaten toe van overwegend belang is. De VVD geeft daarmee ook aan dat de criteria waartegen het voorstel getoetst zou moeten worden, liggen in de acceptatie door (toekomstige) kandidaten.

Toelating af laten hangen van examencijfers zal velen ertoe brengen meer te investeren in de voorbereiding op het eindexamen, dat hoeft geen weerslag te hebben op de betekenis die eindexamencijfers hebben. Dat kan evenwel geheel anders komen te liggen bij het onderzoek naar motivatie en antecedenten: de relevante vragen zullen niet geheim blijven, zodat kandidaten zich strategisch kunnen voorbereiden op dit onderdeel van de selectie. Dit is een probleem waar de VVD een oplossing voor moet zien te vinden, want het kan het gestelde doel aantasten: geloofwaardigheid van de selectie naar de kandidaten toe. Terugvallen op ongestructureerde interviews is niet mogelijk vanwege de te hoge mate van subjectiviteit daarvan, zoals kennelijk door de VVD ook onderkend.

Het gebruik van het gestructureerde interview en de biografische vragenlijst moeten voldoen aan regels die de bescherming van de persoonlijke integriteit betreffen. Tot de juridische toetsing kan ook behoren toetsing aan de Richtlijnen voor ontwikkeling en gebruik van psychologische tests en studietoetsen (Nederlands Instituut van Psychologen, 1988), en toetsing aan de voorstellen van de Commissie Hessel voor de bescherming van de rechten van sollicitanten ('Een sollicitant is ook een mens.' Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 1977).

Het uitgangspunt van het VVD-voorstel is dat persoonlijke verdienste zoals blijkt uit examenresultaten, en behoefte zoals blijkt uit motivatie, een recht behoren te geven op voorrang bij selectieve beslissingen. Het is in de Westerse samenleving algemeen aanvaard dat persoonlijke verdienste van belang is, maar minder algemeen is aanvaard dat dat belang andere belangen altijd overstijgt (Wiggers, 1991, p. 192 e.v.). Het VVD-voorstel gaat bovendien nogal rechtlijnig met dat uitgangspunt om, in de zin dat ook zeer kleine geconstateerde verschillen nog een rechtvaardiging voor verschil in beslissing opleveren: dit is een verschil met het voorontwerp van wet van Pais, waarin in het gebied waarin eigenlijk geen relevante verschillen in verdienste bestaan, toch zou worden geloot.


6.14 WILBRINK


(onderwijsonderzoeker U. van Amsterdam; sinds 1972 betrokken in het maatschappelijke debat over loten) NRC Handelsblad 12-9-1996

Wilbrink werkt het thema 'lot in eigen hand' uit, zoals dat door velen, niet alleen tegenstanders van loten, wordt aangegeven als belangrijke overweging waar bij het inrichten van toelatingsprocedures rekening mee is te houden. Daartoe haakt hij aan bij het 'local justice' project van John Elster, om te zien hoe deze en andere overwegingen een rol spelen bij andere moeilijke verdelingsproblemen, bijv. in de medische sector. Er zijn situaties waarin 'lot in eigen hand' tot ongewenst calculerend gedrag kan leiden, andere waarin het ethisch moeilijk verdedigbaar is om op basis van 'lot in eigen hand' mensen schuldig te verklaren aan de situatie waarin zij zich bevinden.

Schaarsteproblemen kunnen zowel vanuit de verdelingsvraag worden benaderd, als vanuit de schaarste zelf, waar misschien het een en ander aan is te doen. Zo is het onbekend wat op termijn de effecten voor bijvoorbeeld de kwaliteit van de gezondheidszorg zijn wanneer de numerus fixus zou worden opgeheven.

Evaluatie
De toelatingsprocedure heeft ethische en normatieve aspecten, waarover op basis van ervaringen in andere sectoren ongetwijfeld veel zinnigs valt te zeggen.

De economische aspecten van de numerus fixus en het verhogen van de fixus zijn in de literatuur onderbelicht gebleven. Er zijn hierover evenwel publicaties in voorbereiding van Oosterbeek en Webbink (Stichting voor Economisch Onderzoek, Amsterdam) en Borghans en De Grip (Researchcentrum Onderwijs en Arbeidsmarkt, Maastricht, in ESB februari 1997). De Nationale Raad voor de Volksgezondheid brengt rapporten uit over de behoefte aan artsen.


7. PROFESSIONELE PERSONEELSSELECTIE: de NPA


Een goed beeld van de professionele aanpak van personeelsselectie kan verhelderend werken. Er is een geschikt casus voorhanden: de selectie voor de Nederlandse Politie Academie (NPA). De toelating tot de NPA is voor middelbare scholieren zeer selectief: er is maar een klein aantal plaatsen beschikbaar, ongeveer 1 plaats op vijftig kandidaten, of nog slechter. De selectie vindt gefaseerd plaats via resp. psychologische tests, (semi-)gestructureerde interviews, en een assessment center. De geselecteerde kandidaten komen in dienst van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Een externe evaluatie van de procedure is uitgevoerd door Wilbrink, Algera, Van Hoorn en Van der Kamp, 1990. Het volgende berust op het evaluatierapport.

het selectiecriterium
Het gaat er bij de selectie om het functioneren in de functie van junior politie-officier te voorspellen. Er is hier dus niet gekozen voor een criterium als succes in de studie, waarin overigens slechts ongeveer 10 procent uitvalt. Een belangrijk punt in de evaluatie is dat belangrijke gegevens over dat functioneren ontbreken, zoals oordelen van directe chefs, maar ook een geschikte functieanalyse ontbrak (die is direct aansluitend op de evaluatie uitgevoerd).

Empirische gegevens over de voorspellende waarde van deze selectie ontbreken, en al zouden ze er wel zijn, dan gaat het nog om zulke kleine aantallen dat er moeilijk harde conclusies te trekken zouden zijn. De evaluatie van de selectie kan dus niet berusten op empirische gegevens over deze specifieke situatie. Daarom maken de evaluatoren gebruik van de kennis omtrent selectieprocedures en selectie-instrumenten die in de literatuur over personeelsselectie voorhanden is. Deze benadering is niet vanzelfsprekend, en eigenlijk pas mogelijk na belangrijke methodologische ontwikkelingen die eind zeventiger jaren zijn ingezet (het gaat om meta-analytische technieken). Ook voor selectie voor het ho is het probleem dat er veelal geen behoorlijke gegevens over de voorspellende geldigheid van voorgestelde procedures aanwezig zijn, en kan die leemte worden ondervangen door gebruik te maken wat op basis van de onderzoekliteratuur in generaliserende zin over die voorspellende geldigheid valt te zeggen. De selectie voor de NPA berust in ieder geval op de claim dat ze voorspellende geldigheid heeft m.b.t. toekomstig functioneren.

