De selectie voor Tweede Fase Opleidingen is al wettelijk geregeld; de vraag is: hoe wordt dat verder ingevuld?

Ben Wilbrink, 1983


In 1983 aangeboden aan Universiteit en Hogeschool. De redactie vond dat aan deze thematiek met een artikel door Van Berkel al voldoende aandacht was besteed. Het stuk is ongepubliceerd gebleven. Na de eeuwwisseling is het stuk evenwel weer actueel: met de nieuwe bachelor-master structuur ontstaat alsnog de selectieproblematiek die begin tachtiger jaren werd voorzien voor de tweede fase, maar destijds niet materialiseerde door de combinatie van niet doorvoeren van de tweede fase en selectie van promovendi te behandelen als louter personeelsselectie (alsof dat eenvoudig zou zijn).


Met dank aan mr. Dick R. Kooyman voor zijn commentaar en suggesties op de meer juridische aspecten van deze toelatingsproblematiek.

Samenvatting


Het is niet iedereen bekend dat de wetgever de selectie voor een beperkt aantal plaatsen in tweede fase opleidingen al uitdrukkelijk geregeld heeft: de meest gekwalificeerden worden toegelaten. De wet laat geen ruimte voor discussie over vormen van loting, of het gebruik van een aanvullend vergelijkend examen.

Nauwkeurig wordt geïnventariseerd wat de wetgever precies over deze toelating geregeld heeft, en wat daarop aanvullend nog geregeld kan worden door de faculteiten in de op te stellen toelatingsregelingen.

Zowel de zorgvuldigheid waarmee toelatingscommissies straks hun afwijzingen dienen te motiveren, als de mogelijk ver reikende invloed van de wijze van selecteren op de studieaanpak van studenten in de eerste fase, vragen om toelatingsregelingen die juridisch en selectietechnisch goed uitgekiend zijn. Die regelingen zullen er niet van vandaag op morgen kunnen komen; daarom dient de discussie zich hierop toe te spitsen, en voor die discussie draagt dit artikel een aantal inhoudelijke punten bij.

De doctorandus-nieuwe-stijl heeft straks geen recht op toelating tot de tweede fase opleiding van zijn keuze. Tenminste wordt voldoende bekwaamheid geëist om de opleiding behoorlijk te kunnen volgen. Bij plaatsgebrek worden de meest gekwalificeerden toegelaten. Het laatste is niet algemeen bekend, omdat het niet met zoveel woorden in de tekst van de wet, of in het Academisch Statuut staat; de parlementaire behandeling van de Wet 2FS laat over dit punt echter geen enkele ruimte tot misverstand over. De discussie over de wijze van selectie ingeval van plaatsgebrek (van Berkel, 1982) is niet opportuun, en de aangedragen voorstellen vallen buiten de wet. Wie denkt sterke argumenten voor een vorm van loting te hebben, kan een pleidooi voeren om de wet te wijzigen, en minister Van Kemenade leek daar ruimte voor te willen scheppen: hij stelde een interdepartementale werkgroep in om te onderzoeken of niet alsnog een wettelijk geregeld gelijk recht op toelating mogelijk was voor degenen die aan de gestelde toelatingsvoorwaarden voldoen .(Verslag van een schriftelijk overleg, kamerstuk 16106 nr. 152, 25 mei 1982). Met het optreden van het kabinet Lubbers zijn wetswijzigingen op dit punt niet meer te verwachten. De wet 2FS is immers in hoge mate het product van eerdere samenwerking tussen beide coalitiepartners in dit kabinet. Hiermee is ook meningsvorming met het oog op een dergelijke wetswijziging van de baan. De laatste ontwikkelingen, voorstellen voor lerarenopleidingen buiten de universiteit, en de wetenschappelijk gezel i.p.v. de onderzoekopleiding, breken de discussie opnieuw open, vooral ook omdat de lastige selectie voor de 2e fase 66n van de motieven voor deze alternatieven lijkt te zijn.

Hoe wil de wetgever het schaarse aantal plaatsen verdelen?



De wettekst zelf laat onbesproken op welke wijze deze selectie-op-aantal uitgevoerd moet worden. Wie voldoet aan de eisen die de opleiding stelt, is gekwalificeerd (art. 32 lid 7), maar daarmee nog niet toegelaten.



Dit klinkt nog erg vrijblijvend, maar in de erop volgende parlementaire behandeling is de minister er volstrekt ondubbelzinnig over:



De wijze waarop schaarse plaatsen toebedeeld moeten worden is in het parlement besproken. Bijvoorbeeld is daar ook aan de orde geweest het voorstel van de PPR fractie om ongewogen loting te hanteren. Dat voorstel heeft het niet gehaald, en wat nu geldt is de hier aangehaalde uitspraak van de minister. Er is, gezien deze uitspraak, geen ruimte om de in het Staatsblad gepubliceerde wettekst op andere wijze te interpreteren, bijvoorbeeld als zou gewogen loting ook nog een mogelijkheid zijn. De selectie-op-aantal gebeurt via een door de toelatingscommissie aan te brengen rangordening van meer of minder gekwalificeerd zijn.

Wanneer niet in de letter van de wet te vinden is hoe de selectie-op-aantal moet plaatsvinden, is men dan vrij om zo'n opmerking van de minister in de Memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer te negeren? Nee:



Selectie-op-aantal: een aanvullende gedachte van de minister


Ongetwijfeld is de onduidelijkheid ontstaan omdat de minister pas tijdens de parlementaire behandeling is gekomen tot het inzicht dat selectie-op-aantal wel eens nodig zou kunnen zijn. Het wetsontwerp en de memorie van toelichting kennen geen schaarste van beschikbare plaatsen, en stellen geen regelen voor de daaruit volgende selectie-op-aantal.



Hoewel in het wetsontwerp wel degelijk sprake was van toelating tot ten hoogste het aantal vastgestelde toegangsplaatsen, ging de minister ervan uit dat het in de praktijk niet (echt) tot zo'n selectie-op-aantal hoefde te komen



Dit optimisme, samen met de opzet om de eerste fase opleiding een volwaardige academische opleiding te laten zijn, maakte het de minister makkelijk om te verdedigen dat gegadigden voor een tweede fase opleiding slechts toelaatbaar zijn, daar geen toelatingsrecht voor hebben. Binnen deze zelfde optimistische gedachte zou te verwachten zijn dat iedere gegadigde die aan de te stellen toelatingseisen voldoet, doorgaans ook wel toegelaten zou kunnen worden wat het beschikbare aantal plaatsen betreft. In de parlementaire behandeling gaat de minister over tot improviseren wanneer hij erkent dat er werkelijke schaarste aan plaatsen zou kunnen ontstaan. Een uiting van dat improviseren is het verschuiven van de toelatingseisen van absolute naar relatieve; in de Memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer is er sprake van toelaten van de meest gekwalificeerden, waar eerder, in de Memorie van Toelichting, slechts gezegd wordt dat de gedachte niet uitgaat naar een vorm van loting of een vergelijkend aanvullend examen. [Mr. Kooyman (mondelinge mededeling) heeft mij gewezen op het belang van de volgorde in tijd, en de kennelijke evolutie in het denken van de minister waar dit op wijst.]

