Tijdschrift voor Hoger Onderwijs, 1999, 17, 136-152.

Rechtvaardigheid en selectie voor numerus fixusstudies

Ben Wilbrink
SCO-Kohnstamm Instituut





Bij de dit jaar vastgestelde wettelijke regeling voor de toelating tot numerus fixusstudies krijgen instellingen de mogelijkheid een deel van de schaarse plaatsen via een eigen selectieprocedure te verdelen. De instellingen hebben behoorlijke vrijheden om daar zelf procedures voor te kiezen of te ontwikkelen, als ze maar aanvaardbaar zijn. De beleving van rechtvaardigheid speelt daarbij een grote rol. Hoewel er nu enige decennia publieke discussie over de toelating bij numerus fixusstudies is gevoerd, is daarbij de inhoud van het begrip 'rechtvaardigheid' meestal buiten schot gebleven. Dat is ten onrechte, als je dat zo mag zeggen. Theorieën over rechtvaardigheid, zowel uit filosofische als uit sociaal-psychologische hoek, blijken in staat de makkelijk geponeerde opvattingen zoals 'lot in eigen hand' hard onderuit te halen, en geven ook aanwijzingen waar vooral op te letten bij het opstellen van de spelregels voor de stoelendans om het beperkte aantal plaatsen voor vooral de geneeskundige opleidingen.


Inleiding


De toelating tot numerus fixusstudies zal de komende jaren bij voortduring in discussie zijn omdat de instellingen de mogelijkheid hebben gekregen te experimenteren met eigen toelatingsprocedures voor een deel van de beschikbare plaatsen. De discussie zal gaan over de aanvaardbaarheid van die nieuwe procedures, over de mate ook waarin die procedures als rechtvaardig worden ervaren. Hoewel de eis van rechtvaardigheid altijd door alle partijen is onderschreven, in 1975 resulterend in kamerbrede aanvaarding van de gewogen loting, is in de publieke discussie (zie Wilbrink, 1997a) de betekenis van rechtvaardigheid in de context van selectie voor numerus fixusstudies ten onrechte niet geproblematiseerd. Er zijn overigens wel enkele empirische studies gedaan naar de acceptatie van loting versus selectie (Hofstee & Trommar, 1977; Hofstee, 1990; Akkermans, 1996). Omdat het politieke debat van de laatste jaren gebukt is gegaan onder tendentieuze slogans zoals 'lot in eigen hand,' en instellingen daar nu een praktische vertaling van proberen te maken, is enige reflectie wel gewenst op wat hier rechtvaardig zou kunnen zijn, en wat onrechtvaardig. De feitelijke situatie is als volgt.

De gewogen loting heeft het een kwart eeuw volgehouden in de vorm zoals vastgelegd in het amendement Vermaat. Dit jaar is de wet ingrijpend gewijzigd, gevolg gevend aan de afspraak in het regeeraccoord om inzet, motivatie en specifieke talenten en vaardigheden meer te honoreren. De belangrijkste wijzigingen zijn: directe toelating bij een gemiddeld eindexamencijfer van 8 of hoger; de instellingen kunnen zelf kandidaten selecteren tot maximaal 50% van het beschikbare aantal plaatsen minus de direct toegelatenen; de overige plaatsen worden via een scherper gewogen loting toegewezen; deelname is beperkt tot hooguit 3 keer. Bij de decentrale selectie is het benutten van eindexamencijfers of loting uitgesloten maar zijn de instellingen overigens vrij om bij wijze van experiment eigen procedures te ontwerpen en zich daarbij ook te profileren ten opzichte van andere instellingen. De decentrale toelating moet op de een of andere manier voorafgaand aan het schriftelijk eindexamen al afgerond zijn, wat tot logistieke en andere problemen dreigt te leiden. Om te helpen die problemen te voorkomen mag een kandidaat zich bijvoorbeeld niet bij meerdere instellingen tegelijk aanmelden voor dezelfde opleiding.

Wat nu dreigt is een terugval naar selectiemethoden die niet voldoen aan kwaliteitseisen die vandaag de dag heel normaal zijn. Het politieke eufemisme daarvoor is dat er nu gelegenheid tot experimenteren wordt geboden. Met name persoonlijke gesprekken met kandidaten, hoe goed bedoeld ook, kunnen makkelijk leiden tot willekeurige beslissingen. Om zich te wapenen tegen misstanden is het handig om inzicht te hebben in de vele manieren waarop in dergelijke gesprekken, of in modieuze assessment centres, onrechtvaardigheden zijn te begaan. Want op rechtvaardigheid ligt nu de nadruk, en niet op de vraag of de ene kandidaat misschien net iets geschikter is dan de andere. Dat onderscheid is belangrijk: over geschiktheid hebben psychologen zoals Drenth al de nodige argumenten ingebracht, terwijl dat over rechtvaardigheid nog niet is gebeurd door bijvoorbeeld rechtsfilosofen of door psychologen die sociale rechtvaardigheid onderzoeken. Wanneer Amartya Sen in 1998 voor zijn werk op onder andere het gebied van de theorie van rechtvaardigheid een Nobelprijs krijgt toegekend, is het tijd de resultaten van dit baanbrekende werk ook te benutten in de discussie over wie er in ons land wel, en wie niet tot arts opgeleid mag worden. Laten andere disciplines zich ook eens gaan bemoeien met een debat dat tot nu toe vooral vanuit de selectiepsychologie is gevoerd.

Rechtvaardigheidstheorie leidt in weinig stappen tot concrete stellingen, waarvan een behoorlijk aantal in dit artikel zijn opgenomen. Bijvoorbeeld: aanmelden voor een numerus fixusstudie is een autonome en vrije keuze van de kandidaat, een 'lot in eigen hand' nemen dat dan ook bij afwijzing geen moreel recht geeft op compensatie. Aangenomen dat het vastgestelde aantal plaatsen een onwrikbaar gegeven is, wat het in politieke zin niet is, is het moreel neutraal om de ene kandidaat niet, de andere kandidaat wel toe te laten. De procedure voor de verdeling van de plaatsen hoeft evenwel niet moreel neutraal te zijn.

Dit artikel over rechtvaardigheid benut zowel de sociaal psychologische theorie (zie bijvoorbeeld Tyler en anderen, 1997), als de in Roemer (1996) in hun samenhang behandelde theorieën van filosofen als Rawls (1971) en Sen (1992, 1993, 1997) en Dworkin (1981a, b), om uit te diepen wat rechtvaardigheid concreet betekent bij decentrale selectie voor numerus fixusstudies. Dat levert soms een andere manier op om bekende problemen te aan te pakken, terwijl op vele punten zal blijken dat er problemen zijn die tot nu toe in de publieke discussie niet zijn onderkend. De faculteit die nu moet kiezen om deze of gene methode te gaan gebruiken is daar niet altijd direct mee geholpen: welke aanpak ook wordt gekozen, er zullen altijd bezwaren aan kleven en er zullen altijd individuen of groeperingen zijn die zich onrechtvaardig behandeld voelen. Welke die bezwaren en welke die gevoelens van onrechtvaardige behandeling zijn, dat wordt in dit artikel op basis van de aangegeven theoretische kaders uitgewerkt.