persoonlijkheid en intelligentie
Voor de NPA wordt een eerste selectie uitgevoerd door persoonlijkheids- en intelligentietests af te nemen. De persoonlijkheidstests worden negatief-selecterend gebruikt, ze kunnen a.h.w. strafpunten opleveren. De intelligentietests zijn in deze fase de belangrijkste selecterende horde, een rol die zij ook volgens de literatuur goed kunnen en mogen vervullen. Recente meta-analytische studies over de algemene voorspellende waarde van persoonlijkheidstests wijzen overigens uit dat ook deze tests een meer prominente rol in de selectie kunnen hebben dan voorheen voor mogelijk werd gehouden.

motivatie
Er is geen test voor motivatie in gebruik. Het rapport zegt over motivatie het volgende (p. 56). "Over motivatie is inderdaad veel bekend, en het is een belangrijk begrip voor de studie van de kwaliteit van het functioneren van werknemers in organisaties. Het probleem met motivatie is echter dat het niet kan worden uitgebuit voor selectie. (...) Bestaande tests voor motivatie zijn dan ook niet bedoeld om bij personeelsselectie te gebruiken."

Een en ander betekent dat er geen wetenschappelijke ondersteuning is voor de gedachte dat het mogelijk en zinvol zou zijn om bijvoorbeeld in gesprekken de motivatie van kandidaten te peilen, en dat in de selectie mee te laten wegen.

gestructureerde gesprekken
De na de testfase uitgedunde groep kandidaten wordt onderworpen aan een serie gesprekken waarin niet de te stellen vragen zijn vastgelegd, maar wel de onderwerpen waarover wordt gevraagdl. De kandidaten worden beoordeeld op een aantal beoordelingsschalen in het gebruik waarvan de interviewers zijn getraind. In de evaluatie is dit bekritiseerd (p. 57): "Er is pas sprake van structurering wanneer de vraagstelling expliciet kan worden gekoppeld aan belangrijke situaties in de functiepraktijk van de politie-officier, dat wil zeggen wanneer zij ontworpen zijn op basis van een functie-analyse, en wanneer de vragen tevoren zijn vastgelegd." Aan strengere structurering van de gesprekken wordt sindsdien gewerkt.

studieresultaten
In de NPA-selectie wordt niet gevraagd naar studieresultaten, en deze spelen in de selectie bijgevolg geen rol. Bij de evaluatie van de selectie is ook niet overwogen of dat wel terecht is, omdat in de literatuur geen aanwijzingen zijn te vinden dat het nuttig zou kunnen zijn om bij personeelsselectie met studieresultaten rekening te houden.

assessment center (AC)
Na de gespreksronde blijft een groep over die tweemaal zo groot is dan het beschikbare aantal plaatsen. Zij nemen deel aan het AC. "De kenmerkende techniek van het AC is de simulatie. De kandidaten krijgen opdrachten die de belangrijke elementen van de toekomstige functie representeren. De opdrachten kunnen meer of minder levensecht worden aangeboden, maar dienen in ieder geval te verwijzen naar taken die typisch tot de functie behoren." (p. 62) Dit is de meest kostbare fase in de selectie, en daarom ook de laatste.

nut
Deze selectieprocedure is erg kostbaar, zowel om te ontwikkelen en voortdurend te evalueren, als in de uitvoering (voor iedere fase zijn kandidaten een hele dag bezig). De vraag is dan ook of die selectie de moeite waard is, of het nut, dat is de verwachte opbrengst, de investering rechtvaardigt. Op die vraag kan alleen op basis van generaliseerbare uitkomsten uit de onderzoekliteratuur antwoord worden gegeven. Verder onderzoek naar de inrichting van de procedure zelf, aantallen die in iedere fase af zouden moeten vallen e.d., kan worden verricht met een simulatie-programma (Wilbrink 1990).

legitimering
De legitimering van deze selectieprocedure naar de kandidaten toe is erg belangrijk. Er zijn in het verleden meerdere incidenten geweest over vermeende of werkelijke onjuiste behandeling. De kern van die legitimering is zorgvuldigheid van de procedure, werken in overeenstemming met codes en richtlijnen, en dus zorgen voor een heldere relatie tussen selectie-instrumenten en functie-eisen. Onderdeel van die legitimering is ook de externe evaluatie van de selectieprocedure.

Belangrijk is of aanwijsbare groepen, bijvoorbeeld mannen versus vrouwen, wel gelijk worden behandeld. Het is moeilijk om dat te toetsen bij kleinschalige selectieprocedures, maar ook hier is het mogelijk om door simulatie inzicht in mogelijk onbedoeld discriminerende praktijken te krijgen. Een dergelijk onderzoek is gedaan door Van Eck, Vermeulen en Wilbrink (1994).

 
Tenslotte
Bij de selectie voor de NPA wordt voluit het institutionele selectiemodel gehanteerd. Dat wil zeggen dat degene die selecteert, in dit geval Binnenlandse Zaken, de 'besten' uit de groep kandidaten probeert te selecteren, en de overigen afwijst zonder zich te hoeven bekommeren om hun verdere lot. Met daarbij de aantekening dat het afwijzen uiteraard uiterst zorgvuldig gebeurt, maar afgewezenen zijn de selecterende instantie verder niet tot zorg. Binnenlandse Zaken treedt hier niet als overheid op, maar als werkgever en bekostiger van de betreffende opleiding.

Bij selectie voor de toelating tot publiek gefinancierd onderwijs liggen de verantwoordelijkheden anders. De overheid is voor die selectie verantwoordelijk, en die verantwoordelijk strekt zich ook uit tot de positie van degenen die niet worden geselecteerd. Bij het instellen van numerus fixus heeft de overheid uiteraard ook de zorg voor de neveneffecten daarvan, en kan zich niet op het werkgeversstandpunt stellen dat afgewezenen geen zorg zijn.

Omdat selectiviteit in het onderwijsstelsel zo ingrijpend anders is dan selectie op de arbeidsmarkt, is het denkbaar dat selectieprocedures en -instrumenten hier aan andere, waarschijnlijk stringentere eisen moeten voldoen dan in de personeelsselectie gebruikelijk, terwijl daar de kwaliteitseisen toch al strak zijn vastgelegd (zie Roe, 1983).


8. SAMENVATTING


De belangrijkste opvattingen in Nederland over de selectiemethodieken bij de toelating tot numerus fixus-studies zijn in het rapport beschreven, geanalyseerd, en geëvalueerd. Hierbeneden wordt een en ander langs de lijn van argumenten of onderwerpen nog eens samengevat.