De toelatingseisen



Het gaat bij deze beoordeling om de vraag of de gegadigde voldoende gekwalificeerd is om de opleiding met goed gevolg te kunnen doorlopen, niet om de vraag of gegadigde X beter gekwalificeerd is dan gegadigde Y. De wet somt de criteria Voor deze beoordeling op:



Maar precies dezelfde criteria moeten gebruikt worden om de selectie-op-aantal uit te voeren. Of Marie 'beter gekwalificeerd' is dan Jan, is aan de hand van dezelfde criteria vast te stellen (M.v.A., T.K., het al gegeven en het volgende citaat).



Er vinden bij plaatsgebrek twee beoordelingen door de commissie plaats: allereerst of aan de eis van bekwaamheid voldaan is, en vervolgens of de gegadigde valt binnen de groep van meest gekwalificeerden. Beide beoordelingen vinden plaats op dezelfde criteria.

De wet geeft de aard van de selectiecriteria aan zoals die gebruikt moeten (vakkenpakket, studieresultaten) , resp. kunnen worden (doorlopen 1e fase, eventueel ervaringen uit tijdsbestek tussen doctoraal en aanmelding). De nadere invulling van deze criteria vindt plaats in de toelatingsregeling die de faculteit voor ieder van haar opleidingen moet vaststellen (Academisch Statuut, art. 81 lid 1) , na overleg met de sectie van de A.R. (idem)

Het A.S. schrijft die nadere uitwerking voor (art. 86 lid 2). Het instellingsbestuur moet deze toelatingsregeling goedkeuren (A.S. art. 82 lid 1).

Gezien het belang van wat er in deze toelatingsregelingen nader geregeld wordt, en de wijze waarop dat gebeurt, zal daar in het volgende telkens weer op teruggekomen worden.
In de nu volgende paragrafen wordt nader ingegaan op de door de wet genoemde criteria, en hun mogelijke concretisering.

Voorwaarden m.b.t. het vakkenpakket


Het is geoorloofd om in de toelatingsregeling op te nemen dat aan bepaalde voorwaarden m.b.t. de samenstelling van het vakkenpakket voldaan moet zijn, om voor beoordeling in aanmerking te komen.



Dit is een pragmatisch bedoeld artikel (toelichting art. 85 lid 1) om de commissie onnodig werk te besparen. Daarom is van deze mogelijkheid met enige terughoudendheid gebruik te maken. Ook al omdat een gegadigde wiens verzoek niet ontvankelijk is doordat aan gestelde voorwaarden niet is voldaan, niet in de gelegenheid is de commissie ervan te overtuigen dat hij of zij op andere wijze voldaan heeft aan de vereiste kwalificaties: de commissie mag de gegadigde immers niet tot beoordeling toelaten.

Als voorwaarden zouden genoemd kunnen worden: het soort doctoraalexamen (maar het lijkt zelden nodig om expliciet examens van met name genoemde eerste fase opleidingen uit of in te sluiten), en vakken die van rechtstreeks belang zijn voor het volgen van de opleiding (zonder zo'n vak gaat het eenvoudig niet, of waarschijnlijk niet op tijd).
De student die vakken mist die als voorwaarde gesteld zijn heeft de mogelijkheid om een aanvullend examen af te leggen (A.S. art. 85 lid 2 en art. 54).

In de desbetreffende sectie van de Academische Raad kan ervoor gezorgd worden dat voor overeenstemmende opleidingen geen uiteenlopende voorwaarden gesteld worden. Het laatste zou het de gegadigden moeilijk maken zich voor meerdere tweede fase opleidingen, ook aan andere instellingen, aan te melden.



Meer dan strikt noodzakelijk vakken bestempelen tot 'van rechtstreeks belang' kan er overigens ook toe leiden dat studenten al vroeg in de eerste fase zich vast moeten leggen op een bepaald vakkenpakket om later nog tot de reële kanshebbers voor toelating tot deze tweede fase opleiding te kunnen behoren.

De toelatingseisen gespecificeerd in de toelatingsregeling


De wet schrijft voor dat bij de beoordeling van de bekwaamheid het vakkenpakket en de studieresultaten van de eerste fase worden betrokken, en in het bijzonder de studieresultaten voor de vakken die van rechtstreeks belang zijn voor het volgen van de opleiding. Allereerst moeten de minimumeisen in deze termen geformuleerd worden. De wet schrijft niet voor dat de toelatingsregeling een concrete beschrijving van deze minimumeisen bevat, maar het is wenselijk om een redelijk strikte omschrijving wél in de toelatingsregeling vast te leggen. Immers, de minimumeisen volgen uit de eisen die de opleiding inhoudelijk stelt, en dan ligt het voor de hand dat de faculteit, in overleg met de sectie van de A.R., de minimumeisen omschrijft, en dat niet overlaat aan het mogelijk wisselende oordeel van de leden van de toelatingscommissie. Belangrijker voor gegadigden in spe: minimumeisen die zijn vastgelegd geven hen houvast bij de studie in de eerste fase (doorzichtigheid).

Hoe kunnen deze criteria omschreven worden? Het is niet goed mogelijk om een minimum vereist cijfergemiddelde aan te geven, ook niet voor vakken van rechtstreeks belang. Dat zou al te rigide zijn. Het is evenmin mogelijk om op voorhand alle mogelijke combinaties van vakken en studieresultaten te inventariseren die tenminste aan de minimumeisen voldoen. in plaats daarvan moet er misschien gewerkt worden met enkele typische voorbeelden die het minimum niveau aangeven, en die richtinggevend zijn voor de wijze waarop de toelatingscommissie afwijkende gevallen dient te beoordelen. Dit wordt later door jurisprudentie aangevuld.

Deze werkwijze is niet toereikend wanneer er selectie-op-aantal moet plaatsvinden: omdat tevoren niet bekend is waar de grens afwijzen/toelaten komt te liggen, kan evenmin tevoren worden aangegeven welke typische gevallen juist boven die grens liggen. Op de selectie-op-aantal kom ik in het laatste deel van dit artikel terug.

Ook is hiermee niet aangegeven hoe gehandeld kan worden bij twijfelgevallen in het randgebied. Op dit probleem wordt nog uitvoerig ingegaan.