Selectie bij numerus fixus


De minister van onderwijs heeft de mogelijkheid om voor bepaalde opleidingen een beperking van het aantal tot de propedeuse toe te laten studenten vast te stellen. Zo'n numerus fixus geldt voor alle instellingen die de betreffende opleiding verzorgen, en wordt geëffectueerd volgens de eveneens in de wet daartoe vastgelegde procedures en criteria (Drenth, 1997; Wezenberg, 1997; de Wet op het Hoger onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek, de WHW). Dat er een numerus fixus is vastgesteld hoeft niet te betekenen dat er uiteindelijk inderdaad kandidaten teleurgesteld moeten worden, maar voor de geneeskundige opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs is dat veelal wel het geval. Het aantal kandidaten kan dan het aantal plaatsen sterk overtreffen, zodat er een ernstig probleem van verdelende rechtvaardigheid is. Het gaat om een stoelendans, niet om het verdelen van een taart in evenveel parten als er gegadigden zijn. De pijn kan dus niet gelijk verdeeld worden door iedereen een halve opleiding te geven, maar komt geheel terecht bij degenen voor wie er geen plaats meer over is. Dergelijke verdelingsproblemen, die voor individuen ingrijpende gevolgen kunnen hebben, zijn de laatste jaren uitvoerig beschreven in een onderzoekprogramma van John Elster (Elster, 1992; Elster & Herpin, 1994; Conley, 1995, 1996). Uit deze studies, die overigens eclectisch van aard zijn en nog geen theorie hebben opgeleverd, blijkt dat opvattingen over wat rechtvaardig is gebonden kunnen zijn aan de aard van het betreffende verdelingsprobleem. Voor begrip van de aard van het verdelingsprobleem, de selectie, bij een numerus fixus is dan het volgende van belang.


toelaatbaarheid


In Nederland maakt een diploma havo of vwo de bezitter toelaatbaar tot hoger onderwijs. Een numerus fixus tast die toelaatbaarheid aan, en is dus een uitzonderingsmaatregel. In de publieke en parlementaire discussie begin zeventiger jaren was deze toelaatbaarheid, waarin alle kandidaten gelijk waren, een argument om de procedurele rechtvaardigheid te bepleiten van loten als instrument om de schaarse plaatsen te verdelen; naar die discussie zij hier kortheidshalve verwezen (zie ook Drenth, 1997, met bijlagen). Brede steun is er voor de opvatting dat wie toelaatbaar is niet bij voorbaat kansloos mag zijn, zodat ook in de nieuwe wet loten weer terugkomt als instrument om die kans te geven, gemodificeerd door het behaalde gemiddelde eindexamencijfer.

Opleidingen in de kunstensector en het hotelvak mogen bij wijze van uitzondering op het beginsel van toelaatbaarheid een eigen toelatingsselectie uitvoeren. Bij deze selectie gaat het niet alleen om geschiktheid maar, evenals bij numerus fixusstudies, eveneens om beperking van het aantal instromende kandidaten ook al zijn ze geschikt. Deze selectie gebeurt niet centraal, wat tot gevolg heeft dat kandidaten zich bij meerdere of alle opleidingen aanmelden. Er is door het IOWO in Nijmegen een beschrijvend onderzoek naar deze selectieprocedures gedaan (Van den Broek, Klein, Prins, Rijnhart en Verrijt, 1998). Voor de voortrajecten die vooraf kunnen gaan aan deze selectie zie Oostwoud Wijdenes (1993). Er wordt in de publieke discussie wel retorisch naar deze uitzondering verwezen: er zijn opleidingen waarvoor wordt geselecteerd, zie je wel dat selectie mogelijk is. Het punt is evenwel niet of selectie mogelijk is, maar of die selectie kan werken zoals bedoeld, of die selectie rechtvaardig is.


gefixeerd aantal plaatsen


Het feit dat het aantal beschikbare plaatsen is vastgelegd is van overweldigend belang bij het onderzoek naar de rechtvaardigheid van selectie voor die plaatsen. Voorrang die aan de ene kandidaat wordt gegeven, op welke grond ook, gaat dan immers per definitie ten koste van de kansen van anderen. Door de onwrikbaarheid van het aantal plaatsen komt vrijwel iedere selectieprocedure neer op competitie tussen kandidaten. Anders dan op de arbeidsmarkt is een dergelijke competitie bij de toegang tot publiek bekostigd onderwijs ongewenst. Onderwijs dient in beginsel toegankelijk te zijn voor wie beschikt over de capaciteiten om dat onderwijs met vrucht te kunnen volgen, ook als die capaciteiten op zich geringer zouden zijn dan die van anderen.

Iedere voorgestelde methode voor het bij voorrang toekennen van plaatsen aan bepaalde kandidaten moet dus mede beoordeeld worden op de gevolgen die dat heeft voor de toelatingskansen van de overige kandidaten.


open karakter


Bij een numerus fixus is het aantal plaatsen vastgelegd, maar dat geldt helaas niet voor het aantal gegadigden voor die plaatsen. Het bijzondere van de situatie is dat er geen objectieve kenmerken zijn waarmee is vast te stellen wie voor een plaats in aanmerking zou kunnen komen: iedereen met de juiste vooropleiding kan zich melden. Als er bijzondere omstandigheden zijn waardoor de betreffende opleiding aantrekkelijker is dan andere (beschermde arbeidsmarkt), of waardoor de toelating makkelijker is dan hij voor andere kandidaten is (iedereen met een acht gemiddeld krijgt direct een plaats), dan zullen zich juist dankzij de numerus fixus veel meer kandidaten melden dan anders het geval zou zijn. Dat is een wezenlijk andere situatie dan bij bijvoorbeeld orgaantransplantatie, waar de getalsmatige behoefte aan donororganen redelijk objectief is vast te stellen. Dit open karakter van zeg maar de wervingskant bij de numerus fixus betekent dat al naar gelang de inrichting van de selectie er extra gegadigden worden aangetrokken, of gegadigden afvallen. De nieuwe wettelijke voorwaarde dat er geen deficiënties in het vakkenpakket mogen zijn om aan de procedure mee te mogen doen, beperkt het aantal gegadigden. Het bevoordelen van kandidaten met hogere eindexamencijfers daarentegen trekt gegadigden aan die anders bijvoorbeeld een technische of andere bèta-studie zouden hebben gekozen. Dat effect wordt nog versterkt doordat een numerus fixus de arbeidsmarktrisico's sterk beperkt en het te verwachten beroepsinkomen bepaald hoger doet zijn dan onder de corrigerende werking van die arbeidsmarkt anders het geval zou zijn geweest (Oosterbeek & Webbink, 1997; Borghans & De Grip, 1997).

Dit open karakter leidt tot de paradox dat een groter gewicht toekennen aan eindexamencijfers ook ten goede komt aan kandidaten die zich anders niet voor die studie zouden hebben aangemeld, daarmee de kansen voor anderen in niet geringe mate verminderend. Het is verbijsterend dat deelnemers aan de publieke en parlementaire discussie deze paradox niet wensen te zien en zich laten leiden door de overtuigingskracht van een enkele kandidaat met inderdaad heel hoge eindexamencijfers die bij herhaling wordt uitgeloot. Hiermee is een belangrijke bron van onrechtvaardigheid al aangewezen terwijl de eigenlijke analyse van rechtvaardigheid nog niet eens is begonnen: door goedbedoelde regelingen wordt onbedoeld voor de inhoudelijk gemotiveerden het aantal beschikbare plaatsen en de kans daarop kleiner dan anders het geval zou zijn.


Gelijkheid


De basis van rechtvaardigheid is gelijkheid: gelijkheid voor de wet, gelijke kansen op onderwijs, gelijke kansen op welvaart. Wanneer deze gelijke kansen dan toch resulteren in ongelijke uitkomsten, wat in de praktijk eer regel dan uitzondering is, dan vraagt dat om rechtvaardiging. Ongelijke uitkomsten hoeven evenwel op zich nog niet onrechtvaardig te zijn. Een kernidee in theorieën over rechtvaardigheid, en daarmee ook in het overzicht van Roemer, is dat verschillen in de mate waarin mensen eigen verantwoordelijkheid nemen, kunnen leiden tot niet ongerechtvaardigde verschillen in uitkomsten. Persoonlijke verantwoordelijkheid is dus van belang, maar wat is dat? Zijn mensen niet verantwoordelijk voor de talenten die zij hebben, en wel voor de manier waarop zij met die talenten omgaan? Deze demarcatie is geen uitgemaakte zaak, integendeel, zij is een hoofdthema in de (filosofische) theorievorming over verdelende rechtvaardigheid. Nu is de publieke discussie over selectie voor numerus fixusstudies recent vooral gegaan over de eis dat kandidaten meer eigen verantwoordelijkheid moeten kunnen nemen (dan bij gewogen loting al het geval is). Deze discussie kan aan kwaliteit en kracht winnen door dat begrip 'eigen verantwoordelijkheid' adequaat uit te diepen, in plaats van te blijven roepen dat kandidaten hun lot meer in eigen hand moeten kunnen nemen, hoe aardig die beeldspraak in de context van gewogen loting ook is.


