Gepubliceerd als 'Voor loten aan universiteit bestaat geen redelijk alternatief.' NRC Handelsblad 12 september 1996


Ben Wilbrink

LOT IN EIGEN HAND?

Als het aan Ritzen ligt leidt de discussie over gewogen loting voor geneeskunde en andere studies met een numerus fixus tot afschaffing ervan, want het is beter dat kandidaten het lot in eigen hand hebben. Ritzen installeerde afgelopen vrijdag de commissie die de gewogen loting loting nog eens na moet wegen, en als het kan met alternatieven moet komen. De commissie zal zeker nagaan of de schaarste is te verminderen, of er een goed compromis is tussen verschillende opvattingen over hoe die schaarste eerlijk is te verdelen, en of er in het buitenland procedures zijn die overweging verdienen of juist een waarschuwing inhouden. De commissie kan haar voordeel doen met de uitkomsten van een internationaal project ’local justice’ van Jon Elster (waarom zit hij niet in die commissie?) over beslissen in situaties van schaarste.

Elster ziet de ‘Dutch lottery’ als een interessante mogelijkheid om schaarse plaatsen te verdelen, naast andere methoden zoals loten en wachtlijsten. Anderen, zoals eerder op deze pagina Van Rossum en Bomhof, zien niets in loten, en scharen zich met Ritzen achter het idee dat examens kandidaten het gevoel geven het lot in eigen hand te hebben. Tussen gevoel en werkelijkheid staan hier de wetten en de bezwaren vanuit de psychologische testleer, zoals door de voorzitter van de commissie, Drenth, al eens heeft samengevat in een in deze krant gepubliceerde Duyker-lezing. Vakgenoten van Bomhof zien wel degelijk iets in loten als instrument om eerlijk te rantsoeneren, of in coöperatief verband te sparen en te loten wie van het gezamenlijk gespaarde bedrag een huis mag bouwen of een bedrijfje beginnen (‘rotating savings and credit associations’). Maar nee, voor Bomhof is loten dom, zoals het voor Van Rossum principieel onjuist is. Toch wordt er in het vakgebied van Van Rossum ook geloot. Dan gaat het om leven en dood, zoals wie gebruik mag maken van een nog in de testfase verkerend en in onvoldoende mate beschikbaar geneesmiddel voor AIDS-patiënten van Hoffman-La Roche. Daar is in overleg met patëntenorganisaties gekozen voor loten (Drug Topics, 10 juli 1995). Principieel onjuist? Is het beter het lot in eigen hand te hebben?

Pleidooien voor vergelijkende examens en lot in eigen hand zijn verbazingwekkend wanneer dat wordt afgezet tegen de manier waarop werkgevers hun personeel selecteren: examens werden in de 19e eeuw wel gebruikt, maar zijn daar toch al heel lang in onbruik geraakt. Het benadrukken van examens veronderstelt ook dat het talent schaars is, en uitgezeefd moet worden. Maar een studie als geneeskunde heeft vrijwel geen uitvallers (en gebrek aan capaciteiten speelt bij die uitval nauwelijks een rol), en de beoefening van de huisartsgeneeskunde is geen topsport (vergelijking Bomhof).

Het is van de gekke om de numerus fixus te behandelen als een probleem van schaars intellect: de kern van het probleem is dat het aantal opleidingsplaatsen schaars wordt gehouden. Zoals bij niertransplantatie er geen schaarste is aan geschikte patiënten, maar aan donororganen. De politiek, Ritzen, kan het probleem verminderen door meer plaatsen open te stellen, en daarmee tegelijk de arbeidsmarkt voor geneeskundigen te verruimen. Die ruimere arbeidsmarkt heeft waarschijnlijk gunstige gevolgen voor de kosten en kwaliteit van gezondheidszorg, het is in ieder geval de moeite waard dat eens uit te laten zoeken (Bomhof?). Er mag best een zeker risico worden genomen dat er straks artsen teveel zijn, dat risico is er ook bij andere kostbare en beroepsspecifieke opleidingen zoals de technisch-wetenschappelijke. Tot nu toe wordt er een risico genomen op het ontstaan van tekorten, en voor tandartsen is dat inderdaad ontstaan. Het schandaal is niet de loting, maar het kunstmatige tekort aan bepaalde plaatsen.