In dergelijke 'typische voorbeelden' is impliciet aangegeven hoe studieresultaten voor diverse vakken onderling gewogen worden. Welnu, het is . mogelijk om die weging expliciet te maken, en in de toelatingsregeling aan te geven wat de wegingsfactoren voor de meest voorkomende vakken en studieresultaten zijn. Ik kom ook hierop in het laatste deel terug.
Een andere manier waarop het ongetwijfeld nodig zal zijn om vakkenpakket en studieresultaten te 'wegen' is rekening houden met wat in art. 32 lid 7 als facultatieve criteria opgenomen zijn: o.a. de wijze waarop en het tijdsbestek waarbinnen de eerste fase is doorlopen. Het zal niet zonder deze facultatieve criteria kunnen, omdat de betekenis van behaaIde studieresultaten ervan afhangt.

De toelatingscommissies worden al met al aan heel wat werk geholpen, want het zal niet eenvoudig zijn om met deze criteria de beoordeling te verrichten.

Het sollicitatiegesprek


Met de in de wet aangegeven criteria lijkt ondanks de aangegeven uitwerkingsproblemen toch een redelijk objectieve grondslag voor deze toelating gegeven te zijn. Is het nu zo, dat de opsomming in de wet allerlei andere mogelijkheden uitsluit? Denk aan psychologische tests, beoordeling van persoonlijkheid en gemotiveerdheid, gebruik van het sollicitatiegesprek. In de eerdere discussie over toelating tot numerus fixus studies bestond over de onwenselijkheid van dergelijke gegevens bij het selecteren een vergaande mate van overeenstemming tussen discussianten. Ook De Groot gaf in zijn "Selektie voor en in het hoger onderwijs' de onwenselijkheid van dergelijke subjectieve methoden in niet mis te verstane bewoordingen aan. Dat de wet deze mogelijkheden uitsluit door ze niet in de opsomming van criteria op te nemen lijkt dus geenszins een omissie.
Des te verrassender is het dat zowel uit de parlementaire behandeling van de Wet 2FS, als uit de tekst van het A.S., blijkt dat de mogelijkheid van het voeren van sollicitatiegesprekken expliciet wordt gegeven.



Hier wreekt zich het verzuim om bij de voorbereiding en behandeling van het wetsontwerp selectiedeskundigen, psychologen, te betrekken. Zij zouden erop gewezen hebben dat de in de wet aangegeven criteria heel fundamenteel ondergraven worden door de gelegenheid te bieden aan de toelatingscommissie om ad hoc criteria te gebruiken juist in die gevallen waar de wettelijke criteria geen volledig uitsluitsel kunnen bieden. Vergelijk:



Louter technisch is het een uitgemaakte zaak dat oordelen gebaseerd op informatie uit dergelijke gesprekken, geen bijdrage leveren aan de kwaliteit of de opbrengst van de selectie. Bergen literatuur hebben dat gedemonstreerd, zie voor een ingang daartoe bijv. Hofstee (1981), Arvey (1981), en het overzicht dat Kahneman, Slovic & Tversky (1982) bieden. Dat onderzoekresultaten op dit punt tegen-intuïtief zijn, omdat degenen die dergelijke beoordelingen uitvoeren het idee hebben wel degelijk relevant bezig te zijn, is al evenzeer onderdeel van dezelfde lange onderzoektraditie.

De rol van het gesprek nader regelen


Om te vermijden dat inderdaad ad hoc criteria gebruikt gaan worden, kan in de toelatingsregeling nader omschreven worden welke informatie daar ter sprake kan komen, waarbij benadrukt kan worden dat het om informatie van objectieve aard moet gaan. Het is mogelijk om aanvullende criteria expliciet te formuleren, waarmee het in voorgaande paragraaf genoemde bezwaar ondervangen kan worden. Ook dan is het niet verstandig om naar aanvullende criteria te zoeken louter en alleen in een streven om te voorkomen dat bij plaatsgebrek niet op genoemde criteria gekozen zou kunnen worden tussen overigens gelijk gekwalificeerde gegadigden. (Zie ook het laatste deel van dit artikel). Aanvullende criteria moeten inhoudelijk gerechtvaardigd zijn (vanuit de eisen die de betreffende opleiding stelt).

Met name zou nader omschreven moeten worden uit welke objectieve gegevens 'duidelijke aanleg en belangstelling, kunnen blijken, om subjectieve beoordeling daarvan tegen te gaan. Het ligt immers voor de hand dat de toelatingscommissie gebruik zal maken van het gesprek om te voldoen aan art. 91 A.S.:



Het gevaar van afglijden naar meer subjectieve beoordeling, naar oneerlijke beoordeling ook, is hier des te groter wanneer leden van de toelatingscommissie ook afgaan op indrukken die zij zelf in de eerste fase al van de gegadigde hadden opgedaan, of wanneer de commissie het oordeel van docenten uit de eerste fase zou vragen.



Alleen een bepaald doctoraalexamen als minimumeis


Alle complicaties zoals hierboven genoemd treden op wanneer de minimumeis voor een opleiding 'hoger' gesteld wordt dan het behaald hebben van een bepaald doctoraalexamen. Voor onderzoekopleidingen zal dat wel zo gaan, maar voor beroepsopleidingen, inclusief geneeskundige en lerarenopleidingen hoef t het niet zo. Niets in de wet verbiedt om alleen een behaald doctoraalexamen, eventueel met aangeduid vakkenpakket, als minimumeis te stellen. Het werk van de toelatingscommissie is dan eenvoudig, althans wat vaststellen van de aanwezigheid van minimale bekwaamheid betreft; is er een plaatstekort, dan zullen gegadigden toch geordend moeten worden op een schaal van bekwaamheid.

Schaarste aan plaatsen


Of er een schaarste aan plaatsen zal zijn hangt af van het aantal beschikbare plaatsen en van het aantal aanmeldingen. Aanvankelijk ging de minister ervan uit dat een te grote vraag mede voorkomen zou kunnen worden door begeleiding tijdens de studie in de eerste fase, door voorlichting, door post-doctorale opleidingen die aan bepaalde behoeften tegemoet komen, en door het beoogde karakter van de eerste fase als een volwaardige academische opleiding.



Het navrante van deze stelling is, dat in situaties van een tekort aan plaatsen in de tweede fase, het de student moeilijk of onmogelijk gemaakt kan worden zich dat 'realistische beeld' te vormen. En wat moet de faculteit in dergelijke gevallen doen? Studenten demotiveren voor een bepaalde 'opleidingsweg'? Dat lijkt een ethisch niet verdedigbare zaak.

Geheel aan het eind van de parlementaire behandeling, wanneer de minister al doordrongen is van de noodzaak dat er inderdaad op aantallen geselecteerd zal moeten worden, bouwt hij toch nog voort op dit oude stramien uit de memorie van toelichting; de overtuiging lijkt dan al lang verdwenen:



Dat er een schaarste aan plaatsen zal ontstaan is ook de overtuiging die leef t bij de instellingen, zoals we in het volgende gedemonstreerd zien.

Hoe wordt het aantal plaatsen vastgesteld?


Het totale aantal beschikbare plaatsen in tweede fase opleidingen zal onderwerp zijn van regeringsbeleid, terwijl faculteiten nog een nadere verdeling over de opleidingen kunnen uitvoeren.