gelijke kansen en domme pech


Er is nu een aantal malen gesproken over gelijke kansen. Het Engelse 'equal opportunity' geeft beter aan dat daarmee iets wordt bedoeld als 'het bieden van gelegenheid,' waarbij het de eigen verantwoordelijkheid van de betrokkene is om daar een goed gebruik van te maken. Bij gelijke onderwijskansen wordt die eigen verantwoordelijkheid evenwel ingeperkt door tal van zaken die de leerling eenvoudig overkomen en waar het toeval mede een rol in speelt (Wilbrink, 1997b). Denk bijvoorbeeld aan de jongere leerlingen in de klas die een grotere kans dan anderen hebben op zittenblijven of doorverwijzing naar speciaal onderwijs. De bedoelde gelijke kansen leiden dan tot verschillende uitkomsten, zonder dat gezegd kan worden dat de leerlingen daar zelf verantwoordelijk voor zijn. In rechtvaardigheidstheorieën is er weinig aandacht voor dergelijke domme pech of brute luck. Dworkin geeft een denkbeeldig scenario waarin men zich op voorhand vrijwillig kan verzekeren tegen handicaps. Als twee personen dan dezelfde handicap blijken te hebben, en de ene heeft zich wel verzekerd terwijl de ander dat niet heeft gedaan, dan is er geen sprake van een situatie waarin de een ten opzichte van de ander is achtergesteld. Roemer (p. 250) wijst er echter op dat Dworkin's theorie geen oplossing biedt voor de situatie waarin twee personen zich tegen een bepaalde handicap verzekeren, en de ene blijkt de handicap te krijgen terwijl de andere die domme pech niet heeft. Zij hebben dan beiden hun eigen verantwoordelijkheid genomen door zich te verzekeren, maar uiteindelijk blijkt de een achtergesteld bij de ander, want gehandicapped.

Bij een numerus fixus kan evenzo van een paar gelijk gekwalificeerde kandidaten de een worden afgewezen, de ander niet. De een krijgt de 'handicap,' de ander niet. Dat is domme pech voor de afgewezene. Omdat even geschikte kandidaten niet dezelfde eindexamencijfers hoeven te halen, is dat geenszins een probleem dat alleen bij loten zou optreden. Dit probleem komt in zuivere vorm ook voor bij kandidaten die bij opkomst voor het eindexamen mogen verwachten ongeveer een acht gemiddeld te behalen. Zij hebben immers een gelijke kans om daarboven of daaronder uit te komen: een kop-of-munt kans op directe toelating. Voor de domme pech die in deze situaties speelt, bieden de door Roemer behandelde theorieën van rechtvaardigheid geen oplossingen. De wetgever heeft het probleem pragmatisch benaderd door te kiezen voor een gewogen loting in plaats van ongewogen loting voor de kandidaten met een gemiddelde lager dan acht.

De numerus fixus leidt dus tot verschillende behandeling van gelijke kandidaten, zonder dat kan worden gezegd dat de kandidaten zelf ten volle verantwoordelijk zijn voor de uitkomsten. De kandidaten moeten wel zelf het risico dragen dat hun gelijke kansen ongelijk uitpakken. Het lijkt nu een voor de hand liggende gedachte om kandidaten meer invloed op dat risico te geven, en daarmee meer verantwoordelijkheid: een soort verzekering die door eigen inspanning is te verwerven. Maar bij een numerus fixus zouden deze kandidaten daardoor tevens verantwoordelijk worden voor de daardoor verminderende kansen van anderen. Bedenk dat het hier gaat om toegang tot uit de publieke middelen bekostigd onderwijs, niet om de competitie op de arbeidsmarkt die op meritocratische gronden maatschappelijk wel aanvaardbaar wordt gevonden (dit thema wordt later nog uitgediept). Dat benadelen van anderen leidt dan tot problemen die veeleer op het gebied van de ethiek liggen, dan op dat van de rechtvaardigheidstheorie. In het debat in 1975 lag hier de scheidslijn tussen sociaal-democraten - gelijke kansen - en liberalen - meer kansen voor sommigen, ook als dat gaat ten koste van kansen van anderen - , overbrugd door de anti-revolutionair Vermaat met het amendement voor de sindsdien gehanteerde gewogen loting. Wie aan dit principiële argument niet zo zwaar tilt mag nog het volgende bedenken. Omdat door al die extra inspanning het aantal beschikbare plaatsen niet groeit, is de maatschappelijke opbrengst van deze competitie in ieder geval altijd negatief.


levensontwerp en motivatie


Een hoofdthema in theorieën van rechtvaardigheid is gelijkheid in de mogelijkheden om het eigen levensontwerp te realiseren: om een daarbij passend beroep te kiezen, onderwijs te volgen, en andere zaken, waarover in de Grondwet en in internationale verdragen overigens ook het nodige is vastgelegd.

Dat eigen levensontwerp kan van persoon tot persoon nogal verschillen. Zo'n ontwerp kan bescheiden van aard zijn, of juist nogal veelvragend. De vraag is nu of de samenleving gehouden is om bij de verdeling van schaarse middelen met verschillen in levensontwerpen rekening te houden. Wanneer 'chirurg worden' het levensontwerp is doet dat een minder bescheiden beroep op maatschappelijke middelen dan wanneer het moederschap het levensontwerp domineert. Stel dat in een decentrale selectieprocedure een keuze moet worden gemaakt tussen twee kandidaten met deze zo verschillende levensontwerpen, wat is dan rechtvaardig? Een eerste overweging is dat een kostbaar levensontwerp nog geen recht geeft op de maatschappelijke middelen die voor het realiseren van dat ontwerp nodig zijn. Dat relativeert de claim van de kandidaat die goed gebekt een verhaal komt houden dat hij zeker chirurg moet worden. Amartya Sen vraagt aandacht voor een heel ander type overweging dat onder de naam 'the tamed housewife' bekend staat: buiten eigen verantwoordelijkheid zijn de persoonlijke verwachtingen in feite veel te laag gesteld, en dan hoort de samenleving zich niet gemakzuchtig neer te leggen bij die bescheidenheid. De benadering van Sen versterkt de claim van de bescheiden kandidate die in het geheel niet bekend is met het artsenmilieu en die de eigen roeping van zorg voor de medemens niet prettig gearticuleerd onder woorden weet te brengen. Een rechtvaardige beslissing is hier dus nog niet zo makkelijk. Het gaat hier dus om de rol van motivatie, want dat heeft direct te maken met het levensontwerp. Belangrijke stromingen in de publieke discussie zouden voor motivatie graag een belangrijke plaats zien ingeruimd bij de kansen op een schaarse opleidingsplaats. Het idee is dat meer gemotiveerden voor zouden moeten gaan, meer 'recht' zouden hebben op een schaarse plaats, of - verhuld in een doelmatigheidsargument - dat gemotiveerde kandidaten in tegenstelling tot minder gemotiveerden sneller zouden studeren of ook betere beroepsbeoefenaren zouden worden en daarom meer recht op die plaats zouden hebben. Dat selectie op motivatie technisch niet op aanvaardbare wijze mogelijk is vindt bij de meeste voorstanders begrip, maar in de publieke discussie is de gedachte onbekend dat selectie op motivatie moreel niet neutraal is. In het licht van vooral het werk van Sen over rechtvaardigheid, is dat ten onrechte.


Rechtvaardigheid als proportionaliteit


In de sociale wetenschappen gaat de belangstelling uit naar aanwijsbare ongelijkheid en de voorwaarden waaronder die ongelijkheid als rechtvaardig wordt ervaren. Een begin van deze lijn van onderzoek is gemaakt met wat de billijkheidstheorie is genoemd. De grondgedachte in deze theorie is dat een ongelijke verdeling als eerlijk wordt ervaren wanneer de ongelijkheid proportioneel is met de inbreng die betrokkenen hebben geleverd. De taart wordt verdeeld in overeenstemming met de geleverde inspanning. Het idee van prestatiebeloning past hier naadloos in. De billijkheidstheorie kent zowel een economische school, zie bijvoorbeeld Young (1994), als een sociaal-psychologische school, waarvoor Adams (1965) typerend is. De economische school behelst de diverse methoden en technieken van het taart verdelen op een proportioneel eerlijke wijze, de sociaal-psychologische school zet die methoden tussen haakjes en bestudeert de beleving van rechtvaardigheid van de uitkomsten van het taart verdelen. In het volgende is de sociaal-psychologische school als uitgangspunt genomen.