Het bijzondere van het politieke probleem is dat bij een numerus fixus de ene burger een schaarse plaats krijgt toegewezen die om die reden vervolgens voor een andere burger niet meer beschikbaar is. Dit is een situatie die voor publieke voorzieningen ongebruikelijk is. Zo'n numerus fixus schept ongelijkheid, en dat stelt hoge eisen aan de wijze van toedelen die immers zoveel mogelijk wel als rechtvaardig moet worden ervaren. Het probleem wordt nog verscherpt door de dilemma's rond herkansingen, het traject waarin degenen terecht komen voor wie in eerste instantie geen plaats beschikbaar was.

Een numerus fixus als zodanig kan een zekere aantrekkende werking hebben op kandidaten, mogelijk sterker naarmate de verdeling meer selectief is (i.t.t. loten of wachten). Internationale vergelijking leert dat om bijvoorbeeld historische redenen elders wel eens heel andere studierichtingen hoog in de status-hiërarchie staan (ingenieursopleidingen, rechten), of complete universiteiten (Tokyo University; Ivy League; Oxbridge; grandes écoles). De manier waarop toelating tot n.f.-studies structureel wordt geregeld, kan de trend zetten voor de richting waarin de toegankelijkheid van ons onderwijsstelsel zich verder ontwikkelt. En inderdaad behandelen deelnemers in de discussie het toelatingsprobleem wel als hoe in het algemeen de toelating tot studies in het HO geregeld zou moeten worden.

Het meest vergaande voorstel is om helemaal van het instrument numerus fixus af te zien (LSVB). Ook de economen Oosterbeek en Webbink (Folia 21-6-1996) bepleiten dat, maar zij doen dat om zo de markt zijn werk weer te laten doen. De arbeidsmarkt voor academici heeft altijd fluctuaties van overschotten en tekorten gekend, waarbij overigens in perioden van overschotten de afgestudeerden uit de hogere klassen beter dan de anderen in staat bleken jarenlang te wachten op openvallende posities (Titze, 1990). Er zijn twee problemen met dit vergaande voorstel: de capaciteit van de medische opleidingen zal daarvoor tekortschieten (hoorzitting), en er zal een overgangsperiode nodig zijn om het stuwmeer van lotingskandidaten te verwerken. Het is dus niet uitvoerbaar (stopcriterium).

 
hoe de schaarse plaatsen toe te delen

Het toedelingsprobleem is te analyseren naar de mogelijke doelen van betrokkenen, naar de persoonlijke kenmerken waarop mogelijk kan worden geselecteerd, en naar de instrumenten of procedures om te selecteren.

 
mogelijke doelen

Bij de inrichting van de toelatingsprocedure kan men als doel stellen daarmee het rendement te verhogen, het (voorafgaande) onderwijs te versterken, prestaties in dat voorafgaande onderwijs te belonen, of juist de rechtvaardigheid voorop te stellen.

rendement
Als er meer aanbod is dan er plaatsen zijn, laat dan degenen toe die met betere resultaten zullen afstuderen. Dit is hetzelfde doel als dat van de werkgever: die neemt de kandidaat die naar verwachting het meest aan de winst van het bedrijf zal bijdragen. Maar ook bij personeelsselectie doen zich situaties voor dat er een aantal even goed gekwalificeerde kandidaten voor één plaats overblijft, in welk geval Roe (1983) loten het beste middel vindt om het pleit te beslechten. Ook Drenth (1995) volgt deze lijn, en hij is vrijwel de laatste in het debat die het rendementsdoel nog serieus neemt, zij het ook om het vervolgens voor deze specifieke verdelingssituatie te ontkrachten. Er lijkt consensus te zijn dat de verschillen in 'geschiktheid' tussen kandidaten die allemaal het vereiste einddiploma VWO hebben, te gering zijn voor een selectie gericht op het maximaliseren van rendement.

Een punt waar al sinds begin zeventiger jaren door velen herhaaldelijk op is gewezen, is dat een eventueel positief rendement voor n.f.-studies samengaat met een gelijktijdige verslechtering van het rendement in andere studierichtingen. Als examenresultaten namelijk iets zeggen over toekomstig studiesucces, doen ze dat niet specifiek voor geneeskunde, maar ook en beter voor andere studierichtingen. Het heeft dus geen zin om door meer selectieve eindexamens te proberen de relatie tot toekomstig studiesucces te verhogen (zoals Bolkestein voorstelde).

Rendement als doel komt gevaarlijk dicht bij het stopcriterium: empirische gegevens wijzen er niet op dat er rendementswinst valt te behalen, althans niet bij de geneeskundige studies waarvoor de numerus fixus structureel is.

onderwijskundig doel
Eindexamencijfers zouden bij de verdeling een rol moeten spelen, als signaal dat prestaties in het onderwijs serieus worden genomen. Doe je dat niet, dan is dat in feite een negatief signaal, en heeft dat een negatieve 'backwash' naar het onderwijs in het VWO.

Dit uitgangspunt is niet overtuigend, al was het maar omdat het empirische relaties vooronderstelt waarover weinig gegevens beschikbaar zijn. Het miskent ook enigszins het gewicht van het eindexamen VWO zèlf, alsof leerlingen daar zonder verdere prikkels hun best niet voor zouden doen. Zo is men in de VS wel jaloers op de Europese eindexamens en hun positieve invloed op de onderwijsprestaties in Europa, vergeleken met die in de VS (Bishop, 1995).

belonen
Meerdere partijen kiezen als uitgangspunt dat leerlingen beloond moeten worden, i.t.t. wat bij loten gebeurt. Vrijwel alle discussianten die voor dit uitgangspunt opteren, waartoe ook de Cie. Wiegersma behoort, kiezen zonder omhaal voor prestaties als de grond voor de beloning. Tegen de achtergrond van een zeer uitgebreide literatuur over hoe een rechtvaardige samenleving eruit zou moeten zien (zie Rawls, 1993, als ingang), is dat aanvechtbaar. Bij de keuze voor prestaties valt immers het onderscheid weg tussen capaciteiten, inspanning, en de bijdrage van de omgeving aan de mogelijkheden om die inspanning te leveren. De leerling die altijd al een voorsprong heeft gehad, wordt daar ook nu weer voor beloond, ook zonder dat enige aanwijsbare persoonlijke verdienste aanwezig hoeft te zijn.