Het POO: het Planning Overleg Orgaan. De brief van minister Deetman aan de instellingsbesturen, 7 oktober 1982, laat er weinig twijfel aan bestaan dat er maar weinig plaatsen voor tweede fase opleidingen gecreëerd kunnen worden. De minister denkt aan 1/3e van de uitstroom van de eerste fase! De instellingen, van hun kant, denken veeleer aan 90%. De minister kapittelt hen daarover:



Alles wijst in de richting van een plaatstekort. Zo'n tekort hoeft niet alle opleidingen even hard te treffen. Misschien zal bij veel onderzoekopleidingen het tekort klein zijn of niet optreden (maar dit zijn ook de opleidingen die 'beschermd' worden door hogere eisen van bekwaamheid om toegelaten te kunnen worden). Het zou kunnen zijn dat de instellingen zodoende zelf nog iets te verdelen hebben.



Niet duidelijk is of de instellingen straks vrij zijn om extra plaatsen te creëren door extensiever onderwijsvormen te gebruiken, of dat de middelen uitdrukkelijk aan een vastgesteld totaal aantal plaatsen gekoppeld zijn. Gevreesd moet worden, mede gezien de brief van de minister van 7 oktober 1982 aan de instellingsbesturen, dat het laatste het geval zijn.

Enkele gevolgen van plaatstekorten


Om hun toelatingskansen te vergroten, kunnen gegadigden zich voor meerdere opleidingen tegelijk aanmelden, bij meerdere instellingen. Zij worden tot meerdere 'sollicitaties' ook uitgenodigd omdat van instelling tot instelling de toelatingskansen kunnen verschillen, door andere verhoudingen van aantal plaatsen tot aantal gegadigden. (Zie toelichting art. 84 A.S.). Dat zal leiden tot extra belasting van de toelatingscommissies, wanneer gegadigden niet de uitslag van de ene commissie afwachten alvorens zich tot de volgende te wenden. Vervolgens kan dat leiden tot het verschijnsel dat toegelaten gegadigden van hun plaats afzien omdat zij ondertussen elders ook toegelaten zijn, waardoor alsnog uit de aanvankelijk afgewezen (maar voldoende bekwame) gegadigden enkelen toegelaten zullen worden. Het werk van de toelatingscommissies zal vooral ook zwaar worden omdat 'migranten' lastiger te beoordelen zijn, en daarbij vooral de objectiviteit van de leden van de commissie aangesproken zal worden.

Dat gegadigden die al een tweede fase opleiding gedaan hebben, zich wederom voor een andere opleiding aan kunnen melden, wordt uitdrukkelijk door de Wet 2FS vastgelegd. Dat kan als onrechtvaardig ervaren worden wanneer er plaatstekort is, en dat gevoelen zou verscherpt kunnen worden wanneer de extra ervaring van deze gegadigden hen een voorsprong geeft boven anderen.

Wie afgewezen is, kan zich een volgende keer opnieuw aanmelden. In theorie kan er zo een 'stuwmeer' ontstaan. of dit zich in enige omvang zal voordoen valt op dit moment niet te voorzien. Zou dat gebeuren, dan komt er bij de selectie een zwaarder accent te liggen op 'wachttijd,' en de daarin opgedane ervaring.

Bij plaatstekort is het voldoen aan de minimumeisen van bekwaamheid niet voldoende om ook toegelaten te worden. De gegadigde moet 'beter' zijn dan een onbekend aantal onbekende mededingers. De situatie is voor studenten in de eerste fase nogal ondoorzichtig: het is onbekend hoe 'goed' je moet zijn om straks tot de gewenste tweede fase opleiding toegelaten te worden. Wat wél bekend is: op welke criteria de relatieve bekwaamheid beoordeeld zal worden. Dat wordt dan keihard werken voor wie zijn kansen straks wil maximaliseren. Of dat wel zo'n onwenselijk resultaat is wil ik in het midden laten, maar het is goed om te signaleren dat dit zich zal voordoen. Een extra probleem hierbij is de mogelijkheid van sterke schommelingen in het beschikbare aantal plaatsen, omdat dat aantal een gevolg is Van wat - regering en parlement zien als maatschappelijke behoefte en wat zij aan middelen beschikbaar willen stellen. Wie, in politiek Den Haag, kan de student de verzekering geven dat in de komende drie A vier jaar, dat is de periode die de student voor de boeg heeft, geen belangrijke vermindering van het aantal plaatsen zal optreden? De student zal immers tijdig zijn vakkenpakket moeten kiezen in overeenstemming met een eventuele tweede fase opleiding.


DE MEEST GEKWALIFICEERDEN WORDEN TOEGELATEN


In dit tweede deel komen enkele meer selectietechnische onderwerpen aan de orde. Allereerst het gebruik van studieresultaten bij de beoordeling van de (absolute) bekwaamheid, en vervolgens de problematiek van het rangordenen naar bekwaamheid.


Beoordelen naar studieresultaten


Degenen die bezwaren hebben tegen het hanteren van studieresultaten bij de beoordeling van de bekwaamheid van gegadigden, zullen naar ik aanneem geen bezwaar hebben tegen de regel dat een (met name genoemd) doctoraal examen als blijk van voldoende bekwaamheid gezien wordt. Hoe komt dat nu te liggen wanneer de minimale bekwaamheid hoger gesteld wordt?

De toelating tot de onderzoekopleiding is, ook in de parlementaire behandeling, nogal eens als een zaak apart gezien. Men zou zich kunnen voorstellen dat juist bij deze toelating de bekwaamheid tot het voldoen aan de eisen van de opleiding hoger ligt (op een nader aan te duiden wij ze) dan het niveau dat vereist is om. het doctoraal examen te kunnen behalen. Men kan daarvoor kiezen. Bij dergelijke voorstellen wordt wel de tegenwerping gemaakt dat toch te verwachten is dat examenresultaten onvoldoende 'voorspellende waarde' zullen hebben om er een dergelijke maatregel op te kunnen baseren. Ik wil dat o.a. eens bekijken aan de hand van het contrast tussen tevoren aangekondigde selectie en onverwachte selectie.-.

Onverwachte selectie. Zou nu, zónder gegadigden daar lang van tevoren (jaren tevoren) van op de hoogte gesteld te hebben, selectie voor een onderzoekopleiding ineens gebeuren op basis van een minimaal 'prestatieniveau' hoger dan wat vereist is voor het behalen van het doctoraal examen, dan is het duidelijk dat nogal wat gegadigden daardoor ernstig gedupeerd zouden worden. Immers, sommige gegadigden zouden afgewezen worden, terwijl zij best aan de gestelde eisen zouden hebben kunnen voldoen wanneer die eisen tijdig bekend zouden zijn gemaakt. Ook buitengewoon bekwame gegadigden kunnen, om wat voor redenen ook, tevreden zijn geweest met middelmatige studieprestaties in de eerste fase, om dan te constateren dat zij aan ineens gestelde toelatingseisen niet voldoen.