Billijkheidstheorie gaat over uitwisselingsrelaties. Een uitwisseling is eerlijk wanneer voor beide partijen in die uitwisseling de verhouding tussen inbreng en opbrengst - tussen input en output - gelijk is. Het kan zijn dat beiden uitwisselen met een derde partij, zoals een werkgever of de overheid. Dit model kan worden toegepast op selectie. Eerst wordt nu de situatie bij sollicitaties uitgewerkt, om daarna aan te kunnen geven wat het verschil is tussen selectie op de arbeidsmarkt en toelating tot uit publieke middelen bekostigd onderwijs, een verschil waar in het voorgaande al enkele keren op is vooruitgelopen.


selectie op de arbeidsmarkt


Als de arbeidsmarkt niet te krap is kunnen werkgevers voor het vervullen van hun vacatures vergelijkenderwijs selecteren uit meerdere gekwalificeerde kandidaten. De inbreng van sollicitanten is hier te definiëren als de verwachte bijdrage aan het bedrijfsresultaat, die afhankelijk is van persoonlijke kwalificaties zoals opleiding en eventuele resultaten van selectiepsychologisch onderzoek.

Het resultaat van de selectie is aanname of afwijzing, alles of niets, en dan blijft van de in de theorie voorgeschreven verhouding tussen opbrengst en inbreng alleen de inbreng over. De billijkheidstheorie poneert dan dat de selectie als rechtvaardig wordt ervaren wanneer de inbreng (kwalificatie) van de aangenomen kandidaat beter is dan die van afgewezen kandidaten. Verstandige werkgevers doen er alles aan om hun selectie zo in te richten dat sollicitanten deze in de besproken zin als rechtvaardig ervaren, ook als ze worden afgewezen.

Merk op dat kleine verschillen in kwalificaties kunnen leiden tot een maximaal verschil in uitkomst - het verschil tussen aanname en afwijzing, alles of niets - en dat dat in de regel toch als rechtvaardig wordt ervaren. De culturele achtergrond hiervan is de verworvenheid van de Verlichting en de Franse Revolutie dat loopbanen open moeten staan voor talent: degene met de beste kwalificaties wint, niet degene met de beste relaties of afkomst. Maar dan gebiedt de eerlijkheid dat iedereen gelijke kansen krijgt om zich via onderwijs die kwalificaties te verwerven. Dit streven is gedurende twee eeuwen een van de drijvende krachten geweest achter de voortdurende uitbreiding van de mogelijkheden om onderwijs te volgen, zeker ook wat het hoger onderwijs betreft (Wilbrink & Dronkers, 1993).

In de publieke discussie wordt dit sollicitatiemodel nogal eens ten voorbeeld gesteld voor de toelating tot numerus fixusstudies. De veronderstelling is dat deze vorm van selectie ook bij een numerus fixus als rechtvaardig zou worden ervaren. Maar toelating tot onderwijs en selectie op de arbeidsmarkt zijn bepaald verschillende zaken. In de voorgaande alinea is al aangegeven dat een voorwaarde voor de rechtvaardigheid van personeelsselectie is dat deze geschiedt op basis van kwalificaties die iedereen zich in voorafgaand onderwijs heeft moeten kunnen verwerven. Hoger onderwijs is daarop geen uitzondering, zoals nadrukkelijk in het Verdrag voor de rechten van het kind (art. 26) is vastgelegd. De redenering dat toelaatbare kandidaten weliswaar de jure zowel als de facto geschikt zijn om de betreffende studie te doen, maar dat bij een numerus fixus de minder geschikten maar moeten wijken voor de meer geschikten, is dus niet alleen in strijd met de empirie (de samenhang met studiesucces is gering of afwezig, zie voor geneeskunde Roeleveld, 1997), maar ook met de plaats en functie die onderwijs in onze samenleving heeft.

Er wordt wel gezegd dat selectie van de 'beste' kandidaat doelmatig is, en dat leidt dan tot een cluster van opvattingen waarin eerlijkheid en doelmatigheid als inwisselbaar voor elkaar worden beschouwd. Als personeelsselectie op geschikte kwalificaties gebeurt, waarover straks meer, dan is die selectie zeker doelmatig op bedrijfsniveau. Diezelfde selectie hoeft evenwel op maatschappelijk niveau niet doelmatig te zijn, om de volgende reden. Selecteren voegt op zichzelf niets toe aan het maatschappelijke reservoir van kwalificaties, waardoor selectiekosten uiteindelijk maatschappelijk ondoelmatig zijn omdat ze op dat niveau weinig of niets toevoegen aan de arbeidsproductiviteit. Deze constatering is overigens geenszins vanzelfsprekend: in de psychologische literatuur is wel de stelling te vinden dat op bedrijfsniveau het werken met een goede psychologische selectieprocedure een hoge opbrengst heeft, en dus zou dat opgeteld over het totale bedrijfsleven (inclusief de overheidssector) een enorme nationale meeropbrengst kunnen genereren. Het laatste volgt niet uit het eerste. Het is dan ook onverstandig en onjuist om eerlijkheid en doelmatigheid aan elkaar gelijk te stellen.


relevante inbreng


In Adams' billijkheidstheorie is het van belang wat betrokkenen als relevante inbreng zien, als hun input of inspanning. Immers, alleen daarop kan de eigen mening over rechtvaardigheid zijn gebaseerd. Wanneer nu de andere partij die inbreng als irrelevant beschouwt ontstaat er een probleem met de aanvaardbaarheid van de procedure. Bij selectie voor numerus fixus ervaren sommigen, velen, een gebrek aan rechtvaardigheid in de hier bedoelde zin: zij hebben het gevoel dat de eigen motivatie er iets toe doet, en dat die in de huidige selectie eigenlijk ook een rol zou moeten spelen. Er is wel begrip voor dat het moeilijk of onmogelijk is om verschillen in motivatie eerlijk vast te stellen (zie ook Drenth), maar is het dan niet mogelijk om op indirecte wijze kandidaten met een hoge motivatie meer kansen te geven, via een wachtlijst bijvoorbeeld, of relevante werkervaring? In de publieke en parlementaire discussie realiseert men zich vervolgens niet dat er meer en minder eervolle redenen kunnen zijn waarom kandidaten sterk gemotiveerd zijn: uit roeping (prima), maar ook vanwege de status, honorering, en beschermde arbeidsmarkt voor de functies waar de opleiding toegang toe geeft (minder prima om daar een recht op voorrang op anderen op te claimen). Motivatie als de eigen inbreng in de selectie is dus geen eenduidig positief begrip. Over de relevantie van examenprestaties als inbreng bestaan sterk uiteenlopende opvattingen, ook bij kandidaten zelf, al zal ook hier een tendens aanwezig zijn om rechtvaardig te vinden wat tot eigen voordeel strekt: een self-serving bias zal aan veel uitgesproken opvattingen niet vreemd zijn. De onvolprezen gewogen loting komt vele van deze opvattingen een eind tegemoet, daar is het immers een compromis-model voor (Hofstee, 1983a; Kiers en Hofstee, 1997), maar een rafelrand van gevoelens van onrechtvaardigheid blijft bestaan.

Adams' billijkheidstheorie heeft alleen oog voor het honoreren van wat kandidaten zelf als relevante kwalificaties voor de selectie beschouwen, en niet voor de voordelen van doorzichtige en objectieve selectie op alleen cijfers of alleen het lot. De empirie lijkt hem daarin gelijk te geven. Inderdaad vond Hofstee (1990) dat kandidaten een afkeer hebben van selectie op basis van een enkele kwalificatie, en de voorkeur geven aan meervoudige procedures waarin meerdere kwalificaties een rol kunnen spelen. In de publieke discussie duikt ook telkens dat verlangen op naar gelegenheden om eigen kwalificaties te kunnen presenteren, bijvoorbeeld in persoonlijke gesprekken. Dat decennia van empirisch onderzoek laten zien dat sollicitatiegesprekken weinig of geen zeggingskracht (geldigheid) hebben doet aan dat verlangen niets af, maar levert voor de ontwerpers van decentrale procedures wel een dilemma op.