Het belonen van prestaties als ethisch uitgangspunt, i.t.t. als onderwijskundig doel, leidt tot dilemma's, omdat het lastig is om prestaties te ontrafelen naar capaciteiten en inspanning. Dat betekent dat degenen die dit uitgangspunt kiezen, dat met enige omzichtigheid zouden moeten hanteren, en het niet tot het enige uitgangspunt zouden moeten nemen.

rechtvaardigheid
Natuurlijk moet de verdeling rechtvaardig gebeuren. Er zijn echter partijen die zakelijke uitgangspunten voorop zetten, zoals het bijdragen aan onderwijskundige doelen, of een meritocratisch ideaal zoals het belonen van prestaties, terwijl anderen de rechtvaardigheid van de verdeling prioriteit geven. Dat laatste gebeurt echter in de specifieke context van het Nederlandse onderwijsstelsel en onderwijsrecht: de ene bezitter van een einddiploma VWO heeft niet meer of minder rechten dan een andere bezitter. Een numerus fixus tast die rechten aan, en behoort dat dan minimaal te doen. Op dit uitgangspunt is menig pleidooi voor loten gebouwd.

Partijen die zakelijke uitgangspunten een hogere prioriteit geven, onderschrijven veelal wel dat ook doorzichtigheid belangrijk is, in de zin dat kandidaten zich goed moeten kunnen voorbereiden (het 'lot in eigen hand' argument hoort hier bij), en dat eventuele te gebruiken instrumenten objectief moeten zijn.

 
persoonlijke kenmerken

Selectie, i.t.t. loten, vindt plaats op basis van individuele kenmerken of gegevens, zoals geschiktheid voor de studie, capaciteiten, inspanning die men zich heeft getroost, prestaties, persoonlijkheid, motivatie/ervaring, en behoefte.

geschiktheid
Geschiktheid speelde in de discussie in de zeventiger jaren een grote rol, maar er is nu eigenlijk geen enkele partij meer die dit nog serieus bepleit: bij de geneeskundige studies blijken er immers nauwelijks verschillen in 'geschiktheid' te bestaan, dus zijn ze ook niet voorspelbaar. Dit hangt samen met de onhanteerbaarheid van rendement als doel.

capaciteiten
Capaciteiten zijn met intelligentietests te meten, zoals bij de selectie voor de NPA. Niemand heeft voorgesteld dit type instrument te gebruiken. Het gebruik van deze tests zou overigens wel voldoen aan de eis van doorzichtigheid, ook al zijn ze niet voor te bereiden.

inspanning
Wie capaciteiten heeft, maar zich niet inspant, komt niet tot prestaties. Het ligt dus voor de hand om na te gaan of inspanning, als onderscheiden van capaciteiten, valt vast te stellen, bijvoorbeeld om die inspanning dan te kunnen belonen. Die voorstellen zijn wel gedaan, maar dan wordt het 'motivatie' genoemd, zie beneden.

prestaties
Prestaties zijn de resultante van capaciteiten en inspanning. Capaciteiten krijgt men van huis uit mee, en zijn dus geen persoonlijke verdienste. Hetzelfde wordt wel gezegd van het vermogen om zich in te spannen. Bij inspanning gaat het echter om inspanning voor school, in dit geval het eindexamen, terwijl leerlingen een deel van hun energie ook buiten school zouden kunnen besteden. Er valt dan over te discussiëren of deze inspanning bij voorkeur beloond zou moeten worden, bovenop de hogere cijfers die het naar verwachting oplevert. Het probleem is echter dat het lastig zo niet onmogelijk is om prestaties op objectieve wijze uiteen te rafelen naar capaciteiten en inspanning. Toch pleiten sommige partijen voor een belangrijke rol van de eindexamencijfers bij het verdelen van schaarse plaatsen.

Voor zeer hoge prestaties wordt soms nog een uitzondering gemaakt: die zouden direct toegelaten moeten worden. Daar is een pragmatisch argument voor te hanteren: dat voorkomt het soort commotie ontstaan nadat het College van Bestuur van de Erasmus Universiteit in de zomer van 1996 een uitgelote kandidate met zeer hoge cijfers toch wilde toelaten. Andere voorstanders hanteren een ethisch argument, overigens zonder dat te onderbouwen, dat deze kandidaten in ieder geval toch de studie van hun eerste voorkeur vrij zouden moeten kunnen kiezen.

Voor het gebruik van prestaties als selectiegrond bestaat draagvlak, maar dat betreft vooral prestaties in een combinatie met loten, zie hierbeneden.

persoonlijkheid
Het is duidelijk dat voor het beroep van arts bepaalde persoonlijkheidseigenschappen gewenst, andere minder gewenst zijn. In de discussie speelt voortdurend mede een rol de waarschuwing tegen een al te eenzijdige selectie op, zeg, schoolse kenmerken. Het is mogelijk om persoonlijkheidskenmerken te onderzoeken, daar zijn geschikte tests voor beschikbaar. Of de resultaten daarvan ook voor selectie gebruikt kunnen worden, valt nog te betwijfelen, maar in een aantal gevallen zou kandidaten op basis van dergelijke gegevens geadviseerd kunnen worden geen geneeskunde te gaan studeren. Voorshands ontbreekt inzicht in de geldigheid van het gebruik van persoonlijkheidstests voor deze selectie, en kunnen ze daarom niet worden gebruikt.

motivatie, ervaring
Er is een brede roep om motivatie mede een rol te laten spelen, meestal voorzien van de voorwaarde dat er dan wel instrumenten moeten zijn om die behoefte behoorlijk (objectief) vast te kunnen stellen, of voorzien van de verzuchting dat die instrumenten er waarschijnlijk niet zijn, en dat het dan dus niet kan. Die instrumenten zijn er inderdaad niet.

Het vermoeden is dat dit begrip 'motivatie' een containerbegrip is, dat er zeer verschillende beweegredenen onder kunnen vallen, waarvan het nog maar de vraag is of dat nu de beweegredenen zijn die recht op voorrang boven anderen zouden moeten geven, of waarvan de relatie tot de studie en het beroep niet altijd duidelijk is. Zo geven handboeken over personeelsselectie, zoals Roe (1983), geen aandacht aan motivatie behalve in de zin dat kandidaten gemotiveerd moeten zijn om de tests e.d. behoorlijk af te leggen.
Een betekenis die in meerdere bijdragen is te herkennen is: gemotiveerd zijn in de zin van 'er veel voor over hebben om te worden toegelaten.' Cohen heeft wel eens voorgesteld om op die basis plaatsen te veilen, en toe te kennen aan degenen die het grootste deel van hun toekomstige salaris willen afstaan aan de fiscus. Een veel genoemde mogelijkheid om deze vorm van motivatie te laten blijken is door eerst te gaan werken in een geneeskundige omgeving (verpleeghuis, portier van ziekenhuis). Ook de wachtlijst zou een methode zijn om de in deze zin meest gemotiveerden een betere kans te geven dan anderen (die immers eerder afhaken).

Er is vaak opgemerkt dat onder de huidige gewogen loting er weinig of geen belemmeringen zijn voor leerlingen die ook naar eigen mening niet gemotiveerd zijn, om zich toch voor een n.f.-studie op te geven. Ook een wachtlijst hoeft niet echt een belemmering te vormen voor minder gemotiveerden. Er zijn maatregelen denkbaar om de niet gemotiveerden wat af te remmen, zoals de eis dat deficiënties eerst moeten worden opgeheven, alvorens mee te mogen dingen naar toelating, of eerst enige tijd ervaring in de maatschappij op te doen.