Doorzichtige selectie. Een geheel andere situatie is natuurlijk die waar de hogere toelatingseisen jaren tevoren bekend gemaakt worden, en z6 duidelijk omschreven worden dat alle potentiële (en bekwame) gegadigden daar in hun studiestrategie tijdens de eerste fase op in kunnen spelen. Wie dat 'inspelen op ' door bijzondere omstandigheden niet lukt, kan die omstandigheden bij zijn aanvraag vermelden.

Je kunt het zo doen, wanneer daar de politieke wil toe bestaat; er zijn geen a priori overwegende bezwaren van onderwijskundige of selectietechnische aard tegen. Verondersteld wordt hier, en dat is wél van belang, dat de relatief verhoogde toelatingseis voor onderzoekopleidingen in goede verhouding staat tot wat de betreffende opleiding in feite aan bekwaamheid vraagt. Maar zo staat het ook in de wet: wat 'voldoende' bekwaamheid is, dient immers bepaald te zijn door de eisen die de opleiding in feite stelt. Het is niet uitgesloten dat de onderzoekopleiding een zwaarder karakter krijgt juist omdat de mogelijkheid tot verscherpte toelatingsselectie bestaat (dat kan met opzet gebeuren, maar het kan ook via een sluipend proces in de loop der jaren, zonder dat betrokkenen dat bewust sturen). Daar moet voor gewaakt worden. Zo'n doorzichtige selectie moet potentiële bekwame gegadigden in staat stellen er voor te zorgen dat zij aan de gestelde eisen voldoen. Ook anderen kunnen proberen aan die eisen te voldoen, bijvoorbeeld heel bekwame studenten die niet direct de onderzoek opleiding op het oog hebben, maar zich wel de mogelijkheid willen scheppen daar tenminste toelaatbaar voor te worden.

Zodra er eisen gesteld worden, zal ook de motivatie of ijver van de gegadigde een rol gaan spelen; en daar is niets op tegen, ook niet wanneer relatief wat minder begaafde studenten door hun grotere inzet van tijd en energie aan de eisen kunnen voldoen.

Het argument dat selectie niet zinvol kan. De vraag of studieresultaten (in samenhang met de aard van het vakkenpakket) samenhangen met succes in de onderzoekopleiding is niet interessant, zolang de gekozen eis van bekwaamheid inderdaad in goede verhouding staat tot wat de opleiding eist. In de parlementaire behandeling bleken er misverstanden op dit punt te bestaan: de oppositie verwees naar een slechts gebrekkig verband tussen opeenvolgende examens, en de minister stelde daartegenover dat het er om gaat of zo'n verband 'significant' is of niet. Ook Van Berkel (1982) veronderstelt dat selectie moet gebeuren op grond van voorspelbare verschillen in studiesucces tussen gegadigden (i.p.v. het voldaan hebben aan kwalificatie-eisen voor iedere gegadigde afzonderlijk) ; hij probeert aannemelijk te maken dat die voorspelbaarheid er niet is, maar ziet daarbij twee zaken over het hoofd. De voorspelling betreft succes op korte termijn, een opleiding van één jaar, en dat is veel makkelijker te voorspellen dan studiesucces in een 4 tot 6 jarige opleiding. Bovendien kan ook een geringe voorspelbaarheid de moeite waard zijn (meer dan marginaal iets toevoegen), zoals benadrukt door Cronbach & Gleser (1965), en Van Berkel toont het tegendeel voor deze selectiesituatie niet aan. Wel voert hij 'overmatig ijverige' studenten ten tonele, die zowel voorspelbaarheid verklaren (wanneer zij overmatig ijverig blijven), als onvoorspelbaarheid (wanneer die ijver na passeren van de selectiedrempel wegvalt). Het impliciete waardeoordeel in deze terminologie is geen bijdrage aan de helderheid van de discussie.

Van Berkel hecht grote betekenis aan de sterke voorselectie in vwo en 1e fase, waardoor iedere verdere selectie nog 'hooguit marginaal' iets oplevert. Dat valt nog te bezien. De vooronderstelling daarbij is dat verdere selectie plaats vindt op dezelfde gronden (algemene intellectuele vaardigheden bijv.) als de voorselectie, en dat is voor de 2e fase selectie niet noodzakelijk het geval. De zin van verdere selectie hangt ook af, van zaken als de selectieverhouding, die hangt af van het aantal beschikbare plaatsen (en dat kunnen er wel eens heel weinig zijn) en het aantal (potentiële) gegadigden (en dat zijn er waarschijnlijk heel veel, zoals ook Wiegersma (1982) tegen Van Berkel inbrengt).

Het laatste argument van Van Berkel betreft de geldigheid van selectie, en dat houdt verband met de methodologische verantwoording. Hij steunt daarbij op een analyse (Wilbrink 1980) van de heel andere situatie bij toelating tot numerus fixus studies. Deze toelatingsproblematiek is niet vanzelfsprekend analoog aan die bij de bij de numerus fixus gaat om de vraag hoe gegadigden over open en gesloten studies te verdelen (allocatie). Bij toelating tot een 2e fase opleiding is er van een dergelijke verdeling nauwelijks sprake, het is toelaten of niet (selectie). WeInu, allocatie is veel lastiger uit te voeren en te verantwoorden dan eenvoudige selectie (allocatie is te zien als meervoudige selectie).

Voor toelating tot numerus fixus studies is loten heel wel te beargumenteren. Van Berkel, geeft voor zijn lotingsvariant voor toelating tot de 2e fase geen inhoudelijke bewijsvoering, en brengt daarmee loten als mogelijk verdelingsprincipe (Wilbrink, 1980) in diskrediet.


De meest gekwalificeerden, wie zijn dat?


Ondanks de precies aangegeven aard van de selectie-op-aantal is niet in de wet omschreven, noch in de parlementaire behandeling of in het Academisch Statuut nader aangeduid, hoe rangordening van gegadigden en hoe besluitvorming binnen de commissie exact in hun werk dienen te gaan. Hier ligt dan ook een belangrijke taak voor faculteiten en instellingen om daarover uitsluitsel te geven in de toelatingsregeling.