De beroepsgroepen van personeelsfunctionarissen en psychologen beschikken over in de loop van een halve eeuw steeds verder aangescherpte richtlijnen voor professioneel handelen bij het selecteren van personeel, zie Roe (1983) en NIP (1988). Een belangrijke eis is bijvoorbeeld dat kwalificaties waarop wordt geselecteerd aantoonbaar van belang moeten zijn voor de uitoefening van de functie waarvoor wordt geselecteerd. Dit is in professionele code gebeitelde billijkheidstheorie, het legt scherp vast wat relevante inbreng is. Een evaluatie van de scherpe selectie voor de Nederlandse Politieacademie (Wilbrink, Algera, Van Hoorn en Van der Kamp, 1989) laat zien wat dat voor de selectiepraktijk betekent. Merk op dat de professionele eis van relevantie ook slaat op eerder geleverde prestaties. Dat geldt zeker voor het gebruik van eindexamencijfers, maar ook voor werkervaring die meegewogen zou kunnen worden (zie het advies daarover van de Onderwijsraad, 1998). Relevantie van eindexamencijfers moet worden aangetoond, en daarvoor is het vaststellen van een samenhang met studieduur of studierendement, waarover de afgelopen decennia tientallen publicaties zijn verschenen, niet voldoende. Er zijn nog veel meer soorten gegevens die blijken samen te gaan met studiesucces, en daar wordt ook niet lukraak op geselecteerd (leeftijd en type vooropleiding zijn de meest bekende). Wat in deze context van werkervaring is te maken, dat zal voorlopig nog wel een groot raadsel blijven; in ieder geval zijn er geen betekenisvolle empirische gegevens over relaties met studiesucces. Op de arbeidsmarkt is het wel duidelijk wat relevante werkervaring is, maar bij de toelating tot een opleiding is dat een duister begrip. Het eerder gesignaleerde dilemma voor de ontwerpers van decentrale toelating wordt met deze overwegingen nog scherper aangezet. De genoemde professionele richtlijnen sluiten immers de mogelijkheden af om dan maar procedures te hanteren die weliswaar empirisch zijn gebleken ondeugdelijk te zijn, en dus niet rechtvaardig kunnen zijn, maar door de kandidaten wel als rechtvaardig worden ervaren.


Procedurele en verdelende rechtvaardigheid


Billijkheidstheorie is een over-simplicerende theorie omdat hij de bij het verdelen gevolgde procedure buiten beschouwing laat. De noodzaak voor een genuanceerd alternatief, en een voorstel daartoe, is onder andere door Leventhal (1980) aangegeven. In de verdere ontwikkeling van wat sociale rechtvaardigheidstheorie is gaan heten, speelt vooral het onderscheid tussen verdelende en procedurele rechtvaardigheid een rol, een onderscheid dat weliswaar verhelderend is, maar lang niet altijd eenduidig valt te maken (zie onder andere Folger, 1996, en het themanummer over rechtvaardigheid van het tijdschrift Gedrag en Organisatie, december 1998).


regels voor rechtvaardige verdeling


Bij verdelende rechtvaardigheid gaat het om de rechtvaardigheid van het resultaat van de verdeling. Leventhal gebruikt voor oordelen over de eerlijkheid van verdelingen de term 'verdiende' uitkomsten. Zie Sher (1987) voor een filosofische behandeling van wat het betekent iets (beloning, straf, compensatie) te 'verdienen.' Het oordeel of een uitkomst van een verdeling 'verdiend' is of niet, is niet alleen afhankelijk van wat deze persoon heeft ingebracht, zie de billijkheidstheorie, maar ook van verdelingsregels. Leventhal somt de volgende regels op: verdelen naar behoefte, op basis van gelijkheid, op basis van competitie - hij gebruikt de term justified self-interest - , naar geldende regels, met respect voor eigendom, en met respect voor sociale positie. Deze verschillende regels kunnen, al naar gelang het soort verdelingsprobleem, met verschillend gewicht in het oordeel over eerlijkheid worden meegenomen. De eerste twee regels spelen een belangrijke rol bij oordelen over de rechtvaardigheid van selectie voor numerus fixusstudies.

In de publieke discussie speelt de behoefte-regel vaak een rol bij opvattingen van afgewezen kandidaten of hun ouders, wat begrijpelijk is omdat een afwijzing hard aankomt bij kandidaten die graag aan de betreffende opleiding hadden willen beginnen. Er wordt over gesproken als een probleem van hoge motivatie waarvoor na de afwijzing geen doel meer bestaat. Het argument staat in de discussie los van de competitie-regel, omdat wordt gesteld dat ook kandidaten die geen hoge eindexamencijfers kunnen halen, maar die een hoge motivatie hebben, zich op basis van die hoge motivatie toch extra toelatingskansen zouden moeten kunnen verwerven, via wachtlijsten, door relevante werkervaring, en dergelijke. Een belangengroep van ouders van meermalen afgewezen kandidaten heeft dit argument met kracht naar voren gebracht, wat mede heeft geleid tot de instelling van de commissie Drenth en een belangrijke wijziging van de wet. In dit verband is het relevant om op te merken dat een belangrijke verdelingsregel ontbreekt in de opsomming van Leventhal: Dworkin's regel van het nemen van eigen verantwoordelijkheid. Die regel zou voorschrijven dat kandidaten zelf verantwoordelijk zijn voor het ontwikkelen van alternatieven voor het geval zij worden afgewezen, en dat het in ieder geval niet zo kan zijn dat, als zij dat nalaten, er een claim op schaarse plaatsen kan worden gelegd ten koste van kandidaten die deze verantwoordelijkheid wèl hebben genomen.

De competitie-regel heeft altijd wel een rol gespeeld in de publieke discussie. Opmerkelijk is dat het geval van een in 1996 afgewezen kandidaat met heel hoge eindexamencijfers heeft geleid tot een krachtige roep om meer ruimte om door eigen inspanning de kansen bij de selectie te vergroten. Het paradoxale is dat juist door een kandidaat waar eigen inspanning geen bijzondere rol speelt omdat er buitengewone talenten in het spel zijn, de roep ontstaat om inspanning meer te belonen. Leventhal kan dan wel claimen dat mensen in staat zijn complexe afwegingen te maken bij het beoordelen van eerlijkheid, maar het is heel eenvoudig om in de publieke discussie de verwarring, de drogredenen, en de self-serving biases aan te wijzen. De roep om inspanning meer te belonen is daar een voorbeeld van: de claim is dubbelzinnig. De beperking van het aantal plaatsen betekent immers dat die extra beloning leidt tot extra competitie, maar het is niet evident dat voorstanders van meer beloning van inspanning zich dat realiseren.


procedurele rechtvaardigheid


Bij verdelende rechtvaardigheid gaat het vooral om de uitkomsten van de verdeling. Dat ligt anders bij procedurele rechtvaardigheid: het idee is hier dat de rechtvaardigheid schuilt in de procedure die wordt gevolgd. Als de procedure juist is, dan zijn ook de uitkomsten juist. Voor toelating tot numerus fixusstudies spelen procedures een belangrijke rol, zoals de voorbereiding op het eindexamen, het eindexamen zelf, het loten, gelegenheid om na afwijzing nogmaals mee te doen, en dergelijke. Loten is een goed voorbeeld om het contrast tussen verdelende en procedurele rechtvaardigheid te illustreren: als het gevoelen bestaat dat in een situatie waarin er te weinig plaatsen zijn de uitkomst van de verdeling altijd onrechtvaardig zal zijn, is nog het minst slecht om voor de verdeling een procedure te volgen die op zichzelf als rechtvaardig kan worden beleefd. Loten is zo'n procedure omdat zonder aanzien des persoons iedereen daarbij gelijke kansen heeft.