Er is draagvlak, velen zouden graag zien dat motivatie kan worden benut, maar de mogelijkheden en instrumenten om motivatie te meten zijn er niet (stop-criterium).

behoefte
Het is denkbaar voorrang te geven aan wie meer behoefte heeft aan een plaats. Onder de hardheidsclausule zullen op basis van dergelijke gronden wel plaatsen zijn toegekend. Behalve voor dergelijke bijzondere gevallen wordt er ook wel voor gepleit om voorrang te geven aan degenen die al vele jaren zijn gericht op het doen van deze of gene opleiding, of die voelen daar een roeping voor te hebben. Nog een categorie die wel is genoemd (door 'Lot'genoten) zijn degenen die eenzijdig zijn gericht op deze n.f.-studie, niet in staat zijn hoge cijfers te halen, en die geen behoorlijke alternatieve studiemogelijkheden hebben. Voor de laatste groep zou een wachtlijst een oplossing zijn, tenzij om daarop te komen ook weer eisen aan cijfers worden gesteld. De onderbouwing van de voorrang voor deze categorieën met meer 'behoefte,' een voorrang die gaat ten koste van anderen, ontbreekt. Er ontbreken ook instrumenten om dergelijke verschillen in behoefte behoorlijk (objectief) vast te kunnen stellen (stop-criterium).

 
instrumenten/procedures (geëvalueerd tegen criteria?)

Er is een reeks instrumenten en procedures waaruit valt te kiezen, gegeven het doel van de selectie, en de persoonlijke kenmerken waarop men wil selecteren: eindexamens, toelatingsexamens, psychologische tests, en interviews als instrumenten, loten, wachtlijsten en herkansen als procedures, en mogelijke combinaties zoals eindexamens en loten.

eindexamens
Wie kiest voor prestaties als basis voor het verdelen van de schaarste, kan natuurlijk gebruik maken van eindexamenresultaten. Daar zijn dan tal van details voor te regelen, en enkele grotere kwesties zoals het wel of niet meetellen van het schoolonderzoek. Van der Linden (1996) heeft gewezen op de hoge kwaliteit van de Nederlandse eindexamens, en wat dat betreft is er geen beletsel om cijfers te hanteren.

toelatingsexamen
Het toelatingsexamen is een mogelijkheid die door velen is onderzocht, maar die in de afweging van voor- en nadelen telkens weer het onderspit delft. De Groot houdt eraan vast, maar hij heeft al heel lang de stelling verdedigd dat de dubbelrol van eindexamens, zowel afsluitend als toelatend, minder gelukkig zou zijn. De Cie. Wiegersma heeft in 1978 een toelatingstoets geadviseerd, die ook door het Cito is samengesteld, en door Pais in zijn Voorontwerp is opgenomen. Die toets was overigens niet bedoeld om het loten overbodig te maken, maar om de betere kandidaten die net niet rechtstreeks zouden worden toegelaten, een goede tweede kans te geven. Er is op dit moment geen partij die een toelatingsexamen of -toets voorstaat. Er is wel een enkele partij die liever ziet dat de vergelijkende selectie in de propedeuse plaatsvindt, maar dat stuit op overwegende bezwaren van tekort aan capaciteit en dreigend verlies van de functies die de propedeuse wettelijk heeft.

Voor een toelatingsexamen is er geen draagvlak.

psychologische tests
Er wordt niet om psychologische tests gevraagd. Waarom niet blijft onduidelijk. Mogelijk hangt dat samen met de nadruk die velen leggen op presteren, dus op studieresultaten, terwijl het bij tests vooral gaat om laten zien wat je capaciteiten zijn. Een uitzondering is de vraag naar tests voor motivatie, die dus niet bestaan, of naar gestructureerde interviews om motivatie te kunnen vaststellen (M. de Vries, VVD).

Voor psychologische tests is er geen draagvlak.

interview
Over interviews, zeg maar sollicitatiegesprekken, zijn de psychologen in de discussie zeer kortaf: niet doen, daarmee valt geen motivatie vast te stellen. Het veld dat die interviews zou moeten uitvoeren heeft een voorkeur voor het handhaven van de gewogen loting, en ziet het houden van interviews als een onoverkomelijk zware belasting. Dan blijft nog de mogelijkheid over om de interviews door professionele krachten te laten uitvoeren, in de vorm van gestructureerde interviews zoals door M. de Vries voorgesteld, maar ook daarvan moet eerst nog blijken dat ze geconstrueerd kunnen worden en blijken te meten wat de bedoeling is. Recent is uit meta-analyses gebleken (McDaniel, Whetzel, Schmidt, & Maurer, 1996) dat gestructureerde interviews enigszins hetzelfde kunnen meten als intelligentietests, wat een mooi resultaat is, maar nog geen reden om interviews in plaats van intelligentietests te gebruiken.

Voor interviews treden twee stopcriteria in werking: te hoge kosten, en ontbrekende geldigheid.

loten
Loten is niet een instrument, maar een procedure, al bij de oude Grieken in gebruik. In de Nederlanden is het oudste bekende gebruik dat bij de verdeling van schaarse marktplaatsen in het Brugge van de 13e eeuw, waaruit zich pas later de staatsloterij heeft ontwikkeld. Loten als eerlijke procedure heeft een belangrijke plaats in de Theory of justice van Rawls. Het is dus geen 'domme' procedure in de pejorarieve betekenis van dat woord, hoewel het in die zin nog regelmatig retorisch wordt gebruikt. Men kan het niet eens zijn met loten als procedure, en belangrijke partijen hebben daar bedenkingen bij, maar het is een procedure die heel goed valt te legitimeren. In feite is van meet af aan bij de numerus fixus gekozen voor loten als onderdeel van de procedure (de 7,5 regeling van de Brauw), en is er sinds 1972 geen enkel uitgewerkt voorstel geweest, ook niet van VVD-onderwijsminister Pais, waarin loten uitgebannen was.

Loten is een procedure die selecteert 'zonder aanzien des persoons,' waarvan 'wie eerst komt, eerst maalt' een ander lid is, evenals de wachtlijst en de veiling. Loten heeft bovendien de eigenschap dat kansen strikt gelijk zijn, dus niet afhangen van kapitaal (zoals bij de veiling) of van verschillen in de bereidheid of de mogelijkheden om te wachten.