Wanneer het voorschrift is om 'de meest gekwalificeerden' toe te laten, zou dat op twee verschillende manieren verstaan kunnen worden, afhankelijk van wat met 'gekwalificeerd' bedoeld wordt. Het zou kunnen zijn dat er een voorspelling mee bedoeld wordt, de voorspelling van succes in de opleiding, of zelfs in het beroep. Maar in de context waarin de minister zich uitgesproken heeft is het duidelijk dat 'gekwalificeerd zijn' betrekking heeft op de mate waarin voldaan is aan tevoren gestelde criteria. Het gaat dus niet om de vraag wie de potentieel meest bekwame beroepsbeoefenaren zijn, maar wie het best tegemoet komt aan tevoren bekend gemaakte criteria. (Dat neemt niet weg dat de keuze voor juist de in de WWO art. 32 lid 7 genoemde criteria best zal berusten op de verwachting dat degenen die daaraan voldoen ook een hoge kans op succes in opleiding of beroep hebben.) 'Meest gekwalificeerd' refereert aan de gemaakte afspraak over de aan te leggen criteria. En dat is goed: studenten weten nu tenminste op welke punten ze met elkaar eventueel moeten concurreren. Een geheel ándere situatie zou ontstaan bij toelatingsrecht: de enige zorg van de student is dan om te voldoen aan de gestelde kwalificatie-eis, en met prestaties van anderen heeft hij of zij niets te maken.


Hoe breng je een rangorde van gekwalificeerd zijn aan ?


Er zijn twee verschillende mogelijkheden voor het aanbrengen van een rangorde: ofwel alle individuele gegadigden in een rangorde plaatsen, ofwel gegadigden plaatsen in enkele klassen van kwalificatie. Dát er een rangorde aangebracht moet worden vloeit voort uit de verplichting het beschikbare aantal plaatsen te vullen door van bovenaf allereerst de meest gekwalificeerden in te laten stromen, totdat ten hoogste alle plaatsen bezet zijn.

Individueel rangordenen. Het is duidelijk dat het rangordenen van individuele gegadigden lastig of ondoenlijk zal zijn, zeker ook vanwege de nogal uiteenlopende criteria die bovendien in hun onderlinge samenhang bezien over verschillende studenten heen vergelijkbaar gemaakt moeten worden. Stel dat de commissie erin slaagt zo'n rangorde aan te brengen. Het verschil tussen net afgewezen en net toegelaten gegadigden zal te klein zijn om als rechtvaardiging voor zo'n ingrijpend verschillende beslissing te kunnen dienen, als al aannemelijk te maken valt dat er inderdaad een klein verschil is (subjectiviteit in de beoordeling maakt kleine verschillen nogal dubieus). In de praktijk zullen gegadigden vaak ex aequo in de ranglijst geplaatst worden, omdat de commissie niet tot een meer verfijnde onderscheiding kan komen, en dan kan het gebeuren dat de scheidslijn tussen afwijzen en toelaten net door zo'n groepje ex aequo geplaatsten getrokken moet worden.

Rangorde van klassen. Het rangordenen in klassen verschilt daarom slechts, gradueel van het individueel rangordenen. Er wordt nu om te beginnen van uitgegaan dat er op voorhand een aantal klassen gevormd of gedefinieerd worden die voldoende van elkaar verschillen in niveau van 'gekwalificeerd zijn' om een verschillende beslissing m.b.t. in naastliggende klassen geplaatste gegadigden te kunnen dragen of motiveren. In de Verenigde Staten zien we juist deze aanpak veelvuldig gebruikt worden in selectiesituaties die nauw verwant zijn aan waar het bij de toelating tot tweede fase opleidingen om gaat. Het probleem is dan slechts hoe een selectie-op-aantal uitgevoerd moet worden wanneer bijvoorbeeld slechts de helft van het aantal gegadigden in wat de grensklasse blijkt te zijn, geplaatst kan worden. Het ligt voor de hand om binnen een klasse de selectie door het lot te laten gebeuren, of het oordeel van de voorzitter beslissend te laten zijn, omdat in het hanteren van de klasse-rangordening immers al aangegeven is dat het niet wel mogelijk is om binnen een klasse nog tot fijner onderscheidingen te komen. Dat er met een klasse-rangordening gewerkt kan worden, lijkt de minister ook voor ogen gezweefd te hebben:



'Bij de keuze tussen gelijkwaardige kandidaten'. Per definitie valt tussen gelijkwaardige kandidaten niet verder te kiezen op grond van hun kwalificaties, en zal de keuze op andere gronden (maar niet op nieuwe criteria, zie het citaat uit Jansen 1974) moeten 'vallen'. Wordt er in zo'n geval geloot, dan zou de bedoelde 'tijdelijke positieve discriminatie' de vorm kunnen krijgen van een groter inlotingskans voor vrouwen (de toelatingsregeling moet dat dan wel precies aangeven). In plaats van te loten komen ook andere toevalsprocedures in aanmerking, zoals in geval van dergelijke 'ties' de beslissing overlaten aan de voorzitter van de toelatingscommissie, die dan natuurlijk wel blind kiest.

De opmerking van de minister dat de gedachten niet uitgaan naar een vorm van loting (Memorie van Toelichting Wet 2FS) staat een dergelijke toevalsbeslissing binnen clusters of klassen niet in de weg.


Zorgvuldige besluitvorming


Omdat iedere afwijzing gemotiveerd moet gebeuren, ook afwijzingen in het randgebied (rond de grens tussen afwijzen en toelaten), hangt er erg veel af van de wijze waarop de besluitvorming gebeurt, c.q. in de toelatingsregeling vastgelegd is. De student die de motivering voor zijn afwijzing niet overtuigend vindt (de gegeven motivering kan de afwijzing niet dragen, is onredelijk of onbillijk, of feitelijk onjuist), kan zich wenden tot het College van Beroep voor de Examens. Dit College is bevoegd te oordelen over het beroep ingesteld tegen:



Het is daarom van belang om in de toelatingsregeling de procedure voor de besluitvorming van de toelatingscommissie z6 te regelen dat een massale gang naar het college van beroep wordt voorkomen. Wat het A.S. daar minimaal over regelt lijkt daartoe niet toereikend:



Een afwijzende beslissing kan redelijkerwijs en billijkerwijs niet gemotiveerd worden met louter de uitslag van een dergelijke stemming. (Vgl.: het college van Burgemeester en Wethouders beslist bij meerderheid van stemmen, maar is wel gehouden haar beschikkingen voldoende te motiveren).

De besluitvorming kan niet volstrekt objectief geschieden, omdat daarvoor te veel mogelijke varianten van combinaties van onderdelen van het doctoraal examen, studieresultaten voor onderscheiden onderdelen, en wijze waarop en tempo waarin de eerste fase is doorlopen, tevoren precies vastgelegd zouden moeten worden.


Het combineren van divers geaarde informatie, hoe kan dat?


Op de een of andere manier moeten gegadigden met elkaar vergeleken worden, ook wanneer zij verschillende vakkenpakketten hebben, verschillen in studietempo en -resultaten, of van verschillende universiteiten afkomstig zijn. Ik zal het probleem hier niet op zijn technische mogelijkheden bekijken (daar is niet veel literatuur over, maar zie Wood & Wilson, 1980, en Vassiloglou & French (1982)).

Welke procedure voor onderlinge vergelijking ook gekozen wordt, het moet een procedure zijn die niet alleen aanvaardbaar is voor betrokkenen, maar die het studenten ook redelijk mogelijk maakt zich voor te bereiden op de selectie die op de aldus omschreven wijze uitgevoerd zal gaan worden.