Vormen voor decentrale toelating zullen zeker ook vormen zijn waarin meervoudige procedures worden gevolgd: met commissies, uitvoerige voorschriften en criteria, en wat niet al. Leventhal heeft een reeks punten genoemd waar rechtvaardigheid aan de orde kan zijn, aan de hand van eigen ervaring in een commissie die voorstellen voor onderzoek selecteert voor subsidiëring. Leventhal was niet in staat om aan deze punten - zeven structurele componenten en procedurele regels voor rechtvaardigheid - voldoende empirisch onderzoek te koppelen, reden om zijn punten hier niet te bespreken. De componenten en regels van Leventhal doen denken aan wat in Nederland bekend is aan algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waarvan Cohen (1981) heeft laten zien op welke wijze deze zijn te gebruiken om de rechtvaardigheid van beoordelen in het onderwijs te beschrijven.


eenvoudig en toch rechtvaardig


Waar Leventhal aan voorbij gaat is dat procedures niet per se heel zorgvuldig en daardoor juist omslachtig hoeven te zijn om als rechtvaardig te worden beleefd. Eenvoudige procedures - zoals loten of gebruik maken van eindexamencijfers - kunnen toch als rechtvaardig worden ervaren. Leventhal beschrijft uitvoerig de beoordeling van onderzoekvoorstellen voor subsidie, om te laten zien hoe zorgvuldig en daarmee rechtvaardig dat kan gebeuren. Dat neemt niet weg dat deze zorgvuldige procedure in strijd kan komen met zijn eerste regel voor procedurele rechtvaardigheid: consistentie, elders meestal betrouwbaarheid genoemd. Voor precies dit type allocatieprocedure heeft Hofstee (1983b) de consistentie van commissie-beslissingen onderzocht, en gevonden dat deze ondanks alle zorgvuldigheid vrijwel ontbreekt. Dat ontbreken is verklaarbaar: de ingediende voorstellen zijn kennelijk allemaal van hoog niveau, zodat beslissingen berusten op marginale verschillen. Maar de consequentie is wel dat de toekenning van subsidies in feite een loterij benadert, en dat de procedurele rompslomp dat feit toedekt. Procedurele zorgvuldigheid kan ook gewoon teveel van het goede zijn (Elster geeft daar nog andere voorbeelden van).


bijzondere kwalificaties


In de publieke discussie zijn voorstellen aan de orde om via zorgvuldige procedures het in bepaalde gevallen of voor een beperkt contingent plaatsen mogelijk te maken om rekening te houden met bijzondere persoonlijke kwalificaties, zoals bijzondere gemotiveerdheid of bepaalde werkervaring. Een commissie met zo'n selectietaak staat voor een moeilijke opgave, want hoe is de lijn te trekken tussen wie niet en wie wel langs deze weg een plaats mag krijgen? Dat levert voorspelbaar het soort situatie op zoals door Leventhal en Hofstee beschreven voor subsidiëring van onderzoekvoorstellen: na een eventuele voorselectie blijft er een nog verder uit te selecteren groep over waarbinnen eigenlijk geen relevante verschillen in kwalificaties bestaan. Dan toch verder gaan met selecteren (in plaats van arbitreren) levert een situatie op die makkelijk pseudo- en onrechtvaardigheid op kan leveren. Om die reden adviseert de Onderwijsraad om voor de decentrale selectie strenge kwaliteitseisen te stellen als instellingen hiermee willen experimenteren.

Selectie op basis van alleen eindexamencijfers is veel eenvoudiger, omdat het eindexamen zelf een rechtvaardige procedure is (als afsluiting, niet noodzakelijk ook als toelating tot vervolgtrajecten). Dan blijft er nog het probleem om te rechtvaardigen dat de ene kandidaat nog net wel, en de andere - met een fractie van een punt verschil - net niet meer in aanmerking komt voor een plaats. Dat verschil in beslissing kan niet inhoudelijk worden gerechtvaardigd. Het gaat hier om wat Leventhal setting ground rules noemt, De Groot (1970) transparency, en Cohen kenbaarheid. Kandidaten moeten tevoren niet alleen weten dat dit de regel van het spel is, maar zij moeten ook de gelegenheid hebben zich zo op de selectie voor te bereiden dat zij hun kansen kunnen maximaliseren, gegeven de eigen talenten. Die kenbaarheid staat wat eindexamens betreft buiten kijf, maar het werk van commissies zal hier per definitie niet aan kunnen voldoen, omdat de beoordeling immers zo complex is dat er een commissie voor nodig is om de beslissing te legitimeren.

De commissie Drenth (p. 54) prijst de integrale loting als "ongecompliceerd, snel, praktisch uitvoerbaar en betrouwbaar." In procedureel opzicht kan men zich nauwelijks beter wensen, maar het maatschappelijk draagvlak is niet toereikend om het als enige procedure te hanteren. Het contrast met omslachtige maar zeer zorgvuldige procedures maakt duidelijk dat dit soort zorgvuldigheid niet gelijk hoeft te zijn aan rechtvaardigheid. Ook de kostenkant van selectie is hierbij van belang. Dan gaat het niet zozeer om de maatschappelijke kosten, al is er bij de instellingen geen enthousiasme voor tijdrovende procedures zoals individuele sollicitatiegesprekken. Het gaat vooral om de kosten die kandidaten zelf moeten maken, en die zij als investeringen af moeten schrijven op de verwachte opbrengst van de selectie. Die persoonlijke kosten maken alternatieven zoals extra vergelijkende examens, of de door de Landelijke Studentenvakbond voorgestane selectie in het eerste studiejaar, minder aantrekkelijk.


self-serving bias


De publieke discussie over de wijze van toelaten tot numerus fixusstudies is geen academische maar een politieke discussie. Deelnemers aan die discussie die tevens directe belangen hebben bij de te kiezen methode kunnen zich niet meer onbevangen uitspreken over de rechtvaardigheid van selectie op cijfers tegenover die van loten, of welke compromis-variant daarop dan ook. Tegen de onvermijdelijke self-serving bias in de discussie kan niemand bezwaar hebben. Integendeel, iedereen moet natuurlijk op kunnen komen voor wat men voor de eigen club als voordelig ziet, waarin men meent competitieve voordelen te kunnen behalen.

Een indruk van de mate waarin self-serving bias voor zou kunnen komen geven Hofstee en Trommar (p. 57). Zij vroegen zesdeklassers die een fixusrichting zouden kiezen naar hun voorkeur voor integrale loting, integrale selectie, of gewogen loting. Van degenen met gemiddeld overgangscijfer zes kozen 53% voor integrale loting, de overigen voor gewogen loting. Van degenen met gemiddeld overgangscijfer 7,5 kozen 19% voor integrale loting, 70% voor gewogen loting, en 11% voor integrale selectie. De groepen met 6,5, respectievelijk 7 gemiddeld scoren daar tussenin. De empirische gegevens bevestigen dat leerlingen heel goed zien bij welke methode zij een positioneel voordeel zouden hebben. Hoewel deze gegevens een kwart eeuw oud zijn, zou het verbazing wekken wanneer leerlingen er vandaag echt anders over denken.


Ter afsluiting


In internationaal perspectief is er in Nederland al meer dan een kwart eeuw een interessant experiment gaande met gewogen loting voor numerus fixusstudies. Er wordt wel eens smalend over onze 'staatsloterij' gesproken, maar dat is historisch niet correct. De oudst bekende institutionele loterij in onze contreien is die ter verdeling van schaarse standplaatsen op de overdekte markt in Brugge (Huisman en Koppenol, 1991), een numerus fixus in de dertiende eeuw. Dat examens zijn te zien als loterijen waarbij de kansen afhangen van het eigen talent, een gewogen loting dus, is een idee van Edgeworth (1888), een van de grondleggers van de statistiek. Hij legt uit dat het niet onrechtvaardig is om op een klein verschil in examenprestatie de ene kandidaat af te wijzen voor opname in de Engelse civil service, en de andere niet. Kandidaten met betere capaciteiten hebben immers een betere kans om op het examen hoog te scoren. Hoewel geen enkel examen perfect is, stijgen de kansen met stijgende capaciteit: in de toelatingskans doet capaciteit als hopelijk een sterke wegingsfactor mee. Het blijft evenwel een kans die ook verkeerd kan uitpakken, iets dat de Nederlandse wetgever met het stellen van de nieuwe regel voor directe toelating bij een gemiddelde van acht of hoger, schijnt te zijn ontgaan.