In de hitte van het debat worden aan het loten (gewogen loten) wel eens nadelen toegedicht die allereerst het feit van de numerus fixus betreffen. Op een meer subtiele wijze is dat het geval met pleidooien om herloters een grotere kans te geven: dat gaat voorbij aan het feit dat daardoor anderen juist een kleinere kans moeten krijgen omdat de numerus fixus er immers niet hoger door wordt. Het probleem zit niet in het loten, maar in de getalsbeperking: bij herhaalde vergelijkende examens zou zich een zelfde probleem voordoen.

In technische zin, in de selectiepsychologie, maar ook in tal van andere situaties, is loten een manier om ex-aequo situaties te beslechten, om ties te breken. In de politiek worden er verschillende standpunten ingenomen waar het gaat om de vraag wanneer er sprake is van een situatie waarin kandidaten als gelijk moeten worden beschouwd, zie de handelingen van het kamerdebat in 1975.

herkansen
Een groot dilemma bij loten is de onzekerheid die het gevolg is voor uitgelotenen die in de toekomst opnieuw willen loten, en dus niet zeker kunnen zijn van de uitkomst daarvan. Het is niet meteen duidelijk wat hier nu het probleem is: het loten, of het geven van de mogelijkheid om te herkansen. Het dilemma is dat het geven van zekerheid, in 1975 in de kamer uitgebreid besproken, het systeem uit de hand zou kunnen laten lopen, zodat geen partij daar makkelijk politieke verantwoordelijkheid voor zal nemen.

Er kan een onderscheid worden gemaakt tussen de toelatingsprocedure voor degenen die de eerste keer deelnemen, en de procedure voor degenen die de eerste keer niet zijn toegelaten en zich later opnieuw aanmelden. Hier kunnen combinaties gevormd worden, zoals bijvoorbeeld gewogen loting bij eerste aanmelding, wachtlijst voor de niet geplaatsten.

Er is een groot draagvlak voor herkansen, in de zin dat zo mogelijk niemand absoluut een plaats ontzegd zal worden. Het probleem bij numerus fixus is natuurlijk dat de herkansingsregeling van invloed is op de toelatingssituatie bij eerste aanmelding.

wachtlijst
Het idee van een wachtlijst is niet nieuw, en in feite is het stuwmeer van uitgelotenen ook een wachtlijst. Het idee wordt door de groep 'Lot'genoten voorgestaan, terwijl Van der Linden erop heeft gewezen dat eens naar het Duitse systeem van wachtlijsten zou moeten worden gekeken. De grote vraag is, zie ook wat hierboven bij loten is opgemerkt, of bij een wachtlijst er wèl zekerheid is een plaats te krijgen. In theorie kàn die zekerheid er immers niet zijn: het aantal plaatsen is strikt beperkt, er komt dus pas ruimte wanneer mensen de wachtlijst verlaten, en zij die dat doen hadden ongetwijfeld verwacht lang genoeg te kunnen wachten om een plaats te krijgen. Zie de studie van het CSHOB over de wachtlijst in de Duitse Länder.

De vraag is niet óf, maar hóe. Immers, zodra voor een of andere vorm van herkansingsmogelijkheid wordt gekozen, is er in feite sprake van een groep wachtenden. Stop-criterium voor een wachtlijst, en daarmee ook voor de herkansingsregeling waar ze een gevolg van is: als het een stuwmeer oplevert dat groeit. Dat hangt dus van de specifieke regeling en omstandigheden af.

combinaties
De gewogen loting is een combinatie, waarop varianten mogelijk zijn door de gewichten anders te kiezen. Destijds (1975) heeft de Tweede Kamer die mogelijkheid overigens uitdrukkelijk buitengesloten door de gewichten bij amendement in de wet vast te leggen, niet bij motie. Er zijn tal van mogelijkheden om de gewichten anders te kiezen (zie bijv. Hofstee & Kiers, 1966). Een bijzondere mogelijkheid is om de hoogste categorie altijd direct toegang te verlenen, of de hoogste twee categorieën (Cie. Warries), de hoogste drie categorieën (Cie. Wiegersma), of een nieuwe hoogste categorie, boven de al bestaande, te vormen, en die directe toegang te verlenen (Hofstee & Kiers).

Het zou prachtig zijn wanneer een compromis juist de nadelen van iedere deel-oplossing zou wegnemen, maar dat is bijv. met de huidige gewogen loting niet zo: met de voorrang bij hoge cijfers wordt extra inspanning niet altijd beloond, met de loting worden soms kandidaten beloond die dat niet 'verdienen.'

Het draagvlak voor enige vorm van gewogen loting is groot, om niet te zeggen vrijwel volledig (unaniem). Binnen kringen van deskundigen duidt men het meestal aan als 'het minst slechte systeem,' gegeven de numerus fixus. Het zijn incidenten, zoals de actie van het College van Bestuur van de Erasmus Universiteit, die dat beeld verstoren.

Gerefereerde literatuur


Astin, A. W. (1985). Achieving educational excellence. A critical assessment of priorities and practices in higher education. San Francisco: Jossey-Bass.

Bartels, A. (1963). Een eeuw middelbaar onderwijs 1863-1963. Groningen: Wolters.

Berg, M. M. van den, & Hoen, A. R. (1996). Op naar een nieuw lotingssysteem. Tijdschrift voor Hoger Onderwijs, 14, 231-235.

Bishop, J. H. (1995). The impact of curriculum-based external examinations on school priorities and student learning. International Journal of Educational Research, 23 (8), 653-752.

Brink, W. P. van den (1982). Binomiale modellen in de testleer. Amsterdam: Universiteit van Amsterdam.

Broekman, P. K. H., Van Antwerpen, A. P., Meijering, P. H., & Reijnaert, R. J. M. (1979). Studietoetsen voor toelating tot studierichtingen met een numerus clausus. Arnhem: Cito. 15 januari 1979.

Cahn, S. M., & Haber, J. G. (Eds.) (1995). Twentieth century ethical theory. Englewood Cliffs, New Jersey: Prentice Hall.

Coleman, J. S. (Ed.) (1990). Equality and achievement in education. London: Westview Press.

Conley, P. (1995). The allocation of college admissions. in Elster, J. (Ed.), Local justice in America (p. 25-80). New York: Russell Sage.

Cronbach, L. J., & Gleser, G. C. (1957/1965). Psychological tests and personnel decisions. Urbana, Illinois: University of Illinois Press.

CRWO (1978). Loot om oud ijzer. CRWO-commentaar op het Rapport van de Werkgroep Selectie i.v.m. de Machtigingswet inschrijving studenten. J. W. Holleman, B. Wilbrink, H. van der Vleugel, J. Cohen-Schotanus, & C. van Dorp. Voorburg: Contactgroep Research Wetenschappelijk Onderwijs, december 1978.

CVHWO (Commissie Voorbereiding Herprogrammering Wetenschappelijke Onderwijs) (1974). Derde werkstuk: De propedeuse. 's-Gravenhage: Academische Raad.