Cijfers voor één bepaald vak. Wanneer de hoogte van de studieresultaten een rol speelt, zoals de wet voorschrijft, is een hoger cijfer voor vak A 'beter' dan een lager cijfer voor vak A. De student die zijn kansen wil maximaliseren, moet (andere overwegingen daargelaten) streven naar hoge cijfers. Maar de toelatingscommissie wordt met een minder eenvoudige situatie geconfronteerd: zij moet beoordelen of een '8' voor vak A 'evenveel waard is' als een '8' voor vak B; zij moet ook beoordelen welke betekenis voor vak C een verschil tussen een '6' en een '8' heeft, en hoe dat zich verhoudt tot hetzelfde verschil maar dan bij vak D. De betekenis van een bepaald resultaat, bijv. die '8', wordt mede bepaald door de aard van het betreffende vak en de cijfergewoonten voor dat vak. Bijvoorbeeld: het verschil tussen twee gegeven cijfers is belangrijker wanneer de cijfers voor dat vak dicht bijeen plegen te liggen, dan wanneer de cijfers sterk gespreid plegen te worden over de hele beschikbare cijferschaal.

Het voert te ver om dit soort zaken hier tot in detail uit te werken. Het punt is dat het voor de toelatingscommissie wel eens van groot belang zou kunnen zijn om voor ieder tentamen uit de eerste fase te beschikken over een rapport waarin dit. soort gegevens vermeld zijn. Ook zou in dergelijke rapporten vermeld kunnen worden of tentamen A in 1982 'zwaarder'. 'moeilijker' was dan hetzelfde tentamen zoals in 1983 afgenomen.

Zou de toelatingscommissie met dit soort gegevens per tentamen geen rekening houden, dan ligt er voor studenten een onbedoelde weg open tot kansvergroting voor toelating tot de tweede fase opleiding in kwestie: werk alleen hard voor die vakken waarin dat het makkelijkst leidt tot hoger cijfers.

Cijfers voor verschillende vakken. Een '8' voor vak A kan een heel andere waarde hebben dan diezelfde '8' voor vak B. De redenen zijn deels dezelfde als hierboven al genoemd: de cijfers voor het vak waarin cijfers meer gespreid over de hele cijferschaal worden gegeven, krijgen een groter belang dan de cijfers voor het vak waar eigenlijk alleen maar 'zessen' gegeven worden. Naast dat soort overweging, is het wellicht van belang wat de omvang van vak A is t.o.v. van B, maar ook of vak A wél essentieel is als voorbereiding op de tweede fase opleiding, en vak B niet.

De toelatingscommissie moet werken met een met zorg uitgekozen set 'gewichten' voor de studieresultaten van de diverse vakken uit de diversiteit aan vakkenpakketten van de gegadigden. Voor een deel zouden de gewichten vastgelegd kunnen worden in de toelatingsregeling, bijv. voorzover het het onderscheid tussen essentiële en minder essentiële vakken betreft, maar ook dan moet de mogelijkheid blijven bestaan dat op die gewichten correcties aangebracht worden op grond van o.a. de hier al genoemde overwegingen. De wijze waarop dergelijke correcties aangebracht worden, en dát ze aangebracht dienen te worden, kan natuurlijk ook in de toelatingsregeling opgenomen worden.

Onbedoelde effecten van selectie op studieresultaten. Wie aankondigt te gaan selecteren op o.a. hoogte van de studieresultaten, mag verwachten dat studenten zich zullen richten op het behalen van hoger cijfers (dan ze anders misschien gehaald zouden hebben). Dat klinkt niet onaardig: ook al is concurrentie oneigenlijk in het onderwijs, als dat tot beter resultaten leidt is dat op zich mooi meegenomen. Toch zijn er grote problemen. De meeste examenregelingen zijn van het type dat ieder vak 'voldoende' moet zijn, maar voor toelating tot een tweede fase opleiding is méér nodig, en studenten zouden vakken kunnen gaan overdoen om hun '6' in een '7' te veranderen. Toch moet afgeraden worden om dergelijke herhalingen te verbieden, omdat bij zo'n verbod de student ertoe zou kunnen komen om liever expres een aantal fouten extra te maken om zijn herkansingsmogelijkheid open te houden, dan er bijna zeker een zes voor te scoren.

Een andere mogelijkheid om hoge cijfers te behalen, is wat langer over de voorbereiding op het tentamen te doen, en pas op te komen wanneer de verwachting van een '7' of een 181 vrij zeker is. Dat leidt tot verlenging van de inschrijvingsduur in de eerste fase. Ook hier is het noodzakelijk in de toelatingsregeling op te nemen dat studietempo bij de beoordeling betrokken zal worden (immers, in de wet staat slechts de mogelijkheid daartoe genoemd, terwijl het in de beoordeling betrekken van studieresultaten verplicht is). De wijze waarop, zowel herkansingen, als studietempo, een rol spelen bij de beoordeling, vraagt zorgvuldige afweging, en vervolgens een goede voorlichting naar studenten. De waardering van studietempo en studieresultaten ten opzichte van elkaar vraagt enige extra zorg. Het is immers niet de bedoeling van de selectie voor de tweede fase om een bonus toe te kennen aan degenen die in hoog tempo de eerste fase doorlopen hebben (en minder fraaie resultaten geboekt hebben), noch aan degenen die (in hun maximale inschrijvingsduur) een hoog studieresultaat bereikt hebben.

Heeft men zich een helder beeld gevormd van de wijze waarop dergelijke verschillende gegevens als studieresultaten, vakken, en studietempo gecombineerd kunnen worden, of onderling vergelijkbaar gemaakt, dan kan in dezelfde termen geprobeerd worden de te onderscheiden klassen van kwalificatie te definiëren, of tenminste aan te duiden middels 'typerende' voorbeelden. Wanneer daar in de praktijk behoefte aan bestaat, zou de vorming van 'tussenklassen' toegestaan kunnen worden, waarin díe gegadigden geplaatst kunnen worden waar de commissie over aarzelt in welke van twee aangrenzende klassen ze te plaatsen. De procedure kan natuurlijk verder gespecificeerd worden, bijv.: de voorzitter plaatst alle duidelijke gevallen in de betreffende klasse, en alle overigen worden door de gehele commissie beoordeeld. In de toelatingsregeling wordt zo mogelijk ook omschreven hoe de selectie binnen de klasse waar de grens door getrokken moet worden, uitgevoerd wordt, bijv. door het oordeel van de voorzitter of door het lot, eventueel met een verhoogde kans voor vrouwelijke gegadigden.