In dit artikel is een analyse gegeven van de verschillende manieren waarop rechtvaardigheid in het geding is bij (decentrale) selectie voor opleidingen met een numerus fixus. De rechtvaardigheid van procedures en hun uitkomsten blijkt afhankelijk te zijn van het feit dat het aantal plaatsen strikt beperkt is, zodat de plaats die aan de een wordt gegeven, voor anderen niet meer beschikbaar is. Wanneer dit gegeven uit het zicht raakt, wat in de afgelopen jaren aanwijsbaar is gebeurd, kunnen er makkelijk procedures bedacht en gesanctioneerd worden die het recht van de sterksten bevestigen, en wel op een andere manier dan overigens in een meritocratische gedachtengang aanvaardbaar zou zijn (het recht van de best gekwalificeerden). Extra kansen zijn nu eenmaal niet kosteloos te vergeven: die gaan ten koste van anderen, ook als er geld op tafel komt om de bijbehorende extra plaatsen te financieren.

Uit de literatuur is bekend dat ieder type verdelingsprobleem zijn eigen regels voor beleefde rechtvaardigheid kan hebben. In het onderzoekprogramma van John Elster naar local justice heeft die stand van zaken geleid tot terughoudendheid in het poneren van een theorie die aangetroffen opvattingen over rechtvaardigheid zou kunnen beschrijven of verklaren. Maar het is in dit artikel toch mogelijk gebleken bestaande theorieën over rechtvaardigheid te benutten om aan te wijzen waar bij het kiezen van selectiemethoden bij een numerus fixus de punten van aandacht en van zorg liggen. Het resultaat is niet dat er nu een concreet voorstel ligt voor de wijze waarop bijvoorbeeld instellingen hun decentrale selectie op een aanvaardbare manier kunnen uitvoeren. Dat is ook niet de inzet van dit artikel geweest. De moerassige plekken in dit selectiegebied zijn globaal aangeduid, hier en daar zijn begaanbare paden gevonden. De waarschuwingen en aanwijzingen zijn in veel gevallen met enige stelligheid gegeven, omdat de literatuur geen uitvluchten van vaagheid en slagen om de arm toelaat.


Literatuur

Adams, J.S. (1965) Inequity in social exchange. In L. Berkowitz (Ed.) Advances in experimental psychology (p. 267-299). London: Academic Press.

Akkermans, C. (1996) De rechtvaardigheid van selectie. Een onderzoek naar de rechtvaardigheidsoordelen van studenten over selectie aan de universiteit. Nederlands Tijdschrift voor Onderwijsrecht, 3-16.

Borghans, L. & A. De Grip (1997) Numerus fixus en de arbeidsmarkt. Economisch Statistische Berichten, 82, 111-113.

Broek, A. van den, G. Klein, J. Prins, A. Rijnhart, & T. Verrijt (1998) Selectie in het kunstonderwijs. Zoetermeer: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen / Den Haag: Sdu Servicecentrum.

Cohen, M.J. (1981) Studierechten in het wetenschappelijk onderwijs. Zwolle: Tjeenk Willink.

Conley, P. (1995) The allocation of college admissions. In J. Elster (Ed.) Local justice in America (p. 25-80). New York: Russell Sage.

Conley, P. (1996) Local justice in the allocation of college admissions: a statistical study of beliefs versus practice. Social Justice Research, 9, 239-258. abstract

Drenth, P.J.D. (Voorz.) (1997) Gewogen loting gewogen. Advies van de Commissie Toelating Numerus Fixusopleidingen. Met Bijlage. Zoetermeer: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen / Den Haag: Sdu Servicecentrum.

Dworkin (1981a) What is equality? Part 1: Equality of welfare. Philosophy & Public Affairs, 10, 185-246. jstor

Dworkin (1981b) What is equality? Part 2: Equality of resources. Philosophy & Public Affairs, 10, 283-345. jstor

Edgeworth, F.V. (1888) The statistics of examinations. Journal of the Royal Statistical Society, 51, 599-635. [JSTOR has the pdf]

Elster, J. (1992) Local justice. How institutions allocate scarce goods and necessary burdens. Cambridge: Cambridge University Press.

Elster, J. & N. Herpin (Eds) (1994) The ethics of medical choice. London: Pinter.

Folger, R. (1996) Distributive and procedural justice: multifaceted meanings and interrelations. Social Science Research, 9, 395-416. abstract

Goodwin, B. (1992) Justice by lottery. London: Harvester Wheatsheaf.

Groot, A.D. de (1970) Some badly needed non-statistical concepts in applied psychometrics. Nederlands Tijdschrift voor de Psychologie, 25, 360-376. html

Hofstee, W.K.B. (1983a) The case for compromise in educational selection and grading. In S.B. Anderson & J.S. Helmick (Eds) On educational testing (p. 109-127). San Francisco: Jossey-Bass. html

Hofstee, W.K.B. (1983b) Beoordeling van subsidie-aanvragen voor onderwijsresearch: een psychometrische evaluatie. Tijdschrift voor Onderwijsresearch, 8, 273-284.

Hofstee, W.K.B. (1990) Allocation by lot: a conceptual and empirical analysis. Social Science Information, 29, 745-763. pdf

Hofstee, W.K.B., & Trommar, P.M.L. (1977) Selektie en loting: meningen van eindexaminandi. In E. Warries (Voorz.) Toelatingscriteria voor de numerus fixus-studierichtingen in het wetenschappelijk onderwijs. Advies van de Adviescommissie toelatingscriteria wetenschappelijk onderwijs. Zoetermeer: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

Huisman, A. & J. Koppenol (1991) Daer compt de Lotery met trommels en trompetten!. Loterijen in de Nederlanden tot 1726. Hilversum: Verloren.

Kiers, H.A.L. & W.K.B. Hofstee (1997) Gewogen loting in combinatie met rechtstreekse toelating vanaf examencijfer 8. Tijdschrift voor Onderwijsresearch, 22, 298-301.

Leventhal, G.S. (1980) What should be done with equity theory? New approaches to the study of fairness in social relationships. In K.J. Gergen, M.S. Greenberg & R.H. Willis (Eds) Social exchange. Advances in theory and research (p. 27-55). London: Plenum Press.

NIP (1988) Richtlijnen voor ontwikkeling en gebruik van psychologische tests en studietoetsen. Amsterdam: Nederlands Instituut voor Psychologen. [nieuwe editie 1999]

Onderwijsraad (1998) Decentrale toelating. Den Haag: Onderwijsraad. html plus stukken rapport horen internationaal standpunten studenten bestemming schoolverlaters

Oosterbeek, H. & D. Webbink (1997) Is there a hidden technical potential? De Economist, 145, 159-177.

Oostwoud Wijdenes, J. D. (1993) Voortrajecten kunstonderwijs. Amsterdam: SCO-Kohnstamm Instituut.

Rawls, J. (1972) A theory of justice. Oxford: Clarendon Press. [Nederlandse vertaling: 2006]

Roe, R.A. (1983) Grondslagen der personeelsselektie. Assen: Van Gorcum.

Roeleveld, J. (1997) Lotingscategorieën. In P.J.D. Drenth (Voorz.), Gewogen loting gewogen. Advies van de Commissie Toelating Numerus Fixusopleidingen, Bijlage, 63-120. Zoetermeer: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen / Den Haag: Sdu Servicecentrum.

Roemer, J.E. (1996) Theories of distributive justice. Cambridge, Massachusetts: Harvard University Press.

Sen, A. (1992) Inequality reexamined. Oxford: Oxford University Press.