De weging van kansen in de gewogen loting is onevenwichtig, en dat valt te repareren. In de hoogste lotingsklasse is de toelatingskans 3 keer zo hoog als in de laagste, bv. 90% tegen 30%, maar dat is versluierende retoriek omdat tegelijk de kansen om UIT te loten dan 7 keer zo gunstig zijn voor de hoogste lotingsklasse: 10% tegen 70%. Wanneer er maar enkele plaatsen te weinig zijn (en er in redelijkheid geen numerus fixus hoort te zijn), worden kandidaten in de hoogste lotingsklassen zelfs direct toegelaten, en dan fungeert de huidige gewogen loting gelijk aan het ‘model De Brauw’ dat in 1974 in het parlement juist werd verworpen, of aan het ‘model Wiegersma’ dat als voorontwerp van wet van minister Pais in 1980 in de kamercommissie sneuvelde, met toelatingstoets voor geneeskunde en emancipatorische toeters en bellen en al. Staatssecretaris Klein heeft al in 1974 voor die uitlotingskansen aandacht gevraagd, maar niet gekregen. Wie uitloot of bij selectie buiten de boot valt, moet zichzelf maar zien te redden. Maar dat is een hooghartig standpunt dat de overheid niet past: de overheid draagt ook verantwoordelijkheid voor degenen die uitloten. Het slaat dus nergens op wanneer bestuurders van geneeskundige faculteiten betogen dat het belang van hun uit overheidsgeld bekostigde faculteit erom vraagt de ‘beste’ kandidaten toe te laten. Het argument strekt zich ook uit tot het gebruik van eindexamencijfers omdat deze succes in studie en beroep zouden voorspellen: dat doen ze inderdaad enigszins, maar dat doen ze ook voor vrijwel iedere andere studierichting, en veelal beter dan voor geneeskunde. De kwaliteit van onze eindexamens is zeker hoog, zoals eerder op deze pagina nog eens benadrukt door Van der Linden, maar ze kunnen niet aangeven dat Klaasje beter geneeskunde dan natuurkunde kan gaan studeren, en Hendrikje omgekeerd. Toch eindexamencijfers bij de loting gebruiken heeft daarom niet met hun voorspellende waarde te maken, maar berust op morele of politieke argumenten.

Evenmin is destijds goed voorzien dat herhaald mee laten loten ieders kansen om bij de eerste keer al in te loten vermindert. Zo is er gekozen voor een stelsel van gewogen loting, maar blijkt er toch een wachtlijst aan te hangen. Maar neem dan in de afweging ook nadrukkelijk de voor- en nadelen van zo’n wachtlijst mee: komt dat inderdaad tegemoet aan de meest gemotiveerden, of juist aan de meest kapitaalkrachtigen, en hoe zijn de individuele en maatschappelijke kosten van dat wachten binnen aanvaardbare grenzen te houden? Is de Duitse variant van wachtlijsten het overwegen waard, zoals bepleit door Van der Linden? Het is mogelijk de huidige procedure een nog sterker wachtlijst-karakter te geven door eerder uitgelotenen de volgende keer betere kansen te geven, tegen de prijs dat voor iedereen de kansen verder afnemen om bij de eerste keer al in te loten. De wachtlijst kan korter worden door eerder uitgelotenen juist lagere kansen te geven, zodat iedereen hogere kansen krijgt om meteen in te loten. Maar laat niemand zich rijk rekenen aan het idee van de wachtlijst. Als er structureel tweemaal zoveel gegadigden zijn als plaatsen, dan zal linksom of rechtsom de helft af moeten vallen, óók bij een wachtlijst. Het gaat er juist om voor die stoelendans een beschaafde methode te kiezen, zonder onnodige maatschappelijke kosten.