  Geldigheid van criteria. Wat is in een dergelijke situatie van onderlinge concurrentie op studieprestaties de geldigheid van de selectieprocedure? Het gaat niet om voorspellende geldigheid, zoals eerder betoogd. Veeleer is nu van belang de inhoudelijke geldigheid van de studieprestaties, en dat is te vertalen naar de inhoudelijke geldigheid of de kwaliteit van de afgelegde tentamens. De toelatingscommissie zou haar bevoegdheden kunnen gebruiken om de examencommissie te vragen de gegevens te verstrekken waaruit die inhoudelijke kwaliteit van de betreffende tentamens blijkt. Te denken valt daarbij aan de kwaliteit van de vraagstellingen, en de doorzichtigheid van de toetssituatie, niet aan statistische gegevens (als KR20 waarden). Zie Cohen (1981) en Wilbrink (1983).


Tot slot


in het voorgaande is een overzicht gegeven van wat de wet voorschrijft over de toelating tot de tweede fase opleidingen, en welke details of welke procedures in de door de faculteiten op te stellen toelatingsregelingen opgenomen zouden kunnen worden. Daarbij is gewezen op de problematische kanten van de selectie zoals die bij wet is voorgeschreven, en hoe die eventueel opgevangen kunnen worden door nadere regelen in diezelfde toelatingsregelingen. Een aantal meer technische punten zijn slechts aangestipt, ook al omdat een precieze uitwerking op dit moment en voor alle selectiesituaties niet tot de mogelijkheden behoort.

Het ziet ernaar uit dat de taak van de toelatingscommissie geen eenvoudige is, en het zou een goede zaak zijn wanneer deze commissies in hun werk begeleid zouden kunnen worden door een klein landelijk team van deskundigen, die tevens onderzoek uitvoeren naar de problemen die deze commissies in hun werk ondervinden, zowel als naar de uitstralingseffecten die deze selectie heeft op de studiestrategie van degenen die willen concurreren voor één van de straks zeer schaarse plaatsen in een tweede fase opleiding. Daarbij valt te denken aan een opdracht van het ministerie van 0 & W aan de landelijk georganiseerde RWO bureaus om dit project uit te voeren.

Gerefereerde literatuur


ARVEY, R. D., Unfair discrimination in the employment interview: legal and psychological aspects. Psychological Bulletin, 1979, 86, 736-765.

ASSER, C., Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgurlijk Recht; Algemeen Deel, door mr. P. Scholten. Zwolle, 1974 (3e druk).

BERKEL, Henk J. M. van, 'Over de toelating tot de tweede fase. Problemen en een oplossing. Universiteit en Hogeschool, 1982, 29, 1-15.

COHEN, M. Job, Studierechten in het wetenschappelijk onderwijs. Zwolle: Tjeenk Willink, 1981. (proefschrift R.U. Leiden)

CRONBACH, Lee J., & Goldine C. CLESER, Psychological tests and personnel decisions. London: University of Illinois Press,1965 (1957).

De GROOT, Adriaan D., Selectie voor en in het hoger onderwijs. Den Haag: Staatsuitgeverij 1972.

HOFSTEE, Willem K. B., Psychologische uitspraken over personen; beoordeling, voorspelling, advies, test. Deventer: Van Loghum Slaterus, 1981.

JANSSEN, A. 'Sollicitatie-recht: garanties voor een aanvaardbare sollicitatieprocedure.' Universiteit en Hogeschool, 1974, 21, 45-56. Ook in P. J. Van STRIEN (redacteur) Personeelsselectie in discussie. Meppel: Boom, 1976.

KAHNEMAN, David, Paul SLOVIC, & Amos TVERSKY (editors) Judgment under uncertainty. Cambridge: Cambridge University Press, 1982. (Kahneman kreeg in 2002 voor zijn werk op dit gebied de Nobelprijs voor economie; Tversky was al overleden, anders zou deze hem zeker hebben gedeeld)

NEDERLANDS INSTITUUT VOOR PSYCHOLOGEN, Richtlijnen voor ontwikkeling en gebruik van psychologische tests en studietoetsen. 1978.

VASSILOGLOU, M., & S. FRENCH 'Arrow's theorem and examination assessment. British Journal of Mathematical and Statistical Psychology, 1982, 35, 183-192.

WIEGERSMA, Sies, Over de toelating tot de tweede fase. Universiteit en Hogeschool, 1982, 29, 89-93.

WILBRINK, Ben, Toelating tot numerus fixus studies opnieuw in discussie. Universiteit en Hogeschool, 1980, 27, 179-199. html

WILBRINK, Ben (1983). Toetsvragen schrijven. Utrecht: Het Spectrum, (Hoofdstuk 8: Kwaliteit van toetsvragen). html

WOOD, R., & D. T. Wilson, 'Determining a rank order when not all individuals are assessed on the same basis.' In Leo J. Th. Van der KAMP, Willem F. LANGERAK, & Dato N. M. De GRUIJTER, Psychometrics for educational debates. London: Wiley, 1980.




Latere publicaties op verwante onderwerpen.


Wilbrink, Ben, & Jaap Dronkers (1993). Dilemma's bij de groei van de deelname aan hoger onderwijs. Zoetermeer: reeks Achtergrondstudies van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen. ('s-Gravenhage: DOP) html

Wilbrink, Ben (1997). Opsomming van de discussie over toelating bij numerus fixusstudies. In: Gewogen loting gewogen. Advies van de Commissie Toelating Numerus Fixusopleidingen (voorzitter Pieter J. D. Drenth), 82-89, en Bijlage, 121-203. html

Wilbrink, Ben (1997). Terugblik op toegankelijkheid: meritocratie in perspectief. In Marian van Dyck (Red.) (1997). Toegankelijkheid van het Nederlandse onderwijs. Studies (p. 341-384). Den Haag: Onderwijsraad. html

Wilbrink, Ben (1999). Rechtvaardigheid en selectie voor numerus-fixusstudies. Tijdschrift voor Hoger Onderwijs, 17, 136-152. html

Wilbrink, Ben (2001). Onderwijskwaliteit en fusie-intentie UvA - HvA. Discussienotitie voor de Centrale Ondernemingsraad. Gepubliceerd op de site van de COR UvA. (plus: handout voor discussiemiddag 5 oktober 2001) html

Wilbrink, Ben, Willem van Hoorn, Leo J. Th. van der Kamp, & Jen Algera (1990). Selectie voor politie-officier. De toelating tot de Nederlandse Politie Academie. Amsterdam: SCO. (Rapport 245) html

Wilbrink, Ben (2003). Decentrale toelating, eerste stap naar selectieve toelating HO? Tijdschrift voor Hoger Onderwijs, 21, nummer 1, 47-57. html

Later verschenen


Met de BaMa-structuur is uiteindelijk toch een knip in de studie aangebracht, met alle problemen en gedoe van kiezen en selecteren. Zie voor een voorspellinkje over het gedoen, en recente literatuur:

html





8-2010 \ contact ben apenstaartje benwilbrink.nl

Valid HTML 4.01!  


http://www.benwilbrink.nl/publicaties/83Selectie2eFase.htm