Sen, A. (1993) Capability and well-being.In M.C. Nussbaum & A. Sen (Eds) The quality of life (p. 30-53). Oxford: Clarendon Press. In vertaling: Capaciteit en welzijn. In J. de Beus (Red.) (1995) Amartya Sen. Welzijn, vrijheid en maatschappelike keuze. Opstellen over de politieke economie van het pluralisme (p. 149-173). Amsterdam: Van Gennep.

Sen, A. (1973/1997) On economic inequality. Oxford: Clarendon Press.

Sher, G. (1987) Desert. Studies in moral, political, and legal philosophy. Princeton: Princeton University Press.

Tyler, T.R., R.J. Boeckmann, H.J. Smith & Y.J. Huo (1997) Social justice in a diverse society. Boulder, Colorado: Westview Press.

Wezenberg, W.A.J. (1997) "Gewogen loting gewogen." Een balans. Nederlands Tijdschrift voor Onderwijsrecht, 79-100.

Wilbrink, B & J. Dronkers (1993) Dilemma's bij de groei van de deelname aan hoger onderwijs. Zoetermeer: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen / Den Haag: Sdu Servicecentrum. html

Wilbrink, B, W. van Hoorn, L.J.Th. van der Kamp & J. Algera (1990) Selectie voor politie-officier. De toelating tot de Nederlandse Politie Academie. Amsterdam: SCO-Kohnstamm Instituut. html

Wilbrink, B. (1997a) Opsomming van de discussie over toelating bij numerus fixusstudies. In P.J.D. Drenth (Voorz.), Gewogen loting gewogen. Advies van de Commissie Toelating Numerus Fixusopleidingen, 82-89, en Bijlage, 121-203. Zoetermeer: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen / Den Haag: Sdu Servicecentrum. html

Wilbrink, B. (1997b) Terugblik op toegankelijkheid: meritocratie in perspectief. In M. van Dyck (Red.) Toegankelijkheid van het Nederlandse onderwijs. Studies (p. 341-384). Den Haag: Onderwijsraad. html



Latere overweging, latere literatuur


Bij de vergelijking met selectie voor prestigieuze instellingen in de VS is het belang in de gaten te houden dat in de VS de instellingen voor hoger onderwijs ervoor kunnen kiezen met elkaar te concurreren op basis van prestige in plaats van op de kwaliteit van de directe dienstverlening aan studenten. Wat hier aan de hand is, is niet makkelijk in te zien voor de direct betrokkenen, laat staan voor buitenlandse bezoekers en waarnemers. Maar daar zijn oplossingen voor, zoals bestuderen van het onderzoek van Brewer, Gates en Goldman (2002). In pursuit of prestige. Strategy and competition in U.S. higher education. Zij bestuderen niet de competitie van kandidaten bij het veroveren van plaatsen vaan prestigieuze instellingen, maar de competitie tussen de instellingen zelf, waarbij zij het hele veld van bedrijvigheid beschouwen alsof het een tak van industrie is. De auteurs hebben daarvoor uitvoerige bezoeken aan zo'n 200 representatief gekozen onderwijsinstellingen gebracht, en vervolgens het materiaal gestructureerd. Een verkennend onderzoek dus, maar wat een voor een! Dit ter inleiding van de beschouwende vraag die ik in het kader van het artikel over echtvaardigheid op wil werpen, zij het achteraf.
Wat Brewer c.s. overtuigend laten zien, en zij zijn daarin bepaald niet de eersten of de enigen, is dat een deel van de instellingen voor hoger onderwijs ervoor kiest, al dan niet een traditie voortzettend, om de eigen marktpositie te behouden of te versterken door zo selectief mogelijk te zijn bij de toelating van studenten. Is daar iets op tegen? In de Amerikaanse optiek is daar weinig op tegen, behalve de praktische problemen en bezware die eraan kleven, zie Brewer c.s. Bij rustige beschouwing vanuit Europa begint het na enige tijd te dagen dat hier toch iets bijzonders aan de hand is: de vergelijkende selectie is niet instrumenteel met het oog op de kwaliteit van het onderwijs - integendeel, in de VS wordt selectiviteit op zichzelf als het voornaamste kenmerk of bewijs van kwaliteit gezien - maar zij is een instrument voor de instelling om te overleven, om comfortabele concurrentieposities vast te houden. Lees goed wat hier staat: instellingen gebruiken hun clientèle ten eigen bate, gebruiken kandidaten voor het eigen belang. Dat kan ongelooflijk ver gaan, gezien de extreme selectieverhoudingen bij sommige instellingen: veel van die kandidaten worden uiteindelijk niet toegelaten!
Het is nog steeds lastig te zien wat hier gebeurt, maar het zou wel eens kunnen zijn dat de tests die bij deze vorm van zelfverrijking worden gebruikt - bijvoorbeeld de bekdne SAT I - in feite worden ingezet voor een geheel ander doel dan wat openlijk door de instelling en door de gebruikers en constructeurs van de tests wordt beleden. Met andere woorden: wat er bekend is over validiteit van de SAT I is misleidend, omdat het achterliggende doel van het testgebruik een andere is dan wat openlijk wordt beleden.

De gedachte die hier opkomt is dat het Amerikaanse stelsel van selectieve toelating tot prestigieuze instellingen - overigens maar een bescheiden deel van de totale markt voor degree-verlenend hoger onderwijs - berust op misleiding van bij alle betrokkenen. Hier kan wel eens een enorm ethisch probleem liggen, waar de ontwikkelaars van de volgende versie van de Standards voor constructie en gebruik van tests en toetsen hun tanden maar eens in moeten gaan zetten. Overigens is over dit dilemma geen enkele opmerking te vinden in de recente behandeling van admissions in Camara en Kimmel (2005) (door mij besproken op deze pagina.

Maar geldt hetzelfde niet voor personeelsselectie, dan? Daar staat toch ook het bedrijfsbelang voorop? Voorzover werkgevers gehouden zijn werk te geven, zit daar iets in; internationale verdragen benadrukken dat. Maar ja, een werkgever kan alleen werk geven als er werk is, dus het bedrijf zal om te beginnen goed moeten functioneren. Als het nieuw personeel aantrekt, en de markt is zodanig dat zich meer gekwalificeerde kandidaten melden dan er op dat moment vacatures zijn, dan kan de werkgever - binnen de kaders van cao, wet en regelgeving, etcetera - een eigen keuze maken en daar eventueel psychologische tests bij gebruiken. Sommige tests zijn bijzonder goede voorspellers of de ene kandidaat naar verwachting meer zal bijdragen aan de bedrijfsresultaten van de anderen. In het onderwijs is valt moeilijk vol te houden dat kandidaten als personeelskandidaten behandeld kunnen worden. Toch is dat wat in feite wat er bij prestigieuze instellingen gebeurt. Een wondere wereld is het toch. Zie ook www.benwilbrink.nl/projecten/concurreren.htm op dit dossier van concurrentie via selectie van studenten.

Dominic J. Brewer, Susan M. Gates and Charles A. Goldman (2002). In pursuit of prestige. Strategy and competition in U.S. higher education. New Brunswick: Transaction Publishers. isbn 076580056X


Wayne J. Camara and Ernest W. Kimmel (Eds). Choosing students; Higher education admissions tools for the 21st century. Lawrence Erlbaum Associates, 2005. isbn 0-8058-4752-9. Review: pagina


Denny Borsboom, Jan-Willem Romeijn and Jelte M. Wicherts (2008). Measurement invariance versus selection invariance: Is fair selection possible? Psychological Methods, 13, 75-98 pdf


Latere publicaties


(2004). Meer permanente selectie kan onze economie niet gebruiken. concept. Voordracht Studium Generale Tilburg, 30-9-2004. [16k html]


(2004). Extra selectie aan de poort: wanneer is genoeg genoeg?. Onderzoek van Onderwijs, 33 nummer 3, 37-40. [28k html] concept-versie


(2003). Decentrale toelating, eerste stap naar selectieve toelating HO? Tijdschrift voor Hoger Onderwijs, 21, nummer 1, 47-57. html concept-versie



18-3-2009 \ contact ben apenstaartje benwilbrink.nl

Valid HTML 4.01!   http://www.benwilbrink.nl/publicaties/99rechtvaardigheid_tvho.htm