Drenth, P. J. D. (1994). Selectie van goede student is lastig. NRC Handelsblad 29-9-1994.

Drenth, P. J. D. (1995). In Nederland is selectie onmogelijk. Duyker-lezing. NRC Handelsblad 30-3-1995. Met replieken van F. Bolkestein en emeritushoogleraar electrotechniek aan de T.U. Delft P. Eykhoff.

Dronkers, J., & Hillige, S. (1995). De besturen van studentencorpora en de toegang tot de Nederlandse elites. Amsterdams Sociologisch Tijdschrift, 21(4), 37-64.

Dronkers, J., & Ultee, W. C. (red.) (1995). Verschuivende ongelijkheid in Nederland. Sociale gelaagdheid en mobiliteit. Assen: Van Gorcum.

Dyck, M. van (1995). Selectie voor hoger onderwijs. Utrecht: Adviesraad voor het Onderwijs.

Eck, E. van, Vermeulen, A., & Wilbrink, B. (1994). Doelmatigheid en partijdigheid van psychologisch onderzoek bij de selectie van schoolleiders in het primair onderwijs. Amsterdam: SCO-Kohnstamm Instituut.

Edgeworth, F. V. (1888). The statistics of examinations. Journal of the Royal Statistical Society, 51, 599-635.

Eicher, J. -C., & Chevaillier, T. (1993). Rethinking the finance of post-compulsory education. International Journal of Educational Research, 19, number 5, 447-519.

Ellis, W. (1994). The Oxbridge conspiracy. How the ancient universities have kept their stranglehold on the establishment. London: Michael Joseph.

Elster, J. (1989). Solomonic judgements. Studies in the limitations of rationality. Cambridge: Cambridge University Press.

Elster, J. (1992). Local justice. How institutions allocate scarce goods and necessary burdens. Cambridge: Cambridge University Press.

Elster, J. (Ed.) (1995). Local justice in America. New York: Russell Sage.

Elster, J., & Herpin, N. (Eds.) (1994). The ethics of medical choice. London: Pinter.

Fischer, W., & Lundgreen, P. (1975). The recruitment of administrative personnel. In Tilly, C. (Ed.), The formation of national states in western Europe (p. 456-561). Princeton: Princeton University Press.

Folia 21-6-1996. Bètastudies verliezen talent aan geneeskunde. 'Schaf loting voor medicijnenstudie af.' Nog ongepubliceerd onderzoek van H. Oosterbeek en D. Webbink, Stichting voor Economisch Onderzoek.

Gielen, B. E M., Datema, H., en L'Ortye, F. L. H. M. (1996). Commissie Drenth; verslag hoorzitting. Amersfoort: Twijnstra Gudde.

Groot, A. D. de (1970). Some badly needed non-statistical concepts in applied psychometrics. Nederlands Tijdschrift voor de Psychologie, 25, 360-376.

Groot, A. D. de (1972). Selectie voor en in het hoger onderwijs. Een probleemanalyse. 's-Gravenhage: Staatsuitgeverij.

Hofstee, W. K. B. (1969). Selektie. Inaugurele rede. Groningen: Rijksuniversiteit Groningen.

Hofstee, W. K. B. (1979). Drogredenen met betrekking tot individuele kansuitspraken. Kennis en Methode, 433-445.

Hofstee, W. K. B. (1983). The case for compromise in educational selection and grading. In Anderson, S. B., & Helmick, J. S. (Eds.). On educational testing (p. 109-127). San Francisco: Jossey-Bass. html

Hofstee, W. K. B. (1996). Psychologische test bij personeelsselectie. Mogelijkheden en beperkingen. De Psycholoog, 31 (10), 378-381.

Hofstee, W. K. B., & Kiers, H. A. L. (1996). Een algemeen model voor loting en selectie bij numerus clausus. Groningen (niet gepubliceerd)

Hofstee, W. K. B., & Trommar, P. M. L. (1976). Selektie en loting: meningen van eindexaminandi. Groningen: Heymans Bulletins Psychologische Instituten HB-76-251-EX oktober 1976. Integraal opgenomen in het verslag van de Commissie Warries.

Hofstee, W. K. B., Knoers, A. M. P., Warries, E., & Wijnen, W. H. F. W. (1978). Toelating tot de universiteit: kritiek op een selectierapport. NRC Handelsblad, 21 juni 1978.

Janoff-Bulman, R., & Brickman, Ph. (1982). Expectations and what people learn from failure. In Feather, N. T. (Ed.). Expectations and actions: expectancy-value models in psychology (p. 207-237). Hillsdale, New Jersey: Lawrence Erlbaum.

Köbben, A. J. F. (1983). Had de professor een goed rapport? NRC Handelsblad 22 september. Repliek van H. 't Hart, en dupliek, 22 oktober. Zie ook Köbben, A. J. F. (Red.) (1991). De weerbarstige waarheid. Opstellen over wetenschap (p. 134-144). Amsterdam: Prometheus.

Linden, W. J. van der (1996). Dobbelsteen is de slechtste voorspeller van studiesucces. NRC Handelsblad, 13 juni.

McDaniel, M. A., Whetzel, D. L., Schmidt, F. L., & Maurer, S. D. (1996). The validity of employment interviews: A comprehensive review and meta-analysis. Journal of Applied Psychology, 79, 599-616.

Nationale Raad voor de Volksgezondheid. Adviezen beroepskrachtenvoorziening artsen deel 1 en 2 (1/94, 32/93); Advies medische en tandheelkundige vervolgopleidingen (4/95). Zoetermeer. (079-3687300; postbus 7100 2701 AC)

NIP, Richtlijnen voor ontwikkeling en gebruik van psychologische tests en studietoetsen. Amsterdam: Nederlands Instituut voor Psychologen, 1988.

Onderwijsraad (1996). Toegankelijkheid van het Nederlandse onderwijs. Notitie externe deskundigen. 's-Gravenhage: Onderwijsraad (niet gepubliceerd).

Rawls, J. (1972). A theory of justice. Oxford: Oxford University Press.

Rawls, J. (1993). Political liberalism. New York: Columbia University Press.

Ringer, F. (1979). Education and society in modern Europe. Bloomington: Indiana University Press.

Roe, R. A. (1983). Grondslagen der personeelsselektie. Assen: Van Gorcum.

Roeleveld, J. (1994). Verschillen tussen scholen. Kenmerken, effectiviteit en stabiliteit van onderwijsinstellingen in Nederland. Proefschrift Universiteit van Amsterdam. Amsterdam: SCO-Kohnstamm Instituut (rapport 361)

Romm (1995) Layoffs: principles and practices. in Elster, J. (Ed.), Local justice in America (p. 153-226). New York: Russell Sage.