Eckstein en Noah laten in hun boek ‘Secondary school examinations’ zien hoe in Frankrijk, Duitsland, Engeland, Zweden, en Japan de examens van het VWO leiden tot ongewenste situaties en ondoelmatigheden. Onder de examendruk is de kwaliteit van het onderwijs en van het leven van de jongeren in het geding, in Japan zelfs die van de samenleving. In de Verenigde Staten vormt juist het ontbreken van landelijke examens het probleem, samen met een historisch gegroeide situatie waarin de plaatsen aan enkele instellingen zo begeerd zijn dat er slechts weinigen worden toegelaten via vaak evident pseudo-rationele selectieprocedures. In de ‘Economics of Education Review’ 1996 is daarom een voorstel gedaan voor een vorm van gewogen loting die de interviews moet vervangen bij de toelating tot geneeskunde aan de Universiteit van Montreal. In Japan en vele Westerse landen zijn discussies gaande over examens en selectie bij de overgang naar het hoger onderwijs, en soms (Zweden, Israel) gaat men over op het gebruik van uit hun culturele context gerukte Amerikaanse methoden. Nederland mag zijn zegeningen tellen, en kan beter niet afglijden naar situaties waarin selectie de overhand krijgt op onderwijs. Selectie is zelf niet productief, want het draagt niets bij aan ‘menselijk kapitaal,’ het sorteert het alleen maar, en dat tegen soms torenhoge kosten. Psychologen van naam hebben zich wel rijk gerekend aan de bijdragen die psychologische selectie zou kunnen leveren aan het Bruto Nationaal Product, maar daarbij over het hoofd gezien dat selectie op landelijk niveau eerder een nulsom-activiteit is omdat selecteurs in dezelfde vijver met talent vissen. Universiteiten die ondernemen met belastinggeld, ‘lot in eigen hand,’ doen er dan ook beter aan spelletjes met selectie te mijden.


Ben Wilbrink onderzoekt examens, selectie, en de relatie onderwijs-arbeidsmarkt en is verbonden aan de groep Hoger Onderwijs van het SCO-Kohnstamm Instituut van de Universiteit van Amsterdam.


Niet in de NRC gepubliceerde, maar meest in de tekst wel kort aangeduide bronnen


Bomhoff, E. J. (1996). Goede studenten slechte minister. NRC Handelsblad 26-8-1996. Over de MUB en over de gewogen loting.

Drenth, P. J. D. (1995). In Nederland is selectie onmogelijk. Duykerlezing. NRC Handelsblad 30-3-1995. Met replieken van F. Bolkestein en emeritus-hoogleraar electrotechniek aan de TU Delft P. Eykhoff.

Cannings, K., Montmarquette, C., & Masheredjian, S. (1996). Entrance quotas and admission to medical schools: a sequential probit model. Economics of Education Review, 15, 163-174.

Clark, B. R. (Editor, 1985). The school and the university. An international perspective. London: University of California Press.

Eckstein, M. A., & Noah, H. J. (eds) (1992). Examinations: comparative and international studies. Oxford: Pergamon Press.

Eckstein, M. A., & Noah, H. J. (1993). Secondary school examinations. International perspectives on policies and practice. New Haven: Yale University Press.

Elster, J. (1992). Local justice. How institutions allocate scarce goods and necessary burdens. Cambridge: Cambridge University Press.

Hofstee, W. K. B. (1982). De methodische deskundigheid van de psycholoog. De Psycholoog, 17, 697-707.

Klein, G. (1974). Loting met een voor ‘herhalers’ grotere kans om in te loten. Kamerstuk 12958, nr 6, Brief van de staatssecretaris 26 juni 1994.

Linden, W. J. van der (1996). Dobbelsteen is de slechtste voorspeller van studiesucces. NRC Handelsblad 13-7-1996.

Rossum, A. van (1996). Een vergelijkend examen is eerlijker dan loting. NRC Handelsblad 19-6-1996. [Dr. A. van Rossum is emeritus hoogleraar neuropathologie aan de Universiteit Utrecht.]

Rossum, Maarten van (1996). Excellente windhandel. De Volkskrant 15-10-1996.


meer - later

Een literatuurbestand op het onderwerp is hier beschikbaar.


Ben Wilbrink (1997). Opsomming van de discussie over toelating bij numerus fixusstudies. In: Gewogen loting gewogen. Advies van de Commissie Toelating Numerus Fixusopleidingen, Bijlage, 121-203. html


Ben Wilbrink (2004). Meer permanente selectie kan onze economie niet gebruiken. concept. Voordracht Studium Generale Tilburg, 30-9-2004. html


16-8-2006 \ contact ben apenstaartje benwilbrink.nl

Valid HTML 4.01!       http://www.benwilbrink.nl/publicaties/96LotenRedelijkNRC.htm