Schie, P. G. C. van (Red.) (1994). Keur van kennis. Opinies over hoogwaardig hoger onderwijs. 's-Gravenhage: Teldersstichting.

Sen, A. (1995). Welzijn, vrijheid en maatschappelijke keuze. Opstellen over de politieke economie van het pluralisme. Gekozen door J. de Beus. Amsterdam: Van Gennep.

Sher, G. (1987). Desert. Studies in moral, political, and legal philosophy. Princeton: Princeton University Press.

Stephens, S. (Ed.) (1995). Children and the politics of culture. Princeton: Princeton University Press.

Suleiman, E. N. (1978). Elites in French society. The politics of survival. Princeton: Princeton University Press.

Teichler, U. (1992). Equality of opportunity in education and career: Japan seen in an international perspective. Oxford Review of Education, 18, 283-296.

Teichler, U. (1992). Equality of opportunity in education and career: Japan seen in an international perspective. Oxford Review of Education, 18, 283-296.

Titze, H. (1990). Der Akademiker-Zyklus. Historische Untersuchungen über die Wiederkehr von Überfüllung und Mangel in akademischen Karrieren. Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht.

Verlenging en wijziging Machtigingswet inschrijving studenten. Tweede kamer der Staten-Generaal, zitting 1974-1975. 12 929 nrs. 7-9, ontvangen 6 februari 1975. Memorie van Antwoord, Algemene beschouwingen, Nadere beschouwingen over studentenaantallen en onderwijscapaciteit, Selectie en plaatsing (o.a. over onwenselijkheid wachtlijsten, over criteria), Tekst van de machtigingswet, Enkele kwantitatieve gevolgen bij verschillende toelatingsstelsels (met figuur).

Voorontwerp van een Wet houdende machtiging inschrijving studenten wetenschappelijk onderwijs. Memorie van toelichting. Brief van de minister aan de Academische Raad 15-7-1980. Brief voorzitter Begeleidingscommissie Studietoetsen W.O. (P. J. D. Drenth) aan de minister 31-1-1979.

Vroeijenstijn, A. I. (rapporteur), Waumans, B. L. A.., & Wijmans, J. (1992). International programme review electrical engineering. Utrecht: VSNU.

Warries, E. (Voorzitter) (1977). Toelatingscriteria voor de numerus fixus-studierichtingen in het wetenschappelijk onderwijs. Advies van de Adviescommissie toelatingscriteria wetenschappelijk onderwijs. Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen.

Wasserman, D. (1996). Let them eat chances: probability and distributive justice. Economics and Philosophy, 12, 29-49.

Wiegersma, S. (1978). Toelating tot de universiteiten: reactie op kritiek. NRC Handelsblad, juli 1978.

Wiegersma, S. (Voorzitter) (1978). Werkgroep Selectie i.v.m. de Machtigingswet inschrijving studenten. Rapport aan de minister van onderwijs en wetenschappen.

Wiggers, J. H. (1991). Recht doen aan gelijkheid. Een beschouwing over voorkeursbehandeling en de betekenis van het gelijkheidsbeginsel in het grensgebied van recht en sociaal-politieke ethiek. Nijmegen: Ars Aequi Libri. Cahn, S. M., & Haber, J. G. (Eds.) (1995). Twentieth century ethical theory. Englewood Cliffs, New Jersey: Prentice Hall.

Wijnen, W. (1973). Wie mag in 1973 naar de universiteit? Universiteits Krant Groningen 31 januari.

Wilbrink, B. (1974). Cijfers weersproken. Onderzoek van Onderwijs, 3, september, 13-14. 44k html

Wilbrink, B. (1980a). Toelatingstoets voor het wetenschappelijk onderwijs. Tijdschrift voor Onderwijsresearch, 5, 39-40. html

Wilbrink, B. (1980b). Toelating tot numerus fixus studies opnieuw in discussie. Universiteit en Hogeschool, 27, 179-199. html

Wilbrink, B. (1990). Complexe selectieprocedures simuleren op de computer. Amsterdam: SCO. pdf

Wilbrink, B., & Dronkers, J. (1993). Dilemma's bij groeiende deelname aan hoger onderwijs. Achtergrondstudies Hoger onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek 17. Zoetermeer: Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen. html

Wilbrink, B., van Hoorn, W., van der Kamp, L. J. Th., & Algera, J. (1990). Selectie voor politie-officier. De toelating tot de Nederlandse Politie Academie. Amsterdam: SCO. html

Winch, C. (1996). Quality and education. Special issue of the Journal of Philosophy of Education, 30, 1-155.

Winslow, G. R. (1982). Triage and justice. Berkeley: University of California Press.

Young, I. M. (1990). Justice and the politics of difference. Princeton: Princeton UP.

Young, M. (1958). The rise of the meritocracy, 1870-2033: An essay on education and equality. London: Thames and Hudson.



- later -


Hill, Theodore P. (2000). Mathematical devices for getting a fair share. Scientific American, July-August, 325-331. (Whether the problem involves an estate, a cake or an opportunity for regency, solutions now exist for obtaining an equitable division) (esp/ the last paragraph: Super-Fair Lotteries. Selection by lottery might be treated as (a special case of) a super-fair lottery. A weighted lottery (admission chances weighted by grades obtained), however, is not a case of a super-fair lottery ) (Ted Hill makes a pdf-version of the article (text and illustrations in separate files) available at http://www.math.gatech.edu/~hill/publications/cv.dir/cv.html#publ

latere publicaties van eigen hand

Zie de vermelde literatuur in de volgende stukken voor meer actuele verwijzingen.

Wilbrink, Ben (1999). Rechtvaardigheid en selectie voor numerus fixusstudies. Tijdschrift voor Hoger Onderwijs, 17, 136-152 html concept-versie

(2003). Decentrale toelating, eerste stap naar selectieve toelating HO? Tijdschrift voor Hoger Onderwijs, 21, nummer 1, 47-57. html concept-versie

Wilbrink, Ben (2004, ongepubliceerd). Meer permanente selectie kan onze economie niet gebruiken. concept. Voordracht Studium Generale Tilburg, 30-9-2004. html

Wilbrink, Ben (2004). Extra selectie aan de poort: wanneer is genoeg genoeg?. Onderzoek van Onderwijs, 33 nummer 3, 37-40. html concept-versie



Rapport van de commissie Toelating Numerus Fixusopleidingen (voorzitter P. J. D. Drenth) 'Gewogen loting gewogen.' 1997, p. 121-204. Sdu Servicecentrum. ISBN 90 346 34116 pdf.



13-5-2005 \ contact ben apenstaartje benwilbrink.nl

Valid HTML 4.01!   http://www.benwilbrink.nl/publicaties/97OpsommingDrenth.htm